Podiumangst [148]

juni 18, 2018 by  
Filed under artikel, fagot

Het blijft een boeiend onderwerp waarover ik al vaker heb geschreven. Podiumangst. Die onverklaarbare zenuwen die je in de greep kunnen krijgen als je moet optreden op  een voorspeelavond op het conservatorium. Eigenlijk is het niet te verklaren. Je zit met nog 20 mensen in een te grote zaal met een te groot podium. Die 20 kan je gemakshalve in drie groepen verdelen. Ten eerste heb je het publiek. Op de vingers van één hand te tellen. Ten tweede je collega-fagottisten. Die zitten op hun eigen beurt te wachten of zitten uit te blazen omdat hun beurt er al op zit. In beide gevallen luisteren ze amper naar jou. Ten derde heb je de drie docenten, die tamelijk onverstoorbaar voor zich uit zitten te staren. Ze kijken niet bemoedigend als je het podium opgaat en ze laten geen goed- of afkeuring blijken als je het podium weer verlaat. Ja, je vraagt je af, hoe kan je van dit zooitje ongeregeld zo’n podiumangst krijgen. Doet er niet toe, je hebt het.

Ik geef het toe. Ik slikte. Bètablokkers. Twee tabletten per keer. Het is een soort doping. Maar dan in omgekeerde richting. Je praat er niet over. Hoogstens onder elkaar. Hoeveel heb jij geslikt?

Mijn leraar wees mij er vaak op dat ik toch voldoende podiumervaring had. Ik had mijn hele leven college gegeven, soms voor hele grote zalen. Ik had mijn hele leven congressen voorgezeten. Ik had mijn hele leven kleine en grote toespraken gehouden. En daar had ik inderdaad nooit last van podiumangst. Misschien is het ijdelheid, maar ik vond het altijd wel erg leuk om het podium met kwieke tred te bestijgen, een stilte te laten vallen en mijn verhaal met een snedige reactie op de dagvoorzitter te beginnen. Of met een zalige anekdote. Om meteen de sfeer te bepalen. Ik vond het leuk om te zien hoe elk woord, hoe elke zin, hoe elke grap viel in die zaal. En om meteen weer op die reactie uit de zaal te reageren. Ja, zei mijn leraar, je kan het dus wel. Zou ik dan gewoon mijn recital moeten beginnen door de zaal toe te spreken? 

Twee weken geleden rondde ik mijn contractstudie aan het conservatorium af. En ik leerde dat ik de zaal niet moest toespreken. Ik moest zelfs het tegenovergestelde doen: ik moest de zaal negeren. Dat is mijn belangrijkste les van de afgelopen twee jaar.

Bij een toespraak ben je in voortdurende dialoog met de zaal. Je bent permanent alert op de reactie van de zaal. Je past je woorden aan. Je past je timing aan. Je past je grappen en anekdotes aan. En zo krijg je een hele zaal stil. In aandachtige stilte. En soms laat je een hele zaal weer even ontspannen. Maar niet in die mate dat ze de anekdote nog eens gaan navertellen aan hun buurman. Natuurlijk, dat lukt lang niet altijd. Maar het is wel het doel. De zaal aan je lippen. En daarom moet je interacteren met de zaal. 

Bij muziek is dat echt werkelijk anders. Bij muziek kan je niet je verhaal aanpassen aan de reactie van de zaal. Bij muziek moet je vooral spelen wat er staat. En bij voorkeur foutloos. Als het foutloos is, kan je nog eens proberen om je eigen muzikaliteit erin te leggen. Maar ook die muzikaliteit wordt begrensd door wat er staat. Om het als muzikant op een podium goed te doen, moet je de partij dus eindeloos hebben gestudeerd en moet je de concertsituatie vaak hebben nagebootst. Jaap van Zweden zei eens: ik had nooit podiumangst, want ik kende de partij. Ik vrees dat hij helemaal gelijk had. 

Ik heb vaak gespeecht aan de hand van enkele punten op een papiertje. Die punten kregen woorden in interactie met de zaal. Bij muziek staan al die woorden van te voren vast. Alle noten moeten worden gespeeld in het goede tempo. In feite zat mijn podiumervaring mij bij mijn fagot dus in de weg. Ik dacht: ik lul me er ter plekke wel uit. Maar op een fagot kan je niet lullen, maar alleen de goede of de verkeerde noten spelen. 

Op mijn examen begreep ik het eindelijk. Ik had al drie generales achter de rug toen ik het podium betrad. Ik had de composities al meer dan een jaar op mijn lessenaar staan. Beter zou ik de muziek nooit kunnen spelen. En ik werd rustig door me op de muziek te concentreren. Ik maakte een buiging naar het publiek, maar zag het niet. Op mijn vriendin na. En ik speelde. Zo goed mogelijk, zoals ik het allemaal had ingestudeerd. Ja, ik hoorde de stilte in de zaal. Die ervoer ik. Misschien voelde ik me wel gedragen door het publiek. Maar ik ging er geen andere noten van spelen of een ander tempo. Nee, ik concentreerde me op mijn eigen partij. 

Een vriend zei: “Je was erg geconcentreerd”. Maar dat ben ik ook als ik een congres voorzit of een zaal toespreek. Maar dan concentreer ik me op de interactie met de zaal. Nu concentreerde ik me op mijn partij. En ik had het gevoel dat ik mijn podiumangst voor het eerst een beetje onder controle had. Misschien had ik wel met één bètablokker kunnen volstaan. 

