Het gaat niet goed met #Rotterdam

maart 12, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Het PBL heeft weer een mooie, gedegen studie uitgebracht over de stedelijke economie. De belangrijkste conclusies hebben de publiciteit ruimschoots gehaald. Simpel samengevat: De ‘triomf van de stad’ geldt niet voor iedereen. Groei van het aantal goedbetaalde banen gaat niet automatisch gepaard met groei van het aantal laagbetaalde banen. Met de groei van de het aantal goedbetaalde banen daalt de werkloosheid dan ook niet. Wel zijn de lonen aan de onderkant van het loongebouw hoger, als de lonen aan de bovenkant (veel) hoger zijn.

Veel minder aandacht is uitgegaan naar de interessante vergelijkingen tussen de stadsgewesten binnen Nederland. En daaruit blijkt voor mij maar één ding zonneklaar: het gaat nog steeds niet goed met Rotterdam. In ieder geval niet goed genoeg.

Wat wel veranderd is in Rotterdam, is de citymarketing. Ivo Opstelten meldde als burgemeester bijna voor elke microfoon dat Rotterdam ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Dat leek me niet zo handig. Je hoeft nou ook weer niet met alle slechte dingen van je stad te koop te lopen. Daarvan wordt het in ieder geval niet beter. Maar het tegenwoordige stadsbestuur lijkt een tegenovergesteld strategie te volgen: vertellen dat het geweldig gaat. Ze hebben daarmee zonder meer succes. In de media. Maar is het ook waar?

Ik heb lang in Rotterdam gewoond, ik kom er nog vaak en graag. Ik vind het een fantastische stad. Laat dat eerst gezegd zijn. En misschien komt daar ook wel mijn zorg uit voort.

Ik zie drie dingen. Ten eerste: ik zie, zoals gezegd, een juichende citymarketing. Ten tweede: ik zie in de stad tekenen van vooruitgang. Ik zie de Markthal, ik zie het nieuwe CS. Ik zie geleidelijk meer hipsters, ik zie op sommige plekken voorbeelden van gentrificatie. Ik zie zelfs meer toeristen. Maar tegelijkertijd zie ik dat deze ontwikkelingen veel trager gaan dan in Amsterdam (en Utrecht). Ten derde: ik zie al die positieve dingen in de cijfers niet terug.

Zie bijvoorbeeld wat het PBL in die studie laat zien. In 1980 had de stadsregio Rotterdam meer banen dan welke stadsregio ook. In 2012 staat de regio Amsterdam ver op kop en heeft Utrecht inmiddels Rotterdam gepasseerd.

Het PBL probeert voor deze ontwikkelingen een verklaring te vinden. Vaak hoor je de hypothese dat Amsterdam door zijn economische structuur (sectorstructuur) een voorsprong zou hebben op Rotterdam. Maar wat blijkt: Rotterdam is vooral achterop geraakt door regionale factoren als bereikbaarheid, aanwezigheid kennisinstellingen, opleidingsniveau van de beroepsbevolking en de kwaliteit van de voorzieningen.

Ik weet het: statistieken zijn op vele manieren te interpreteren. Bovendien gaan de cijfers van het PBL tot 2012. Wie weet heeft de triomf van Rotterdam zich pas na 2012 geopenbaard. Daarom geef ik nog wat aanvullende cijfers van het CBS. Ik heb gekeken naar het aantal banen op Corop-niveau, dus: binnen de regionale arbeidsmarkt (ongeachte door wie die banen worden bezet).

Tussen december 2008 (de crisis) en december 2014 (recentere gegevens zijn nog niet beschikbaar op de CBS-site) is het aantal banen in de regio Amsterdam met 12.000 toegenomen. In de regio Utrecht met 5.000. In de regio Den Haag is het aantal banen met 18.000 afgenomen. In de regio Rotterdam met 22.000. En in de stad Rotterdam gaat het niet beter dan in de regio Rotterdam, bleek uit de  analyse van het PBL.

Wat zou ik graag geloven dat het beter gaat met Rotterdam! Maar waarom blijkt het dan niet uit de cijfers?

Steden verliezen inwoners omdat ze in trek zijn

februari 23, 2016 by  
Filed under artikel

Je ziet het voor je. Het CBS heeft een nieuwe bak met cijfers. Een paar medewerkers doen hun uiterste best om er een persbericht van te maken. Waar moet het nu weer over gaan? De keuze is snel gemaakt: mensen verlaten de stad weer! De kranten nemen het allemaal grif over. Want wat van het CBS komt, dat klopt altijd.

Inderdaad: die cijfers kloppen wel. Maar hoe we de cijfers moeten duiden, en aan welke cijfers we het meeste gewicht moeten geven, daarover kan je toch echt van mening verschillen. Voor het echte begrip is het goed er enkele cijfers aan toe te voegen.

Ten eerste: het gaat hier alleen om de binnenlandse migratie. De buitenlandse migratie is even vergeten in het persbericht. Wie beide bij elkaar optelt ziet dat de grote steden geen inwoners verliezen, maar juist winnen. Vooral in Amsterdam bestaat een enorm vestigingsoverschot vanuit het buitenland. Helaas wordt niet aangegeven waar die buitenlandse instroom vandaan komt, maar het is niet gewaagd om te veronderstellen dat het hier zeker voor de helft om Westerse allochtonen gaat. Kenniswerkers, expats, etc. En om teruggekeerde autochtonen. Dat is toch even een heel ander verhaal: Amsterdam heeft een fors vestigingsoverschot.

