Een prachtig eerbetoon aan Max van der Stoel @AnetBleich

mei 14, 2018 by  
Filed under artikel

Wat een prachtig eerbetoon aan Max van der Stoel, die biografie van Anet Bleich.  Zorgvuldig, goed gedocumenteerd, evenwichtig en goed geschreven. Ik heb het niet alleen met veel plezier gelezen; het heeft mijn bewondering voor Van der Stoel ook doen toenemen. Een staatsman, van on-nederlandse allure.

Waren we ons dat in die tijd echt bewust? Hoeveel Van der Stoel in de wereld heeft betekend voor de democratie en voor minderheden. Voor de mensenrechten. Dat Van der Stoel als een held in Griekenland is onthaald. Dat er een straat naar hem zijn vernoemd in Tsjechië? Waarom hebben we hem nooit op die manier in Nederland geëerd? Omdat wij niet van politieke helden houden? Of hebben we echt nooit goed beseft hoever hij uitstak boven de rest?

Misschien is nog wel pijnlijker dat Van der Stoel, achteraf gezien, vaak heel erg gelijk heeft gehad. Misschien was hij soms wat te aarzelend, maar in de internationale diplomatie gaat zorgvuldigheid boven haast. Misschien was hij soms iets te Atlantisch, maar dat kwam ook omdat zijn afkeur van dictaturen zowel voor rechtse als voor linkse dictaturen gold. Hoe juist, zouden we nu zeggen.

Veel van zijn inzichten blijken achteraf in ieder geval veel houdbaarder dan de gemakkelijke standpunten die veel van zijn ‘linkse’ tegenstanders innamen. Erkenning van de DDR. Uittreden uit de NATO. Kernwapens de wereld uit, te beginnen uit Nederland. En omdat Van der Stoel daarover allemaal veel genuanceerder en wijzer dacht, noemde kamerlid Relus ter Beek hem bot ‘kleurloos’. En dat hebben we eigenlijk met zijn allen gewoon laten gebeuren.

Nu zouden we zeggen dat Van der Stoel een heldere, herkenbare visie had. En dat niet alleen. Het is verrukkelijk om in Bleich’s biografie te lezen hoezeer Van der Stoel het politieke handwerk verstond. Misschien is dat op het internationale toneel nog wel veel belangrijker dan in Den Haag. Hier kan nog wel eens geblunderd worden, daar wordt elk klein foutje afgestraft. Van der Stoel was een meester in het politieke handwerk, en werd daarbij bepaald niet altijd door zijn conservatieve departement gesteund. Ja, ook daar verstonden ze het handwerk, maar soms wel tegen de orders van de eigen minister in. 

In 1981 was het verrassend dat Van der Stoel (nog even) terugkwam als minister van Buitenlandse Zaken. Dat was in feite te danken aan één man: Joop den Uyl, zijn oude makker van de WBS uit de jaren 50. En natuurlijk zijn politiek leider en de premier in zijn vorige kabinet. In de PvdA genoot Van der Stoel weinig steun. Pijnlijk, pijnlijk. Het was de tijd dat PvdA-voorzitter Ien van den Heuvel met (VARA-man en lid van het partijbestuur van de PvdA) Jan Nagel naar Oost-Berlijn gingen, waar Nagel de historische woorden sprak dat de Berlijnse Muur “historisch gezien juist was”. Tenenkrommend. Ook toen al. Maar toch. Bij velen bestond in die tijd werkelijk het idee dat die Van der Stoel te conservatief was, niet geschikt was voor Buitenlandse Zaken. Wat is Van der Stoel in die tijd miskend. En wat is het rechtvaardig dat hij nu met deze prachtige biografie wordt geëerd. 

Dankjewel, Anet Bleich!

Links en progressief waren we

december 13, 2016 by  
Filed under artikel

Wat waren we links en wat waren we progressief. In mijn studentenjaren. Het was allemaal oh, zo duidelijk. Als je links was, wilde je verandering. Op weg naar een betere samenleving. Vooral voor de arbeiders. Links en vooruitstrevend waren dan ook synoniemen. Hoe anders is dat nu. De SP wil al jaren niets meer veranderen aan de verzorgingsstaat. Verkregen rechten moeten worden behouden. Maar de SP komt wel nadrukkelijk op voor de arbeidersklasse. En is daarom links. 50Plus komt op voor de verkregen rechten van de ouderen en is in de beleving van velen gewoon ‘rechts’. De VVD meent dat flexibele banen de toekomst hebben, maar Asscher wil de onderbetaalde schoonmakers meer zekerheden bieden. Is Asscher daarom conservatief en de VVD progressief? Wie komt hier op voor de kansarmen? Ja, sommigen spreken al over ‘links conservatief’. ‘Rechts progressief’ zal ook wel bestaan. Het valt niet te ontkennen: D66 roept al jaren dat de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ achterhaald zijn. Of is die conclusie te voorbarig.

Laten we eerst maar eens vaststellen dat het onderscheid tussen links en rechts ook in mijn studentenjaren minder eenduidig was dan ik hierboven suggereerde. Natuurlijk was ‘iedereen’ links en progressief. Zelfs het kabinet was het linkste kabinet dat we ooit in de geschiedenis hadden gehad. Maar in Groningen was ook de Groninger Studentenbond links en progressief. Gesteund door de CPN. En autoritair tot op het bot.

Bovendien was het links-rechts-denken van de jaren 60 en 70 ook maar een momentopname. Voorheen hadden links en rechts een geheel andere connotatie gehad. Lange tijd werden, met name in gemeenten, de confessionele partijen als de rechtse partijen aangeduid en de overige als de linkse. De confessionelen kozen voor behoud en waren conservatief, terwijl de liberalen en de socialisten verandering wilden, vooruitstrevend waren. Was het niet de Anti-Revolutionaire Partij die de Franse Revolutie principieel afwees?

Halverwege de twintigste eeuw verschoven de panelen. De liberalen raakten in conservatiever vaarwater, terwijl de confessionele partijen naar het midden lonkten. De ARP van Aantjes probeerde van het confessionele blok zelfs een progressief blok te maken, confessionele politiek zou christelijk-sociaal moeten zijn. Maar dat werd het CDA nooit. Wel nestelde het CDA zich lange tijd in het centrum van de macht. Het is opvallend dat het CDA van Buma langzaam weer de aloude conservatieve positie begint op te zoeken. Dat Buma zelf van Christelijk-historische huize is, heeft daar ongetwijfeld mee te maken.

Met de confessionele partijen in het midden werd het links-rechts-schema van de jaren 60 en 70 dominant. Je was links als je opkwam voor de arbeider. Je was links als je opkwam voor gelijke kansen, omdat de kansen op succes in de samenleving zo ongelijk waren verdeeld. Je was links als je de ‘onderkant’ zekerheid wilde geven. Je was links als je de gezondheidszorg niet alleen op risicosolidariteit, maar ook op inkomenssolidariteit wilde baseren. En je was rechts als je dat allemaal niet wilde. Ik geef toe: het was een fraai staaltje framing van links om de eigen politiek vooruitstrevend te noemen. Links wilde een betere wereld, rechts dacht alleen maar aan behoud van de eigen voorrechten.

Dat heldere onderscheid tussen vooruitstrevend links en behoudend recht werd steeds minder houdbaar naarmate de verzorgingsstaat op de tocht kwam te staan. Het ging plotseling niet meer om het verwerven van zekerheden, maar om het verdedigen van verworven zekerheden. Alsof ‘rechts’ plotseling wakker was geworden en had beseft dat niet alleen ‘links’ het prerogatief heeft van een ideale samenleving. Rechts ging zijn eigen neo-liberale samenleving vormgeven. En zo gingen we van nivellering naar denivellering. En van bestaanszekerheid naar flexibilisering. Alles in het teken van de economische groei, en waar die groei neersloeg leek minder belangrijk te worden. Zo werden met name de verschillen in vermogens steeds groter.

Inmiddels was de samenleving op drift geraakt. Veel arbeiders kwamen terecht in het ‘brede maatschappelijke midden’, naar een term van de socioloog Jan Berting. Veel arbeiderskinderen kwamen via de universiteit nog hoger uit. En zo raakte links niet alleen in het defensief omdat de aanval op de verzorgingsstaat was ingezet. Links raakte ook zijn natuurlijke achterban kwijt, waarvoor al die zekerheden waren bedongen.

Niet dat de ‘onderkant’ van de samenleving verdween, want de ontstane ruimte werd door nieuwkomers uit het buitenland weer opgevuld. We noemden ze eerste etnische minderheden, daarna allochtonen en nu moeten we spreken over ‘mensen met een migratie-achtergrond’. Omdat we niet mogen stigmatiseren. En zo moest ‘links’ zich gaan verhouden tot een nieuwe achterban. Een nieuwe klasse ‘waarvoor wij het allemaal deden’. Omdat de arbeiders altijd op de Partij van de Arbeid hadden gestemd, zouden Marokkanen en Turken dat ook weer moeten doen. Ruimschoots werden plaatsen op kandidatenlijst voor hen gereserveerd, zonder dat altijd even duidelijk was hoe ‘links’ de betreffende kandidaten werkelijk waren.

In deze ontwikkeling ligt de kiem voor twee nieuwe breukvlakken besloten. Zo verschoof ten eerste het accent bij ‘links’ naar immateriële en culturele thema’s, nu de ‘sociale kwestie’ opgelost leek. De arbeiders waren immers vervangen door een netjes in het pak gestoken middenklasse die bij banken werkte, bij verzekeringsbedrijven en bij de overheid. Van blue collar naar white collar. Abortus, euthanasie, het homohuwelijk, de vrouwenemancipatie, milieu en niet te vergeten de democratie, het waren de nieuwe thema’s waarop je je kon onderscheiden. Rechts was tegen, links was voor. D66 en GroenLinks zijn hier bij uitstek de partijen die zich links betonen, de confessionele partijen zijn vooral op de ethische kwesties heel behoudend. Vanwege haar liberale gedachtengoed zou de VVD hier links en vooruitstrevend moeten zijn, maar de eigen achterban is eerder conservatief dan liberaal. Ook de PvdA kent die halfslachtigheid. De partijtop, die soms eerder liberaal is dan socialistisch, zou graag links willen zijn in immateriële kwesties, terwijl de traditionele achterban daarmee weinig op heeft. Daarom is de PvdA altijd zo blij als ze kan terugvallen op het oude links-rechts-schema van gelijke kansen en bestaanszekerheid voor iedereen.

Met name in de laatste decennia heeft zich een vierde breukvlak gemanifesteerd. Kosmopolitisme versus nationale eigenheid. De globalisering heeft velen onzeker gemaakt en heeft de positie van velen ook daadwerkelijk verzwakt. De onzekerheid zoekt een zondebok en heeft die gevonden bij de migranten en bij Europa. Het Oekraïne-referendum laat zien dat er vele zijn die zich verzetten tegen een verdere ‘uitverkoop’. Nee, ze willen de klok zelfs nadrukkelijk terugdraaien. We moeten uit de euro, de grenzen moeten dicht, er moeten ‘minder Marokkanen’ komen en Zwarte Piet moet pikzwart blijven.

Op deze links-rechts-as staan PVV en D66 fel tegenover elkaar. D66 is de partij van het optimisme, van het kosmopolitisme dat de eigen achterban veel goeds heeft gebracht. De PVV is de partij van de angst en van de verliezers van de globalisering of op zijn minst van mensen die zich een verliezer wanen. Een liberale VVD zou niet anders kunnen dan hier links te zijn. Voor open grenzen, voor Europa. Maar de partij is zo bevreesd rechtse kiezers te verliezen dat ze nadrukkelijk tegen de PVV aan schuurt. De SP heeft de traditionele achterban van de PvdA hier wellicht het beste begrepen. Het stilzwijgende verzet van de SP tegen de Polen en tegen de migranten in het algemeen, sloot in ieder geval beter aan bij het Volksempfinden in de volksbuurten dan het multiculturalisme van Ed van Thijn. Intussen juichen Frans Timmermans en Jeroen Dijsselbloem over de zegeningen van Europa, terwijl wethouder Marnix Norder zich beklaagt over de ‘tsunami van Polen’ in zijn stad. Op deze nieuwe links-rechts-as is de PvdA op zijn minst al jaren in verwarring. Dan is het moeilijk om verkiezingen te winnen.

Wat is nu links, wat is nu rechts? Wat is progressief en wat conservatief? Ik trek drie conclusies.

Eén: er is niet één links-rechts-dimensie, maar er zijn er zeker drie in de hedendaagse politiek.

Twee: die drie dimensies overlappen elkaar nog maar nauwelijks. Ik ken geen partij die in alle opzichten links of rechts is, of het zou GroenLinks moeten zijn. Ook de PVV is zeker niet alleen maar rechts. De partij trekt naast de kaart van de nationale eigenheid, immers steeds vaker de kaart van de bestaanszekerheid. Daarmee schuiven SP en PVV ook naar elkaar toe. Links is geen ijkpunt meer. En rechts evenmin.

Drie: de begrippen links en rechts vallen niet meer samen met progressief en conservatief. Links wil soms alleen maar behoud (van bestaanszekerheid), rechts wil vaak grote veranderingen. En in die kringen worden veranderingen in de richting van een neoliberale samenleving als zeer vooruitstrevend gezien. En waarom zouden ze dat begrip daarvoor niet mogen hanteren? Wat vooruitstrevend is maakt ieder voor zich uit. Links is in ieder geval niet meer synoniem met verandering, en rechts geenszins met behoud. Het heeft dus nog maar weinig zin om blijmoedig links en progressief te zijn. Zoals we dat in de jaren 70 deden. Links zijn is geen ijkpunt meer. Progressief zijn al evenmin.

