Al bouwend poetst Rotterdam zijn monumenten weg

oktober 26, 2013 by  
Filed under De Stad

Rotterdam blijft fascineren. Die stad is nooit af. Ik heb er lang gewoond en kom er nog graag. En telkens wordt mijn blik weer getrokken door al die bouwputten. Door de energie en de durf waarmee in deze stad nieuwe plannen worden gesmeed. Hoe mooi is het dat daarbij ruim baan wordt gemaakt voor de grote architecten uit de eigen stad. Van de Broek en Bakema ontwierpen hier na de oorlog hun roemruchte Lijnbaan, Maaskant en Van Tijen het Groothandelsgebouw, en al die andere hoopgevende modernistische gebouwen. Wim Quist tekende de nieuwe schouwburg, het Maritiem Museum, het Nedlloyd-gebouw aan de Maas en het Robeco-gebouw aan de Blaak. Hoogstad bouwde het hoofdkantoor van Unilever en een woontoren aan het Weena. Adriaan Geuze ontwierp het Schouwburgplein (sorry, niet erg geslaagd) en de nieuwe markt. Eric van Egeraat bouwde aan InHolland. Rem Koolhaas bouwt nu De Rotterdam op de Wilhelminapier, het nieuwe stadskantoor en straks misschien Forum. En MVRDV metselt al een tijdje aan de nieuwe Markthal bij station Blaak.

Die geest van vernieuwing hoort bij de stad. Sinds de oorlog wordt er geheid in de stad. En sinds de oorlog staan Rotterdammers bij hun bouwputten te kijken. Waar in Amsterdam op bouwwerken wordt gescholden, is een bouwput in Rotterdam het symbool van hoop. Hoop op afronding van de stad. Tegelijkertijd weten we dat die hoop ijdel is. Omdat de stad nooit af zal zijn. Niet in het minst omdat de bouwwoede ook sans rancune ten koste gaat van gebouwen die in het recente verleden het resultaat van diezelfde bouwwoede waren.

Zo was de komst van de Hogesnelheidslijn reden om het oude station te vervangen. Vóór het station moest bovendien de smalle verkeerstunnel worden verbreed. En onder de grond vindt Randstadrail zijn aansluiting op het metronet. Rotterdam Centraal stond dus jaren symbool voor Rotterdam: bouwput, bouwput en nog eens bouwput. Hier wordt een stad gebouwd.

Maar hier wordt ook een stad afgebroken. We zouden namelijk bijna vergeten dat het oude Rotterdam Centraal een prachtig monument was van architect Sybold van Ravesteyn. Het station was een voorbeeld van de wederopbouw. De lichtheid van de grote stationshal, de lichtheid – in ander opzicht – van de perronoverkapping, het had allemaal een grote schoonheid. Natuurlijk, er was inmiddels veel mis aan dat station. Het was te klein, en het is zeker te klein als de HSL ooit een succes gaat worden. Het kon de nieuwe vervoerstromen niet meer aan. Ook het metrostation was te klein en te benauwd. Er was dus alle reden om iets nieuws te bouwen. Iets nieuws dat indrukwekkend is, dat prachtig is, dat meteen het mooiste station van Nederland is. Ja dit keer van een architectenbureau dat niet uit Rotterdam komt: Benthem Crouwel.

Het blijft een pleister op de wonde. De sloop van het prachtige station van Van Ravesteyn doet me nog steeds pijn. Die sloop heeft ook iets Rotterdams in een minder positieve zin: aan het bouwen gaat vaak ondoordacht slopen vooraf. Bouwen staat in Rotterdam vaak gelijk aan ‘helemaal opnieuw beginnen’. En helaas staat Rotterdam hier model voor veel andere steden in Nederland. We hebben weinig geduld met onze steden. De tijd dat we eeuwenlang bouwden aan onze grachtengordels ligt ver lang achter ons. Ook de tijd van het Plan Berlage is echt voorbij. Tegenwoordig straalt stedebouw vooral veel ongeduld uit. We hebben nauwelijks een plan en zijn soepel in onze argumenten.