Ten tweede: het saldo van de binnenlandse migratie is in Amsterdam en Den Haag negatief, maar in Rotterdam en Utrecht positief. Het verhaal gaat dus alleen maar op voor de eerste twee steden. Dan kan het CBS een mooi kaartje laten zien dat veel mensen vanuit Utrecht verhuizen naar Zeist, De Bilt en Nieuwegein, maar blijkbaar verhuizen er nog steeds meer mensen vanuit die gemeenten naar Utrecht.

Ten derde: het aantal geboorten overtroffen in alle grote steden het aantal sterfgevallen. Dit, opgeteld bij de migratiecijfers, betekent dat de vier grote steden in 2015 weer zijn gegroeid. Dat is toch aan ander beeld dan: ‘burgers verlaten de grote steden weer’.

Ten vierde: natuurlijk is het boeiend dat Amsterdam en Den Haag een negatief binnenlans migratiesaldo hebben, in tegenstelling tot de voorgaande jaren. Maar zoals Jan Latten in de Volkskrant ook terecht opmerkt: de woningmarkt is weer in beweging gekomen. De huizenprijzen zijn weer (fors) gestegen. Daardoor staan veel minder huizen ‘onder water’ (een hogere hypotheeklast dan de waarde van het huis). En zo kunnen mensen, die de verhuizing eerst noodgedwongen hebben uitgesteld, nu toch weer weg. Het kan hier dus ook om een tijdelijk effect gaan.

Ten vijfde: in Amsterdam zijn in 2015 ongeveer 8300 nieuwe woningen gebouwd. Desondanks is de vraag zo hoog, dat de huizenprijzen fors zijn gestegen. Daardoor is die stad voor veel mensen niet betaalbaar meer. Zelfs soms niet meer voor hoogopgeleiden die daarom genoegen moeten nemen met een huis in Amstelveen, Heemstede, Haarlem, het Gooi. Het is dus niet meteen een gewenst vertrek, maar veeleer een noodgedwongen vertrek. Dat klinkt toch anders dan: ‘mensen willen weer een tuin’. Het is dan ook volledig terecht dat Amsterdam in de komende 10 jaar 50.000 wil bijbouwen binnen de eigen gemeentegrenzen. Amsterdam loopt dus niet leeg, Amsterdam kan de vraag op dit moment gewoon niet aan.

En dat Rotterdam wel een positief migratiesaldo heeft, kan men dan ook veel minder enthousiast begroeten dan de Rotterdamse ambtenaar deed die mij de nieuwe CBS-cijfers meteen toestuurde. Verhuizen mensen naar Rotterdam omdat je daar te gemakkelijk een huis kan vinden? Ik weet niet of je daar in alle gevallen blij mee moet zijn.

Rotterdam verlaagt zich door zijn armen de stad uit te jagen

februari 15, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Volgens NRC Next zijn veel inwoners van Rotterdam boos op hun gemeente. Erg boos. De gemeente wil 20.000 goedkope woningen slopen en vervangen door 35.000 dure woningen. Arme mensen moeten de stad uit, hipsters met bakfietsen erin. Migranten de stad uit, expats erin.

Ongetwijfeld staat het er anders, meer omfloerst, in die nieuwe Woonvisie van de gemeente. Maar het klinkt wel bekend. Alle steden zijn op zoek naar de hoogopgeleiden, naar de hogere inkomens, die de stedelijke economie een belangrijke impuls kunnen geven. Het klinkt ook bekend, omdat het maakbaarheidsdenken in Rotterdam altijd goed ontwikkeld is geweest. Maar het is de vraag of het klopt.

De theorie is simpel: het gaat in steden tegenwoordig om kennis, hoger-opgeleiden en economie. Wie daarvan de goede mix in huis heeft, hoeft zich nergens meer zorgen over te maken. Economen menen zelfs dat de bedrijven vanzelf volgen als je de goede bewoners hebt. En hoe krijg je goede bewoners? Door voor hen aantrekkelijk te zijn. Daarom doen de steden met een historische binnenstad het tegenwoordig vaak zo goed. En daarom gaat Amsterdam er in de komende 10 jaar 50.000 woningen bij bouwen! Zonder arme mensen doelbewust te verjagen.

De theorie is eenvoudig uit te leggen. De praktijk is natuurlijk weerbarstiger. Je kan wel mooie huizen bouwen voor rijke en hoogopgeleide mensen. Maar die zullen niet komen, als er geen banen zijn. Natuurlijk, volgens de theorie komen die banen vanzelf, als er werkloze hoogopgeleide mensen in rotten van drie op je zitten te wachten. Maar het vervelende is dat die hoogopgeleide mensen niet in rotten van drie gaan zitten wachten in Rotterdam, tot die banen zich eindelijk aandienen.

Eigenlijk kan je die stedelijke economie heel goed vergelijken met een vliegwiel. Als het eenmaal draait gaat het geweldig. En volgen bedrijven mensen en volgen bedrijven andere bedrijven. Maar als het niet goed draait volgt niemand iemand. Dan heb je weinig aan nieuwe dure woningen voor nieuwe dure mensen.

Ik wil niet zeggen dat de economie in Rotterdam stil staat. Het lijkt zelfs beter te gaan met Rotterdam. Maar nog steeds zijn de huizenprijzen relatief laag in Rotterdam. Dat betekent niet dat Rotterdam aantrekkelijk is. Dat betekent juist dat Rotterdam niet aantrekkelijk genoeg is. Wat werk betreft, wat wonen betreft. Rotterdam doet er dus goed aan om voor voldoende dure woningen te zorgen. Als een hoger-opgeleide rijkere in Rotterdam wil (blijven) wonen, moet hij in ieder geval een huis kunnen vinden.
Maar om nu ook maar meteen 20.000 goedkope woningen te slopen, is wel het andere uiterste. Waarom moeten die woningen en die mensen weg? Als Amsterdam er 50.000 woningen bij kan bouwen, zonder te slopen, heeft Rotterdam toch zeker plek genoeg? Bovendien als dat vliegwiel van Rotterdam eindelijk in beweging komt, zullen die armen ook wel vanzelf verdwijnen. Als ik het gemeentebestuur van Rotterdam was, zou ik me liever daarover zorgen maken.