De PvdA moet terug naar de achterban

november 22, 2016 by  
Filed under artikel

Wat er in de steden is gebeurd is symptomatisch voor de PvdA. Ideologisch is de partij meegegleden met het denken in termen van globalisering en met het neo-liberale denken van de bovenkant. Het waren ook de mensen met wie de partijleiding zich met meest omringde. Tegelijkertijd verschoof de traditionele achterban naar de conservatieve hoek. Althans naar de hoek die in de neo-liberale tijd als conservatief werd gezien. Bovendien werd een deel van de traditionele achterban chagrijnig, omdat ze steeds maar werden gepasseerd door al diegenen die op de golven van de globalisering hier een plekje zochten dan wel een baan. Daarmee keerden ze zich al snel tegen immigratie en tegen het Europa van de Polen. En dat was tegen het zere been van de spraakmakende gemeente binnen de PvdA. Wij waren voor immigratie, wij waren voor Europa. En wie daar anders over dacht kon beter overstappen naar een andere partij.

Natuurlijk, ik ken het debat in de PvdA. Ik weet dat er steeds weer geprobeerd is om het immigratiestandpunt te ‘verharden’. Ik weet dat Job Cohen de wet door de Kamer heeft gekregen die de instroom van immigranten aanzienlijk indamde. Ik weet dat velen zich hebben verzet tegen de gevolgen van het neo-liberale denken voor de zorg, voor het onderwijs en noem maar op. Ik heb de Joop den Uyl-lezing van Wouter Bos heel goed verstaan, waarin hij terugkwam van een te enthousiast marktdenken. En ik weet dat er ook binnen de PvdA is gediscussieerd over Europa. Maar niet fundamenteel genoeg en de beleidswijzigingen waren dan ook te marginaal. Men bleef uiteindelijk toch geloven dat een voorkeur voor Europa, een voorkeur voor immigratie en een voorkeur voor het neo-liberale denken heel goed aansloot bij het progressieve gedachtengoed. Het was Bram Peper die Wim Kok liet spreken over het afschudden van de ‘ideologische veren’. Ja, in feite is het op dat moment al misgegaan. En zo is de PvdA een partij geworden die het liefst het optimistische levensgevoel van D66 zou willen verspreiden, maar daarvoor intern toch te fundamenteel chagrijnig is om die rol met verve te kunnen spelen.

En zo staat de PvdA op 10-15 zetels in de peilingen. En zo weet de PvdA niet hoe om te gaan met het Oekraïne-referendum. En zo blijft de PvdA nog steeds vol onbegrip over elke stem tegen Europa, elke stem tegen de euro en elke stem tegen de komst van asielzoekers. Het ging ons toch om de internationale solidariteit? Dat Europa weinig met internationale solidariteit te maken heeft, lijkt elke andere partij te begrijpen. Alleen de PvdA gaat de Europese verkiezingen in met de versleten leus ‘sterk en sociaal’, terwijl we allemaal weten dat Europa staat voor een hard neo-liberaal economisch standpunt. Brussel is er niet voor de maatschappelijk zwakkeren.

Maar waarom zou je vasthouden aan je traditionele achterban, als jezelf progressief bent gebleven en de achterban hardhollend conservatief is geworden? Dit is de kernvraag voor de PvdA. En voor de hele progressieve beweging in de Westerse wereld.

Er is niet één antwoord op die vraag. Je ziet het aan Diederik Samsom, die plotseling avances maakt in de richting van GroenLinks. Nu moeten andere partijen wel uitkijken als de PvdA avances maakt. Dat kan er vooral op duiden dat de PvdA in zwaar weer verkeert. Het kan er ook op duiden dat de PvdA weer even snel zal zijn verdwenen als de peilingen beter worden. Quod non. Maar die avances richting GroenLinks zijn in ieder geval geen echte herijking van de positie. Het is de bevestiging van het gevoel dat ‘wij’ goed zitten en onze traditionele achterban verkeerd. GroenLinks is immers de partij van de yuppen, van de succesvollen met het progressieve levensgevoel. [Ik geef toe: dit is een vorm van framing, maar mijn bewering is niet geheel onjuist.]

Waarom zou je vasthouden aan je traditionele achterban, als jezelf progressief bent gebleven en de achterban hardhollend conservatief is geworden? Ik ben lange tijd ook geneigd geweest om het blije progressieve levensgevoel te volgen en die achterban vooral zijn conservatisme te verwijten. Totdat ik ging beseffen dat het ongemak van de traditionele achterban een fundamenteler antwoord behoeft. Want als het hoogste doel van de sociaal-democratie ‘een fatsoenlijk bestaan voor iedereen’ inhoudt, zoals het beginselprogramma het formuleert, waarom zou het fatsoenlijk bestaan van de traditionele achterban ons dan niet ter harte gaan? Hun inkomens blijven achter, en vooral hun vermogens blijven achter, ze zijn onzeker door het verdwijnen van banen, ze voelen zich bedreigd door immigranten, die op zijn minst in hun perceptie hun banen afpakken. Ja, ze discrimineren misschien ook wel, ze zijn misschien wel tegen het homohuwelijk, ze zien in abortus en euthanasie niet grootste verworvenheden van deze progressieve samenleving. Maar hebben ze daarom geen recht op een fatsoenlijk bestaan?

Ik ben socioloog genoeg om niet meteen mee te gaan in verhalen over de boze blanke man. De steun voor Brexit, de steun voor Le Pen, de steun voor Trump, de steun voor Wilders, de steun voor Petry is veel complexer. Maar die steun is er wel. En die steun heeft ongetwijfeld te maken met onzekerheid, met het idee geen grip meer te hebben op de snelle ontwikkelingen om ons heen.

Ja, ik kan begrijpen waarom Europa vele migranten binnenlaat en doorstuurt naar Duitsland en Nederland. Ja, ik kan begrijpen waarom Griekenland veel geld kost aan Europa. Ja, ik kan de gedachte begrijpen dat meer internationale handel uiteindelijk ten goede zal komen aan de welvaart op wereldniveau. Ja, ik weet zelfs dat de internationale handel van de afgelopen decennia de wereld-armoede aanzienlijk heeft teruggedrongen.

Maar ik weet ook dat in Amerika de hele welvaartswinst van de laatste decennia ten goed is gekomen aan de rijken. Ook aan Hilary Clinton, die de verliezers van de globalisering zo pijnlijk en zo onheus als deplorables heeft afgeschilderd. Ik weet ook dat grote groepen in Nederland niet profiteren van de bloeiende kenniseconomie die geen grenzen kent. Ik weet ook dat de florerende steden onbereikbaar zijn geworden voor velen, omdat de prijzen van de huizen te hoog zijn gestegen. Ik weet ook dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt ertoe leidt dat de lonen aan de onderkant onderuit zijn gegaan. En ik weet ook dat alle cultuursubsidies, die oh zo belangrijk zijn voor onze nationale identiteit en voor de aantrekkelijkheid van steden, aan hele volksstammen voorbij gaan. Ja, dank u, de Nationale Opera heeft wereldwijd aanzien.

Die achterban is er dus nog wel, alleen hij stemt niet meer op de PvdA. En de PvdA heeft zich jaren te weinig om die achtervan bekommerd. Dat zou snel moeten veranderen.

Maar bekommeren is iets anders dan achter een groep aan lopen. Jacques Monasch zei laatst wijze dingen in een interview met de Volkskrant. Hij bekommerde zich wel om de oude achterban. Maar tegelijkertijd ben ik bang dat hij als volbloed politicus die herwonnen achterban te veel naar de mond wil praten. Dat hij tegen Europa is, omdat de achterban tegen Europa is. Dat hij voor beperking van de immigratie is, omdat de achterban tegen immigratie is. En dat hij tegen vrijhandelsakkoorden is, omdat de achterban bang is voor het buitenland.

Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Het gaat niet aan dat de PvdA de achterban naar de mond praat, de PvdA moet zelfstandig oordelen voor welke achterban ze op wil komen. Ik hou van progressieve politiek, ik haat populisme. Doel moet zijn: een fatsoenlijk bestaan voor iedereen. Dat betekent ook een veilig bestaan, en een zeker bestaan, dat betekent mogelijkheden om je zelf te ontplooien, dat betekent gelijkheid van kansen en geen grote ongelijkheden en het betekent menselijke maat. Voor iedereen in deze samelveing. Laten we die uitgangspunten nu eens opnieuw vertalen naar deze tijd.

 

[zie ook: http://www.wimderksen.com/2016/11/17/de-pvda-is-eindelijk-verlost-van-haar-spagaat/]

De #PvdA is eindelijk verlost van haar spagaat

november 17, 2016 by  
Filed under artikel

De PvdA is geen blije partij. Het is de partij van de commissies die de eigen nederlagen moeten analyseren. Bij de VVD drinkt men na een nederlaag een glas bier, bij de PvdA schrijft men een dik rapport. Het effect is overigens hetzelfde. Al twintig jaar wordt in al die evaluatierapporten van de PvdA gesproken over de spagaat. De PvdA was de partij van de hoger- en van de lageropgeleiden, van de culturele elite en van de gewone man, van de universitaire docent en de werklozen. En het was steeds moeilijker om die twee groepen bij elkaar te houden. De progressieve elite en de behoeftige achterban. Als je de huidige opiniepeilingen van de PvdA ziet is er één geruststellende gedachte: die spagaat is er niet meer. De behoeftige achterban trekt langzaam naar SP, PVV, 50Plus en consorten. En nu de behoeftige achterban weg is, is er voor de progressieve elite ook geen reden meer om de overstap naar D66 of GroenLinks uit te stellen.

De laatste gemeenteraadsverkiezingen waren op dit punt ontluisterend. In succes-steden als Amsterdam en Utrecht, ging de winst naar D66 en GroenLinks, in het armlastige Rotterdam ging de winst naar Leefbaar. In Den Haag wist D66 nog net de PVV voor te blijven. De PvdA kwam er niet meer aan te pas. Zo hebben Amsterdam, Rotterdam en Utrecht op dit moment geen PvdA-wethouders meer. Den Haag heeft er nog één, Rabin Baldewsingh. Ja, in Eindhoven hebben we nog Staf Depla. Enige decennia geleden had de PvdA in Rotterdam nog de absolute meerderheid. En was de partij dominant in Amsterdam en dominant in Den Haag. Je zou zeggen: of de PvdA heeft de verkeerde keuzes gemaakt of de tijden zijn zodanig veranderd dat er voor een PvdA geen plek meer is. Laat ik zeggen: de tijdgeest heeft de PvdA in de steden niet meegezeten, terwijl bovendien de verkeerde keuzes zijn gemaakt. Ik ga die stelling hier verder verdedigen.

De arbeider verlaat de leiding van de partij

Vooral in de universiteitssteden zag je in de jaren 70 de lokale partijleiding snel van samenstelling veranderen. Het aantal studenten nam snel toe en studenten namen de leiding van de partij over. Het was de tijd waarin Max van den Berg en Jacques Wallage de echte Groninger Wim Hendriks scrupuleus uit de partij werkten. Elke stad kende dat soort gevechten, waarbij uiteindelijk de nieuwe elite (van vrijgestelden) de macht overnam. Daarmee verdween toen al de spagaat uit de top van de partij (arbeider/ vakbond versus progressieve elite).

Die nieuwe elite was erg gevoelig voor het neo-liberale denken in de jaren 90. Zij hadden zich immers zelf ook opgewerkt via de universiteit. Je merkte het overal in de partij. Je kwam steeds meer mensen tegen die alleen vanwege de machtsvraag voor de PvdA hadden gekozen, maar mentaal veel dichter bij GroenLinks stonden. De PvdA was daarmee voor de nieuwe elite niet meer de partij van de arbeider. De vakbond kon hier geen tegenwicht bieden, omdat dezelfde processen zich binnen de vakbeweging afspeelden. Wim Kok had Nyenrode en niet de fabriek van binnen bestudeerd. En de SP sprong al snel in het gat dat de PvdA achterliet.

De achterkant van de Triomf van de stad vergeten

Tegelijkertijd maakten de steden een enorme ontwikkeling door. De industrie en de havens waren in de jaren 50 en 60 nog bepalend. De steden verpauperden in die tijd en de overheid hielp de nieuwe burger aan een huis in een groeikern. In de jaren 70 zag je de omslag. De stadsvernieuwing begon aan een enorme opmars. Hele wijken werden verbouwd. Corporaties en PvdA-wethouders speelden daarin een grote rol. Hier ging het voor de PvdA nog echt om de traditionele achterban. Sociale huurwoningen! Tot in de jaren 90 bouwden onze grote steden 80% sociale huur. En toen keerde het tij echt. De stad werd overgenomen door de hogeropgeleiden, door de kenniswerkers. De industrie was inmiddels geheel verdwenen, de havens verschaften steeds minder werk. En wie zijn stad vooruit helpen moest ruimte gaan bieden aan hoogopgeleiden en aan hogere inkomens. Dat zijn de mensen die de werkgelegenheid in hun kielzog meenemen. Er moeten dus dure woningen worden gebouwd, en geen sociale huurwoningen. Er moet worden ingezet op cultuurpaleizen en niet op bibliotheken. De gentrification moet worden bevorderd.

