Zouden we ooit nog één polder kunnen droogleggen

juli 24, 2016 by  
Filed under artikel

In de sociale geografie worden studenten altijd naar een gebied op stage gestuurd. In de bestuurskunde naar een organisatie, in de regel ergens in de overheid. Maar als bestuurskunde-studenten echt iets zouden willen leren van de overheid, zouden ze voortaan naar Flevoland moeten gaan. En misschien wel vooral naar de Noordoostpolder. Als er één gebied is waar de overheid alomtegenwoordig was, is het wel dit gebied. En als er één plek is waar de overheid tegenwoordig worstelt met zijn rol, is het ook in dit gebied. Fascinerend om die rol van de overheid zo te zien veranderen.

Na de watersnoodramp van 1916 kreeg minister Lely zijn oude plannen voor de inpoldering van de Zuiderzee door de Staten-Generaal. Men begon met de Wieringermeer en de Afsluitdijk. In de Wieringermeer werd al geëxperimenteerd met een stevige rol voor de overheid. Eerder had de overheid in Haarlemmermeer de zaak veel te veel op zijn beloop gelaten. Daar was men door schade en schande wijs geworden. Dat moest nu anders. De overheid nam dit keer nadrukkelijk de regie. En die regierol werd geperfectioneerd in de Noordoostpolder.

De Noordoostpolder viel in de Tweede Wereldoorlog droog en werd in de naoorlogse periode van de Wederopbouw ingericht. Op kaarten tekende men de dorpen in. De dorpen lagen op fietsafstand van het centrumdorp Emmeloord, dat om die reden ook wel polderstad werd genoemd. Wegen werden ingetekend zodanig dat er mooie kavels ontstonden voor de boeren (van 12, 24 of 36 ha). Elk dorp kreeg een brink, een open ruimte midden in het dorp. Elk dorp kreeg groenstructuren. Elk dorp kreeg een centrale plek voor de kerken. De Delftse school was sterk bepalend voor de architectuur, behalve in Nagele, waar het Nieuwe Bouwen ook nog een kansje kreeg. Het wonen, het werken, de winkels en het recreëren werden zoveel mogelijk gescheiden. Inwoners en met name boeren werden streng geselecteerd. Eva Vriend schreef haar prachtige boek Het nieuwe land over het selectieproces, dat uiteindelijk toch erg subjectief was.

Werkelijk alles werd bepaald door de overheid, op basis van gedegen kennis over het gebied. Wetenschappers leverden de schijnbaar objectieve kennis aan. Prof Ter Veen en prof Groenman waren grootheden in de ontstaansgeschiedenis van de polder. En de burger? Die was al lang blij als hij mocht komen en een kavel mocht pachten of een winkel mocht beginnen. De rol van de overheid was duidelijk (de baas), de rol van de wetenschap was duidelijk (de randvoorwaarden) en de rol van de burger was duidelijk (hopen dat je een plekje krijgt).

Hoe anders is het nu. De Noordoostpolder maakt deel uit van de provincie Flevoland. En die provincie wil een nieuwe Omgevingsvisie maken voor haar hele grondgebied. Zeg maar een visie op de verdere ontwikkeling van Flevoland. De provincie is begonnen met een Startnotitie. Deze Startnotitie beschrijft alleen het proces: hoe gaan wij een nieuwe Omgevingsvisie vaststellen? Er staan geen inhoudelijke doelen in de notitie. Er staat alleen in op welke terreinen keuzes gemaakt moeten worden. Zeg maar zes beleidsterreinen. Duidelijk is dat de ‘maatschappelijke vraag’ centraal moet staan in het proces. En dat de uitkomst ‘flexibel en adaptief’ moet zijn omdat de toekomst vooral ongewis is. Alles gericht op een ‘wederkerige samenwerking met partners’. En partners: dat is iedereen. Als eerste stap is een atelier ingericht om na te denken over Flevo-perspectieven. Bij die perspectieven gaat het zowel om ontwikkelingen die op de provincie afkomen als om het perspectief dat aan de provincie moet worden geboden. Het atelier was uiteindelijk een rondreizend circus, onder leiding van externe procesbegeleiders. Blijkbaar was het niet passend als de gekozen volksvertegenwoordigers dit proces zelf zouden hebben begeleid. Daarmee zouden ze zich zelf te veel op de voorgrond hebben geplaatst. Het nadeel was wel dat de externe procesbegeleiders de mensen in de zaal meestal niet kenden.

Deze Flevo-perspectieven zijn inmiddels afgerond. Ik heb ze bestudeerd en twee zaken vallen me op. Ten eerste speelt kennis over het gebied een ondergeschikte rol. Vooral wat men elkaar heeft verteld, wordt als de waarheid gepresenteerd. Het gedegen onderzoek dat wel is uitgevoerd, komt men in de eindpresentatie nauwelijks tegen. Schijnbaar volgens het adagium dat onderzoek ook maar een mening is en dat iedereen zijn eigen waarheid heeft. Ten tweede wordt er wel met veel nostalgie gepraat over het verleden (hier wonen vooral pioniers), maar lees ik weinig richtinggevends over de toekomst. Niet alleen het ‘weten’ blijft onduidelijk, maar ook het ‘willen’. Welk perspectief moet dit gebied nu werkelijk worden geboden?

Natuurlijk, ik weet dat nu de overheid aan zet is. Gedeputeerde Staten gaan een  aanzet maken voor de nieuwe Omgevingsvisie. Maar ook die aanzet moet weer zo snel mogelijk het overleg in met alle ‘partners’. Het is daarom niet moeilijk om te voorspellen dat in die Omgevingsvisie weinig keuzes zullen worden gemaakt en al helemaal geen richting zal worden geboden.

Het doet me denken aan een traject dat ik ooit van dichtbij meemaakte: de totstandkoming van de nota Randstad 2040 van het kabinet-Balkenende-Bos. Daar sprak ook iedereen van het begin tot het einde mee. Ik herinner me nog dat aanvankelijk in de stukken stond dat Amsterdam een heel klein beetje belangrijker was voor de Nederlandse economie dan Rotterdam en dat Amsterdam economisch misschien ook een heel klein beetje beter functioneerde dan Rotterdam. Totdat de burgemeester van Rotterdam, Ivo Opstelten, ter vergadering eiste dat Rotterdam evenzeer bloeide als Amsterdam. Hij kreeg zijn zin, terwille van het draagvlak. Van die nota hebben we overigens later nooit meer iets gehoord.

Ik ontken niet dat de samenleving sinds het droogleggen van de Noordoostpolder drastisch is veranderd. En dat met name de rol van de overheid drastisch is veranderd. Maar toch vraag ik me af hoe we de polders ooit hadden moeten droogleggen met een overheid die zich slechts met het proces van de visievorming bezighoudt, en zelfs dat nog alleen op de achtergrond. En dan spreek ik nog niet eens over de ruimtelijke inrichting, het bouwen van dorpen en steden, de ontwikkeling van een samenleving, de selectie van al die burgers enzovoorts. Of vindt die provincie Flevoland die Omgevingsvisie gewoon niet belangrijk genoeg?

Streven naar omgevingskwaliteit is een hol verlangen

juli 19, 2016 by  
Filed under artikel

Er is een nieuw woord. Omgevingskwaliteit. De ruimte noemen we tegenwoordig de omgeving. En ruimtelijke kwaliteit is daarmee vervangen door omgevingskwaliteit. Dat het begrip ruimtelijke kwaliteit is verdwenen maakt me niet rouwig. De belevingswaarde was altijd groot, maar de gebruikswaarde vaak gering. Ja, niemand kon ertegen zijn. Omdat het in de kern zonder richting was. En juist daardoor had je er zo weinig aan.

