#ProRail zou jaloers op #Rijkswaterstaat moeten zijn

augustus 27, 2016 by  
Filed under artikel

Pier Eringa lijkt me een leuke man. Hij poseerde vanmorgen in de Volkskrant, inclusief laarzen, overhemd en een rommelige werkbroek. Hij zit duidelijk op zijn plaats als baas van ProRail. Intern pookt hij zijn tent fors op. En extern geeft hij ProRail langzamerhand een betrouwbaar imago. Oké, het is nog niet allemaal op orde bij ProRail, maar aan Pier zal het niet liggen.

Zijn charme-offensief van vanmorgen had overigens wel een duidelijk doel. ProRail wil zijn zelfstandigheid niet kwijt. En dat laatste dreigt wel. Staatssecretaris Sharon Dijksma wil ProRail weer terugbrengen onder de vleugels van het departement. En Pier vindt dat niks. En de interviewer van de Volkskrant geeft hem alle ruimte om dat ons te laten weten. Helaas ontbreekt één vraag: waarom zou ProRail op grotere afstand van de overheid moeten staan dan Rijkswaterstaat? Of om het vileiner te stellen: over wie heeft de burger meer te klagen, over ProRail of over Rijkswaterstaat?

Ja, waarom zou ProRail eigenlijk een andere positie moeten hebben dan Rijkswaterstaat? Waarom wordt ProRail niet gewoon een agentschap, als uitvoerende dienst van de Rijksoverheid? Ik zou één goede reden kunnen bedenken om dat niet te doen. En die is gelegen in de moeizame relatie tussen ProRail en de Nederlandse Spoorwegen. Ooit was ProRail (met een andere naam) gewoon een onderdeel van NS. Toen kwam de marktwerking op het spoor. En werd het onlogisch om de belangrijkste vervoerder (NS) ook het beheer van het spoor te laten doen. Hoe logisch de splitsing ook was, vanaf dat moment waren de poppen aan het dansen. Een gebrek aan communicatie tussen ProRail en NS verstoorde de treinenloop bijna dagelijks en het zwartepieten tussen ProRail en NS nam soms gênante vormen aan. De treinreiziger was er in ieder geval niet mee geholpen. Achteraf zou je zeggen: waarom hebben ze die twee ooit uit elkaar gehaald?

Toch is het te laat om alles weer terug te draaien. Ruim 40 verschillende vervoerders brengen hun vrachtje rond op het spoornet en ik vertrouw het NS niet toe om dat spoornet een beetje rechtvaardig over die 40 vervoerders te verdelen. Bovendien laten andere vervoerders zien, denk aan Arriva op veel kleine lijntjes, dat ze de klant beter kunnen bedienen dan de nog altijd logge NS. Dus laten we het netbeheer maar niet meer aan die jongens teruggeven.

Dan resteert slechts de vraag: wat doen we met ProRail? Laten we dat lekker zelfstandig ons spoornet beheren of moet het spoornet net zo worden beheerd als het wegennet? Pier Eringa geeft wel een heel mooi argument om hem zo snel mogelijk onder de vleugels van het departement te brengen. Hij zegt namelijk: “Elke week op het matje, da’s niks”. Nee, dat is inderdaad niet prettig. Maar als de staatssecretaris steeds weer in de Kamer op het matje wordt geroepen vanwege het niet-goed functioneren van ProRail, zou ik niet weten waarom Pier Eringa niet elke week op het matje zou hoeven komen. Het gaat wel om heel veel publiek geld. En ook als ProRail soms binnen het budget blijft, blijft het nog steeds allemaal geld van de belastingbetaler. Niks mis mee dat Sharon meekijkt.