Het past allemaal heel goed in het neo-liberale denken. Geef de sterksten de ruimte. Vanuit de onjuiste gedachte dat het dan met de kansarmen ook wel beter gaat. Want de Triomf van de stad heeft ook een keerzijde, een achterkant. Zo kent het welvarende Amsterdam ook heel veel werklozen en heel veel mensen onder de armoedegrens. Alleen worden ze steeds onzichtbaarder omdat ze naar de randen van de stad worden verdrongen, of zelfs erover heen. Ik kan begrijpen dat de PvdA-wethouders hebben meegedaan met het versterken van hun stad. Dat is hun taak en hun plicht. Maar naar mijn gevoel hebben ze te weinig aandacht gehad voor al die mensen die niet beter werden van de Triomf van de stad. D66 koos voor de hoogopgeleide bovenkant, de SP koos partij voor de verdrevenen en de Leefbaren en de PPV spinden garen bij de onvrede bij veel bewoners over de snelle ontwikkelingen. De PvdA koos overwegend voor het verblindende licht van de Triomf, maar werd daarmee te veel D66 light om het echte D66 te kunnen verontrusten. Zie hoe D66 de PvdA in Amsterdam knock out sloeg. De PvdA koos voor de globalisering, voor het neo-liberale denken en verloor de eigen achterban uit het oog

Het einde van de verzorgingsstaat

Als sinds de jaren 70 werd gesproken over de onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat. Het was te duur. Het was te bureaucratisch en het maakte mensen te afhankelijk. Maar voorlopig gingen we nog wel even door. Pas in de jaren 90 werd de roep om participatie echt gehoord. De bijstand moest geen vangnet meer zijn, maar een trampoline naar nieuw werk. Er kwamen gesubsidieerde banen, maar die werden geen succes. Zolang die gesubsidieerde banen er waren konden de PvdA-wethouders nog wel gloriëren. Maar daarna lag het accent meer en meer op tegenprestaties. Rotterdam had in de jaren 90 meer dan 60.000 bijstandsgerechtigden, in de jaren van de kredietcrisis amper de helft van dat aantal. De tijd van de hangmat was definitief voorbij. Recentelijk hebben we vergelijkbare ontwikkelingen gezien bij de decentralisatie van de jeugdzorg, de participatiewet, de AWBZ. Al weer moest er aan rechten van zwakkeren worden getornd en alweer stond de PvdA erbij en keek ernaar.

Bovendien koos de PvdA in de twee paarse kabinetten voor meer marktwerking. Het was de tijdgeest, het zij toegegeven, maar de PvdA gaf er te gemakkelijk aan toe. Pas in 2008 gaf Wouter Bos openlijk toe dat het borgen van die publieke belangen in de private sector toch ook wel erg ingewikkeld was. En dat je om die reden vaak beter niet kan privatiseren. En beter niet het marktmechanisme kan vertrouwen. De economen hebben dit debat in de PvdA te veel gedomineerd en veel te laat is ingezien hoe vervreemdend marktwerking kan uitwerken op het gebied van onderwijs en zorg. En waar niet? Het is begrijpelijk dat de kiezer deze problemen de VVD niet snel zal aanrekenen. En het is heel begrijpelijk dat de kiezer de PvdA de problemen van marktwerking wel aanrekent, omdat de PvdA nog altijd suggereert op te komen voor degenen die zich niet op basis van vermogen of intelligente weten te redden.

De achterban verschiet van kleur

Het is veel te simpel om te stellen dat de PvdA van zijn traditionele achterban is vervreemd. Hoezeer dat ook het geval is. Maar die achterban heeft zelf ook een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Hoewel gelijke kansen in het onderwijs nog altijd een ver ideaal is, hebben veel jongeren uit de traditionele achterban van de arbeiders hun weg op de maatschappelijke ladder gevonden. Vervreemding van de PvdA ligt dan al snel op de loer. Zeker als men zich gaat vergelijken met groepen die meer zorg nodig hebben van de overheid én dat ook krijgen. Dus niet alleen toegenomen welvaart en toegenomen maatschappelijke kansen hebben een rol gespeeld bij het afscheid van de PvdA, maar ook miskenning. Intussen keek de partijleiding vooral naar de koopkrachtplaatjes. We groeiden hard in de jaren 90. De inkomensongelijkheid nam wel iets toe, maar was nog steeds klein in vergelijking met het buitenland. En Diederik Samsom laat niet na om te melden dat de inkomensongelijkheid in de afgelopen kabinetsperiode weer kleiner is geworden. Daarop mag hij ook trots zijn, maar het is niet voldoende. En dat staat nog los van de ongelijkheid in vermogens die juist groter is geworden.

Tegelijkertijd ontstond er een nieuw precariaat. Asielzoekers bleven komen, en familie kwam er vaak achteraan. De procedures duurden veel te lang. En inmiddels scoren de allochtone Nederlanders relatief laag. Meer werkloosheid, lagere opleiding, lager inkomens. De PvdA heeft hier opvallend staan slapen. Het multiculturalisme van Ed van Thijn heeft hier te lang de boventoon gevoerd. Terwijl het zo simpel was geweest als we de allochtonen als witte (wel of niet boze) mannen hadden behandeld: iedereen hoort hier kansen te krijgen om zijn eigen weg te vinden (dus bestrijding van discriminatie, goed onderwijs, goede arbeidsmarkt-toeleiding) en iedereen heeft zich hier aan de wetten van de democratische rechtsstaat te houden. Helaas stond bij de PvdA de positieve discriminatie vele hoger aangeschreven. Ook binnen de partij. Toen Wouter Bos daar een keer voor waarschuwde werd hij meteen afgebrand. Helaas had hij hij heel erg gelijk, zoals we op Rotterdam Zuid onder andere hebben kunnen zien. Cliëntelisme hoort niet thuis in een politieke partij en zeker niet in een progressieve. En als de traditionele achterban zich miskend voelt, is het vooral hierom. Het gevoel dat de nieuwkomers meer rechten hebben en minder hard worden aangepakt. Ik vrees dat dat gevoel grond heeft.

Aandacht voor de winnaars

In het neo-liberale denken gaat de meeste aandacht altijd naar de winnaars. En de PvdA ging mee in dat denken. Het was de tijdgeest. Zoals de partij ook meeging in het kosmopolitisme. Onze steden en ons land moesten meegaan in de vaart de volkeren. Het Europese project moest van harte worden ondersteund. Want hoe meer uitwisselen van mensen, diensten, kapitaal en kennis hoe hoger de economische groei zou zijn. Hoewel ook op die laatste stelling nog wel wat valt af te dingen. Eén ding werd in ieder geval vergeten: dat die economische groei, dat die nieuwe welvaart niet overal zou neerslaan. Zoals het aanleggen van een weg tussen twee steden altijd de totale welvaart vergroot, terwijl dat tegelijkertijd vaak ten koste van één van beide gaat. Natuurlijk hebben de Poolse chauffeurs de welvaart in Europa vergroot, maar ze hebben de Nederlandse chauffeurs hun banen ontnomen. Natuurlijk hebben de internationale kenniswerkers in de steden de welvaart vergroot, maar ze hebben de kansarmen uit de gentrificerende wijken geduwd. Natuurlijk getuigt het van internationale solidariteit om asielzoekers op te nemen, maar tegelijkertijd hebben statushouders voorrang bij sociale huurwoningen op de autochtone bevolking.

Ik vrees dat de aandacht van de PvdA voor de winnaars haar het zicht op de verliezers heeft ontnomen.

 

[zie ookhttp://www.wimderksen.com/2016/11/13/pvda-ga-je-voor-je-achterban-of-voor-je-politieke-visie/]

#PvdA: ga je voor je achterban of voor je politieke visie

november 13, 2016 by  
Filed under artikel

Ik weet het: de werkelijkheid is altijd genuanceerder. Wie de cijfers van de Amerikaanse presidentsverkiezingen beter analyseert, weet dat het niet alleen ging om de blanke oude man met een inkomen beneden modaal. In werkelijkheid heeft de meerderheid van de Amerikanen die beneden modaal leven, op Clinton gestemd. We weten ook dat opvallend veel Latino’s op Trump hebben gestemd. En we weten dat Trump 1 miljoen minder kiezers had dan de verliezende Romney in 2012. Ja, Clinton verloor vooral van zichzelf: ze had nota bene 5 miljoen minder kiezers dan Obama in 2012.

Verkiezingen laten zich dus moeilijk in oneliners vatten. Het gaat altijd om kleine verschuivingen in het electoraat. Het gaat altijd om mensen die dit keer niet stemden en de vorig keer wel. Maar de verschuivingen in Amerika zijn onmiskenbaar en laten zich misschien wel het beste aflezen aan het Democratisch verlies van Wisconsin, Michigan en Pennsylvania, de zogeheten Rust Belt. De oude industriegebieden, die zo lang voor de Democraten kozen, kozen nu in meerderheid voor Trump. En ook in de rest van het land waren het vooral de ouderen en de lager-opgeleiden buiten de grote steden die voor Trump kozen. Bovendien tekent zich hier een patroon af dat we al zo goed kennen. Denk aan Brexit. Ook daar demonstreerde men na afloop in de steden tegen een uitslag die vooral door het platteland was bepaald. Denk aan onze eigen referenda. Bij het Oekraïne-referendum stemde het hoogopgeleide en rijke Amsterdam en het hoogopgeleide en rijke Utrecht in meerderheid voor. In Rotterdam en en Den Haag gaven juist de arme en laagopgeleide delen de doorslag in een negatieve stem. Net zoals gebeurde op het het vergrijsde platteland.

Het deed me denken aan een klein publiek debat dat ik ooit voerde met Ruud Koole, indertijd voorzitter van de Partij van de Arbeid. Het was een half jaar voor het referendum over Europa. Ik zat een politieke bijeenkomst van de partij voor en Ruud opende de bijeenkomst met een uitgebreid statement over het belang van Europa. Hij ging ervan uit dat PvdA-ers vanzelfsprekend ‘voor’ zouden stemmen bij het komende referendum. Ik vroeg hem of we daar in de partij geen debat over zouden moeten hebben. Ruud was eerder verbaasd dan verbolgen over die vraag. Zo had hij het nog niet gezien.

Het tekent te meer dat de progressieve beweging, en met name de PvdA, het contact met een groot deel van de achterban is kwijtgeraakt. Ik laat even in het midden of dat ook voor de conservatieve beweging geldt. Daartoe voel ik me niet aangesproken, dus die zullen dit probleem eventueel zelf maar moeten oplossen. Want na het referendum bleek dat een duidelijke meerderheid van de PvdA ‘tegen’ had gestemd. Tegen Europa, tegen de elite, tegen de ongrijpbaarheid van het bestaan. Ik vrees dat deze achterban de partij inmiddels heeft verlaten en dat een duidelijke meerderheid van hen die zijn gebleven, wel voor Europa is. Dan is het inderdaad logisch om aansluiting te zoeken bij GroenLinks. Ook libertair, ook elitair, ook grootstedelijk, ook kansloos om de grootste partij te worden. En we laten de achterban aan SP en PPV. En aan de nieuwe club van Jacques Monasch.

Daarom is het ook zo jammer dat, om wat voor redenen ook, Jacques Monasch niet meedoet met de lijsttrekkersverkiezing van de PvdA. Diederik Samsom en Lodewijk Asscher vertegenwoordigen te veel het grootstedelijke progressieve gedachtengoed dat bovendien vooral bij hoogopgeleiden aanslaat. Jacques Monasch lijkt vooral te kiezen voor de traditionele achterban van de PvdA. Eerlijk gezegd: ik weet nog niet op wie ik had moeten stemmen. Daarvoor loop ik met te veel vragen. Daarbij is voor mij de cruciale vraag: moet je je traditionele achterban trouw blijven als je eigen politieke opvattingen daar niet meer worden gedeeld? Ongeacht of de achterban dan wel de leiding van mening is veranderd.

Het is overigens niet boud om te beweren dat vooral de politieke leiding van de traditionele achterban is vervreemd, gesteund voor een grootstedelijke hoogopgeleide elite. Europa heeft nooit op veel liefde kunnen rekenen van de modale en beneden-modale Nederlander. Dat zelfde geldt voor al die neo-liberale experimenten die veel zekerheden hebben weggenomen en waarvan de winsten vooral aan de bovenkant van de samenleving zijn neergeslagen. Daarmee heeft de leiding van de PvdA altijd een enorm risico genomen door én de globalisering met de EU als ons symbool én het neo-liberale denken te omarmen.

Laat duidelijk zijn: een partijleiding heeft het volste recht om zich van haar achterban te vreemden als ze weloverwogen meent dat er andere politieke keuzes moeten worden gemaakt. En als die traditionele achterban niet meegaat, heb je al partijleiding het volste recht om een nieuwe achterban op te bouwen. Helaas hebben de laatste gemeenteraadsverkiezingen hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat dat tot op heden nog niet is gelukt. In de hogeropgeleide steden verloor de PvdA aan D66 en in de lageropgeleide steden aan de PPV en de Leefbaren.

Het valt overigens ook niet uit te sluiten dat de traditionele achterban van de PvdA zich van de leiding heeft vervreemd. In de PvdA bestond historisch immers altijd wel een zekere neiging om over de grenzen heen te kijken. Niet voor niets zingen we op het partijcongres nog altijd de Internationale. En het zijn socialisten geweest die in Europa vaak het voortouw hebben genomen. De achterban ging schoorvoetend mee. Maar het gedoe met de euro en met Griekenland heeft de traditionele achterband ongetwijfeld definitief van de partijleiding vervreemd. Zoals de PvdA in 2007 bij de verkiezingen ook al werd afgestraft vanwege het feit dat met de uitslag van het Europese referendum in feite niets werd gedaan. Zoals de PvdA ook nu weer toestaat dat met de uitslag van het Oekraïne-referendum niets wordt gedaan.