Maar eerst tijd voor een illustratieve anekdote. Sybilla Dekker was misschien een half jaar minister, toen ze mij eens onder vier ogen om raad vroeg. Ze vertelde dat op haar departement door velen bijna hemels over de ‘ruimtelijke kwaliteit’ werd gesproken. En dat ze nog steeds niet wist wat ze daarmee bedoelden. Ze was al opgelucht toen ik vertelde dat ik dat ook niet wist. En ze werd zelfs blij toen ik uitlegde dat het aanleggen van een nieuw bedrijventerrein ook als een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit kon worden gezien. Bij ruimtelijke kwaliteit ging het immers om gebruikswaarde, om toekomstwaarde en om belevingswaarde. En de gebruikswaarde van een bedrijventerrein stond voor een VVD-minister buiten kijf.

Ik geef toe: mijn interpretatie van het begrip ruimtelijke kwaliteit zal niet door alle ambtenaren op het Ministerie van VROM zijn gedeeld. Zij gaven een andere invulling aan het begrip ‘kwaliteit’. En dat gebeurde vaak zo impliciet dat het leek alsof ruimtelijke kwaliteit alleen maar één soort kwaliteit kon zijn. Zoals diezelfde ambtenaren bij een volgende minister het project Mooi Nederland optuigden, alsof iedereen het erover eens is wat ‘mooi’ is. En dan heeft het begrip ‘mooi’ nog de connotatie van ‘zien’, van ‘beleven’. Kwaliteit zegt op zich helemaal niks. Kwaliteit is de mate waarin aan een norm wordt voldaan. Maar over welke norm hebben we het?

Ja, deze opmerking treft ook het advies over ‘omgevingskwaliteit’ dat het College van Rijksadviseurs uitbracht aan de minister van Infrastructuur en Milieu. De Rijksadviseurs hadden zich op hun beurt laten adviseren door Peter Paul Witsen. Die schreef een mooi essay. Maar de essentie van zijn interessante essay werd helaas niet overgenomen door het College.

Witsen schreef immers dat het begrip ruimtelijke kwaliteit zonder succes na 25 jaar weer was verdwenen. Hij schreef ook dat je je niet mag beperken tot concurrentiekracht als enig doel van de ruimtelijke ordening. Dat je integraler moet kijken. Ruimtelijke ingrepen hebben niet alleen gevolgen voor de concurrentekracht, maar ook voor de uitstoot van fijn stof, voor de beleving van het landschap, voor de biodiversiteit, etc. Voor hem betekent integraliteit dat je vanuit verschillende perspectieve ruimtelijke ingrepen moet beoordelen. En terecht schrijft hij dat omgevingskwaliteit ‘is geborgd in normen en meetbare criteria’. Ook daarmee geeft hij nog geen richting. Maar hij geeft wel helder aan dat je keuzes moet maken. Welke normen wil ik stellen aan de kwaliteit van de omgeving?

Misschien had hij veel stelliger moeten zijn. Het College van Rijksadviseurs komt helaas nauwelijks verder dan het statement dat ‘integrale omgevingskwaliteit het centrale doel moet worden van al het ruimtelijk handelen.’ Maar wat is in godsnaam integrale omgevingskwaliteit? Geeft dat richting? Nee. Veel erger: ik beloof u, dat heel Den Haag het met dit advies eens zal zijn. En vervolgens bouwt Schultz de duinen vol. Voor haar hebben duinen immers een hogere omgevingskwaliteit als mensen er kunnen recreëren en projectontwikkelaars er geld kunnen verdienen. Ja, politiek is het afwegen van belangen en dat geldt bij uitstek voor ruimtelijke ordening.

Oh ja, gelukkig is het College van Rijksadviseurs  ook van mening dat concurrentiekracht nooit het enige doel kan zijn van ruimtelijke inrichting. Maar daar blijft het dan ook bij. Geen richting, geen normen. Voor het College moet het gaan om een balans van concurrentiekracht en leefbaarheid. Precies wat Melanie Schultz met de duinen voor heeft. Geld verdienen en recreëren. En vervolgens draait het hele advies weer over kwaliteiten. Omgevingskwaliteit = ruimtelijke kwaliteit + milieukwaliteit.

Dat roept voor mij een boeiende vraag op. Laat ik hem zwart-wit stellen. Als ‘rechts’ gewoon keihard zegt dat de ruimtelijke inrichting van het land uiteindelijk alleen de ‘concurrentiekracht’ van het land moet dienen, waarom zevert ‘links’ dan altijd over van die vage termen, die uiteindelijk zo multi-interpretabel zijn? Waarom zegt ‘links’ niet gewoon: ruimtelijker ordening moet er primair toe bijdragen dat Nederland klimaatneutraal wordt. Of dat Nederland minder in de auto zit. Of dat de segregatie wordt tegengegaan. Of dat het cultureel erfgoed behouden blijft. Of dat de zalm weer terugkomt. Of de wolf. Maakt me niet uit. Maar geef alsjeblieft aan welke omgevingskwaliteit je wil hebben. Dan zorgt de politiek uiteindelijk wel voor een balans, of beter gezegd voor een compromis. En dat is vaak al erg genoeg.

Begrijpen economen nu werkelijk niets van ruimtelijk beleid

maart 22, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Coen Teulings schreef onlangs een opvallende column in NRC Handelsblad. Hij stelde vast dat veel woningen in Nederland op de verkeerde plek zijn gebouwd. Hij verweet dat vanzelfsprekend niet de markt maar de overheid. Die had verkeerd gepland. Eigenlijk zei hij: die rare Nederlandse ruimtelijke ordening heeft ons heel veel geld gekost.

Teulings baseerde zijn column op een boek dat hij schreef met Wouter Vermeulen, Gerard Marlet en Henri de Groot: Groei en krimp; waar moeten we bouwen en waar vooral niet? Het boek is een uitgebreide klaagzang over het ruimtelijk beleid. Maar het boek schiet zo tekort, dat je bijna een grote sympathie gaat voelen voor de Nederlandse planologie.

Eigenlijk is het boek gebouwd op één simpele redenering: huizen moet je bouwen op de plekken waar de opstalwaarde hoger is dan de bouwkosten. En bouw dus vooral geen huizen waar de opstalwaarde lager is dan de bouwkosten. Dit bijzondere fenomeen kan zich überhaupt voordoen omdat de woningmarkt een zogenaamde voorraadmarkt is: de prijs van de nieuwbouwwoningen wordt bepaald door de prijs van woningen in de bestaande voorraad.

Natuurlijk is er op het eerste gezicht veel voor de stelling van Teulings c.s. te zeggen. Velen zullen instemmen met de gedachte dat in de laatste decennia in Amsterdam, Hilversum, Leiden en Haarlem te weinig is gebouwd en in Emmen, Helmond en Almere bijvoorbeeld (veel) te veel. En dat klopt geheel met die stelling over opstalwaarde en bouwkosten. Maar bij nader inzien is de stelling schokkend simplistisch. Hier zijn vier heren te zeer in hun eigen schematische weergave van de werkelijkheid gaan geloven. Ik noem drie bezwaren.

