De #RLi, het klimaat en het geloof in de wet

oktober 24, 2015 by  
Filed under artikel

Eerst maande de rechter uit de Urgenda-zaak de regering om zijn klimaatbeleid drastisch aan te scherpen. Daarna adviseerde de Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur de regering om bij wet vast te leggen welke klimaatdoelen in 2050 moeten worden gehaald. Het recht lijkt een nieuwe glorietijd tegemoet te gaan. Of toch niet?

Wetten geven de overheid instrumenten om doelen te bereiken. En wetten waarborgen de rechten van de burger tegenover de almacht van de overheid. Maar wetten die de burgers vrijwaren van de gevolgen van de klimaatverandering of wetten die de overheid moeten dwingen om later beleid in een bepaalde richting te ontwikkelen: het lijkt me een beetje vreemd. Ik zeg erbij: ik ben geen jurist.

Laat ik beginnen met vast te stellen dat de wetten in Nederland niet (door de rechter) worden getoetst aan de Grondwet, zoals in andere landen wel het geval is. Dus zelfs het opnemen van de verplichting om iets tegen de klimaatverandering te doen in de Grondwet, zou vooral (of zelfs: alleen) symbolische betekenis hebben.

Over de uitspraak van de rechter in de Urgenda-zaak heb ik me als niet-jurist bevreemd. Als de rechter de wet al niet mag toetsen aan de Grondwet, waarom zou de rechter dan wel het beleid van de regering mogen toetsen aan haar eigen streefcijfers? Natuurlijk, daarvoor bestaat een echte toets. En die toets wordt uitgevoerd door de kiezer. De kiezer bepaalt bij de volgende verkiezingen of hij een kabinet wil afrekenen op het niet halen van streefcijfers. De streefcijfers zijn immers vooral een belofte aan de kiezer, en niet aan de rechter.

De RLi is blijkbaar geïnspireerd geraakt door de Urgenda-zaak en adviseert het kabinet om de klimaatdoelen bij wet vast te leggen. Niet de instrumenten, maar de doelen. Het doet me denken aan de discussie over de sociale grondrechten in de vorige eeuw, die er uiteindelijk toe heeft geleid dat een aantal van dat soort rechten in de Grondwet zijn opgenomen. Ik heb er daarna nimmer meer van gehoord. Iedereen heeft recht op een woning. Ja, en wat als je geen woning hebt? De overheid doet zijn best. En wat als de overheid onvoldoende zijn best doet? En wat is onvoldoende? Het is een morele uitspraak zonder sanctie.

Wat voor de grondwet geldt, geldt te meer voor een aparte wet met klimaatdoelen. Wat in de grondwet staat, kan niet zomaar worden geschrapt, hoe weinig betekenis het ook heeft. Maar één kamermeerderheid is voldoende om een gewone wet in te trekken. En wat te denken van  een nieuwe wet met heel andere doelen? In feite is een wet met doelen niet meer dan een scheet in een netje. We gaan het regeerakkoord toch ook geen wettelijke status geven?

Daar komt in dit geval nog iets bij. De RLi stelt voor om bij wet vast te leggen dat de doelen in 2050 moeten zijn bereikt. 2050? 2050! Elke rijkstrainee kan een brief schrijven om de Kamer uit te leggen dat d’e doelen in 2050 vanzelfsprekend worden bereikt, “bij de verwachte intensivering van het beleid van volgende kabinetten” en, natuurlijk, vanwege “de vele innovaties op technologisch gebied die ons nog te wachten staan”.

Mocht het kabinet toch besluiten een dergelijke wet aan te nemen, dan adviseer ik meteen ook de wereldvrede in 2050 uit te roepen en het einde van honger, armoede en ziekte. En misschien kunnen we ook het sterven bij wet afschaffen.

 

[geschreven voor www.deleunstoel.nl]

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

De toekomst van de stad – advies van de RLi

mei 1, 2014 by  
Filed under De Stad

De Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur heeft een kloek rapport afgeleverd over de toekomst van de stad. Er ligt een uitgebreide studie aan ten grondslag. Veel literatuur is geraadpleegd, vele deskundigen zijn gesproken. Het siert de RLi dat zoveel werk is gemaakt van dit belangrijke onderwerp. Het rapport valt in twee delen uiteen: het advies en de analyse. Eerst iets over de analyse.