Overigens voert Pier een achterhoedegevecht. Hij weet heel goed dat het departement van Infrastructuur en Milieu al jaren in de weer is om de touwtjes aan te trekken. Alle grote uitgaven van ProRail moeten sinds een paar jaar door de staatssecretaris worden goedgekeurd. Dat lijkt me allemaal geen lolletje voor Pier. Het zou me niet verbazen als de directeur-generaal van Rijkswaterstaat meer vrijheid heeft dan die hele Pier. Het zegt al veel dat RWS helemaal niet uit is op een fusie met ProRail. Ze behouden liever hun goede imago en hun eigen vrijheid binnen het departement dan verantwoordelijk te worden voor al die vastgevroren wissels, al die herfstblaadjes, en al het ongemak van een opgewonden staatssecretaris.

Pier, nog één argument. Stel dat je gewoon het kleine broertje wordt van Rijkswaterstaat. Zou het dan niet logisch zijn dat jij, in plaats van de beleidsafdeling, ook de concessies met al die vervoerders gaat beheren? Dat jij afspraken mag maken met NS over de prestaties die zij moeten leveren? En dat NS aan jou de boete moet betalen als hun punctualiteit te laag is? Dan zou je eindelijk een echte netbeheerder worden. Ik zou het wel weten.

 

[verschijnt op 30 augustus 2016 in de Volkskrant]

Zou #IenM weten waarom @WilmaMansveld weg moest

oktober 31, 2015 by  
Filed under artikel

In het vroege voorjaar bood ik de secretaris-generaal van IenM een rapport aan. Met een commissie had ik het toezicht van het departement op de (eigen) zelfstandige bestuursorganen en op ProRail onderzocht. Het rapport werd vriendelijk in ontvangst genomen. Sinds die tijd hoorde ik niets meer. In september lekte het rapport naar de pers. Reden voor de minister om het rapport (alsnog) naar de Kamer te sturen. De Kamer reageerde attent met een spervuur aan vragen. Niet zo verwonderlijk als het toezicht op ProRail onderdeel uitmaakt van het onderzoek.

Ook het gedrag van het Ministerie van IenM was helaas vrij voorspelbaar. Verkeer en Waterstaat, de voorganger van IenM, en ‘onder de pet houden’ vormden al eerder een unieke combinatie. Desondanks werd het rapport als een ‘intern rapport’ aangemerkt en leek niemand het initiatief te nemen om actie te ondernemen. Toch springt het antwoord van de minister op de Kamervragen nog het meest in het oog. Met veel omhaal van woorden zegt de minister dat ‘ze zich niet herkent in de conclusies van het rapport’.

Die conclusies waren vriendelijk verwoord. Ik zal ze in mijn eigen woorden herhalen: het toezicht op de zbo’s en op ProRail was gewoon onvoldoende. Ik geef het toe: geen opvallend conclusie voor iemand die zo af en toe een krant leest. Toch herkent de minister zich in die conclusie niet. En te vrezen valt dat het hele departement zich in die conclusie niet herkent.

Ik heb met veel genoegen met anderen dat rapportje geschreven. Als commissievoorzitter weet je dat je rol is uitgespeeld als het rapport is aangeboden. Het is ook aan de politiek om te bepalen wat ze met je onderzoek willen doen. Allemaal goed. Maar hier is toch wel plaats voor een moment van verbazing. In dezelfde periode dat een staatssecretaris naar huis wordt gestuurd vanwege een gebrek aan toezicht vanuit het departement, herkent de minister zich niet in een simpel rapportje waarin enige vraagtekens worden geplaatst bij datzelfde toezicht. Zou men op het departement wel weten dat die staatssecretaris is vertrokken? En zo ja, zou men eigenlijk weten waarom die staatssecretaris weg moest? Het department is toch niet zo in zichzelf gekeerd zijn, dat ze dat allemaal niet weet?