Ten eerste is het onderzoek verrassend a-historisch. Het gaat allemaal om analyses gebaseerd op de meest recente cijfers. Hoera, zou je zeggen! Maar die woningbouw vond veel eerder plaats. Bedenk bijvoorbeeld dat de huizenprijzen na de financiële crisis van 2008 zijn ingeklapt. Alleen in de echt welvarende en snelgroeiende steden zijn de huizenprijzen momenteel weer op peil. Maar juist niet in de krimpgebieden, in de periferie van het land. Zo wordt de bouw van huizen in Emmen afgewezen omdat de huizenprijzen daar nu zo laag zijn, zonder te bezien hoe duur de huizen waren toen ze werden gebouwd. Dat is te gemakkelijk en bovendien unfair tegenover de planners van toen. Het zou me overigens ook niet verbazen dat in de oververhitte woningmarkt van tien jaar geleden in het hele land de bouwkosten lager waren dan de opstalwaarde. Volgens de stelling van Teulings c.s. waren daarmee alle nieuwbouwactiviteiten indertijd gerechtvaardigd. Een onderzoek met dergelijke toevalsfouten noemen we in de wetenschap een niet-betrouwbaar onderzoek.

Ten tweede hebben de vier auteurs blijkbaar zo’n hekel aan de ruimtelijke ordening, dat ze de betekenis van het ruimtelijk beleid systematisch overschatten. Zo schrijven ze niet alleen dat bouwactiviteiten in het Groene Hart ‘bijna geheel waren verboden’. [In de praktijk bleek dat het Groene Hart in 50 jaar aan zijn randen 20% van het grondgebied is kwijtgeraakt, omdat het inmiddels was volgebouwd en bleek dat in het resterende deel van het Groene Hart de nieuwbouw van huizen en bedrijven ongeveer op het Nederlandse gemiddelde lag.] Ze schrijven ook dat de overheid met het groeikernenbeleid veel inwoners uit de steden heeft gejaagd. In werkelijkheid heeft de overheid deze suburbanisatie alleen maar gekanaliseerd (‘gebundelde deconcentratie’). Mensen wilden zelf weg en zonder het ruimtelijk beleid waren de steden even hard leeggelopen. Alleen was de chaos op het platteland dan niet te overzien geweest. Grappig genoeg waren in die tijd de bouwkosten in veel steden ongetwijfeld hoger dan de opstalwaarde, omdat zoveel mensen de stad wilden verlaten. Waarmee we weer terug zijn bij het eerste bezwaar: wat vijftig jaar geleden wijs was, heeft achteraf gezien misschien effecten die we nu liever kwijt zouden zijn. Maar daarmee was het beleid op dat moment nog niet verkeerd.

Ten derde: hoe komen de auteurs er toch bij dat de betalingsbereidheid van mensen leidend moet zijn voor de ruimtelijke inrichting van het land? Ik weet het: zo denken economen. Maar dat is geen reden om je niet blijvend tegen die drogredenering te verzetten. In het ruimtelijk beleid gaat het nu juist niet om go with the flow, zoals Teulings c.s. bepleiten. Ruimtelijk beleid is er nu juist op gericht om publieke belangen te borgen die in het vrije spel der maatschappelijke krachten het onderspit zouden delven. Het komische is dat Teulings c.s. dat zelf ook beweren. Alleen erkennen zij maar twee publieke belangen: er is behoefte aan een hogere dichtheid in de steden dan projectontwikkelaars geneigd zijn aan te bieden vanwege de agglomeratievoordelen voor ons allen en de winsten aan de stadsranden moeten worden afgeroomd ten bate van de voorzieningen in het stadshart. Maar waarom, vrienden, zou de overheid geen ruimtelijk beleid mogen voeren om de natuur te beschermen, om de stilte te bewaren, om de gezondheid te bevorderen, om het evenwicht te bewaren tussen de belangen van de rijken en van de armen, om migranten een tijdelijke plek te bezorgen? Alleen omdat al die belangen niet door de burgers automatisch worden verdisconteerd in hun betalingsbereidheid? Of juist omdat die belangen door de burgers niet in hun prijzen worden verdisconteerd? Naar mijn weten bestaat er naast een economisch markt van prijzen en goederen een democratische markt, waar we met zijn allen stemmen over de publieke belangen die door de overheid overeind moeten worden gehouden.

Als we dit laatste accepteren kunnen we studie op een heel andere manier lezen. Dan kunnen we constateren dat onder andere voor Almere is gekozen om de druk op het Groene Hart te verkleinen. Dan zien we dat Lelystad niet alleen bedoeld is voor de overloop uit Amsterdam, maar ook als centrum van de nieuwe polder. Dan zien we dat Emmen lange tijd een redelijk succes is geweest door de landelijke spreiding van industrie door de overheid. Dan zien we dat Amsterdam ook is leeggelopen om de arbeiders een ruimere woning te verschaffen, in en buiten de stad. En dan zien we dat daar een prijs tegenover staat. Daar had het boek dan ook over moeten gaan. Niet over de superioriteit van de markt. Maar over de vraag of het dienen van allerlei publieke belangen opweegt tegen de maatschappelijke kosten die daartegenover staan. Vroeger gaf het NIROV elk jaar een hele goede cursus ‘ruimtelijke ordening’.

Ruimtelijke ordening of de duinvilla van Melanie

februari 2, 2016 by  
Filed under artikel

Het moet ongeveer op hetzelfde moment zijn gebeurd. De feestelijke afsluiting van het Jaar van de Ruimte en de schlemielige manier waarop Melanie Schultz de duinen wilde weggeven. Een jaar lang werd teruggekeken op de Vinex en werd gemijmerd over de toekomst van de ruimtelijke ordening. Een fraai manifest werd geschreven. En tegelijkertijd vond Melanie Schultz het wel een mooi moment om het behoud van de duinen te ‘decentraliseren’. Bij de VVD moet je dan altijd oppassen. Waar een normaal mens bij decentraliseren alleen denkt aan het overhevelen van bevoegdheden naar de provincies en de gemeenten, denkt de VVD impliciet aan de zegende werking van de markt. Hoe dichter bij de mensen, hoe dichter bij de wereld van vraag en aanbod.

Het hele plan werd met de kracht van de sociale media afgeblazen. Melanie mompelde nog iets over het openhouden van strandtenten, terwijl ik met Kerst nog heerlijk had genoten van een warme strandtent in Renesse. Na al dat protest durfde ze niet eens te zeggen wat ze werkelijk meende. Het debat met de Kamer wilde ze zelfs uit de weg gaan door bij aanvang van de vergadering al te melden dat ze haar plannen natuurlijk zou intrekken. Maar de Kamerleden lieten zich de kans niet ontnemen om hun afgrijzen uit te spreken.

Er zij wel gezegd dat de coalitie tegen Melanie al even toevallig was als haar eigen ingreep. Daarmee stonden beide symbool voor de stand van de ruimtelijke ordening. En dat is de stand van de ontkenning. “Wij gaan er niet meer over”. Al twee kabinetten hebben de nationale ruimtelijke ordening  afgeschaft. Maar dat is natuurlijk flutsika. EZ gaat over de plaatsing van windmolens, IenM over de aanleg van wegen en over de verbreding van de rivieren, BZK over de verkoop van corporatiewoningen en over het stimuleren van de stedelijke economieën, OCW over het sluiten van scholen in krimpgebieden. Beter gezegd: uiteindelijk zijn er maar weinig besluiten van de regering die geen consequentie hebben voor de ruimtelijke orde.