Terug naar mijn centrale vraag: moet je je traditionele achterban trouw blijven als je eigen politieke opvattingen daar niet meer worden gedeeld? In eerste instantie ben ik geneigd ‘nee’ te zeggen. Mijn politieke overtuiging is me uiteindelijk liever dan het aantal zetels dat ik ermee kan verdienen. Maar in tweede instantie ga ik twijfelen. Niet alleen omdat ik verwantschap voel met die oude achterban. Maar omdat ik er niet meer zeker van ben dat ik mijn fundamentele politieke overtuiging in de juiste politieke keuzes heb vertaald. Moet ik voor het neo-liberalisme zijn als dat ertoe leidt dat de verschillen in vermogens drastisch toenemen en de winsten vooral aan de bovenkant van de samenleving terechtkomen? Moet ik voor Europa zijn als de Polen de banen aan de onderkant wegkapen voor de neuzen van ‘onze’ eigen mensen? Of mag ik helemaal geen onderscheid maken tussen Polen en ‘onze’ eigen mensen? En wie beschermt dan wat vroeger ‘onze’ eigen mensen waren? Moet ik voor immigratie zijn als immigranten onze banen weigeren omdat ze te weinig opleveren in vergelijking met de uitkeringen die ze ontvangen en die door ons allen, ook door ‘onze’ eigen mensen worden opgebracht?

Dus voordat de PvdA haar traditionele achterban definitief loslaat zou het goed zijn om nog eens fundamenteel om ‘onze’ eigen principes af te zetten tegen de nieuwe werkelijkheid waarin we inmiddels leven. Ik ga in volgende blogs een poging doen. Niet voor de PvdA maar gewoon voor mezelf.

 

[vervolg op http://www.wimderksen.com/2016/11/11/optimisme-van-apechthold-is-optimisme-van-de-rijken/]

Aan Adri Duivesteijn: over de toekomst van de PvdA

september 23, 2014 by  
Filed under artikel

Je hebt een mooi essay geschreven over de PvdA [De PvdA staat met transactiedenken eigen waarden in weg]. Het is een integere zoektocht. Je vraagt je af hoe de partij er in de peilingen zo beroerd voor kan staan. Veel is volgens jou fout gegaan met het uitruilen van standpunten waarmee dit kabinet tot stand is gekomen. Je daagt uit om terug te gaan naar onze beginselen. Velen zullen zich herkennen in het beeld dat je schetst. Ik zou het ook graag met je eens willen zijn. Maar het lukt me niet. Laat ik zeggen wat ik zie. En waarmee ik worstel.

De partij heeft een paar slechte verkiezingen achter de rug en de polls wijzen in dezelfde richting. Tegelijkertijd zie ik een kabinet dat grote stappen durft te zetten. Stappen die ook echt nodig waren: hypotheekrenteaftrek, pensioenleeftijd, AWBZ, transformatie ontwikkelingssamenwerking, begroting op orde, flexibilisering arbeidsmarkt. En dat kan de partij op haar conto schrijven. Bovendien levert onze partij een aantal fantastische bewindslieden, die het niet verdienen dat we in de partij zo mopperen.

Natuurlijk, het is allemaal erg pragmatisch bij Rutte II, maar ja, dat was het bij Paars ook. Eigenlijk is dat bij elk Nederlands kabinet het geval. Coalitiekabinetten kunnen slechts beperkt regeren vanuit ‘een visie op de samenleving’ zoals jij dat graag zou zien. Je hebt altijd compromissen nodig. En dat geldt zelfs als maar één partij aan de macht is. Bovendien zijn creatieve compromissen volgens jou altijd beter dan uitruilen onder leiding van Wouter Bos. Geen idee of dat waar is.

Je overtuigt me in ieder geval niet als je verwijst naar het kabinet Den Uyl. Je schrijft zelfs dat we ‘verwend’ waren met Den Uyl. Als er nu één kabinet is geweest waarvan het imago bij de aanhang afweek van de dagelijkse praktijk, dan is het wel het kabinet Den Uyl. Veel visie én veel brokkelige compromissen. Veel ideologisch gepraat én veel valpartijen. En Joop die alle lasten van de wereld voor ons op zijn schouders nam. Ik was er toen enthousiast over, maar ik moet er niet meer aan denken. Ik denk liever voor mezelf.

Ik begrijp goed dat je je essay begint met de Schilderswijk, waar je bent geboren en waar de sociaal-democratie (met anderen!) veel tot stand heeft gebracht. Maar de tijd heeft niet stilgestaan. En het lijkt soms of iedereen in de partij met die verwijzing naar vroeger, naar toen, moet beginnen om ons bestaansrecht te bewijzen. Hoe is het mogelijk dat in het mooie Van Waarde-project nog steeds wordt gesproken over ‘verheffing’, als eigentijds ideaal? Wat toen goed was, is nu wel erg paternalistisch voor een partij die op de eerste plaats naar vrijheid zegt te streven. Ja, voor iedereen.

Ons belang moeten we dus niet definiëren vanuit de Schilderswijk van toen en niet vanuit Den Uyl van toen en niet vanuit de jaren 60 van toen, maar vanuit de problemen van vandaag en met name van de toekomst. Een echte progressieve partij heeft de blik op de toekomst en niet op het verleden. En dan leven we in een land met ongelijkheid en met veel kansen. In een land met een redelijk bestaansminimum. In een land waarin de overheid soms kansen biedt, maar ook vaak kansen om zeep helpt door haar verstikkende bureaucratie (die vaak voortkomt uit het streven iedereen gelijk en rechtvaardig te behandelen). We leven in een land waarin technologie een enorme revolutie veroorzaakt, met kansen en bedreigingen. We leven in een land waarin de temperatuur aangenaam stijgt, maar waarin de klimaatverandering toch drastisch tot staan moet worden gebracht. We leven in een wereld waarin geloof en racisme nog steeds aanzetten tot geweld.

In die samenleving past geen oude retoriek en het steeds teruggrijpen naar de overheid. En let wel: ik zeg dit niet speciaal tegen jou. Ik zeg het in het algemeen tegen de partij en tegen mezelf. Ik vrees dat het denken over de toekomst van de partij te veel wordt bepaald door ouderen. Door grijze mensen. Het contrast met Pechtold vind ik treffend. Wij willen voor elk probleem in het onderwijs zelf een oplossing bedenken, hij haalt zo af en toe blij een miljard binnen. In de terechte gedachte dat het onderwijs zelf het beste kan bepalen hoe dat miljard moet worden besteed.

‘Politiek’ heeft voor de nieuwe generaties een heel andere betekenis dan voor de jaren 60-generatie. Het is de kunst om daarbij aan te sluiten. D66 slaagt daarin veel beter dan wij. Ik zie in mijn collegezalen veel lieve mensen, druk bezig met hun volgende feest, gezagsgetrouw, en erg verwend. Alleen de migranten zie ik soms vechten voor hun nieuwe toekomst. En dat laatste is heel mooi om te zien. Maar ook zij denken anders over politiek. Maar wat ik echt mooi vind in mijn collegezaal: er is niemand die denkt dat hij voor ons allen de toekomst moet wijzen. En ook dat geeft een grote vrijheid.

Je ziet: ik kom veel minder ver dan jij. Ik zou jaloers op je moeten zijn. Jij weet waar je heen wilt. En dat is mooi.

Hoe D66 en populisten de steden van de PvdA overnamen

april 18, 2014 by  
Filed under De Stad

De raadsverkiezingen liggen achter ons, de collegevorming nadert zijn einde en de voortekenen zijn duidelijk: D66 gaat de dominante positie van de PvdA in verschillende steden overnemen. Dominant was de partij al in Utrecht en Nijmegen. Nu ook in Amsterdam, Den Haag, Groningen etc. Is dit een tijdelijk fenomeen of is er meer aan de hand?

Het valt me op dat deze vraag in de media nog nauwelijks aan bod is gekomen. Als het om een tijdelijk, bijna toevallig fenomeen gaat, is dat logisch. Dat geldt niet als er sprake zou zijn van een structurele verandering van het politieke landschap in de grote steden. Er zijn twee argumenten die pleiten voor een tijdelijke afwijking van het traditionele beeld. Ten eerste heeft de PvdA in het hele land, ook in de kleinere gemeenten ongeveer eenderde van zijn zeteltal verloren. Dat duidt op een landelijke trend en dat duidt er weer op dat we de oorzaken op landelijk niveau moeten zoeken. De kiezer staat nog niet te stralen bij het kabinet Rutte-Asscher en de glans is van Diederik Samsom af. Zou allebei heel goed kunnen. Ten tweede is D66 al jaren een vluchtige partij die soms prachtige scores maakt en nog geen tien jaar later weer de opheffing nabij is. Pechtold is een uitstekende leider en een natuurlijke opvolger dient zich niet aan. Ook dat relativeert de winst van D66.

Maar je zou evengoed een andere redenering kunnen volgen. Het is bekend dat de steden steeds meer de brandhaard van de economie zijn. Dat de hogere inkomens en met name de hoger-opgeleiden steeds meer in de steden blijven hangen, na de afronding van hun studie. We weten dat bedrijven op die hoger-opgeleiden afkomen (in plaats van dat hoger-opgeleiden verhuizen naar een bedrijf). We weten dat de kansarmen naar de randen van de steden worden verdreven, niet zelden over de gemeentegrens heen. Vanouds moet de PvdA het hebben van de beneden-modale kiezer en van een intellectuele elite. Die eerste achterban verdwijnt uit de steden, vertoont een lage opkomst en keert zich voor een deel af van de PvdA. Sommigen kiezen voor de SP, en migranten kiezen minder automatisch voor de PvdA (hetgeen ook geheel logisch is). D66 daarentegen vaart wel bij bevolkingsgroepen die luisteren naar innovatie en onderwijs: de nieuwe stedelingen.

Het is bekend dat de ‘triomf van de stad’ ook een schaduwzijde heeft. Niet alle steden zijn de winnaars. Rotterdam is niet in handen van D66 maar van Leefbaar gevallen. Rotterdam is nu juist ook een stad waaraan de ‘triomf’ voorbij lijkt te gaan. Zoals dat ook geldt voor sommige groeikernen, als Spijkenisse, Almere, maar ook Zoetermeer. En voor  meer perifere steden als Enschede,  Emmen, enzovoorts. In dat soort steden nemen de populistische en de  lokale partijen het van de PvdA over te.  En zo laat de uitslag in Den Haag zich zo goed vertalen. Den Haag is enerzijds een triomferende stad, met dat sterke merk ‘internationale stad en vrede en recht’. Het is ook de kant van het ‘zand’. Het ‘veen’ in Den Haag laat de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ zien: de verliezers van de globalisering, de lager-opgeleiden. Hoe opvallend dat de verkiezingen in Den Haag een tweestrijd waren tussen D66 en PVV, die op het laatste moment door D66 werd gewonnen.

Natuurlijk, de PvdA kan de nieuwe hoogopgeleide stedeling én de teleurgestelde kansarme weer terugwinnen bij een volgende verkiezing. Maar de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 kunnen ook een voorbode zijn geweest van een nieuwe politieke verdeling van de steden.

De PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen

januari 4, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Dat het mogelijk is om voor te beschouwen op de PvdA en de gemeenteraadsverkiezingen zegt veel over de Nederlandse gemeenten. In een volwassen lokale democratie zouden de wenselijkheid van lokale programma’s, de populariteit van lokale lijsttrekkers en niet te vergeten het functioneren van politieke partijen in Colleges van B&W en gemeenteraden bepalend zijn voor de uitslag. Zo niet in Nederland. Hier zal de populariteit van het kabinet, met name in de steden, de uitslag dicteren. Natuurlijk, er zijn ook in maart weer afwijkingen van de landelijke trend, maar die landelijke trend is in alle gemeenten het startpunt. En soms ook het eindpunt.

We kunnen de nationale overheersing van lokale verkiezingen wijten aan het gedrag van nationale politici, die zullen proberen in de voorafgaande weken het nieuws te domineren, en aan het beleid van de nationaal georganiseerde media, maar dat zou hen onrecht doen. Het is namelijk nogal logisch dat gemeenteraadsverkiezingen ook (of zelfs: vooral) een stemming zijn over het kabinetsbeleid, omdat de gemeente in zoveel opzichten het uitvoeringsloket is van rijksbeleid. En zeker op dit moment. Het kabinet heeft drie grote decentralisaties op de rol staan: participatiewet, jeugdzorg en AWBZ/Wmo. Dat je straks minder gemakkelijk een bijstandsuitkering krijgt is niet het beleid van die toevallige wethouder, maar simpel van Jetta Klijnsma. En dat er straks misschien te weinig geld is voor jeugdzorg en Wmo heeft niets met de gemeenten te maken maar alles met het beleid van Martin van Rhijn. Dus laten burgers alsjeblieft in het stemhokje straks juist denken aan deze twee staatssecretarissen. Het zij toegegeven: met hun beleid ben ik het volop eens.

Gelet op de populariteit van het kabinet en van de PvdA op dit moment zouden de gemeenteraadsverkiezingen wel eens op een deceptie voor de PvdA kunnen uitlopen. Maar laten we niet te snel denken dat opiniepeilingen een goede voorspeller zijn van verkiezingsuitslagen. Niet alleen moet er nog campagne worden gevoerd. Diederik Samsom heeft in november bij de ‘herindelingsverkiezingen’ in Friesland aangetoond dat hij nog steeds een uitstekende campaigner is. Maar volwassen burgers weten ook dat hun stem bij de verkiezingen echt telt. Juist daarom verandert er meestal nog zoveel in de opiniepeilingen in de laatste weken voor de verkiezingen. Omdat het dan pas serieus wordt. Waarmee niet gezegd is dat de PvdA het goed zal doen bij de raadsverkiezingen van 19 maart.