Podiumangst

oktober 2, 2016 by  
Filed under artikel, fagot

Volgende week hebben we voorspeelavond, op het conservatorium. Een medeleerlinge vraagt aan Ronald of ze de avond mag openen. Dan is het minder spannend. Ze is nu al zenuwachtig. Ik herken het helemaal. Voor de zomer was mijn eerste voorspeelavond. Toen vielen de zenuwen nog wel mee. Maar bij de tweede avond stond ik te stuiteren op het podium. Weg ademsteun, weg Alexandertechniek. Vreselijk. En toen moest ik mijn toelatingsexamen nog doen.

Ik had het eerder ook gehad, maar lang niet zo erg. Ooit speelden we met Bellitoni Shostakowitch 8. Met die prachtige fagotsolo. Met die twee hele hoge noten. De dirigent nam het tempo lekker hoog en op het eerste concert liet ik slechts twee donkere krakken horen, niks geen hoge noot. Ik vervloekte mezelf. Ik was te zenuwachtig geweest. En dan te bedenken dat ik dat concert nog tweemaal moest herhalen.

Bij toeval mocht ik de volgende middag een zaal met onderzoekers toespreken. Geen idee wat het onderwerp was. Ik weet wel dat ik dat optreden gebruikte om in het openbaar weer rustig mijn verhaal te kunnen doen. Zoals ik die solo in Shostakowitch 8 zou moeten spelen. Ik wist dat ik geen moeite had om in het openbaar te spreken. Na al die jaren college geven. En na al die congreszalen. Maar waarom slaan de zenuwen dan wel toe bij een concert van amateurs en niet bij een speech in een grote zaal?

Ik heb me dat rondom mijn toelatingsexamen weer langdurig afgevraagd. Al heb ik het voorzichtige gevoel dat ik de ergste zenuwen inmiddels de baas ben. Maar dat moet je nooit te snel zeggen. En zeker niet hardop.

Jaap van Zweden zei het in een documentaire dit voorjaar heel duidelijk: als je goed gestudeerd hebt, hoef je nooit meer zenuwachtig te zijn. Het kan zeker een verklaring zijn. Ik beheers de onderwerpen van mijn speeches beter dan mijn fagot. Dat geeft wel hoop voor de toekomst. Heel hard studeren en de zenuwen zullen vanzelf minder worden. Er is ook een andere oplossing: speel eens een compositie waar je technisch echt boven staat. Niet iets groots, maar gewoon iets lulligs. Toch kan ik me een citaat van Brian Pollard herinneren die de theorie van Jaap van Zweden nogal ondermijnt. Brian vertelde dat hij vreselijk bang was voor het Vader Jacob-thema uit Mahler 1. Omdat iedereen elke fout meteen zou horen. Technisch moet dat voor de grote Pollard toch geen enkel probleem zijn geweest.

Een andere verklaring heb ik opgedaan uit het boek Podiumangst van Liesbeth Citroen en Martine van der Loo. Als je praat in het openbaar kan jezelf je tempo bepalen en, met name, je eigen rusten inbouwen. Voor een moeilijk woord kan je de tijd nemen. Maar in de muziek is het tempo voorgeschreven en speel je bovendien vaak samen met anderen. Die solo in Shostakowitch 8 komt er onherroepelijk aan. En de dirigent bepaalt het verschrikkelijke tempo waarin je dat ding moet spelen. Samenspelen met één pianist is vanzelfsprekend eenvoudiger. Zo weet je bij Jaap Kooi van het Conservatorium in Amsterdam dat hij je altijd volgt, ook al sla een pagina over. Maar die wetenschap is niet genoeg. Want je weet dat je die pagina niet mag overslaan.

Het zoeken naar perfectie dat zo eigen is aan de professionele wereld, biedt zicht op een derde verklaring. Ik weet het: ik ben amateur en blijf altijd amateur. Maar ik heb nu wel als contractstudent de beste fagottisten als leraar en ik vertoef tussen allemaal studenten die ooit dat niveau willen halen. En wie geen fouten mag maken, wordt eerder zenuwachtig. Zo wordt ons steeds verteld: als je op het proefspel de partij niet foutloos kan spelen, ben je al afgewezen. De druk op foutloos spelen is dus enorm. En foutloos spelen is niet de kracht van de amateur. Maar ik moet niet zeuren. Anders had ik me daar maar niet moeten laten inschrijven. Nee, ik zeur niet. Ik geniet dagelijks.

Mijn vierde verklaring ligt in het verlengde van de vorige. In mijn vak, de sociale wetenschappen, zijn goed en fout onbruikbare begrippen. Het ene artikel is interessanter, informatiever of eleganter dan het andere. En elk onderzoek kent zijn fouten. Ook waardevrij onderzoek bestaat niet. Daarom kan je in mijn vak lang discussiëren over de waarde van een boek of van een artikel. In de muziek en zeker op het conservatorium ligt dat anders. Natuurlijk kan je ook discussiëren over de interpretatie van Yo Yo Ma of van Danielle Gatti. Maar op het conservatorium zijn de meeste studenten geen Yo Yo Ma of Danielle Gatti. En zullen dat ook nooit worden. Daar is het volstrekt helder of er wel of geen fout wordt gemaakt. En daar kan je aardig zenuwachtig van worden.

Maar misschien is de belangrijkste verklaring wel een andere: muziek is persoonlijk, muziek raakt je. Ook al weet je die gevoelens door een gebrek aan techniek niet over te brengen. In ieder geval ben ik veel naakter als ik met een fagot op een podium sta dan met een microfoon. Ik probeer mijn eigen gevoelens in de muziek te laten doorklinken. En als dat mislukt, blijven er alleen maar noten over. Terwijl woorden genoeg zijn voor een goede speech, zijn noten voor een goed concert onvoldoende.

[column voor De Fagot]