Van die spagaat was het duinenbesluit van Melanie Schultz een pijnlijk voorbeeld. Het kabinet wil de ruimte niet ordenen, maar wel de duinen verrommelen. Dat is het afwegen van ruimteclaims. En wat is ruimtelijke ordening meer dan het afwegen van ruimteclaims?

Er is dus nog steeds ruimtelijke ordening, ook op nationaal niveau. Hoe zou het ook anders kunnen in een dichtbevolkt land met veel verschillende ruimteclaims die ergens moeten worden afgewogen. Er is alleen geen idee meer hoe we die claims moeten afwegen en er is geen eigenaar meer die zich zorgen maakt over een consistente afweging van die verschillende belangen in de ruimte. De ruimte wordt tegenwoordig geordend zonder idee en zonder eigenaar. Het kerstpakket van Melanie Schultz ten voeten uit.

Nee, ik wil niet terug naar het verleden. We hebben terecht afscheid genomen van de ruimtelijke ordening van de vorige eeuw. Van een ruimtelijke ordening die in het teken stond van wonen en landbouw, van gebundelde deconcentratie, van groeikernen. Van een ruimtelijke ordening die meer was dan dat, namelijk een vorm van maatschappelijke ordening. Die ruimtelijke ordening  werd dan ook vaak gedragen door de sociaal-democratie. Bovendien was het een technocratisch project (de wetenschap weet wel wat goed voor ons is, waardoor de planologie eerder een natte normatieve pudding werd dan de toegepaste sociale geografie die ze had moeten zijn). En het was een modernistisch project met alle goede en alle kwade dingen die daarbij horen. Een mooie toekomst voor iedereen met licht, lucht en ruimte. En alle functies bij voorkeur gescheiden. Die ruimtelijke ordening hoorde bij de twintigste eeuw, zoals het collectivistische denken bij die eeuw hoorde.

Daarmee belichaamde het Jaar van de Ruimte het einde van een tijdperk. Tegelijkertijd was het ook een zoektocht naar een gezamenlijke gedachte over de ruimtelijke ordening voor de toekomst. Daarbij deed zich een boeiende paradox voor. Het Manifest waarmee het Jaar werd uitgeluid, was een wilde verzameling van ideeën en ideetjes. Zonder hiërarchie op papier gezet. Geen voorkeuren, laat staan leidende gedachten. De ruimte geordend volgens de principes van de sociale media. Iedereen mag alles roepen. Niemand heeft de macht en ieders gedachte is waardevol.

Ik ben een groot liefhebber van sociale media. Ook deze blog vindt via de sociale media zijn weg. Maar de ruimte laat zich moeilijk ordenen als iedereen zijn zegje mag doen en niemand een besluit durft te nemen. Beter gezegd: dan bepalen de machtsverhoudingen hoe de ruimte zich ordent. Ruimtelijke ordening is bij uitstek een politiek project waar iemand een beslissing moet nemen. En bij voorkeur een consistente beslissing. Wanneer elke beslissing toevallig is, heeft het ordenen van de ruimte geen zin.

Aha, Derksen wil terug naar oude tijden! Hij miskent de hedendaagse doe-democratie! Hij weet nog niet van de wisdom of the crowds. Nee, dat is het punt niet. Ik wil niet terug naar de tijden van groeikernen en van licht, lucht en ruimte, hoe nuttig idealen in die tijden ook waren. Ook ik wil de winst van het maatschappelijk debat via sociale media ten volle benutten. Maar ik wil er wel drie dingen aan toevoegen. Ten eerste: er doemen grote ruimtelijke opgaven op die om politieke keuzes vragen. Het tegengaan van de klimaatverandering bijvoorbeeld gaat niet zonder het maken van politieke keuzes. Ten tweede: die keuzes zullen enigszins consistent moeten zijn. Het bevorderen van duurzame energie heeft alleen zin als je tegelijkertijd het gebruik van fossiele energie tegengaat. Ten derde: wie een nieuwe ruimtelijke ordening wil, moet accepteren dat je daarvoor iemand nodig hebt die die consistente afwegingen maakt tussen de verschillende ruimteclaims. Misschien kunnen we aan de overheid denken.

Dat consistente verhaal moet gebaseerd zijn op drie elementen: nieuwe opgaven, nieuwe antwoorden en nieuwe beelden. Ik rond af door over alle drie kort iets te zeggen. Dat is een bij uitstek politieke schets, op basis van mijn politieke voorkeuren. Ruimtelijke ordening is zoals gezegd het maken van politieke keuzen.

Wat zijn de nieuwe opgaven die bij de verdeling van de ruimte in de komende decennia de voorrang moeten hebben? Ik zie er vier. Ten eerste het mitigeren van de klimaatverandering. Het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0 in 2050. Dit betekent ruimte voor windmolens, zonnepanelen, biomassa, geothermie etc. Het betekent verdichting, om de mobiliteit tegen te gaan zolang die op fossiele energie is gebaseerd. Het betekent tegengaan van beton en cement, dus duurzaam bouwen. Het betekent meer ruimte geven aan groen en natuur. Ten tweede de aanpassing aan de klimaatverandering. Op dat punt zorgt Rijkswaterstaat al goed voor ons. Ruimte voor de rivier is een prachtig project. De zeewering moet worden bijgesteld. En we moeten de toekomstige veiligheid ook voor alle bewoners in de polders kunnen garanderen. Water moet in steden beter worden opgevangen. Ten derde is er in de Randstad nog een groot tekort aan woningen. Hoe vervelend krimp voor sommige dorpen ook is, de nationale overheid heeft zich vooral zorgen te maken over de vraag waar we de 1,5 miljoen extra bewoners van de Randstad in de komende decennia huisvesten. En dan heb ik het nog niet over de mogelijk blijvend grote aantallen asielzoekers die de tocht naar Europa, naar onze welvaart, wagen. Ten vierde: dit alles mag niet ten koste gaan van natuur, milieu en biodiversiteit. Voor alle andere claims is plek, als aan deze vier niet wordt getornd.

Gelukkig zijn er ook nieuwe antwoorden. We leven aan de vooravond van een technologische revolutie. Of zitten we er al middenin? Zonnepanelen worden nog steeds elke twee jaar tweemaal efficiënter. Windmolens kunnen nog veel efficiënter. Dat is te voorzien. Maar er is veel niet te voorzien op het gebied van duurzame energie. Gaat de kernfusie toch nog eens lukken? We weten in ieder geval dat de zon elke dag 15.000 meer energie naar de aarde stuurt dan we met zijn allen nodig hebben. Welke technologische vernieuwing is denkbaar in de bouw? Hoe zal de mobiliteit zich ontwikkelen? Elektrische auto’s op basis van accu’s of op basis van waterstof? Zelfrijdende auto’s die we delen of die we voor onszelf willen houden. En hoe groot is de behoefte nog aan openbaar vervoer als we de zelfrijdende auto’s massaal gaan delen? Hoeveel behoefte aan landbouwgrond hebben we nog als de gentechnologie voortschrijdt? Ben ik te optimistisch als ik denk dat nieuwe antwoorden de nieuwe opgaven kleiner zullen maken? Of zullen nieuwe antwoorden, denk aan schaliegas, de problemen (in dit geval van de klimaatverandering) soms alleen maar groter maken?