Laat ook volstrekt duidelijk zijn hoe belangrijk (goede) wethouders zijn. In grote en kleine gemeenten. Juist omdat de gemeente zo belangrijk is voor het welzijn van burgers, en nog steeds belangrijker wordt, is het van het grootste belang dat we goede bestuurders (wethouders) hebben en goede politici die hen controleren (raadsleden). Mijn punt is alleen dat 90% van het gemeentelijk beleid wordt bepaald op nationaal niveau. Bovendien is het debat over die resterende 10% steeds minder ideologisch, ook in de steden. In de jaren 70 was stadsvernieuwing nog een onderscheidend thema, in de jaren 90 wellicht de Melkertbanen. Maar elke stadsbestuurder weet tegenwoordig dat er weinig keuze meer is als het gaat om laaggeschoolde arbeid of hooggeschoolde arbeid, vrije sector-woningen of sociale woningbouw. Wie een stad wil vooruit helpen moet vooral ruimte bieden aan hoogopgeleiden en aan hogere inkomens. Dat zijn de mensen die de werkgelegenheid in hun kielzog meenemen. Wie een stad welvarender en minder werkloos wil maken, moet geen zinloze pogingen meer doen om kantoren te bouwen in de hoop dat de bedrijven dan wel komen, maar moet een goed cultureel klimaat creëren waarin hoogopgeleiden zich thuis voelen. Op dat punt onderscheiden de partijen zich dan ook niet meer van elkaar.

Ook bij de sociale dienst zijn de verschillen weggevallen. Vroeger hadden linkse partijen de neiging de bijstand als een basisinkomen te beschouwen en rechts had de neiging om iets over fraude te roepen. Tegenwoordig zijn alle partijen het erover eens dat werk altijd te prefereren valt boven werkloosheid. En zijn alle partijen het erover eens dat mensen moeten worden geholpen én geprikkeld om weer aan het werk te komen. Dat in alle gemeenten er zo over wordt gedacht, heeft overigens veel te maken met het rijksbeleid. Want voordat Jetta met haar participatiewet kwam, hebben Jacques Wallage en Ad Melkert ertoe bijgedragen dat gemeenten niet meer elke bijstandsuitkering bij het Rijk konden declareren, maar dat zij het voortaan moesten doen met een vast budget voor ‘werk en inkomen’. Juist die ingreep heeft ervoor gezorgd dat alle gemeenten veel strenger zijn geworden bij de sociale dienst. Rotterdam telde voor deze beleidswijziging 60.000 bijstandsgerechtigden, momenteel iets boven de 30.000.

Je zou kunnen zeggen dat het vervagen van dit soort politieke scheidslijnen vooral voor de PvdA problematisch is. De PvdA is de partij van de stadsvernieuwing en de corporaties (Jan van der Ploeg, Adri Duivesteijn). De PvdA is de partij die opkomt voor de werklozen. En juist op deze twee terreinen lijken de ideologische scheidslijnen te zijn weggevallen. Daar komt bij dat twee nieuwe thema’s in het laatste decennium hoger op de lokale politieke agenda’s staan: openbare orde en veiligheid en duurzaamheid. Ook in het veiligheidsbeleid zijn de ideologische verschillen (ME of preventie) veel minder scherp. Daarbij is het bovendien in het nadeel van de PvdA dat veiligheid vooral een thema is van andere partijen. Waarom zou je PvdA stemmen als die partij een surrogaat-rechts standpunt vertolkt? Bij duurzaamheid lijken de ideologische verschillen nog wat groter, maar het lijkt erop dat tegenwoordig erg veel gemeenten inzetten op CO2-neutraal en op groen in de stad en stadslandbouw etc., zonder dat daar een scherp ideologische debat aan vooraf is gegaan. Overigens heeft de PvdA zich op dit ‘linkse’ onderwerp nooit erg geprofileerd. Arbeid gaat voor milieu in onze partij.

Je ziet enerzijds dus dat gemeenten en rijk steeds meer met elkaar vervlochten raken, waardoor de lokale beleidsvrijheid meestal afneemt. Ja, ik ben voor decentralisatie omdat ik meen dat het beleid zo dicht mogelijk bij mensen moet worden uitgevoerd. Ja, ik geloof ik ook dat decentralisatie ertoe bijdraagt dat het beleid beter op de individuele noden van de mensen kan worden afgestemd. Nee, ik geloof niet dat deze drie decentralisaties die er nu aan komen, ertoe leiden dat gemeenten meer politieke afwegingen kunnen maken over bijstand, jeugdzorg en Wmo. En dat geldt al helemaal als er tegelijkertijd fors wordt gekort op het budget.

Anderzijds zie je dus dat waar er in de steden nog ruimte was voor politieke afwegingen, de ideologische scheidslijnen steeds meer vervagen. In de kleinere gemeenten waren die ideologische scheidslijnen altijd al grotendeels afwezig.

Het roept twee vragen op: waarom zijn die lokale (leefbaarheids)partijen dan zo sterk geworden in de grote gemeenten en waarom wordt het stemgedrag van mensen in kleinere gemeenten dan minder door landelijke overwegingen bepaald? Eerst iets over lokale partijen, daarna over het stemmen in de dorpen.

Gemakshalve onderken ik twee soorten lokale partijen: de populistische lokale partijen en de lokale partijen van de leefwereld. In de praktijk is die grens niet altijd even helder en zijn er ongetwijfeld ook nog veel andere lokale partijen. Maar voor het betoog is het voldoende om dit onderscheid te maken.

Er zijn lokale partijen die vooral leven van het chagrijn onder de mensen. Ze slaan niet zelden een populistische toon aan. Het gaat hier om de mensen die zich vooral miskend voelen. Het zijn vaak ook de verliezers van de globalisering. In Rotterdam zijn ze in het gat gesprongen dat VVD en CDA hebben laten vallen (dan wel niet wisten op te vullen) toen de PvdA haar meerderheidspositie(!) verloor. De PvdA mag de grootste vijand zijn van Leefbaar Rotterdam, maar Leefbaar heeft met name CDA en VVD in Rotterdam gemarginaliseerd. Overigens is ook die strijd tussen PvdA en Leefbaar voor een deel schijn. De verkiezingsprogramma’s van beide partijen verschilden vier jaar geleden nauwelijks van elkaar en dat zal nu niet anders zijn. Door Leefbaar worden andere stemmen gehoord, maar voor het gemeentebestuur zal het weinig uitmaken. In 2002 lag dat anders, toen de Rotterdamse PvdA na jaren comfortabel en succesvol besturen door de nieuwe tijden moest worden wakker geschud.

Daarnaast heb je de lokale partijen van de leefwereld. De vervlochten wereld van nationale en lokale overheid is de systeemwereld van het beleid. En het stadhuis van de systeemwereld heeft wel eens te weinig oog voor de kleine noden in de leefwereld van mensen. Veel lokale partijen zetten die kleine noden voorop. Ik hoor mijn oude moeder nog zeggen: “Waarom moet toch alles anders? Waarom moeten die bomen nu weer worden gekapt?” Soms is het nostalgie, soms is het gewoon de wens van veel mensen om mee te praten, mee te beslissen, in plaats van dat er voor hen wordt beslist. Die wens is vaak heel sympathiek, maar is niet zo relevant als een bijstandsuitkering moet worden verstrekt. Nee, die mevrouw moet toch vooral weer aan het werk worden geholpen. Ook vanuit de globalisering en zelfs vanuit de digitalisering is deze variant de lokale partijen heel goed te begrijpen. Waar grenzen wegvallen, wordt de plaats steeds belangrijker.

In de systeemwereld van het lokaal bestuur hebben lokale partijen bijna per definitie een achterstand. Die kunnen ze in de regel alleen maar inlopen door aansprekende leiders naar voren te schuiven. Pim Fortuyn werd niet zonder reden zo groot. Hij sprak veel mensen aan. Voor Marco Pastors gold op een ander niveau hetzelfde. En Joost Eerdmans heeft de bekendheid, maar moet het nog bewijzen dat hij ook een sprekende leider is. De gevestigde partijen moeten ervoor waken om tegenover de aansprekende leiders van de lokale partijen ‘systeemmuizen’ kandidaat te stellen. Mensen uit de stad, die zich op tal van plaatsen al hebben bewezen en daardoor ook bekend zijn, hebben een pre boven het brave raadslid dat via de fractie-assistentie omhoog is gekropen. Zoals de PvdA in Amsterdam goed scoorde met een aansprekende Lodewijk Asscher.

Ik beken me hier niet tot de politiek van de leefwereld. De stad moet ook nog worden bestuurd. Als we alleen maar over die ene boom zouden spreken zou die immense jeugdzorg nooit van de grond komen. Maar ik meen dat de PvdA wel (nog steeds) kan leren van lokale partijen door meer te kiezen voor aansprekend leiderschap, door meer oog te hebben voor wat mensen bezighoudt en door meer aan mensen over te laten. Oog hebben voor wat mensen bezighoudt is overigens niet meteen hetzelfde als het betreden van de leefwereld van mensen. Marnix Norder kan daarover meepraten, althans ik hoop dat hij inmiddels beseft dat hij deze fout aan het einde van zijn regeerperiode in de gemeente Den Haag heeft gemaakt door de Haagse bevolking een nieuw cultuurpaleis op te dringen. Dat lokale politici soms wel gedwongen te zijn om binnen het stadhuis met papieren onder de arm rond te lopen wordt hen door weinig mensen kwalijk genomen. Maar als die systeemwereld ertoe leidt dat de Haagse bevolking een overbodig en veel te duur Spuiforum krijgt opgedrongen binnen hun (toekomstige) leefwereld, moet je niet gek opkijken als de verkiezingsuitslag tegenvalt.

Tot slot die tweede vraag: als deze analyse van het lokaal bestuur waar zou zijn, waarom wordt dan juist het stemgedrag van burgers in kleinere gemeenten minder door landelijke overwegingen bepaald? Ik denk dat het antwoord simpel is: politici worden in kleine gemeenten beter gekend. En juist omdat zo’n groot deel van het gemeentelijk beleid vastligt, wordt het vertrouwen in personen belangrijker. Overigens verandert er momenteel erg veel in het lokaal bestuur op het platteland en er is ook al heel veel veranderd. Gemeentelijke herindeling werd vroeger aan veel kleine gemeenten opgelegd. Tegenwoordig vragen de fusiegemeenten van weleer om een verdergaande schaalvergroting. Zo ontstaan steeds grotere gemeenten die steeds meer dorpen overkoepelen. De zichtbaarheid van het lokaal bestuur neemt daardoor af. Tegelijkertijd is het soms een stimulans om een vertegenwoordiger uit het eigen dorp te kiezen, ongeacht zijn of haar politieke kleur.

Het wordt een spannende avond op 19 maart a.s. Voor al die kandidaten die op de lijst staan. Het wordt ook een spannende avond voor landelijke politici, die met reden de lokale uitslagen doorvertalen naar het landelijke niveau. Maar of het voor burgers echt spannend wordt, valt te betwijfelen, te meer daar de wethouders sedert 2002 niet meer door ons in de gemeenteraad hoeven te worden gekozen. En zelfs niet op de lijst hoeven te staan. Nog erger: ze hoeven niet eens meer in de gemeente te wonen om wethouder te kunnen worden. Wanneer mag ik de enigen die er echt toe doen in het lokaal bestuur, de wethouders, eens gaan kiezen?

[verschenen in  Socialisme & Democratie, februari 2014, pp. 110-114]

Hoe de PvdA in de stad overeind bleef

juni 22, 2013 by  
Filed under De Stad

Nog steeds heeft de PvdA in veel steden een bepalende plaats in het bestuur. Eigenlijk is dat minder logisch dan je op het eerste gezicht zou denken. De PvdA was altijd heel dominant op sociaal en ruimtelijk gebied. Maar op beide terreinen is het beleid in de laatste twee decennia sterk veranderd en heeft het aloude sociaal-democratische geluid aanzienlijk aan kracht ingeboet. Zijn de PvdA-wethouders zo goed, dat ze desondanks in veel steden de macht hebben kunnen vasthouden?

Eerst was er Rotterdam, nu vooral Amsterdam

Ergens aan het einde van de 20e eeuw heeft de omslag definitief zijn beslag gekregen. In de jaren ’50 was Rotterdam het summum van moderniteit. Het stadsbestuur werd geroemd om de wijsheid waarmee de gebombardeerde binnenstad werd herbouwd. Over de haven ging het verhaal dat juist de totale vernietiging door de Duitsers de haven wereldwijd een voorsprong had gegeven. Nergens waren de kranen nieuwer, sterker en groter. En nergens groeide de economie zo hard als in Rotterdam.

Amsterdam verkeerde in een heel andere positie. De stad was arm, aan de grachten woonden heel gewone Amsterdammers, de Jordaan was een achterbuurt en er waren plannen om grote doorbraken te realiseren om het toekomstige verkeer alle ruimte te kunnen geven. Jaloers werd ook in dit verband naar Rotterdam gekeken. Overigens werd alleen de doorbraak van de Wibautstraat gerealiseerd. Natuurlijk kon men het in Amsterdam maar moeilijk toegeven, maar niemand kon er omheen: Rotterdam deed het in die naoorlogse jaren veel beter dan Amsterdam.

Zoals gezegd, het moment van de omslag laat zich moeilijk bepalen. Maar aan het einde van de 20e eeuw had het beeld zich inmiddels geheel gewijzigd: Amsterdam was de trekker van de Nederlandse economie en Rotterdam sukkelde er op steeds grotere afstand achteraan. Deze omslag is geenszins toe te schrijven aan een verschil in kwaliteit van de twee gemeentebesturen. Nee, ‘it is economy, stupid’. De structuur van de economie is in de tweede helft van de 20e eeuw ingrijpend veranderd. In de jaren 50 domineerden industrie, transport en handel. Aan het einde van de eeuw was de industrie verschoven naar de randen van het land, was de transport weliswaar nog heel belangrijk, maar was tegelijkertijd de werkgelegenheid in de Rotterdamse haven gedecimeerd en dreef de Nederlandse economie vooral op de zakelijke dienstverlening. Velen spraken in dit verband over de nieuwe kenniseconomie. Een economie die niet meer was gebaseerd op grondstoffen, laat staan op landbouw, maar bovenal op kennis.