Daar komt nog iets bij. Rotterdam moet aantrekkelijk worden voor hoogopgeleiden. Daarom moeten er voldoende woningen zijn. Maar ook een cultureel klimaat dat voor hoogopgeleiden aantrekkelijk is. Wellicht horen bij dat klimaat begrippen als tolerantie, kosmopolitisme, grootmoedigheid, veelkleurigheid, ruimdenkendheid en ruimhartigheid. Wie dat klimaat mist, moet niet gek opkijken als die dure woningen straks helemaal niet worden verkocht.

Verslaafd aan @MarathonRdam

april 12, 2015 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Ook vorig jaar had ik weinig getraind voor de marathon van Rotterdam. Ik had een startbewijs, maar had al lang besloten om mijn favoriete marathon dit jaar aan me voorbij te laten gaan. Bij toeval moest ik de vrijdag voor de marathon in Rotterdam zijn. Ik zag de borden en de hekken en was weer verkocht. Ik reed nog terug naar Den Haag om mijn spullen op te halen. Het werd een heerlijke loop, in 4.12.

De voorbereiding kon nog beroerder. Na die 4.12 deed ik weinig tot niets. Onder druk van een afspraak toch maar de marathon van Amersfoort gelopen in juni 2014. In 4.10. Maar na afloop was mijn meniscus zwaar beschadigd. Ik kwam een half jaar op de tafel bij de fysiotherapie. En toen alles grotendeels voorbij was, had ik geen zin meer. Geen zin. Ik had genoeg gelopen met pijn in mijn rechtervoet, met pijn in mijn linkerknie, met zweepslagen en al dat andere ongemak. Ik had de K78 in juli 2013 volbracht en was nog steeds toe aan rust. Een mentale blessure nam het van de fysieke over. Natuurlijk had ik me voor de zekerheid wel ingeschreven, zoals ik me ook al maanden geleden had ingeschreven voor de Zestig van Texel op Tweede Paasdag. Texel ging voorbij. En Rotterdam leek eenzelfde lot beschoren.

Totdat mijn fysiotherapeute enigszins spottend vroeg of ik Rotterdam nog zou lopen. Ik mompelde iets van ontkenning. “Als je hem start, loop je hem wel uit.” Ik mompelde nog iets van mindere ontkenning.

De volgende dag had ik mijn trainingsschema klaar. Dinsdag 7 km, donderdag 9, zaterdag 13 en maandag 20. Daarna 6 dagen afbouwen tot de marathon. Elke mislukte training zou het einde van de plannen zijn. Ik strompelde heel wat af, maar ik ging wel razendsnel vooruit. Tijdens de trainingen liep ik steeds 4 minuten hard en wisselde dat af met 1 minuut wandelen. Alles lukte. Er waren dus geen redenen meer om Rotterdam niet te lopen.

Ik geef het toe: het is een bizarre voorbereiding. Maar als je 20 km kan lopen in 2 uur, moet je aan 5,5 uur toch echt genoeg hebben voor die 42. En er lonkt wel een spannende marathon. Vroeger liep ik ze als trainingsmarathon, voor nog grotere of snellere loopjes. Nu is het weer een echte marathon. Hij doet me denken aan die eerste keer. Met Bert en met Huib en met Leo. Ach, en zenuwachtig ben ik altijd.

Er is wel één verschil. Toen was het mijn eerste marathon, nu mijn 46e. En toen was ik nog niet verslaafd aan het lopen. Had nog geen boek geschreven onder de titel Loopgek. Want als ik eerlijk ben: het heeft iets van die ene sigaret. Die je plotseling wordt aangeboden en die onweerstaanbaar is.

We zullen zien. Schreef ik op de avond voor de marathon.

En we hebben gezien. Wie geen loper is kan beter stoppen met lezen. Onderstaande is slechts de eufore tekst van een eufore loopgek. Piet loodste me binnen bij Nationale Nederlanden. Zijn club heeft daar altijd gastvrijheid. Verschillende lopers bleek ik te kennen. Beetje kletsen, beetje wc, beetje verkleden, en weer kletsen. Daarna naar de start. De spanning. Het bekende geluid van de heli’s. Het geluid van de spreekstalmeester, wiens tekst altijd aan je voorbij gaat. Nog een flesje drinken in het startvak. En je laatste plas terugdoen in hetzelfde flesje. Het startschot van de burgemeester, als inleiding op die fantastische startmuziek van Rotterdam. Weg op een schema van 6’ lopen en 1’ wandelen. Het leidt tot allerlei sportieve reacties van medelopers, die me na 1 km al van alles aanbieden. Het weer is geweldig. Goede temperatuur, veel zon en dus veel publiek. Ik heb het in Rotterdam nog nooit zo druk gezien. Eten en drinken gaan onderweg zonder problemen. Ik plas twee keer en poep eenmaal. En de organisatie is perfect. Ik kom terecht op een schema van 30’ per 5 km. Op de terugweg wandel ik de Erasmusbrug op. Ik wandel in de tunnel op de Blaak, en ik sta een tijd te praten met Arda op 37 km. Daarna wordt het nog even zwaar. De benen zijn stijf. Maar de geest is helder, en dat is wel eens anders bij het 40-km-punt. Na 4.26.34 bereik ik de finish. Ik stuiter nog een tijdje in het finishvak. We feliciteren elkaar, we omhelzen elkaar, mannen die elkaar nog nooit eerder hebben gezien. Het fantastische moment om Arda en Bas weer te zien. We lopen weer naar Nationale Nederlanden. Nog meer bekenden. En allemaal zijn we vandaag vrienden.