Ten slotte heeft de nieuwe ruimtelijke ordening ook nieuwe beelden nodig. Het gaat in de ruimtelijke ordening niet alleen om het prioriteit geven aan opgaven. Ook beelden zijn in de ruimtelijke ordening leidend voor de afweging van belangen. Denk aan de scheiding van stad en land, denk aan het Groene Hart. Denk aan cultuurlandschappen. Veel van deze beelden zijn sleets geworden. Stad en land hebben hun harde scheiding verloren. En het Groene Hart is als geheel nog nauwelijks een wervend perspectief nu het aan alle kanten is volgebouwd en verrommeld. We zullen over nieuwe richtinggevende beelden moeten nadenken.

Sommige beelden zullen nauw blijven samenhangen met het cultureel erfgoed. Andere beelden zullen vooral inspirerend moeten zijn voor de toekomst. De moeizame discussie over ‘Mooi Nederland’ ten tijde van het ministerschap van Jacqueline Cramer geeft me op het eerste gezicht weinig hoop op beelden die voor velen inspirerend zijn. En laat de discussie over ‘ruimtelijke kwaliteit’ op dit punt geheel onbesproken blijven. Maar dat al neemt niet weg dat heel zinnig ‘beeldregels’ zouden kunnen worden afgesproken voor de plaatsing van windmolens. Dat we afspraken zouden kunnen (blijven) maken over bufferzones tussen steden. Dat we echt aandacht gaan besteden aan de landschappelijke inbedding van het verkeer. Etcetera.

Ook hier gaat het om het dilemma dat in deze blog centraal staat: iedereen moet kunnen meedenken, maar als we geen keuzes maken is er geen ruimtelijke ordening. Als iedereen zijn zin krijgt, krijgt niemand zijn zin. En veel erger: als we geen keuzes maken, zullen grote maatschappelijke vraagstukken (denk aan de klimaatverandering) niet worden opgelost. Er is dus voldoende reden voor een nieuwe ruimtelijke ordening die meer is dan het ophalen van individuele wensen. Het wordt tijd dat zich een nieuwe eigenaar aandient.

Geef burgers de ruimte #jvdr2015

maart 28, 2015 by  
Filed under artikel

2015 is het Jaar van de ruimte. Dat is geen toeval. 2015 was de tijdshorizon van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, later aangescherpt tot de Vinex. Het is dus een goed moment om de ruimtelijke ordening weer eens onder de aandacht brengen. Dat kan geen kwaad. Al twee kabinetten hebben de nationale ruimtelijke ordening ten grave gedragen. De ruimte is een speelbal geworden van provincies en gemeenten. Ik heb over die nationale teloorgang van de nationale ruimtelijke ordening een dubbel gevoel, en daarom heb ik ook een dubbel gevoel bij dat Jaar van de Ruimte. Ik zal vertellen waarom.

Aan de ene kant ben ik verbaasd over de geringe aandacht van de rijksoverheid voor de ruimte. We leven met veel mensen in een klein land en de ruimte is schaars. Dus alle reden om die ruimte te ordenen, ook vanuit Den Haag. Er zijn grote nieuwe thema’s die om een nieuwe ordening van de ruimte vragen. Ik denk aan de klimaatverandering, met de bijbehorende zeespiegelstijging en de steeds grotere behoefte aan duurzame energie. Tegelijkertijd besef ik dat het project ‘Ruimte voor de rivier’ niets anders is dan een fantastisch geslaagd ruimtelijk project. Alleen noemen we dat blijkbaar geen ruimtelijke ordening meer. Zelfs het nieuwe Deltaprogramma (wegnemen van overstromingsrisico’s) in in wezen één groot ruimtelijk project. Ook bij de aanleg van nieuwe wegen wordt tegenwoordig de ruimtelijke ordening meteen meegenomen. Dus misschien is er iets minder reden tot verbazing.

Aan de andere kant ben ik helemaal niet verbaasd dat de ruimtelijke ordening met al zijn nota’s en al zijn dwingelandij achter ons ligt. Het was niet alleen een technocratisch maar ook een modernistisch project. Technocratie in die zin dat deskundigen de dienst uitmaakten. In wezen had men aan de politiek een broertje dood. Modernistisch in die zin dat ons een nieuw leven van licht, lucht en ruimte werd opgelegd. Paternalistisch, met heel veel goede bedoelingen. Voor mij ruikt ruimtelijke ordening altijd nog naar stedelijke doorbraken, Bijlmermeer en groeikernen. Ik weet het, sorry, ik ga daarmee velen volop op de gevoelige tenen staan. Maar mijn licht anarchistische, dan wel liberale haren, gaan al snel overeind staan als ik weer zo’n ruimtelijke ordenaar tegenkom, die veel beter weet wat goed voor mij is, dan ik in jaren zou kunnen bedenken.

Ik ben dus heel blij met een Jaar van de Ruimte als het vooruitkijkt. Als het een platform wordt van nieuwe gedachten over de verdeling van de ruimte, zonder die technocratische en modernistische balast. Als het om nieuwe mensen gaat en niet om de oudjes die nog één keer treuren over het hoe mooi die Tweede Nota was. En dat die Vierde Nota dat niveau al niet meer haalde. Brrr, hou op! Geef burgers de ruimte!

 

[Column voor Bouwend Nederland]

De RO als modernistisch en technocratisch project is over

juni 12, 2014 by  
Filed under artikel

rotterdam10[bij het afscheid van Rob Schoonman van IenM, 12 juni 2014]

Rob heeft ons verschillende mooie gedachten meegegeven. Maar ook gedachten aan het einde van een tijdperk. Hij schetst in feite hoe de ruimtelijke ordening op nationaal niveau aan haar einde kwam. Hij verbindt deze ontwikkeling in één adem met de teloorgang van kennis binnen het beleid. Ik heb er behoefte aan om deze twee ontwikkelingen uit elkaar te halen. Beide ontwikkelingen verdienen een afzonderlijke beoordeling. Ik begin met de ruimtelijke ordening en vervolg met de positie van kennis binnen het departement.

Volstrekt bij toeval stuitte ik enkele weken geleden op een advies van de toenmalige VROM-Raad over NL2030, dat roemruchte scenario-plan waarin vier scenario’s werden uitgewerkt: stedenland, stromenland, parkland en palet. Zeg maar VROM, VenW, LNV en wat er overblijft als je EZ het voortouw geeft. Ik was verrast door de gezwollen taal van de VROM-Raad. Dat is geen kritiek, want het advies was gewoon een product van zijn tijd. Hoe toen, nog geen 20 jaar geleden werd gesproken over de ruimte, over hoogdravende criteria van ruimtelijk beleid (doelmatigheid, rechtvaardigheid, duurzaamheid en identiteit). En wat was er nog een heilig geloof in beheersing en controle. Het is in deze tijd bijna niet meer te geloven. Overigens werd dat scenario-traject ruw verstoord en afgebroken toen minister Margreeth de Boer formeel verklaarde dat verder alleen aan stedenland mocht worden gedacht.

Die beslissing van Margreeth de Boer markeerde een omslagpunt. Er kwam definitief een einde aan het technocratische project dat de ruimtelijke ordening lange tijd ook was geweest. Ruimtelijke ordening was namelijk niet alleen uiterst normatief, het was ook een inhoudelijke wereld, een wereld van onderzoekers, planologen en stedenbouwers, die geen politieke inmenging nodig hadden, en die zelf wel konden bepalen hoe Nederland zich ruimtelijk diende te ontwikkelen. In de jaren 90 had de politiek daar zo langzamerhand schoon genoeg van. Wetenschap hoort niet de politiek te dicteren. En met het verdwijnen van de RPD, bleef de WRR over als het laatste restant van technocratisch denken. Met deze teloorgang van de centrale rol van kennis kan ik overigens heel goed leven.