In de analyse worden vier opgaven voor de stad onderscheiden: het versterken en verbinden van economie en kennis, het vergroten van de connectiviteit van de steden, de transformatie van de gebouwde omgeving en de verbetering van openbare ruimte en publiek domein. Daarnaast wordt een paragraaf gewijd aan het onderwerp zelforganisatie. Dat is een tamelijk bekend lijstje. Het is het lijstje van ‘de triomf van de stad’. Steden doen het steeds beter door een concentratie van kennis en economie. Maar toch is het lijstje opgaven ook verrassend. Ik mis de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ namelijk geheel. Niets over Amsterdam-buiten-de-ring, niets over Rotterdam-Zuid, niets over Heerlen of Enschede. Terwijl de triomf van de stad niet alleen aan bepaalde steden voorbij gaat, maar ook aan hele bevolkingsgroepen. Misschien nog opvallender is het ontbreken van elke gedachte over duurzaamheid, energieneutraliteit, luchtkwaliteit en dergelijke. En ten slotte ontbreekt de notie dat veel steden nog aanzienlijk zullen groeien in de komende decennia. Terwijl het hier toch gaat over ‘de toekomst van de stad’. Ik geef toe: dat onderwerp is ook wel heel breed.

Hoe belangrijk de onderliggende analyse ook is, het gaat bij een adviesorgaan uiteindelijk om het advies. Ik vat het advies kort samen.

De RLi ziet veel kansen voor ‘zelforganisatie’: maatschappelijke initiatieven. De overheid moet meer belemmeringen voor dergelijke initiatieven wegnemen. De maatschappelijke verschillen die het gevolg van zelforganisatie kunnen zijn moeten deels worden geaccepteerd (waar de buurtbibliotheek komt is immers afhankelijk van het maatschappelijke initiatief).

Daarnaast moet de complementariteit tussen en binnen stedelijke regio’s door nationale en lokale overheden worden versterkt. Het Rijk moet om die reden het topsectorenbeleid een ruimtelijk accent geven en de steden moeten meer investeren in hun eigen identiteit en kracht en waar nodig lenen van de buren. Vooral nieuwe infrastructuur moet de complementariteit van de steden vergroten.

Vervolgens moet de overheid zich meer richten op de transformatie van het bestaande. De tijden van grote nieuwbouw liggen achter ons. Gemeenten moeten hun grondposities afwaarderen. Dat dit voor jaren ten koste zal gaan van de gemeentelijke begroting wordt daarbij niet vermeld.

En ten slotte is een goed bestuur van de stad een vereiste, dat zowel robuust als veerkrachtig is. Overigens kunnen we dat laatste iedereen toewensen. Goed bestuur houdt onder andere in dat wordt ingezet op goede samenwerkingsrelaties. ‘Regionaal samenwerkende gemeenten zijn de dragers van de toekomst’. Gemeenten kunnen op dit punt al veel, maar het instellen van een regiofonds kan een extra stimulans zijn. Het gaat hier niet alleen om de schaal van het stadsgewest (centrumgemeente en randgemeenten), maar ook om de schaal van Rotterdam-Den Haag en Amsterdam-Utrecht. Samenwerking tussen Amsterdam en Eindhoven is een stap te ver.

Rest de vraag: wat moeten we ervan vinden? Nogmaals, het is goed dat de RLi dit grote onderwerp ter hand heeft genomen. Het is ook goed dat adviesorganen nieuwe kennis voor het beleid duiden en van richting voorzien. Ik zie ook dat, zoals gezegd, de analyse wat beperkt was en dat die inperking (of moet ik zeggen: verschraling) zich in de aanbevelingen nadrukkelijk voortzet. Zeker als we bedenken dat dit advies niet alleen in Den Haag zal worden gelezen, maar ook in de steden. De steden moeten meer samenwerken en meer ruimte geven aan zelforganisatie. Ik vrees dat dat de belangrijkste conclusies zijn die na lezing van de soms wat wollige teksten zullen overblijven.

Daarnaast zijn beide aanbevelingen niet overtuigend onderbouwd. Ten aanzien van de samenwerking wordt verwezen naar een begrip dat je tegenwoordig in elk debat wel een paar keer tegenkomt: borrowed size. Simpel: de Nederlandse steden zijn qua schaal en dichtheid te klein om met London en Parijs te kunnen concurreren. In de Randstad wonen wel ongeveer evenveel mensen, maar ze wonen te gefragmenteerd. Volgens economen kost dat de Randstad 18% aan functies, wat dat ook mag betekenen. Ik geloof dat graag, hoewel ik me altijd wel verbaas over de hoge positie van Nederland als land op tal van economische lijstjes. Zou het ook kunnen zijn dat de concurrentie tussen onze steden Nederland internationaal groot maakt of dat andere dingen dan schaal en dichtheid een misschien wel even grote rol spelen?