Het was mijn 46e marathon, het was mijn 13e in Rotterdam. Onderweg geniet ik vooral. En als ik denk dan realiseer ik me dat straks alles kapot en over kan zijn. Maar dat ik mijn marathonloopbaan dan wel heb beëindigd met mijn mooiste marathon.

Maar alles is niet kapot. Niets is kapot. Dit jaar toch maar proberen die 50 marathons vol te maken.

De economie en het imago van Rotterdam

oktober 28, 2014 by  
Filed under artikel

Rotterdam heeft een prachtige Markthal. Terecht heeft deze prachtige architectuur van MVRD (ook al uit Rotterdam) veel aandacht gekregen in de media. Terecht gaan veel mensen even kijken. En terecht wordt de vraag gesteld: zal die nieuwe Markthal de stad Rotterdam uit het slop trekken? Met Rotterdam gaat het immers niet goed. De nationale economie steunt en kreunt, maar de verschillen tussen de steden zijn wel erg groot. Amsterdam doet het goed, Utrecht doet het goed, Den Haag doet het veel minder en Rotterdam is ronduit zwak. Het is dus goed dat de gemeente alles uit de kast haalt om de zwakke Rotterdamse economie impulsen te geven. Is de Markthal zo’n impuls?

Laten we eerst eens kijken wat de werkelijke problemen van Rotterdam zijn. Ik probeer dat eerlijk te doen, zonder een teveel aan chauvinisme. Het kernprobleem van Rotterdam is de lokale arbeidsmarkt. Te veel mensen zijn te laag opgeleid en de hoogopgeleiden hechten zich te weinig aan de stad. Veel studenten van de Erasmus blijven na hun afstuderen niet in de stad wonen. En dat is erg, want veel bedrijven willen zich vooral daar vestigen waar veel hoogopgeleiden zijn.

Veel studenten hebben een goed weerwoord: waarom zouden wij in de stad blijven wonen, als we hier geen werk kunnen vinden!? De kip en het ei. Om nieuwe werkgelegenheid aan te trekken moeten hoger opgeleiden in de stad blijven wonen. Maar hoger opgeleiden kunnen hier maar mondjesmaat werk vinden. Rotterdam verkeert dus in een patstelling.

De stad zou dus twee dingen moeten doen: hoger opgeleiden verleiden om te blijven (of te komen) en bedrijven aantrekken die hoger opgeleiden een baan kunnen bieden. Ik vrees dat die bedrijven voorlopig niet komen. Dat zien we aan de leegstand. Blijft over: hoger opgeleiden verleiden. Misschien verleidt de Markthal hen om in Rotterdam te komen wonen. Misschien verleiden de kluswoningen afgestudeerden om in Rotterdam te blijven. Ja zeker, de Van Nellefabriek verleidt hoogopgeleiden om in de stad te komen wonen. Maar het gaat te langzaam. Het gaat al jaren veel te langzaam. Ik ben dol op Rotterdam, ik zou het wel weten, hoewel ook ik niet in Rotterdam woon. Maar velen weten het niet. Die vinden Rotterdam een koude stad, een harde stad, een stad met veel problemen. En ook het gemeentebestuur draagt daaraan bij. Ik weet niet of doelgroep meteen enthousiast wordt van een stad waarvan de vorige burgemeester altijd zei ‘dat wij alle slechte rijtjes aanvoeren’: armoede, werkloosheid, probleemgezinnen, criminaliteit. En hoe aantrekkelijk is een stad met een grote aanhang voor PPV en Leefbaar voor mensen die zich vooral bij D66 lijken thuis te voelen?

 

[geschreven voor Studievereniging Cedo Nulli]

#markthalrotterdam, één zwaluw aan einde van de zomer

oktober 3, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

rotterdam31Ja, ik was er! In de #markhalrotterdam van MVRDV, van Winy Maas en van Anton Wubben. Ik ben naar binnen gegaan, ik heb de drukte gezien. Ik heb langs de stallen geschuifeld en heb gevulde speculaas gekocht, zoals ik dat elk najaar doe. Het gebouw heeft veel publiciteit gehad. Er wordt ook veel van verwacht, zoals in Rotterdam altijd veel wordt verwacht van nieuwe iconen.

Ik twijfel niet: het is nu al een icoon. Zoals al die mensen zich een weg banen door de ingang en dan vol verwachting én beduusd rondkijken. Dat is heel bijzonder. Maar het gebouw kan uit meerdere perspectieven worden bekeken.

Architectuur: het is natuurlijk een kwestie van smaak, maar ik geloof zeker dat hier een heel bijzonder gebouw is verrezen. Het is echt MVRDV en toch ook weer volstrekt nieuw. Zeker als het gebouw economisch een succes wordt, zal het architectonisch alle gidsen halen.

Stedebouw: het gebouw past in de lange traditie van Rotterdam dat ‘elke lege plek kan worden volgebouwd’. Dat wreekt zich ook hier. De stad mist nog steeds een heldere stedebouwkundige visie op de binnenstad. Het gevolg is dat de Wilhelminapier unheimisch is geworden. Dat het Weena geen wandelpromenade is geworden, dat de Boompjes geen Maasboulevard zijn geworden. En hier vormt de Markthal geen geheel met de omgeving. In de zon is het stralend, in de regen kan het wel eens heel guur worden.