De ruimtelijke ordening was niet alleen een product van technocratie maar was ook een lievelingskind van het modernistisch project. Met alle goede bedoelingen, en met al het paternalisme wat erbij hoorde. Passend in de jaren 60, maar vanaf de jaren 70 eigenlijk al zoekend naar een nieuw vertoog. Niet voor niets is de Tweede Nota uit 1962 nog altijd de belangrijkste nota uit de geschiedenis van de Ruimtelijke Ordening. Inmiddels is er van de Rijksbetutteling alleen het project Almere overgebleven, dat overigens alleen nog in woorden wordt beleden. Terecht trekt het Rijk geen geld meer uit voor het bouwen van woningen waarvoor burgers naar het schijnt maar weinig belangstelling hebben.

Ook in een ander opzicht was de ruimtelijke ordening modernistisch tot in haar haarvaten: functies moesten overal netjes worden gescheiden. De structuurplannen en bestemmingsplannen met de prachtig gekleurde kaarten waren daarvan bij uitstek het symbool. Zo ontstonden groeikernen, zo ontstonden bedrijventerreinen en ging de ruimtelijke ordening achter de feiten aanlopen toen de stad weer in trek kwam, werken en wonen weer integreerden in de steden, lege bedrijventerreinen en monotone groeikernen achter zich latend. Omdat de kantoren zich al weinig gelegen hadden laten liggen aan de functiescheiding, begreep de ruimtelijke ordening te laat dat ook de kantoren-leegstand een onderwerp voor ruimtelijk beleid zou kunnen zijn. Daarnaast kwam het begrip organische stedebouw op, waarmee de modernistische ruimtelijke ordening vanzelfsprekend niets kon hebben.

Het technocratisch project is voorbij en het modernistisch project is voorbij. En ik ben daar verheugd over. Het betekent wel dat de ruimtelijke ordening van zijn wortels is ontdaan. Bovendien heeft de ruimtelijke ordening vooralsnog de kans gemist om de overstap te maken naar een nieuw vertoog. Klimaat en duurzaamheid bieden een prachtige kans voor een nieuw ruimtelijk beleid, inclusief de duurzame energie en de bodem. Infra had een uitstekend mee-koppelend belang kunnen zijn, maar het lukt niet om de wegenbouwers in het ruimtelijk gareel te krijgen. De wegen worden nog steeds niet vanwege hun ruimtelijke structurering aangelegd. Bovendien is het binnenkort grotendeels afgelopen met het aanleggen van nieuwe wegen. Daarnaast heeft het Rijk te accepteren dat een organische stedebouw vooral een taak is van de gemeenten. Ruimtelijke ordening kan dáár zeker weer aan kracht winnen. Het behoud van de natuur wordt daadkrachtig door Natuurmonumenten en provinciale landschappen aangepakt.

Ik geloof niet dat het zogenaamde einde van de maakbaarheid de nationale ruimtelijke ontwikkeling de das heeft omgedaan. Want die maakbaarheid is er op andere terreinen nog wel. Wanneer een overheid de grootste bank over één nacht kan nationaliseren, is er weinig mis aan je handelingsvermogen. En vergeet ook niet dat alles wat succesvol is binnen IenM vooral een kwestie is van een ‘strenge’ overheid. Het succes van het milieubeleid is geen succes van de energieke samenleving, maar van het ministerie van VROM, tegenwoordig van IenM en niet te vergeten van de EU. Maakbaarheid is er volop. Alleen binnen de ruimtelijke ordening is de maakbaarheid weggevallen, omdat de urgentie voor het oude ruimtelijke beleid gaandeweg in rook opging.

Dat de nationale ruimtelijke ordening is verdwenen, dat de RPD is verdwenen, is dus geen bewijs van de teloorgang van kennis, hoogstens van de teloorgang van technocratie. Een systeem waarin kennismakers bepalen wat er zou moeten gebeuren. Dat is winst voor de democratie, want zoals bekend bepaalt kennis an sich nooit wat er moet gebeuren. Die afweging hoort in de politiek te worden gemaakt. En met het verdwijnen van de nationale ruimtelijke ordening, is het ordenen van de ruimte niet verdwenen, wel blijkt de oude mono-centrische variant aan zijn einde te zijn gekomen. Dat is winst, te meer het volop ruimte geeft voor nieuwe gedachten en ideeën.

Ook over het gebruik van kennis ben ik minder somber. Laten we niet vergeten wat een prachtige onderzoeksinstellingen de departementen omringen. Er wordt bezuinigd, dat is vervelend voor de betrokkenen, maar laten we niet te hard huilen. De krokodil is niet ver weg. Op sommige plekken kan best wat worden gesneden. En dan nog hebben we fantastische kennisinstellingen.

Natuurlijk, ik herken de zorg dat veel kennis op departementen verdwijnt. Dat veel ouderen verdwijnen en dat hun kennis onvoldoende wordt aangevuld. Maar laten we ook hier nuanceren.

Ten eerste is het goed dat het onderzoek de departementen heeft verlaten. Onderzoek kan je beter in een onderzoeksomgeving doen. Het was ook goed dat de oude RPD werd omgebouwd tot een politiek beleidsdepartement en een onafhankelijk planbureau. Alleen heeft de tijd dat planbureau al snel ingehaald. Maar de uitdrukking ‘kennis buiten de deur’ of ‘kennis in de keten’ is misleidend omdat kennis iets heel anders is dan onderzoek. Kennis is het vermogen om betekenis te geven aan feiten, op basis van onderzoek, op basis van praktijkervaring. Dat vermogen mogen we niet verliezen. Wat dat betreft was die put in de Oosterschelde een wake-up-call. De indruk bestond dat binnen RWS even het vermogen ontbrak om de onderzoeksgegevens over de bodem van de Oosterschelde juist te interpreteren.

Ten tweede: er zijn veel goede voorbeelden waarin kennis en beleid hand in hand gaan. Laten we eens kijken naar alle grote besluiten van de laatste jaren. Deltaprogramma, hypotheekrenteaftrek, verhoging pensioengerechtigde leeftijd. Hoeveel kennis hebben we niet over het klimaat. Dat de politiek niet doet wat veel klimaatwetenschappers willen, ontkent dat in het geheel niet. En ik ben ook altijd blij met het hoge niveau van de Nederlandse ambtenaar.

Ten derde vragen andere tijden om andere kennis. Nieuwe generaties gaan anders met kennis om. En de onderwerpen veranderen. Ik zou wel willen dat de overheid meer wist van ICT, of meer begreep van de markt. Over het eerste vergadert de Kamer, het gebrek aan kennis over de markt blijkt uit ons onvermogen om een interessante aanbesteding op te zetten, zonder te verzuipen in driehonderd averechtse regels. Maar ik zou ook willen dat DG’s en SG’s hun mails niet meer laten uitprinten om achterin de auto hun antwoord erop te schrijven met balpen.