Bovendien: ik begrijp dat hele begrip borrowed size nog steeds niet helemaal. Moet ik nu begrijpen dat Den Haag internationaal te klein is (overigens niet te klein om al meer dan 80 internationale organisaties naar binnen te halen!) en om die reden meer van de Rotterdamse schaal zou moeten profiteren? En hoe moet ik me dat profiteren dan voorstellen? Ik weet dat het in de stedelijke economie gaat om agglomeratievoordelen. De stad heeft meer te bieden dan het platteland omdat de dichtheid een groter afzetgebied garandeert en een grotere en interessantere arbeidsmarkt; en omdat dichtheid leidt tot meer contacten en contacten leiden tot innovaties. Maar als de mensen uit Rotterdam nauwelijks in Den Haag werken en omgekeerd al helemaal niet het geval is, nemen de agglomeratievoordelen niet toe als we doen alsof die twee steden voortaan één stad zijn.

Het doet men denken aan het wilde plan om de universiteiten van Rotterdam, Delft en Leiden samen te voegen. Dan zouden we inderdaad enorm stijgen op de internationale lijstjes. Maar het onderzoek en het onderwijs zouden er op zich geen snars beter van worden. Tenzij we de dichtheid zouden vergroten door afdelingen van de ene universiteit met afdelingen van de andere samen te voegen. Helaas voeg je de steden Rotterdam en Den Haag niet zo gemakkelijk samen.

De arbeidsmarkten van Rotterdam en Den Haag kunnen elkaar alleen versterken als we de verbindingen, infrastructuur én vervoer, verbeteren. Pas op dat moment wordt het aantrekkelijker om van de ene naar de andere stad te forensen. En wordt de overlap tussen de arbeidsmarkten van beide steden groter. En kan Den Haag dus meer van de Rotterdamse beroepsbevolking profiteren en omgekeerd. Conclusie: regionale samenwerking kan nooit kwaad, bijvoorbeeld om de verbindingen te verbeteren. Maar samenwerking op zich zal weinig effect hebben, als onduidelijk is welke instrumenten voor agglomeratievorming daarmee voorhanden komen.

Ook bij het begrip zelforganisatie valt nog wel iets meer op te merken. Zo maakt het mij wat argwanend dat alle studies over zelforganisatie beginnen of eindigen met die ene buurtbibliotheek in Rotterdam-West. Een prachtig initiatief, maar hoe vaak komt het nu werkelijk voor dat de samenleving taken op zich neemt die door de overheid zijn afgestoten? In Den Haag zijn 6 van de 18 bibliotheekfilialen gesloten. Ik geloof niet dat er ook maar ergens een nieuwe bibliotheek door buurtbewoners is ingericht. Bovendien kom ik zelforganisatie te veel tegen in de Haagse Vogelwijk en te weinig in Transvaal, waar zelforganisatie veel eerder staat voor eigen richting.

Daarnaast wordt het hoog tijd voor een vertoog-analyse van het woord ‘zelforganisatie’. Is het iets wat burgers graag willen of is het juist iets wat de overheid de laatste jaren voorstaat, omdat er fors moet worden bezuinigd? Of wordt zelforganisatie vooral toegejuicht door wat progressievere ambtenaren die onder een rechtse minister of wethouder een paar pilaartjes van de verzorgingsstaat moeten afbreken? Of is het een nieuw en verfrissend inzicht dat een stad niet door een het stadsbestuur wordt gemaakt? En hoe waar is die laatste gedachte? Inderdaad, ik word een beetje kriegel van al die pleidooien voor zelforganisatie.

Tot slot proef ik een zekere tegenstrijdigheid in het rapport. Bij de regionale samenwerking lijkt de RLi de betekenis van de overheidssturing nogal te overschatten, alsof alleen het oprichten van een Metropoolregio Rotterdam-Den Haag al tot agglomeratievoordelen zal leiden. Tegelijkertijd wordt in het hoofdstuk over de zelforganisatie juist gepleit om aan te sluiten bij maatschappelijke initiatieven. Een systeemoplossing met weinig perspectief versus aansluiten bij de leefwereld van de burgers. Een opvallende combi.

 

Adviesorganen en de verplichte kabinetsreactie

maart 1, 2014 by  
Filed under artikel

De WRR ‘opende op de één’ in de NRC van afgelopen donderdag. Niet vanwege een nieuw rapport, maar vanwege de reactie van het kabinet op een rapport uit november. Een groot interview met de ministers Bussemaker en Kamp was aan de kabinetsreactie gewijd. Erg instemmend was die reactie overigens niet. ‘We wisten het al’ en ‘we deden het al’ streden om voorrang.