Toerisme: de Markthal zal ongetwijfeld toeristen trekken. Architectuurtoeristen. Dagjesmensen. Maar de vraag is natuurlijk hoeveel mensen dat zullen zijn en hoeveel geld ze de stad inbrengen. Ik hou van Rotterdam, ik ben dol op die stad. Ik heb er gewoond, met veel plezier. Maar het is geen toeristenstad, zoals Amsterdam. Zelfs het aantal cruiseschepen dat aanlegt in Amsterdam is vele malen groter dan het aantal schepen in Rotterdam. Bovendien staat in Rotterdam de bus klaar voor Delft en Volendam. Niet voor Rotterdam. Rotterdam is nu eenmaal voor veel buitenlandse toeristen veel gewoner dan die grachtengordels. En voor veel Nederlandse toeristen is Rotterdam te koud, te winderig.

Detailhandel: ik verwacht dat er de komende jaren veel bezoekers in de Markthal zullen komen. De Markthal is geen echte concurrent van de aanpalende markt. Het prijsverschil lijkt me te groot. Maar het is wel een concurrent van andere winkels in de stad. Dan is de grote vraag: verdient de Markthal zichzelf terug uit toerisme, of treedt er ook binnen de stad een verschuiving op. Wie kent nog Alexandrium III, de meubelboulevard in Alexanderpolder? Veel meubelwinkels trokken indertijd weg uit de binnenstad, om nu een troosteloos bestaan te leiden in een stil winkelcentrum. De Markthal heeft betere kansen (lijkt het nu), maar zal ongetwijfeld geld wegzuigen uit andere delen van de binnenstad. En dat in een tijd waarin heel veel winkels het erg moeilijk hebben door het shoppen op het internet.

Stedelijke economie: mogen we nog meer van de Markthal verwachten? Krijgt de Rotterdamse economie er als geheel een impuls door? Met de stedelijke economieën is de laatste decennia iets boeiends aan de hand. Vroeger volgde ‘wonen werken’. Aan de monding van de Maas vestigden zich bedrijven. De mensen uit de provincie trokken naar Rotterdam voor werk. Die teneur bleef lang bestaan. Daarom was het aantrekkelijk voor gemeentebesturen om bedrijven aan te trekken. Daardoor groeide de werkgelegenheid en groeide de stad. Hoe anders is dat tegenwoordig. Bedrijven vestigen zich nu vooral waar geschikte arbeidskrachten wonen. ‘Werken volgt wonen’. En het probleem van Rotterdam is dat de lokale arbeidsmarkt te weinig aansluit bij de nieuwe kennisintensieve bedrijven die werkgelegenheid zouden kunnen bieden. De opleiding van de Rotterdamse bevolking is gemiddeld genomen gewoon veel te laag. En daarom komen er te weinig bedrijven en blijft de werkloosheid hoog. Wie de stedelijke economie van Rotterdam wil versterken moet dan ook vooral twee dingen doen: hoogopgeleiden aantrekken en hoogopgeleiden vasthouden. Geen kantoren bouwen (waar de gemeente uit gebrek aan nieuwe bedrijven zelf zijn intrek neemt), maar kluswoningen verkopen. De studenten van de Erasmus Universiteit moeten niet massaal de stad verlaten als ze zijn afgestudeerd. De stad moet voor afgestudeerden veel attractiever worden. Helpt de Markthal daarbij? Wellicht een heel klein beetje. Dat is goed, maar er zal veel en veel meer moeten gebeuren.

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Verlos de stad van het autovrije winkelgebied

april 28, 2014 by  
Filed under De Stad

Peter van der Helm schrijft een fascinerend artikel in het laatste nummer van S+RO. Hij vergelijkt Rotterdam, de meest ‘internationale’ stad van Nederland, met Philadelphia. Waar in Rotterdam de auto’ en de voetgangers in de binnenstad zoveel mogelijk worden gescheiden, kent de Amerikaanse stad veel minder belemmeringen voor de auto. Volgens Van der Helm verzwakt het Nederlandse beleid van autovrije winkelgebieden de positie van de binnenstad. En ik denk dat hij gelijk heeft.

Het is boeiend dat op tal van plaatsen in Nederland de ver doorgevoerde functiescheiding weer wordt verlaten, nadat we dit principe in de 20e eeuw soms tot het ridicule hebben aangehangen. De Bijlmermeer is weer grotendeels afgebroken, in kantoren kan (noodgedwongen) weer worden gewoond en alleen Lelystad ploetert voort. Tegenwoordig scoor je met organische bouw en spontane steden waarin alle functies zoveel mogelijk worden gemengd.

Er geldt één uitzondering op deze fundamentele omslag in denken en beleid: nog steeds zijn binnensteden bij voorkeur autovrij. Rotterdam is daarvan een goed voorbeeld. De Lijnbaan was indertijd bedoeld als de enige autovrije winkelstraat, en was juist daarom zo uniek. Hier kon men ongestoord winkelen en niet meer dan dat. Ook het wonen verschoof uit de binnenstad. Nu is de Lijnbaan een klein onderdeel van één groot gebied voor winkels en voetgangers heeft daarmee zijn specifieke aantrekkingskracht verloren. Dit gebied is inmiddels zelfs te groot voor de Rotterdamse behoefte. De winkels in de Hoogstraat kregen het jaren geleden al moeilijk. Door internetwinkelen zakken momenteel steeds meer winkels door de bodem.