En er valt wel meer te verbeteren. De onderzoeksinstellingen rondom de overheid, moeten meer onderdeel gaan uitmaken van die overheid. We zijn druk bezig met kennisagenda’s, met vraagsturing, RWS kent zijn topadviseurs, maar er valt nog wel wat te winnen. Het zou daarbij goed zijn om de krampachtigheid van het contact tussen departementen en de eigen kennisinstellingen te doorbreken. Departementen wekken de indruk dat elk onderzoek voortaan ‘vraaggestuurd’ moet zijn, terwijl ze nog steeds ‘enige’ moeite hebben om hun eigen kennisbehoefte te verwoorden. Kennisinstellingen blijven op hun onafhankelijkheid hameren.

Zouden we niet het volgende kunnen afspreken voor alle kennisinstellingen, met variatie? 20% van de onderzoekscapaciteit van de kennisinstellingen is voortaan geheel vrij, onbelegd, naar eigen inzicht in te vullen. Verras ons met nieuwe inzichten. 30% is gewijd aan programma’s waaraan binnen departementen behoefte bestaat. Zeg: ozon bij het KNMI, de Mobiliteitsbalans bij het KiM. 30% wordt ingezet voor het beantwoorden voor concrete kennisvragen van departementen, voor het aanleveren van kennis die op korte termijn nodig is om het beleid beter te onderbouwen. En de resterende 20% is ervoor de kleine loketvragen, voor kennis aan tafel, voor directe ondersteuning van projecten binnen het departement. Zo zal een deel van de kennisinstellingen eerder op het departement zijn dan ver weg in Bilthoven of waar ook. Een ander deel krijgt de rust om te werken aan de kennis voor volgende kabinetsperioden.
Als we het zo doen krijgen we een prachtige mix van kennis, strategisch en politiek inzicht. En die mix hebben we nodig om te bouwen aan een nieuw ruimtelijk beleid. Dat het modernisme achter zich heeft gelaten en het mono-centrische, dat vooral inspirerend is en waarover het debat in het openbaar wordt gevoerd, dat niet meer als sociaal-democratisch laat staan als socialistisch wordt gedefinieerd, maar wel bij uitstek politiek is.

Ik kom tot een een afronding. De tijden veranderen, de dingen veranderen, het beleid verandert, de kennisbehoefte verandert. En de mensen veranderen. Maar de behoefte aan aimabele mensen blijft altijd. En om die reden zullen we Rob in Den Haag erg missen.

Buurtmoestuinen veranderen de samenleving niet

mei 2, 2014 by  
Filed under De Stad

Je hoort het tegenwoordig gelukkig minder vaak: “Iedereen heeft zijn eigen waarheid”. Ik vond dat nooit zo’n prettige uitdrukking. Ik begrijp heel goed dat iedereen de werkelijkheid met zijn eigen bril beziet, maar als iedereen zijn eigen waarheid zou hebben, is alles waar en heeft een gesprek over die werkelijkheid nog maar weinig zin. Veel erger: ook onderzoek doen naar de sociale werkelijkheid met al zijn waarborgen van betrouwbaarheid en validiteit, zou geen zin meer hebben, omdat elke kritiek kan worden weerlegd met het argument: “Dit is jouw waarheid”.

Dat gevoel bekroop me bij het lezen van het boek van Mariska van den Berg over nieuwe collectieven in het publiek domein onder de titel Stedelingen veranderen de stad. Ik heb zelden zo’n goed geschreven en goed gedocumenteerd boek gelezen, dat zoveel onwaarheid bevat. Of misschien moet ik zeggen: zoveel hoop en zoveel geloof dat de wereld er anders uitziet dan in werkelijkheid het geval is. En dat is jammer, want het onderwerp is ontzettend interessant. En ook jammer omdat het boek verder zo boeiend is.

Het begint al in de eerste zin. Van den Berg ziet een hausse aan initiatieven waarmee stedelingen naar eigen inzicht invulling geven aan het openbaar gebied in de stad. Maar is dat werkelijk geval? Is er sprake van een hausse? Of is dat wensdenken? Na een boeiend essay volgen 18 voorbeelden, waarvan verschillende uit het buitenland. Het gaat hier van buurtmoestuinen naar pogingen om de Binckhorst in Den Haag te veranderen. De verhaaltjes eindigen niet zelden een beetje treurig: het project is inmiddels opgeheven of heeft het anderszins erg moeilijk.

Ik neem het Mariska van den Berg helemaal niet kwalijk dat ze erin gelooft en in blijft geloven. Ik waardeer het ook dat ze na een aantal pagina’s opmerkt dat ze niet ‘neutraal’ in het onderwerp staat, ‘om uiting te kunnen geven aan haar betrokkenheid’. Bovendien doet ze zelf mee aan een van de beschreven projecten. Dat ze niet neutraal is, was overigens al gebleken. Zo komt gentrificatie niet voort uit maatschappelijke initiatieven, maar is alleen actievoeren tegen gentrificatie een voorbeeld van maatschappelijk initiatief. Ze pleit ook voor de inrichting van de stedelijke ruimte ‘vrij van commerciële belangen’. Het moet om de mensen zelf gaan en niet om de hoogste bieder, die waarschijnlijk toch ook wel een mens zal zijn geweest. We moeten werken aan de openbare ruimte buiten de ‘professionele kaders om’. Argument: in het beleid krijgt de economische waarde van het vastgoed steevast voorrang op de gebruikswaarde van de stad en menselijke behoeften. In de wereld van Van den Berg gaat het daartegen altijd om ‘buurtbewoners, kunstenaar, ontwerpers en activisten’. Ik ben een groot voorstander van maatschappelijke initiatieven, maar ben blij dat de overheid zich ook nog met de stedelijke ruimte bemoeit, als die vier categorieën het enige alternatief zouden zijn.

Ik heb nog een derde bezwaar, voordat ik overga op al die interessante maatschappelijke initiatieven: het ontstaan van geveltuintjes (letterlijk genoemd) staat hier model voor een ‘samenleving die op een punt is gekomen waarop ze zichzelf opnieuw moet uitvinden’. Het einde van de verzorgingsstaat en de komst van de participatiesamenleving, alles wordt erbij gehaald. En dat is gewoon jammer.

Hoe boeiend is dan ook het contrast met het derde deel van het boek, na het essay en na de voorbeeldprojecten, waar Van den Berg een aantal interessante denkers interviewt. In haar vragen betreedt Van den Berg een heel andere werkelijkheid. Zo zegt ze zelf: “De initiatieven die ik onderzocht zijn marginale speldenprikjes in het bestaande stedelijk weefsel”. Al blijven het proefmoestuintjes van stedebouw van onderop. Met name het laatste interview met Sadik Harchaoui is niet alleen interessant, maar vooral onthullend. Van den Berg noemt het advies van de RMO, waarvan Harchaoui voorzitter is, zelfs bedreigend waar de RMO ervoor pleit om de inhoudelijke zeggenschap van de burgers te koppelen aan financiële verantwoordelijkheid. Van den Berg wilde net voorstellen dat de overheid al die maatschappelijke initiatieven veel meer van een solide financiële basis zou moeten voorzien.

Ik voel me vrij om met mijn eigen ‘waarheid’ af te ronden.