En ook die manier van werken leidt tot veel schoonheid. Organische groei leidt nu eenmaal vaak tot interessante plekken, ook als er nauwelijks een plan onder ligt. Maar een echte stad wordt wel gekenmerkt door een combinatie van oud én nieuw, door een verzameling van bouwstijlen. Dus het is niet de zucht naar iets nieuws dat me tegenstaat, maar de behoefte om het oude te vernietigen. Denk ook aan de Zwarte Madonna in Den Haag, een bijzonder project van Carel Weeber, dat na vijftien jaar al weer plaats moest maken voor een ander project. Oké, de Zwarte Madonna paste niet in de rijkdom die Den Haag op die plek wilde uitstralen. Maar het was wel een onderdeel van de identiteit van de stad.

Bovendien horen we oog te hebben voor de monumenten die vroegere bestuurders hebben nagelaten. Het station van Van Ravesteyn was een monument. Ik geef toe, het oogde de laatste decennia steeds kleiner, met al dat bouwgeweld in de directe omgeving. Maar toch was het nog steeds van grote schoonheid. Ook het Groot Handelsgebouw van Hugh Maaskant en Wim van Tijen dat ernaast staat, is zijn grootsheid verloren na de komst van Nationale Nederlanden en al die andere prachtige pieken aan het Weena. En wordt nu nog pijnlijker weggedrukt door het nieuwe station. Maar ondanks alles: het hoort daar te staan. Voor de identiteit van de stad én omdat het zo typisch een monument is van de vorige generatie.

En nog iets: het is bijna niemand opgevallen maar in het bouwgeweld in Rotterdam is ook een hele vroege ‘Koolhaas’ ten onder gegaan; een leuke overkapping van het busstation, mooi aansluitend bij de vorm van het station. Ik worstel bij aankomst in Rotterdam dan ook altijd met die ene vraag: waarom wordt in Amsterdam terecht alles gedaan om het station van Pierre Cuypers bij de stationsuitbreiding te laten staan, terwijl in Rotterdam anderhalf monument achteloos is weggepoetst?

Mijn plek in de stad: heimwee naar Rotterdam

oktober 16, 2013 by  
Filed under De Stad

Mijn plek in de stad bestaat niet meer. En mijn stad is mijn stad niet meer. Laat ik met het laatste beginnen. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat die in hun leven al meerdere steden hebben bewoond, velen delen die ervaring, maar mijn huidige woonplaats is nooit ‘mijn stad’ geworden. Achtereenvolgens heb ik gewoond in Meppel, Groningen, Leiden, Rotterdam en Den Haag, maar Rotterdam springt er ver boven uit. Als ik er kom, kom ik thuis, in mijn stad. Daarmee is niets ten nadele van de andere steden gezegd. In Den Haag woon ik objectief gezien geweldig; dicht bij de duinen, dicht bij het station, dicht bij snelwegen, mooi huis, mooie tuin (gesloten bouwblok!). Maar mijn gevoel ligt nog steeds in Rotterdam. En de stad waar ik woon, is mijn stad dus niet meer.