Het Rotterdamse gemeentebestuur maakt zich dan ook terecht zorgen over de binnenstad. De oplossing wordt gevonden in het vergroten van het winkelbestand! De Markthal van Winy Maas nadert zijn voltooiing, het Forumgebouw van Rem Koolhaas komt eraan. Weer nieuwe plekken voor weer nieuwe winkels. De kaalslag elders is onvermijdelijk. Het zal nog duidelijker worden dat Rotterdam te veel winkels heeft.

Het zou veel beter zijn om de autovrije winkelgebieden weer terug te geven aan de auto, en aan de fiets. Mengen van voetgangers, met auto’s en fietsen geeft levendigheid aan een stad en biedt bovendien kansen voor andere bestemmingen. Het gemeentebestuur kan leren van de ontwikkeling van twee opvallende straten in de Rotterdamse binnenstad in de afgelopen: de Witte de Withstraat en de Meent. Rond de eeuwwisseling werd de Witte de Withstraat in korte tijd van een enclave van coffeeshops een interessant uitgaansgebied tussen het Museumkwartier en de binnenstad. De straat is toegankelijk voor voetgangers, fietsen, bakfietsen, auto’s enzovoorts. Recentelijk is de Meent omgetoverd van een verlopen winkelstraat type jaren 60, tot een place to be. Ook hier: alle vervoer is mogelijk. Intussen is de autovrije Hoogstraat al grotendeels gesloopt.

En het geldt niet alleen voor Rotterdam. In Den Haag zijn de Denneweg en het Noordeinde erg geliefd: auto’s rijden af en aan. In Amsterdam geven auto’s en trams kleur aan de Beethovenstraat. In Utrecht zijn de autoluwe grachten veel interessanter dan het autovrije Hoog Catharijne. De conclusie is duidelijk: we moeten af van die absoute scheiding van auto’s en winkels in de binnenstad. Een stad verdient een levendige binnenstad, en elke stad verdient een unieke binnenstad. Niet overal dezelfde ketens, niet overal dezelfde winkelcentra. Interessante gebouwen, een interessant straatbeeld. Geen bloembakken waar bakfietsen en auto’s horen te rijden. Geen natuursteen, maar gewone straatstenen.

Stel je nu eens voor dat de voetgangers in Rotterdam het alleen geheel voor het zeggen krijgen in Forum, de Markthal, de Koopgoot en de Lijnbaan. Stel je voor dat elders de fietsen en de auto’s weer normaal toegang krijgen. Dat zou niet alleen de dynamiek terugbrengen op straat, maar ook de dynamiek in het winkelbestand. Slechte winkelgebieden zullen sneller afsterven, de opengevallen plaatsen zullen nieuwe kansen bieden voor andere functies. En elders  zullen nieuwe plekken ontstaan voor verrassende winkels.

Spangen werd beter, maar gold dat ook voor de mensen?

maart 22, 2014 by  
Filed under De Stad

De problemen in de stedelijke achterstandswijken zijn ingewikkeld en hardnekkig. De overheid is al jaren bezig om grip te krijgen op de problemen. De effecten van dat beleid laten zich moeilijk vaststellen en mede om die reden verandert het beleid nogal eens. Waardoor de effecten van het achterstandsbeleid zich nog moeilijker laten vaststellen. 

Vanuit die gedachte ben je blij als je het rapport van Marlet en Ponds over Spangen in Rotterdam (2012) onder ogen krijgt. Vooral de titel geeft veel hoop: Scoren in Spangen; de effectiviteit van tien jaar investeren in de Rotterdamse wijk Spangen. Het helpt dus toch.

Ja en nee. Er is veel geïnvesteerd in Spangen en Spangen is sinds de eeuwwisseling aanzienlijk vooruitgegaan. Het vervelende is dat in andere wijken in Rotterdam, en in vele andere grote steden, veel is geïnvesteerd en dat die wijken veel minder vooruitgang hebben geboekt. Bovendien: Spangen is dan wel vooruitgegaan, maar geldt dat ook voor de oorspronkelijke bewoners? Laten we beginnen met een korte weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

De cijfers zijn overtuigend: Spangen heeft zich goed ontwikkeld sterk in het laatste decennium. De overlast, de verloedering en de onveiligheid zijn sterk verminderd. De kwaliteit van de huizen en van de woonomgeving is verbeterd. De bevolkingssamenstelling van de wijk is veranderd (minder homogeen arm en werkloos, meer differentiatie). De huizenprijzen zijn gestegen, ook in vergelijking met andere wijken, de aantrekkingskracht van de wijk is dus toegenomen. Of de sociale cohesie in de wijk ook is verbeterd (een bekende doelstelling van beleid) kan niet worden gemeten, omdat er geen indicatoren voor beschikbaar zijn. (Dat geldt overigen voor al die wijken in Nederland waar wordt ingezet op het verbeteren van de sociale cohesie.) En tot slot: de arbeidsparticipatie in de wijk is duidelijk verbeterd: de werkloosheid is afgenomen. Helaas is de jeugdwerkloosheid de laatste jaren juist weer toegenomen, maar dit feit haalt de samenvatting van het rapport niet, zoals de samenvatting op meer punten blijer is dan de resultaten van het onderzoek lijken te rechtvaardigen.