De plek van de stad

Deze veranderingen in de economische structuur hadden grote gevolgen voor de steden. Vroeger waren steden vooral ontstaan in de buurt van de grondstoffen of juist op plekken waarheen de grondstoffen zich lieten vervoeren. En waar eenmaal een ‘stad’ was, een economisch centrum, daar kon worden geprofiteerd van het vliegwiel van de de zogenaamde agglomeratie-effecten: voor veel bedrijven is het aantrekkelijk om zich te vestigen op plekken waar al veel andere bedrijven zijn gevestigd. Het zijn ook de plekken waar mensen naartoe trekken, die op zoek zijn naar werk. En omdat ook deze nieuwkomers weer afnemers zijn, groeit de stedelijke economie en wordt de stad nog aantrekkelijker voor nieuwe bedrijven.

Was het eerst vooral de bereikbaarheid over water, spoor en weg, die steden aantrekkelijk maakte voor bedrijven (waardoor het aanvankelijke veel kleinere Rotterdam het trotse Amsterdam in de 20e eeuw begon te overvleugelen, omdat de Nieuwe Waterweg veel meer kansen bood dan het Noordzeekanaal met zijn sluizen), later was vooral bevolkingsdichtheid de trigger voor economische groei. Bedrijven zaten vooral in steden om van een mooi afzetgebied verzekerd te zijn. En werknemers trokken naar steden om van een baan verzekerd te zijn. Dat laatste veranderde in de jaren 90 van de afgelopen eeuw met de komst van wat ‘kenniseconomie’ is gaan heten. Steeds vaker gingen bedrijven zich vestigen in een (stedelijke) omgeving vanwege een florerende arbeidsmarkt en de aanwezigheid van een potentieel aan goede werknemers. Of ontstonden bedrijven waar hoogopgeleide kenniswerkers woonden. In het jargon van de economische wetenschap heet dat: terwijl ‘wonen’ vroeger ‘werken’ volgde, volgt ‘werken’ tegenwoordig ‘wonen’. Natuurlijk, het is een simplificatie, maar in de kern is de gedachte juist.

Voor een bloeiende lokale economie is het tegenwoordig dus belangrijker om in te zetten op een goed-opgeleide bevolking dan op het aantrekken van bedrijven. Als je de gewenste beroepsbevolking hebt, komen de bedrijven meestal vanzelf. Om nog even terug te keren naar onze casus: Rotterdam scoorde altijd al minder op het opleidingsniveau van de bevolking dan Amsterdam. De haven had indertijd vooral handarbeiders aangetrokken uit onder andere Brabant en Drenthe. En de relatie met de universiteit was in Rotterdam nooit zo intens geweest als in Amsterdam, dat bovendien over twee veel oudere universiteiten beschikte. Een andere factor is hier misschien van nog veel groter belang. Als mensen niet meer gaan wonen waar bedrijven zijn, maar vooral daar waar ze zich prettig voelen, dan scoort een stad als Amsterdam bijna vanzelfsprekend hoger dan Rotterdam. De hedendaagse hoogopgeleide bevolking woont, zo blijkt, liever in historische binnensteden met een breed scala aan cultuur dan in de modernistische hoogbouw van Rotterdam dat cultureel bovendien altijd minder te bieden heeft gehad dan Amsterdam.

Daarmee veranderen ook de mogelijkheden voor gemeentelijk beleid. Vroeger moesten gemeenten zich vooral onderscheiden met moderne bedrijventerreinen of met ruimtes voor starters. En moesten burgemeesters (en soms wethouders) op stap, bij voorkeur naar het buitenland, om bedrijven te ‘acquireren’. De geschiedenis van Rotterdam laat mooi zien wanneer dit beleid achterhaald was. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was Rotterdam heel actief met hoogbouw in het centrum van de stad, met name om nieuwe bedrijven aan te trekken. Eerst op de Boompjes, later op het Weena en op de Wilhelminapier. Die hoogbouw kwam er, soms veel later dan gepland, maar die nieuwe bedrijven kwamen niet. De hoogbouw werd uiteindelijk betrokken door bedrijven en ambtelijke diensten die al jaren in Rotterdam waren gevestigd. Nee, die nieuwe bedrijven kwamen niet, omdat de Rotterdamse beroepsbevolking simpel te weinig te bieden had. In Amsterdam kwamen de bedrijven wel, overigens wel op de plek die ze daarvoor zelf in gedachten hadden. Nadat de gemeente eerst plannen had ontwikkeld voor de IJ-oevers, werd later onder druk van het bedrijfsleven een belangrijke locatie langs de Zuid-as ontwikkeld.

Steden zijn meer dan ‘economie’

Steden trekken niet alleen bedrijven, maar ook sociale problemen aan. In dat opzicht is er in eeuwen niets veranderd. De anonimiteit en de geestelijke vrijheid van de steden bieden niet alleen kansen voor innovatie, maar ook kansen om je te verschuilen en kansen voor criminaliteit. Immigranten vestigen zich bij voorkeur in steden, zeker als het om illegale migranten gaat. Kansarm als ze zijn, zijn ze aangewezen op de zwakkere buurten, de achterbuurten van de stad. En dat fenomeen deed zich in de jaren 90 met de komst van veel migranten in versterkte mate voor. Hele wijken werden in snel tempo overgenomen door nieuwkomers. De autochtone Nederlanders waren naar andere wijken verkast of naar de groeikernen op soms grote afstand van de stad.

Opvallend was dat het thema van de achterbuurten aanvankelijk veel scherper op de politieke agenda kwam te staan dan het thema van de migratie dat lange tijd nog tamelijk onbesproken bleef. Veel beleid werd ontwikkeld om de achterbuurten, zo u wilt: achterstandswijken, op te krikken. Het statistisch gemiddelde van de wijken liet zich overigens niet eenvoudig veranderen. Wel slaagde de overheid erin om een verdere terugval van de wijken te voorkomen. Dat betekende niet dat het beleid niet succescol was. Nemen we de bewoners als eenheid van analyse, dan was er juist wel sprake van een duidelijke vooruitgang. Veel onderzoek miskende namelijk de dynamiek van de wijken. In vijf jaar slaagde ongeveer 30% van de bewoners erin om te verhuizen naar een betere wijk, nadat ze zelf een baan hadden gevonden of elders promotie hadden gemaakt. Omdat de opengevallen plekken vaak weer werden ingenomen door nieuwe kansarme migranten, bleef het statische gemiddelde van de wijk bovenal op (het lage) peil.

Het lokaal bestuur raakt steeds meer verweven

Tegen de achtergrond van deze maatschappelijke ontwikkelingen veranderde het karakter van het lokaal bestuur. Ten eerste werd volop de noodzaak van decentralisatie van rijkstaken beleden, zowel in Den Haag als in de wereld van de gemeenten. Bovendien zouden gemeenten meer beleidsvrijheid moeten krijgen bij de besteding van haar eigen gelden. Zeker, er is op dit terrein ook veel in gang is gezet. Maar de uitkomst is minder eenvoudig te wegen. Wie het juridisch bekijkt kan inderdaad vaststellen dat veel taken in de richting van de gemeenten zijn opgeschoven. Ook het aantal specifieke uitkeringen is verminderd ten faveure van de algemene uitkering. Maar wie het meer politicologisch of bestuurskundig bekijkt en vooral let op de toegenomen beleidsvrijheid van de gemeenten, of nog breder op een eventuele machtsverschuiving tussen Rijk en gemeenten, moet toch vooral vaststellen dat er van een verschuiving van de macht nauwelijks sprake is geweest. Zo werd in de jaren 90 een begin gemaakt met het vergroten van de gemeentelijke beleidsvrijheid ten aanzien van de bijstand, maar tegelijkertijd werd de financiële verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de bijstand groter, waardoor gemeenten eerder genoodzaakt werden om het bijstandsbeleid conform de rijksdoelen uit te voeren dan eerder ooit het geval was geweest. In andere gevallen zagen we een woud aan monitoring-instrumenten ontstaan na de overheveling van een enkele rijkstaak naar gemeenten, waardoor de gemeenten in de praktijk eerder minder dan meer vrijheid kregen. Dat was zeker het geval als het Rijk er niet voor terugdeinsde om alsnog in te grijpen, als het lokale beleid niet aan de verwachting van het Rijk voldeed. Wellicht is de enige juiste conclusie dat het lokale en het rijksbeleid in de jaren 90 nog verder met elkaar verweven raakten. Zoals ook de financiële relatie tussen Rijk en gemeenten door het afbouwen van specifieke uitkeringen eerder gecompliceerder dan transparanter werd.

Terwijl de gemeenten taken overnamen van het rijk, verloren ze op lokaal niveau positie door privatisering en verzelfstandiging. De jaren 90 waren de jaren van de marktwerking, van de ‘Derde Weg’ en van paars. De woningcorporaties kwamen op grotere afstand te staan van de gemeenten en de gemeenten verloren invloed op de woningmarkt; het debat over de privatisering van het stadsvervoer nam een aanvang. Het streekvervoer kwam soms in private handen. Hoewel ook hier de soep niet zo heet werd gegeten als zij werd opgediend, van een machtsverschuiving van publiek naar privaat was zeker sprake.

Een derde ontwikkeling betrof de verdergaande regionalisering van het bestuur. Omdat burgers zich voor werk, wonen, voorzieningen en recreëren steeds minder aan één gemeente hechten en steeds meer leven in stadsgewesten, werd de behoefte aan regionale coördinatie steeds groter. Met deze regionalisering verloor de gemeente zeggenschap. Omdat bij deze ontwikkeling uit democratisch oogpunt vraagtekens kunnen worden geplaatst, ontstonden plannen voor de ontwikkeling van een democratisch gekozen regionaal bestuur, onder de titel van ‘stadsprovincies’. Bij enkele referenda in Amsterdam en Rotterdam bleek dat burgers minder zwaar tilden aan het verlies van invloed aan gemeenschappelijke regelingen en meer hechtten aan hun ‘oude’ gemeente. In grote meerderheid spraken zij zich uit tegen de vorming van stadsprovincies. De hele geschiedenis van de stadsprovincies had wel een positief effect op de samenwerking tussen centrum- en randgemeenten. Men had inmiddels geleerd dat onderhandelen en samenwerken onvermijdelijk waren. Gevolg was wel dat majeure beslissingen voortaan niet meer in gemeenteraden werden genomen.

Deze drie ontwikkelingen (centraal-decentraal, publiek-privaat, centrum-periferie) duiden erop dat het lokaal bestuur steeds meer verweven raakte met zijn omgeving. Begrijpelijkerwijs had dat gevolgen voor de positie van de gemeenteraad en binnen de gemeenteraad voor de ‘oude’ politieke partijen met hun ideologische en landelijke politieke programma’s. Deze ‘depolitisering’ had zich in kleinere gemeenten al veel eerder voorgedaan. Meer en meer kwam het accent op het beheer te liggen in het gemeentelijk bestuur en steeds minder op ‘beleid’. Door het verlies aan betekenis van de oude ideologische politiek ontstond ook in de steden ruimte voor een nieuw soort politiek, de politiek van de lokale partijen. De politiek die zich richt op kleine lokale zaken, op behoud van het eigene, op inspraak voor de burger, en op bestrijding van het stadhuis. In de jaren 90 ging het nog niet om ‘leefbaarheidspartijen’, die in populistische vijvers gingen vissen en meestal aan de rechter kant van het politieke spectrum verkeren. In de jaren 90 zijn de lokale partijen schijnbaar veel vrolijker, minder grimmig dan Leefbaar later vaak zou worden. En soms opvallend progressief. De nieuwe lokale partijen veroverden in de jaren 90 eerst de randgemeenten, later de grotere steden. Het lokaal bestuur verbleekt dus niet alleen, maar verkleurt ook in de jaren 90.

De PvdA in de jaren 90

Bij de verkiezingen van 1990 en 1994 moest de PvdA grote klappen incasseren. Haalde de PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 nog 31,6% van de stemmen, in 1994 was dan slechts 18,7%. Natuurlijk stond dat niet los van de rol die de PvdA zich in het lokaal bestuur in de jaren 80 had aangemeten: de rol van ondernemer, van manager, waardoor de band met de traditionele achterband verwaterde. In 1990 verloor de PvdA onder leiding van Walter Etty in Amsterdam nagenoeg de helft van zijn electoraat, omdat ‘Brezjnev aan de Amstel’ te weinig oog zou hebben voor de noden van de mensen.

Maar het was niet alleen de stijl van besturen die de PvdA werd aangerekend. Door de steeds grotere verwevenheid van het lokaal bestuur met zijn omgeving kreeg politieke polarisatie steeds minder kansen. Bovendien drong het besef door dat de samenleving veel minder maakbaar was, dan gedurende decennia werd geloofd en werd uitgedragen. Het realiseren van glinsterende hoogbouw betekende niet meteen dat de lokale economie aantrok, en het plannen van een ‘brainpark’ betekende niet meteen dat universiteit en bedrijfsleven nauwer gingen samenwerken. Ook ontstond heel langzaam, met de nadruk op heel langzaam, in de jaren 90 het besef dat nog meer sociale woningbouw de steden er niet bovenop zou helpen. Tot ver in de jaren 90 stond voor PvdA-bestuurders in de steden in marmer gebeiteld dat 80% van de nieuwbouw sociale woningbouw zou moeten zijn. Het bizarre is dat de Nederlandse steden ook decennia lang zijn geholpen op deze dwaalweg door de ontwikkeling van groeikernen in het kader van de nationale ruimtelijke ordening.