Mensen die nimmer in Rotterdam hebben gewoond, kunnen zich mijn liefde voor Rotterdam soms maar moeilijk voorstellen. Zij menen dat Rotterdam een kale en kille stad is met weinig beschutting. Anderen weten dat Rotterdam een arme stad is met relatief veel werkloosheid. Maar ik ken de dynamiek van die stad. Ik weet hoe die stad 24 uur per dag leeft, en ik weet hoe rauw de Rotterdamse dynamiek kan zijn. Hoe onopgesmukt de cultuur en de kunst. Dat veel grote architectenbureaus  in Rotterdam zijn gevestigd. En ik ken de daadkracht van de stad. Hoe het bestuur en de bewoners van Rotterdam zonder te versagen proberen de stad te vernieuwen en de uitstraling van een werkelijk grote stad te geven. Dit uit zich in een eindeloze rij plannen, die ook bijna allemaal worden gerealiseerd. In de tijd dat ik in Rotterdam woonde, zijn de Boompjes ontwikkeld, met het Nedlloyd-gebouw van Quist; is het Weena ontwikkeld, met de kantoren van onder anderen Bonnema en Hoogstad; is het museumkwartier ontwikkeld, met het prachtige architectuurinstituut van Jo Coenen en de uitbreiding van het Boymans van Hubert-Jan Henket, is het Schouwburgplein door Quist, Van Velzen en Geuze omgetoverd en zijn de eerste plannen ontwikkeld voor de Kop van Zuid. Ik geef het toe: vaak vallen met name de economische resultaten tegen. De Boompjes zijn nooit een levende boulevard geworden ondanks het prachtige paviljoen van Mecanoo. Hetzelfde moet van het Weena worden gezegd, waar de dependance van het Boymans al snel weer werd gesloten. Op het Weena wordt niet geflaneerd, niet gewinkeld; er wordt alleen (snel) verplaatst. Ook de Kop van Zuid heeft nog niet de economische impuls gegeven aan Rotterdam die de stad zo node mist. De ‘Koopgoot’ vormt in dit verband een positieve uitzondering. Niet getreurd: Rotterdam zal nieuwe plannen blijven maken tot de stad niet meer ‘de verkeerde lijstjes aanvoert’, zoals oud-burgemeester Ivo Opstelten altijd zei.

En mijn plek in mijn stad bestaat niet meer. Mijn lievelingsplek in Rotterdam bevond zich op de oevers van de Maas. Op het hoekje van het oorlogsmonument, dat een aantal jaren in de zomer tot strand werd omgetoverd. Ook de Spido heeft daar een tijdje zijn afvaarten gehad. Wie hier in zuidwestelijke richting kijkt, ziet de prachtige brug van Van Berkel, in de volksmond: ‘de Zwaan’, afsteken tegen de lucht. Het blijft een indrukwekkend ontwerp, het is een fenomenaal logo voor de stad. Het getuigde van grote wijsheid van de gemeenteraad om indertijd een meerprijs van 30 miljoen gulden voor de brug te betalen om dit ontwerp mogelijk te maken. De twee zwarte ‘wachters’ van Wiel Arets hebben de brug in mijn beleving nog mooier gemaakt. Overigens schijnt dit, zelfs in Rotterdam, een afwijkend standpunt te zijn. Toch ontneemt de brug me het uitzicht dat ik vroeger op deze plek had. Zonder Erasmusbrug was het uitzicht vrij. En de overkant was veel verder weg. De Nieuwe Maas stroomde voor je voeten in de richting van de zee. En heel vaak vervloeiden lucht en water aan de horizon. In het ochtendlicht was het prachtig, maar ook in de herfst en in de winter als het een beetje mistig was. Of die keer, het zal in 1986 zijn geweest, toen de rivier eindeloze brokken ijs meevoerde. Het zachte geklots van de rivier aan je voeten maakte altijd deel uit van het uitzicht. En altijd was het licht weer anders. Hoe mooi die Erasmusbrug ook is, hij heeft mij dit uitzicht ontnomen. En dat niet alleen. De waarschuwing van publicist Herman Moscoviter is uitgekomen. De brug heeft de rivier klein gemaakt. Door de hoogte van de brug is de rivier gedegradeerd tot een klein stroompje. De overkant is akelig dichtbij, de mist lijkt voor eeuwig opgetrokken. Rivier en lucht vervloeien niet meer aan de einder. En de rivier stroomt niet meer naar de zee. De rivier stroomt voor goed onder een brug door.