Laat ik eerlijk zeggen: ik was aanvankelijk niet heel erg gemotiveerd voor het onderzoek. De secretaris-generaal is ‘eigenaar’ van de zbo’s van het departement (denk aan Kadaster, Luchtverkeersleiding, Rijksdienst voor het Wegverkeer, Centraal Bureau Rijvaardigheid en nog een aantal kleinere organisaties) en van ProRail en in die hoedanigheid houdt hij toezicht op hen. Daarnaast is een directeur-generaal op het departement ‘opdrachtgever’ van diezelfde organisaties. Mijn opdrachtgever was de secretaris-generaal in zijn hoedanigheid van ‘eigenaar’.

Niettemin was mijn interesse voor het onderwerp na het eerste gesprek met een bestuurder van één van deze organisaties meteen gewekt. Een uur lang klachten en irritatie. Over het toezicht vanuit het departement. In totaal werden 35 gesprekken gevoerd. De belangrijkste voerde ik mede zelf. Zo sprak ik de bestuurders van de grote zbo’s, voorzitters van de Raden van Toezicht en toppers van ProRail. En overal die irritatie en die klaagzangen over het departement. Dat het departement niet weet wat het toezicht zou moeten inhouden. Dat het departement vooral weet hoe vaak er overleg moet zijn, maar niet weet wat er dan moet worden besproken. Dat het departement vooral veel papier wil, maar weet niet hoe al dat papier moet worden gelezen. Dat het structureel onduidelijk is wat de Raad van Toezicht moet doen, wat de opdrachtgever moet doen en wat de eigenaar moet doen. In de praktijk lopen de rollen van opdrachtgever en eigenaar bovendien door elkaar.

De belangrijkste conclusie van mijn conclusie is dan ook dat we eigenlijk niet kunnen vaststellen of het toezicht aan de maat is. Als het departement niet weet waarop het toezicht wenst te houden en wanneer de zaak ‘in control’ is, kan niet één commissie vaststellen of het toezicht voldoet. Je kan het een vriendelijke conclusie noemen, je kan het ook een cynische conclusie noemen.

Bovendien melden alle zbo’s dat er vooral sprake is van incidentenmanagement. Als de minister of de staatssecretaris in gevaar is, komt de directeur-generaal plotseling wel op bezoek. En bepaalt het departement wat er moet gebeuren. En algemeen is de klacht dat ze de topambtenaren, laat staan de bewindspersonen, niet zien als er gewoon ‘toezicht’ moet worden gehouden.

Een aantal gesprekspartners was nieuw voor mij, een aantal had ik eerder zijdelings of uitgebreid leren kennen. In alle gevallen viel het me op hoe oprecht de irritatie was. Natuurlijk waren boodschappen vooraf met elkaar afgestemd. Dat ben je bij zo’n evaluatiecommissie wel gewend. Maar die irritatie was niet gespeeld. Eigenlijk wilde men (opvallend genoeg) maar één ding: goed toezicht vanuit het departement.

Misschien was één wens nog dominanter: duidelijkheid over de onderlinge verantwoordelijkheden. Al die mensen wilden weten wie nou waarvoor verantwoordelijk is. Twintig jaar geleden zijn al deze organisaties op afstand geplaatst, in een tijd van verzelfstandiging en marktwerking. Sindsdien zijn de departementen (vaak gedwongen door de politiek) hun grip op de organisaties weer gaan versterken. Het gevolg is dat inmiddels onduidelijk is wat de rol van het departement is, wat de rol van de Raad van Toezicht is (en zeker wat hun onderlinge verhouding is) en welke vrijheden en verantwoordelijkheden de bestuurders nog hebben. En tegelijkertijd hebben de departementen niet meer de kennis om het toezicht op de zbo’s effectief uit te voeren.

We weten het allemaal. We hoeven daarvoor ook geen schuldigen aan te wijzen. Dingen gaan soms zoals ze gaan. Maar om als minister dan doodleuk aan de Kamer te melden dat je je ‘niet herkent’ in de conclusies van de commissie, dat gaat me toch wat ver. Vooral omdat ik bang ben dat het zo nooit beter wordt.

Of moeten we zelfs vrezen dat ze naar waarheid heeft geantwoord?