Nadat duidelijk was geworden dat grote ruimtelijke projecten nog niet meteen stedelijke economie genereerden, kwam de focus weer sterk te liggen op de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar bleek hoezeer het maakbaarheidsdenken bij de PvdA-bestuurders nog steeds in de genen zat. Als er geen banen waren voor de onderkant van de arbeidsmarkt, dan moesten die maar worden geschapen. Onder de vlag van Melkertbanen werd een heel circus van additionele arbeid in het leven geroepen. Het woord ‘circus’ is niet denigrerend bedoeld.Toch werk lange tijd miskend dat het creëren van additionele banen ernstig leed onder ‘afroming’ (in Amsterdam werden veel Melkertbanen bezet door werkloze academici), door ‘verdringing’ (in Rotterdam gingen in één collegeperiode 1000 reguliere banen aan de onderkant van het loongebouw bij de gemeente verloren; in Leiden was er een vacaturestop voor reguliere banen bij de gemeente zolang de Melkertbanen nog niet waren vervuld) en vooral onder ‘bureaucratie’ (vaak in een poging om afroming en verdringing te voorkomen). Bovenal waren de Melkertbanen een laatste poging om te laten zien dat je voor banen het bedrijfsleven niet nodig had. Dat idee verdween definitief aan het einde van de jaren 90.

Je zou ook kunnen zeggen: de PvdA werd steeds realistischer en pragmatischer. Ja, de ‘ideologische veren’ werden afgeschud. Het was de tijd van paars en dat begon ook in de gemeenten voelbaar te worden. Misschien moeten we zelfs zeggen dat ‘paars’ juist in de gemeenten voelbaar werd, hoewel er van paarse coalities op lokaal niveau nauwelijks sprake was. Om de simpele reden dat je in de lokale politiek extra profiel moet hebben om als partij zichtbaar te blijven. Al met al, is in retrospectief het verlies van de PvdA in de jaren 90 heel goed te begrijpen. Dat laat onverlet dat de partij bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 weer wat opkrabbelde na de grote nederlagen van de twee voorgaande verkiezingen. De populariteit van Wim Kok, na zijn eerste kabinet, was daaraan debet.

Maatschappelijke ontwikkelingen zetten zich door na de eeuwwisseling

De trends van de jaren 90 werden in veel opzichten doorgetrokken in het eerste decennium van de 21e eeuw, zij het soms in verscherpte vorm. De economie verschoof verder in de richting van een ‘kenniseconomie’, steden werden (nog) belangrijker en er werd weer fors gebouwd in de steden, met name voor de midden- en hogere inkomens. Duco Stadig gaf als wethouder van Amsterdam het goede voorbeeld door het Oostelijk Havengebied te ontwikkelen. Dat gebied is in twee opzichten zeer interessant. Ten eerste biedt het plaats aan veel van de ‘kenniswerkers’ waar de tegenwoordige stad behoefte aan heeft. Hoger opgeleid, kosmopolitisch. Ten tweede werd hier nadrukkelijk gebroken met de modernistische stedebouwkundige opvatting die Nederland vanaf de Tweede Wereldoorlog in haar greep hield, resulterend in kilometers lange monotone nieuwbouwwijken, met – inderdaad – veel licht, lucht en ruimte, maar ook vaak verder zonder enige sfeer. De groeikernen die vanaf de jaren 60 tot ontwikkeling kwamen, hebben er nog steeds heftig onder te lijden. Maar ook de steden de afgelopen eeuw bouwden vooral in weilanden aan de buitenkant, en al even monotoon. In de stad was er aanvankelijk vooral ruimte voor doorbraken, een beleid dat in de jaren 70 vrij abrupt en met veel politiek lawaai werd vervangen door het ‘bouwen voor de buurt’. Ook hier was de bouw vaak monotoon en bovendien in de regel vaak tamelijk armoedig, op de dappere pogingen van enkelen, waaronder Adri Duivesteijn in Den Haag na. Maar bovenal: sociale woningbouw. Dus geen plek voor hogere inkomens en hoger opgeleiden. Het Oostelijk Havengebied is daarmee een icoon geworden van de omslag in het denken over de stad. En Duco Stadig verdient een standbeeld, zoals Adri Duivesteijn al een Maaskantprijs kreeg, onder andere voor zijn poging om stadsvernieuwing met kwaliteit en duurzaamheid te combineren.

Ook in de achterbuurten werd in de jaren 0 gaandeweg meer gebouwd voor mensen met een grotere portemonnee. Dat heeft er niet toe geleid dat mensen van elders zich in achterstandswijken zijn gaan vestigen. Maar het heeft er wel toe geleid dat mensen die ‘wooncarrière’ konden maken, vanwege promotie op het werk, langer in de eigen wijk konden blijven wonen. Zo kwam er meer differentiatie in achterstandswijken, en hopelijk meer sociale cohesie.

Intussen nam de immigratie sinds het begin van de nieuwe eeuw, met name door een nieuwe wet van staatssecretaris Job Cohen snel af. Bovendien werd tegen het einde van het eerste decennium het succes van de integratie van migranten ook geografisch goed zichtbaar. Onder geïntegreerde migranten ontstond, net als onder autochtone middeninkomens, een trek naar een huis met een tuin, in één van de randgemeenten. Daarmee is de groei van het aantal migranten in de grote steden tot stilstand gekomen. Het politieke debat in het eerste decennium stoorde zich overigens weinig aan deze feitelijke ontwikkelingen. Het werd salonfähig om over ‘massa-immigratie’ te spreken, terwijl de immigratie feitelijk bijna tot stilstand was gekomen, zeker als het ging om niet-westerse immigranten. Immigratie werd het grote politieke thema, waarbij al snel een koppeling werd gelegd met dat andere grote thema: de veiligheid, of beter gezegd: de ervaren onveiligheid. Ook bij dit laatste thema werden de werkelijk ontwikkelingen vaak miskend: terwijl er feitelijk sprake was van een afnemende criminaliteit, kwam het thema van de onveiligheid juist in het laatste decennium hoog op de politieke agenda.

Gemeente steeds meer onderdeel van die ene overheid

De bestuurlijke trends die zich voordeden in de jaren 90, zetten door in het eerste decennium van deze eeuw. De verwevenheid van de gemeenten met het Rijk, met nabuurgemeenten en met allerlei maatschappelijke partijen nam eerder toe dan af. De decentralisatie van de Wet Werk en Bijstand en van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning legde een zwaar beslag op de gemeentelijke capaciteit en op de gemeentelijke financiën, maar gaf de gemeenten niet meer vrijheid. Zo te zien vormde de ruimtelijke ordening een uitzondering. Hier trok de rijksoverheid zich gaandeweg werkelijk terug, uitmondend in het regeerakkoord van het kabinet Rutte waarin de rijksrol in de ruimtelijke ordening nagenoeg leek verdwenen. De tijden van Vinex waren geheel voorbij. De financiële bronnen bij de rijksoverheid voor stedelijke vernieuwing en nieuwbouwlocaties droogden geleidelijk geheel op. De gemeenten moesten het voortaan nagenoeg geheel zelf doen. Een uitzondering werd gemaakt voor Almere, waar de eerder genoemde Adri Duivesteijn een dappere strijd voerde voor voortzetting van het aloude, wel effectieve maar niet succesvolle groeikernenbeleid. De bemoeizucht van het Rijk ging hier samen met een gesloten portemonnee, afgezien van gelden voor nieuwe infrastructuur.

Op financieel gebied werd de verschuiving van specifieke naar algemene uitkering voortgezet. Het is de vraag of de beleidsvrijheid van de gemeenten daarmee werd vergroot omdat allerlei gelden binnen de algemene uitkering voortaan moeten worden verantwoord, waarmee de systematiek van het de financiële verhouding ernstig werd geschaad. Bovendien beperkten forse bezuinigingen aan het einde van het eerste decennium de beleidsvrijheid van gemeenten.

Binnen de gemeente nam de afhankelijkheid van het lokaal bestuur van allerlei maatschappelijke organisaties vooral toe. Gerard Anderiesen liet ooit zien dat binnen Amsterdam de woningcorporaties bij de woningbouw de leidende partij zijn geworden, zeker nadat ze niet meer alleen waren aangewezen op sociale woningbouw. In de sociale hoek was de afhankelijkheid van integratiebedrijven groot.
Op het gebied van de bestuurlijke reorganisatie was het stil in de jaren 0. De mislukking van de stadsprovincies in het midden van de jaren 90 werkte nog lang door. Dit laat onverlet dat er veel, en steeds meer door gemeenten werd samengewerkt. Samenwerking binnen tal van gewestelijke structuren werd zo normaal, dat gemeenteraden hun interesse in deze samenwerkingsconstructies grotendeels leken te verliezen. Ten onrechte, omdat veel lokale onderwerpen de gemeentegrenzen overstijgen en dan ook onderwerp van besluitvorming waren buiten de gemeenteraad om.

En zo werd de gemeente steeds meer onderdeel van de ‘die ene overheid’. Het politieke profiel van de gemeente verbleekte verder, zeker in termen van de oude ideologische scheidslijnen. Dit gebeurde ondanks een dappere maar onduidelijke poging om in het gemeentelijk bestuur het ‘dualisme’ in te voeren. Formeel was er tot 2002 sprake van ‘monisme’: het college van B&W vormde het dagelijks bestuur dat uitvoering gaf aan de besluiten van het algemeen bestuur, de gemeenteraad. Wethouders waren dan ook lid van de gemeenteraad (we laten hier de positie van de burgemeester voor de eenduidigheid even buiten beschouwing). In de praktijk was echter niet de gemeenteraad de baas, maar het college en bekrachtigde de gemeenteraad de door het College voorgekookte besluiten. Het is mij nooit duidelijk geweest waarom een formeel dualisme hier de oplossing zou kunnen bieden, nog afgezien van het feit dat er binnen de lokale wereld hele verschillende beelden ontstonden over dat nieuwe dualisme. Voortaan zou de gemeenteraad zich moeten concentreren op de hoofdlijnen en zou het College vooral moeten besturen. Wethouders waren vanaf 2002 geen lid meer van de gemeenteraad. Ook deed de ‘wethouder van buiten’ veelvuldig zijn intrede: personen die niet op een kieslijst hadden gestaan, of zelfs helemaal niet in de betreffende gemeente woonachtig waren. Daarmee kwam in ieder geval het College verder af te staan van de bevolking. Ook is achteraf vastgesteld dat deze staatsrechtelijke operatie op geen enkele wijze de positie van de gemeenteraad heeft versterkt. Tegen deze achtergronden werd steeds meer geklaagd over de kwaliteit van de raadsleden.

Met de opkomst van Fortuyn in 2002 veranderde het karakter van de lokale partijen. Het begrip ‘leefbaar’ deed zijn intrede. Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Utrecht haalden veel stemmen. ‘Leefbaar’ werd bijna synoniem voor ‘populisme’, was vaak zeer gericht op behoud van het eigene en tegen ‘multiculturalisme’. Terwijl het bij de lokale partijen in de jaren 90 nog vaak ging om het behoud van een ‘oude boom in het centrum van de stad’, richtten de leefbaren zich tegen immigratie en islam. Tegen een door hen niet-gewenste verandering van de cultuur. Met de leefbaren kwamen de immigratie en de veiligheid bovenaan de lokale agenda.

De PvdA op zoek naar een nieuwe basis

Joop van den Berg schreef treffend dat de lokale politiek van de PvdA twee peilers kent: de ruimtelijke peiler van Wibaut en de sociale peiler van Drees.1 Op beide terreinen is het eigen geluid van de PvdA op lokaal niveau in de laatste twee decennia, en vooral in het laatste, verstomd. Stond het woningbeleid van de PvdA eerder altijd in het teken van sociale woningbouw, stadsvernieuwing, bouwen voor de buurt, vanaf 1990 was het onvermijdelijk dat PvdA-wethouders gingen bouwen voor de midden- en de hogere inkomens. Alleen daar werd de lokale economie beter van. Dat de onderkant van de arbeidsmarkt uiteindelijk ook beter wordt van een sterkere lokale economie, mag waar zijn, maar die omweg wordt aan de onderkant van de samenleving niet altijd begrepen. Zo werd de PvdA veel meer een partij voor de hogere inkomens en raakten de lagere inkomens uit beeld. Bordewijk constateerde al dat tussen 1986 en 1994 de grootste neergang van de PvdA zich had voorgedaan in de buurten met sociale huurwoningen.2

Ook in de sociale agenda raakte de PvdA op lokaal niveau gaandeweg haar eigen gezicht kwijt. Na het decennium van de Melkertbanen, de banencreatie zonder bedrijven, heeft de partij geleidelijk moeten toegeven dat Melkertbanen geen structurele oplossing zijn en dat echte banen in het bedrijfsleven (of in de publieke sector, maar dan niet als doel maar als middel) moeten worden gevonden. Bovendien werd het sociale beleid van de gemeenten helaas vooral effectief toen de sociale diensten onder bezuinigingsdruk hun houding veranderden en de uitkeringsgerechtigden veel straffer aanzetten tot het accepteren van een baan. Het beleid werd harder. Daarmee werd de agenda van ‘rechts’ voor een deel overgenomen. We kunnen ook zeggen: links en rechts onderscheidden zich op lokaal niveau nog maar nauwelijks op sociaal terrein.