Cruciaal is natuurlijk de vraag of al deze mooie verbeteringen op het conto van het beleid kunnen worden geschreven. De onderzoekers stellen: “Waarschijnlijk komt dat door de rigoureuze en integrale aanpak in Spangen, waarbij fysiek, sociaal en veiligheidsbeleid hand in hand zijn gegaan.” Die conclusie trekken ze op grond van het feit dat Spangen wel en andere wijken geen positieve ontwikkelingen te zien geven. Maar zoals gezegd: dat gemeentelijk en landelijk beleid is toch niet geheel aan die andere wijken voorbijgegaan? Rotterdam had toch meer ‘krachtwijken’ dan Spangen alleen? Hoeveel is er wel niet geïnvesteerd in Rotterdam-Zuid? Ik vermoed dat het woord ‘waarschijnlijk’ in deze onderzoeksconclusie zo moet worden gelezen: er is veel beleid gezet op Spangen, de ontwikkelingen in Spangen zijn positief, dus het beleid is effectief, en waarom hetzelfde beleid elders niet effectief is, is niet de schuld van de onderzoekers.

De onderzoekers hebben proberen aan te geven welke maatregelen met name effect hebben gehad op de leefbaarheid van Spangen. Eén maatregel springt eruit: het stopzetten van de tippelzone aan de Keileweg in 2005. Vanaf dat moment dalen de overlast en de diefstal en de auto-inbraken en de verloedering abrupt. En dat hoeft ons niet te verbazen. Beter gezegd: daarvoor hoef je geen onderzoek te doen. Over de Keileweg is altijd veel te doen geweest in Rotterdam en iedereen wist dat de situatie in Spangen snel was verslechterd nadat de tippelzone aan de Keileweg, aan de rand van die wijk, was toegestaan. Dan is het niet zo vreemd om te veronderstellen dat Spangen al die positieve ontwikkelingen vanaf 2005 niet had doorgemaakt als de tippelzone aan de Keileweg niet was gesloten.

Daarnaast zijn veel verpauperde woningen voor een lage prijs verkocht aan mensen die bereid waren de woningen zelf op te knappen. Daar zijn nogal wat hoger-opgeleiden op af gekomen. Deze ‘kluswoningen’ hebben duidelijk bijgedragen aan de verbetering van Spangen. En daarmee raken we meteen aan een fundamentele vraag: wat was eigenlijk het werkelijke doel van het beleid? Het opknappen van Spangen of het terugdringen van de armoede en werkloosheid onder een deel van de burgers? Ik zou zeggen dat een opgeknapte wijk toch niet het uiteindelijke doel van het beleid kan zijn. We knappen toch wijken op om mensen meer kansen te geven?

Helaas is niet onderzocht of werklozen meer kansen hebben gekregen. De onderzoekers stellen slechts vast dat de samenstelling van de bevolking van Spangen het laatste decennium diverser is geworden: minder homogeen arm en werkloos. Dat is geenszins verwonderlijk. De tippelzone werd gesloten en het is logisch dat daardoor de aantrekkingskracht van de wijk groter is geworden. Daardoor zijn mensen met (wat) hogere inkomens zich in de wijk gaan vestigen en zijn de huizenprijzen gaan stijgen. Dat effect is nog eens versterkt door dat geslaagde en prachtige project van de kluswoningen.

Ik ben dan ook helemaal niet verbaasd dat de werkloosheid in de wijk in de laatste jaren is afgenomen (afgezien van die akelige jeugdwerkloosheid). De cruciale vraag is hier of de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners is afgenomen. Maar dat is niet onderzocht, omdat de onderzoekers de ontwikkeling van de wijk en niet van de bewoners hebben als maat der dingen hebben genomen. Het is dan ook een beetje laf om toch te melden dat de langdurige werkloosheid “waarschijnlijk ook is afgenomen door een hogere participatie onder de zittende bevolking van de wijk Spangen”. Ten eerste is in het onderzoek geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en oude bewoners en ten tweede zijn de bewoners die de wijk hebben verlaten omdat die inmiddels voor hen te duur was geworden, al helemaal niet onderzocht. Over de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners van Spangen kunnen de onderzoekers dus geen uitspraak doen.

Ik neem dat de onderzoekers niet kwalijk. De onderzoekers weerspiegelen het beleid. Het beleid gaat ervan uit dat mensen vanzelf beter worden als ze in een prettiger wijk wonen (hetgeen voor Nederland nooit is bewezen). En het beleid miskent de dynamiek onder burgers. Werklozen die zich weten op te werken door werk te vinden, verhuizen vaak naar betere buurten (de stad als emancipatiemachine) en hun plaatsen worden ingenomen door nieuwe kansarmen. En wanneer we wijken verbeteren trekken de rijkeren binnen en verkassen de arme werklozen en biedt de wijk minder plek voor kansarmen die van elders komen (de stad als waterbed). En daarom praten wethouders en ministers altijd over het verhogen van de kwaliteit van wijken en niet over het verhogen van kansen van kansarme medeburgers. Ze denken dat dat hetzelfde is, of hopen wellicht dat wij dat denken. Nog afgezien van het grappige streven van beleidsmakers om van elke slechte wijk een ‘gemiddelde’ wijk te maken.

Ik ben blij voor Spangen, maar ik zou zo graag willen weten of al die oorspronkelijke bewoners beter zijn geworden van het beleid. En of we al die investeringen niet beter hadden kunnen besteden: aan taallessen, aan scholing, aan arbeidsmarktbeleid. Je hebt meer aan een baan dan aan een rijke buurman.