En passant werd gemeld dat de kabinet af wil van de verplichting om een reactie te geven op de rapporten van de WRR en andere adviesorganen. D66 protesteerde meteen: het kabinet wil af van die kritische adviesorganen en meent het wel zonder te kunnen doen. Terwijl tegenspraak toch zo’n groot goed is in de democratie!

Er zijn hier twee zaken aan de hand: de verplichte kabinetsreactie op adviezen van adviesorganen en het belang van adviesorganen an sich. Eerst iets over het eerste, daarna de bredere vraag naar het belang van adviesorganen. Principieel is het juist om het kabinet te verplichten om inhoudelijk te reageren op adviezen van zijn eigen adviesorganen. Maar als voormalig lid van de WRR kan ik me geen moment in de geschiedenis herinneren waarop ik blij werd of warm of vrolijk of geestelijk rijker van een kabinetsreactie op één van onze rapporten. Inderdaad allemaal in de geest van ‘wij wisten het al’ en ‘wij deden het al’. Ga met je rapport de boer op, zorg dat iedereen ervan weet, ga met het kabinet in gesprek over je rapport, daar wordt iedereen wel beter van. Niet als je ambtenaren dwingt om binnen drie maanden alle Haagse bezweringsformules uit de kast te halen om dit potentiële gevaar onschadelijk te maken. Dus als het kabinet de bereidheid uitspreekt om tijd in te ruimen voor een goed gesprek over goede rapporten, bereik je meer dan wanneer de Haagse werkvloer zich aan een formele kabinetsreactie zet.

Nu die bredere vraag: hoe zinvol zijn die adviesorganen? Ik voeg eraan toe dat ik als planbureaudirecteur jaren waarnemer in de VROM-Raad ben geweest en dat ik momenteel nog geassocieerd lid ben van de Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur. Ik heb daarnaast drie jaar gewerkt op het ministerie van VROM en heb daar drie jaar lang die adviezen zich binnenstromen. Ik begrijp het ongenoegen van het kabinet. En ik zie de grote behoefte aan goede adviezen.

Vooraf: laten we een nadrukkelijk onderscheid maken tussen WRR en de andere adviesorganen. In principe wijst de WRR het kabinet op nieuwe ontwikkelingen, bij voorkeur ontwikkelingen die de sectoren overstijgen. Daarmee staat de WRR dichter bij de planbureaus dan de andere adviesorganen. Maar de positie is subtiel en precair: al gauw vertelt de WRR op dwingende toon aan het kabinet wat het nu echt moet doen. In Den Haag weet je dan al gauw welke privé-mening van welk raadslid daar wordt verwoord. Leuke mening van die man, maar wat moet ik ermee?

Bij de andere adviesorganen speelt dat gevaar een nog veel grotere rol. De adviezen zijn concreter en bovendien groter in aantal. Hoe voorkomen ze dat hun adviezen niet meer zijn dan de opvattingen van een toevallige groep betrokken burgers met enig verstand van zaken? Of nog erger: de mening van één raadslid die de wereld nog voor de laatste maal wil waarschuwen? Hoe interessant die mening ook mag zijn, het advies overstijgt hier niet de inhoud van de opiniepagina’s van de kwaliteitskranten. Waarom zou het kabinet zich moeten verantwoorden tegenover al die meningen? Hoe zit het ook al weer met de democratische legitimatie?

Een goed advies is dus eerder beschouwend dan dwingend. Tegelijkertijd hoort een adviesorgaan het politieke spel te beheersen en goed ingevoerd te zijn in de politieke context. Goede adviezen komen op het goede moment en weten de juiste toon te treffen. Goede adviezen weten een impasse te doorbreken, ze geven net het zetje dat de politiek nodig heeft. Of goede adviezen verwijzen alleen naar de toekomst zonder het beleid van vorig jaar bij de enkels af te breken. Laten we reëel zijn: wat had Kamp anders moeten zeggen over het commentaar van de WRR dat zijn topsectorenbeleid ‘onzinnig’ is? Hoe juist die conclusie van de WRR op dit punt ook is.

Het kabinet moet niet bang zijn voor tegenspraak en ophouden om eindeloos te snoeien in adviesorganen. Maar adviesorganen mogen zich nog wel eens beraden op hun rol en legitimatie. Voegt het advies op dit moment echt iets toe aan het politieke debat?