De derde ontwikkeling die de PvdA parten heeft gespeeld in het eerste decennium van deze eeuw betrof de nieuwe politieke agenda van immigratie en veiligheid. Over immigratie liet de PvdA wel een eigen geluid horen, maar dat geluid werd niet erg herkend door de oude achterban die de achterstandswijken inmiddels voor een groot deel al had verlaten. Over veiligheid heeft de PvdA nooit veel te zeggen gehad. De nieuwe ‘rechtse’ agenda heeft de PvdA vooral parten gespeeld omdat de partij geen antwoord had. En nog steeds niet heeft. In Rotterdam nam de PvdA in 2006 de rechtse agenda van de Leefbaren nagenoeg geheel over nadat weer een plek in het College was bevochten.

Een toch bleef de PvdA in beeld

Op de twee traditionele agenda’s vervreemdde de PvdA dus van een belangrijk deel van zijn achterban. Op de nieuwe agenda had de partij geen aangepast antwoord. Eigenlijk is het verbazingwekkend hoeveel stemmen de partij in het eerste decennium nog heeft getrokken. Natuurlijk, de opvallend goede uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 kan voor een zeer belangrijk deel worden toegeschreven aan de anti-stemming tegen het kabinet Balkenende in het land en aan de persoon van Wouter Bos die op dat moment op het toppunt van zijn populariteit stond. En het is waar, in 2010 haalde de PvdA het slechtste resultaat ooit bij gemeenteraadsverkiezingen. In die zin werd de dalende lijn sinds 1986, met twee uitschieters, één voor Wim Kok en één voor Wouter Bos, gewoon doorgetrokken.

Maar dat neemt niet weg dat nog steeds 15% van het electoraat voor de PvdA koos. En dat veel PvdA-wethouders nog steeds een belangrijke zo niet dominante rol spelen in het lokaal bestuur. De kwaliteit van de PvdA-vertegenwoordigers heeft hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld. Veel PvdA-bestuurders staan immers bekend als goede, betrokken bestuurders, die goed kunnen omgaan met (veranderende) machtsverhoudingen. Tegelijkertijd moeten we vaststellen dat nog maar weinig PvdA-wethouders een landelijk profiel hebben. Het is niet vreemd dat er eigenlijk één uitzondering op die regel was, de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, die inmiddels beloond is met het ministerschap van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Opvallend aan hem was dat hij zich als enige PvdA-er profileerde op de derde agenda van veiligheid en migratie.

Daarmee houdt de PvdA dus stand op grond van bestuurlijke kwaliteiten en veel minder op grond van ideologie. Maar misschien is dat ook wel heel goed te verklaren uit het veranderend profiel van het lokaal bestuur. Met de nadruk op bestuur. De lokale politiek heeft steeds minder om hakken in de gemeente, waar het uitvoeren van Rijksbeleid de agenda tegenwoordig helemaal beheerst.

1 J.Th.J. van den Berg, Sociaal-Democratie, gemeentelijk bestuur en de vloek van de technocratie, in Frans Becker, Menno Huurenkamp (red.), Lokale politiek als laboratorium, WBS Jaarboek 2009, Den Haag, 2009, pp. 101-118.2 Zie Pieter Nieuwenhuijsen en Paul Bordewijk in Becker en Huurenkamp, 2009, pp. 19-42. 

Interview in De Leunstoel met Wim Derksen over zijn boek Loopgek

april 27, 2012 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Gepubliceerd in: De Leunstoel
Geschreven door: Willem Minderhout

Wim Derksen is een van de bekendere bestuurskundigen van Nederland. Na een carrière als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid werd hij directeur van het Ruimtelijk Planbureau. Sinds het RPB in 2008 fuseerde met het Milieu- en Natuurplanbureau tot het Planbureau voor de Leefomgeving is Wim ‘chief scientist’ bij het Ministerie van VROM. Nu dit Ministerie is opgegaan in het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is hij direct betrokken bij de grote reorganisatie van de Rijksoverheid van het kabinet Rutte. Het leek me interessant om hem te interviewen over zaken als het einde van VROM, de bestuurlijke agenda van Rutte en – Wim is al dertig jaar lid – de toestand van de PvdA. Via Twitter, ook daar is hij te vinden, maakte ik een afspraak met hem in een café op Het Plein. Daar kreeg het gesprek al snel een verrassende wending.

‘Moet het over bestuur en politiek gaan? Ik heb het eigenlijk veel liever over hardlopen. Binnenkort komt er een boekje van me uit over marathons en ultra-lopen. Een ultra-loop is iedere hardloopwedstrijd die langer is dan een marathon. Ik doe dat nu zo’n tien jaar en hardlopen is een integraal deel van mijn leven geworden. Ik ben net terug van de Ultraloop van Davos. Dat is een wedstrijd over 78,5 km. Je moet tijdens die loop meer dan twee kilometer klimmen en vervolgens twee kilometer dalen. Als je dat haalt, dan voel je je echt helemaal geweldig. Dat kan ik aan niet-lopers niet uitleggen. Eufoor!

Ook Nederland heeft geweldige wedstrijden. De Zestig van Texel bijvoorbeeld. Je rent het hele eiland rond. Voor sommigen is dat niet ver genoeg, die lopen twee rondjes. Zo ver ga ik niet, maar ik had er wel de smoor in dat ik tijdens de Zeeuwse strandmarathon van Burgh-Haamstede naar Zoutelande wind mee had. Zo is het niet bedoeld!

Er zijn natuurlijk al veel boekjes over marathonlopen verschenen. Die zijn over het algemeen heel feitelijk en saai: ‘hoe loop ik een marathon’. Ik probeer het vooral van binnenuit te beschrijven. Er staan natuurlijk ook praktische tips in. Tepels aftapen bijvoorbeeld. Als je dat niet doet dan schuren ze na zo’n kilometer of dertig open en dan wordt lopen een hel. Nagels knippen is ook zoiets. Doe dat drie dagen van te voren, want als je dan misknipt kun je nog herstellen. Met een bloedende teen loop je geen marathon.
Het belangrijkste wat je moet leren is doseren. De eerste helft van een ideale loop is net zo snel als de tweede. Als je er als een gek vandoor gaat, dan verlies je enorm veel tijd aan het eind, maar als je al te langzaam start dan houd je teveel over. Een goede opbouw is van het grootste belang. Ik loop zo’n vijf marathons en ultralopen per jaar en ik train vijf keer per week. Eén avond per week ga ik ‘spinnen’, op een fiets in de sportschool. De meesten doen dat één uur, maar ik plak er altijd een uur aan vast. Na zo’n veertig minuten spinnen kom ik pas helemaal in mijn element. Dan komt bij mij de endorfine los en dat geeft een kick die ik niet meer wil missen.

Ik ga als gevorderde vijftiger nog steeds harder lopen, maar ik denk niet dat ik, als ik eerder begonnen was, een soort Gerard Nijboer was geweest. In Berlijn was ik tweeduizendste van de 45.000 deelnemers. Goed, maar geen topper. De echte toppers zijn het ook maar heel kort. Iemand als Gerard Nijboer is na een paar fantastische marathons verdwenen. Laat mij op mijn niveau nog maar jaren doorrennen.

Mijn boekje is opgehangen aan de ‘Swiss Alpine’. Het is daar ook ontstaan. Ik schreef tijdens de voorbereiding al korte stukjes. Dat was, voor ik het wist, uitgegroeid tot een pagina of zestig. Uitgeverij Prometheus zag er wel brood in als ik daar een boekje van zou maken. Ik heb mijn laptop meegenomen naar Zwitserland en iedere keer aan het eind van de dag heb ik er aan gewerkt.

De combinatie lopen en schrijven is me trouwens niet vreemd. Vooral toen ik nog RPB-directeur was, moest ik voor allerlei bladen columns schrijven. Na een flinke loop rolden die er vrijwel automatisch uit. Ook managementproblemen loste ik altijd tijdens het hardlopen op. Wat bij dit boekje wel anders is, is dat ik over iedere zin moest nadenken. Kan het niet mooier en beter? Daar heb ik bij het schrijven van wetenschappelijke boeken en artikelen en columns nooit last van gehad. Ik heb dus vooral veel energie gestoken in het bijpunten en herschrijven.

Ik mis het wetenschappelijk bedrijf overigens niet. Ik heb een 0-uren contract bij de Erasmus Universiteit, maar ik ben niet van plan om nog bestuurskundige artikelen op de vierkante centimeter in internationale tijdschriften te publiceren. Ook het RPB mis ik niet. Ik heb dat altijd met veel plezier gedaan, maar het bleef altijd een club met een wat onduidelijke missie. Het CPB had ‘profit’, het SCP had ‘people’ en het MNP had ‘planet’, maar wat hadden wij? ‘Ruimte’ is altijd een lastig onderwerp geweest binnen de sociale wetenschappen. De ruimtelijke ordening mist een duidelijk paradigma. Er zijn weliswaar allerlei prachtige verhalen in de omloop over ‘glokalisering’ en zo, maar de praktische waarde daarvan is vrij gering. Ik ben altijd meer een empiricus dan een theoreticus geweest, dus ik kon er nooit zoveel mee. Prachtig gezweef, vond ik het.

Adri Duivesteijn, één van de geestelijke vaders van het RPB, had nog fantasieën over een bureau dat echte ruimtelijke plannen zou maken a la de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening. Dat is echter niet meer van deze tijd. Ik heb Maarten Hajer, de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, daarom geadviseerd om vooral op duurzaamheid te focussen.
Achteraf gezien is de vorming van het RPB misschien zelfs een strategische fout geweest. Het was vooral een braindrain van de voormalige Rijks Planologische Dienst.

De teloorgang van de ruimtelijke ordening en VROM in het algemeen illustreert ook duidelijk de impasse waarin de PvdA verkeert. Jacqueline Cramer heeft als PvdA-minister bedroevend weinig tot stand gebracht. Bovendien krijgen we nu te maken met een heel ander paradigma. Neem ‘de natuur’. Laatst was ik op een bijeenkomst waar een VVD-raadslid natuur definieerde als een plek waar hij zijn hond kan uitlaten. De planologen zullen er aan moeten wennen dat hun gebied heel anders zal worden gedefinieerd. Ik ben niet van dit kabinet, maar het is wel waar dat we op het gebied van de ruimtelijke ordening een nieuw verhaal nodig hebben, gebaseerd op overtuigende argumenten. Kijk naar het Groene Hart! Er is in de afgelopen jaren al 20% van verdwenen. Je kunt al bijna tussen de bebouwing door van Den Haag naar Utrecht rijden. Het is langzamerhand een fictie geworden, waarin alleen ‘planologen’ nog geloven. Kijk nu eens wat er echt gebeurt en baseer daar je politiek op!

Ik zie de toekomst wat dat betreft somber in. Rutte regeert zonder enige diepere gedachte over de te volgen koers, zonder een ‘filosofie’, maar als politiek leider is hij een verademing na Balkenende. En ‘links’ schiet steeds in een kramp. Kijk naar die bezuinigingen op cultuur. Dat schiet momenteel volledig door met de meest verschrikkelijke voorstellen, maar ik vind dat de cultuurwereld ook niet uitblinkt in tegenargumenten. Bovendien had in het verleden wel wat kritischer gekeken kunnen worden naar de cultuursubsidies. Echte innovatieve kunstenaars als Frans Brüggen en dergelijke moeten gesubsidieerd worden, maar krijgen weinig. En waarom krijgt mijn eigen amateur-orkest – het Zuid-Hollands Symfonie Orkest, waarin ik fagot speel – subsidie? Dat is een hobby van beter gesitueerden. Ik betaal daar minder contributie voor dan voor mijn hardloopvereniging.

Veel mensen vergelijken de huidige tijd met de jaren dertig, maar ik vind het meer lijken op de jaren zestig, maar dan in spiegelbeeld. ‘Nieuw Links’ had destijds net zo min vruchtbare ideeën als ‘Nieuw Rechts’ nu. De oude garde had toen net zo min als nu een verhaal klaar. Men was verbijsterd en verwachtte dat het vanzelf wel over zou gaan. Job Cohen is een beetje de Willem Drees jr. van deze eeuw. Hij moet een nieuw verhaal weten te vinden om het enthousiasme voor de sociaaldemocratie nieuw leven in te blazen.

Ik ben al dertig jaar lid van de PvdA en dat zal ik blijven. Desnoods ben ik degene die het licht uitdoet. Maar ik laat me niet door de partij voorschrijven hoe ik moet denken. Ik heb ook nooit een functie gehad of geambieerd, behalve dat ik een periode in het congrespresidium heb gezeten en een aantal keren heb meegeschreven aan het programma. ‘PvdA-prominent’ is een benaming die ik in de pers heb gekregen. Dat is veel eer voor een tamelijk gewoon lid. Echte oplossingen die ik zie zijn tamelijk klassiek. Breek nou eens met dat ‘zieligheidsdenken’. Werk voor iedereen, dat is het belangrijkste. En probeer die verschrikkelijke schaalvergroting in de zorg en het onderwijs en privatisering van zaken als het openbaar vervoer terug te draaien.

Willem Drees werd wel de ‘wethouder van Nederland’ genoemd. Job Cohen mag van mij de ‘burgemeester van Nederland’ worden. Nederlandse burgemeesters geven echter per definitie niet de richting aan. Dat is iets dat Cohen wel zal moeten leren. Misschien moet Job ook maar eens een flink stuk hardlopen om de goede ideeën los te zweten. Flink ‘spinnen’ op de fiets in de sportschool zou een begin kunnen zijn. Aan een goede sportinstructeur heb je meer dan aan een ‘spindoctor’. De sociaaldemocratie kan wel wat endorfine gebruiken.

Volgende pagina »