 

Al bouwend poetst Rotterdam zijn monumenten weg

oktober 26, 2013 by  
Filed under De Stad

Rotterdam blijft fascineren. Die stad is nooit af. Ik heb er lang gewoond en kom er nog graag. En telkens wordt mijn blik weer getrokken door al die bouwputten. Door de energie en de durf waarmee in deze stad nieuwe plannen worden gesmeed. Hoe mooi is het dat daarbij ruim baan wordt gemaakt voor de grote architecten uit de eigen stad. Van de Broek en Bakema ontwierpen hier na de oorlog hun roemruchte Lijnbaan, Maaskant en Van Tijen het Groothandelsgebouw, en al die andere hoopgevende modernistische gebouwen. Wim Quist tekende de nieuwe schouwburg, het Maritiem Museum, het Nedlloyd-gebouw aan de Maas en het Robeco-gebouw aan de Blaak. Hoogstad bouwde het hoofdkantoor van Unilever en een woontoren aan het Weena. Adriaan Geuze ontwierp het Schouwburgplein (sorry, niet erg geslaagd) en de nieuwe markt. Eric van Egeraat bouwde aan InHolland. Rem Koolhaas bouwt nu De Rotterdam op de Wilhelminapier, het nieuwe stadskantoor en straks misschien Forum. En MVRDV metselt al een tijdje aan de nieuwe Markthal bij station Blaak.

Die geest van vernieuwing hoort bij de stad. Sinds de oorlog wordt er geheid in de stad. En sinds de oorlog staan Rotterdammers bij hun bouwputten te kijken. Waar in Amsterdam op bouwwerken wordt gescholden, is een bouwput in Rotterdam het symbool van hoop. Hoop op afronding van de stad. Tegelijkertijd weten we dat die hoop ijdel is. Omdat de stad nooit af zal zijn. Niet in het minst omdat de bouwwoede ook sans rancune ten koste gaat van gebouwen die in het recente verleden het resultaat van diezelfde bouwwoede waren.

Zo was de komst van de Hogesnelheidslijn reden om het oude station te vervangen. Vóór het station moest bovendien de smalle verkeerstunnel worden verbreed. En onder de grond vindt Randstadrail zijn aansluiting op het metronet. Rotterdam Centraal stond dus jaren symbool voor Rotterdam: bouwput, bouwput en nog eens bouwput. Hier wordt een stad gebouwd.

Maar hier wordt ook een stad afgebroken. We zouden namelijk bijna vergeten dat het oude Rotterdam Centraal een prachtig monument was van architect Sybold van Ravesteyn. Het station was een voorbeeld van de wederopbouw. De lichtheid van de grote stationshal, de lichtheid – in ander opzicht – van de perronoverkapping, het had allemaal een grote schoonheid. Natuurlijk, er was inmiddels veel mis aan dat station. Het was te klein, en het is zeker te klein als de HSL ooit een succes gaat worden. Het kon de nieuwe vervoerstromen niet meer aan. Ook het metrostation was te klein en te benauwd. Er was dus alle reden om iets nieuws te bouwen. Iets nieuws dat indrukwekkend is, dat prachtig is, dat meteen het mooiste station van Nederland is. Ja dit keer van een architectenbureau dat niet uit Rotterdam komt: Benthem Crouwel.

Het blijft een pleister op de wonde. De sloop van het prachtige station van Van Ravesteyn doet me nog steeds pijn. Die sloop heeft ook iets Rotterdams in een minder positieve zin: aan het bouwen gaat vaak ondoordacht slopen vooraf. Bouwen staat in Rotterdam vaak gelijk aan ‘helemaal opnieuw beginnen’. En helaas staat Rotterdam hier model voor veel andere steden in Nederland. We hebben weinig geduld met onze steden. De tijd dat we eeuwenlang bouwden aan onze grachtengordels ligt ver lang achter ons. Ook de tijd van het Plan Berlage is echt voorbij. Tegenwoordig straalt stedebouw vooral veel ongeduld uit. We hebben nauwelijks een plan en zijn soepel in onze argumenten.

En ook die manier van werken leidt tot veel schoonheid. Organische groei leidt nu eenmaal vaak tot interessante plekken, ook als er nauwelijks een plan onder ligt. Maar een echte stad wordt wel gekenmerkt door een combinatie van oud én nieuw, door een verzameling van bouwstijlen. Dus het is niet de zucht naar iets nieuws dat me tegenstaat, maar de behoefte om het oude te vernietigen. Denk ook aan de Zwarte Madonna in Den Haag, een bijzonder project van Carel Weeber, dat na vijftien jaar al weer plaats moest maken voor een ander project. Oké, de Zwarte Madonna paste niet in de rijkdom die Den Haag op die plek wilde uitstralen. Maar het was wel een onderdeel van de identiteit van de stad.

Bovendien horen we oog te hebben voor de monumenten die vroegere bestuurders hebben nagelaten. Het station van Van Ravesteyn was een monument. Ik geef toe, het oogde de laatste decennia steeds kleiner, met al dat bouwgeweld in de directe omgeving. Maar toch was het nog steeds van grote schoonheid. Ook het Groot Handelsgebouw van Hugh Maaskant en Wim van Tijen dat ernaast staat, is zijn grootsheid verloren na de komst van Nationale Nederlanden en al die andere prachtige pieken aan het Weena. En wordt nu nog pijnlijker weggedrukt door het nieuwe station. Maar ondanks alles: het hoort daar te staan. Voor de identiteit van de stad én omdat het zo typisch een monument is van de vorige generatie.

En nog iets: het is bijna niemand opgevallen maar in het bouwgeweld in Rotterdam is ook een hele vroege ‘Koolhaas’ ten onder gegaan; een leuke overkapping van het busstation, mooi aansluitend bij de vorm van het station. Ik worstel bij aankomst in Rotterdam dan ook altijd met die ene vraag: waarom wordt in Amsterdam terecht alles gedaan om het station van Pierre Cuypers bij de stationsuitbreiding te laten staan, terwijl in Rotterdam anderhalf monument achteloos is weggepoetst?

Volgende pagina »