  • Ik juich dit soort maatschappelijke initiatieven enorm toe. Ze zijn van groot belang voor het welbevinden van de burgers. En hoe meer burgers bijdragen aan het publiek domein hoe interessanter de lokale democratie wordt. Ik deel dus de mening van Mariska van den Berg dat bottom-up initiatieven serieus moeten worden genomen en dat de lokale overheid er (veel meer) ruimte aan moet bieden.
  • Ik ben blij me elke poging om de gesloten overheidscultuur uit te dagen en met elke poging om nieuwe invulling te geven aan het begrip lokale democratie.
  • Ook als het om een hausse zou gaan, blijven het ingrepen op micro-niveau. Bij ingrepen op macro-niveau zal de strijd om belangen die stedebouw en ruimtelijke ordening zo kenmerkt, altijd weer opduiken. Ik ben blij als er een overheid is die een bepalende rol speelt bij het beslechten van die strijd. Ik vrees dat anders vastgoedwaarde en commerciële belangen geheel doorslaggevend zullen zijn.
  • In dat opzicht is het zo jammer dat de ruimtelijke ordening (en de stedebouw) het geld en de weg lijken kwijt te zijn. Natuurlijk heeft de transitie van een op maakbaarheid en modernisme gebaseerde ruimtelijke ordening tijd nodig. Maar het wordt wel tijd om de nieuwe ruimtelijke ordening eens echt in de steigers te zetten: een ruimtelijke ordening die veel meer aansluit bij de initiatieven van burgers en tegelijkertijd anticipeert op de nieuwe maatschappelijke vraagstukken.

 

Het centrum van Amsterdam

november 1, 2013 by  
Filed under De Stad

De overheid staat vaak met de neus vooraan en wekt nogal eens de indruk dat er niets kan zonder dat zij dat heeft gewild. Gelukkig is het anders. Zelfs op het terrein van de ruimtelijke ordening, een beleidsterrein met van oudsher een hoog ambitieniveau. Laat ik op dit laatste terrein een mooi en interessant voorbeeld noemen: de Zuidas. Daar heeft zich in een paar decennia een economisch zeer aantrekkelijk gebied ontwikkeld. In de directe nabijheid van Schiphol én toch Amsterdam, met uitstekende verbindingen, wordt de snelweg inmiddels omzoomd door hoge en soms zeer fraaie gebouwen. Een nieuw economisch hart  klopt tegenwoordig  aan de Zuidas. Het opvallende is dat de kredietcrisis dat niet heeft veranderd. De financiële sector mag klappen hebben gekregen, de Zuid-As heeft zich geheel staande gehouden. Terwijl overal kantoren leeg staan, is de leegstand aan de Zuidas gering. Het zijn vooral kleinere internationale bedrijven die de plek van de terugvallende financiële sector hebben ingenomen.

Toch was die hele Zuidas nooit ontstaan als het aan het gemeentebestuur van Amsterdam had gelegen. Dat bestuur zetten alles op de IJ-oevers. Met een indrukwekkend ontwerp van Rem Koolhaas schetste de gemeente Amsterdam in de jaren 80 haar nieuwe toekomst aan het IJ. Daar zouden de nieuwe bedrijven moeten komen. Het bedrijfsleven beschikte echter anders. ABN AMRO, dat indertijd zijn hoofdvestiging nog had aan de Vijzelstraat, koos voor nieuwbouw aan de A10, later Zuidas geheten. Het gemeentebestuur stribbelde fors tegen. Pas onder het dreigende vertrek van ABN AMRO naar Rotterdam ging het gemeentebestuur overstag. Snel volgden andere bedrijven naar de Zuidas, dat voor het bedrijfsleven veel attractiever was dan de IJ-oevers met hun slechte verbindingen. Niet het gemeentebestuur bepaalde de ruimtelijke ontwikkelingen; nee, die werden bepaald door maatschappelijke trends.

Wat er in Amsterdam gebeurde met de Zuidas, is niet uniek. In alle wereldsteden zien we vergelijkbare ontwikkelingen. Geografen spreken in dit verband zo mooi over de overgang van de monocentrische naar de polycentrische stad. Waar vroeger alle belangrijke functies, ook de economische, zich concentreerden in de binnenstad, heeft tegenwoordig bijna elke functie haar eigen ‘centrum’. Funshoppen in de binnenstad, runshoppen aan de rand van de stad, zakelijke dienstverlening in het economische hart, terwijl cultuur zich weer op andere plekken concentreert. De gedachte van een economisch hart langs de IJ-oevers, in de directe nabijheid van het oude centrum, was dus al achterhaald op het moment dat zij werd verwoord. Kijk naar La Defense in Parijs en naar de Docklands in Londen. Kijk naar Alexandrium bij Rotterdam (dat momenteel overigens moeilijke tijden doormaakt), de nieuwe bedrijven rondom de Brieneroordbrug en de wegblijvende bedrijven op de Kop van Zuid. Steden fragmenteren, er ontstaan meerdere centra.

Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft er goed aan gedaan om deze ‘deconcentratie van functies’ niet tegen te gaan. Ze heeft er ook goed aan gedaan om de verdere ontwikkeling van de Zuidas met enthousiasme te begeleiden. Al kan men misschien ook te enthousiast zijn. De overheid heeft immers grootse plannen om de Zuidas een enorme impuls te geven door de snelweg (en wellicht later ook de trein en de metro) onder de grond te brengen. Daarmee zou een nieuw stadshart moeten ontstaan. Woningen, winkels, theaters; er werd een aantal jaren geleden zelfs al over een nieuw museum voor hedendaagse kunst gesproken. Maar dreigt de lokale overheid daarmee niet dezelfde fout te maken van weleer door van het nieuwe economische centrum meteen een compleet nieuw stadshart te willen maken? Vanuit die achterhaalde gedachte dat een centrum alleen een centrum is als alle functies samenkomen? Bovendien gaan de ruimtelijke ontwikkelingen door. Het is heel goed denkbaar dat Schiphol City in de toekomst voor veel bedrijven nog aantrekkelijker zal worden, en misschien wel aantrekkelijker dan de Zuidas. Of gaat rondom Schiphol weer een cluster van andersoortige bedrijven ontstaan? Naast die andere clusters van bedrijven, op verschillende plekken in de stad.

Artikel: Regio’s en gemeenten aan zet

november 14, 2011 by  
Filed under artikel

[geplaatst in S&RO, 2011, 5: 30-33]

 

Zachtzinnig was niet het juiste woord. Melanie Schultz had niks ‘tegen België’. En dat terwijl België al jaren een moreel ijkpunt was. Wie vóór de ruimtelijke ordening was, was tegen België. Tegen een land waar de ruimte schijnbaar nimmer werd geordend en waar lintbebouwing het landschap verwoestte. Hier werd afscheid genomen van een tijdperk, van een ideologie die lange tijd zelfs als exportproduct werd gezien. Dit laatste overigens vooral in Nederland.

Inderdaad, ‘het roer moest om’, volgens de minister. Het einde van de nationale ruimtelijke ordening was daar. Verzachtend nam de minister ten onrechte het woord ‘decentralisatie’ in de mond. Want van echte decentralisatie is geen sprake. Er worden geen taken overgeheveld, er worden geen subsidiestromen overgeheveld. Integendeel: de onderhavige subsidiestromen naar lagere overheden drogen zelfs op. Nee, dit is geen overdracht, hier trekt een minister gewoon haar handen af van een geheel beleidsterrein, afgezien van een selectieve verantwoordelijkheid voor een paar nationale stokpaarden, die bovendien maar mondjesmaat worden bediend.

Is er reden voor grote zorg? Of moet de minister mogelijk zelfs worden geprezen voor haar daadkracht? In de wereld van de ruimtelijke ordening valt daarover niet snel een eenduidig antwoord te verwachten. Het is een bevlogen, normatieve wereld, waarin al die normen niet altijd samengaan met een scherpe blik op de empirische werkelijkheid. Voorbeeld: het Groene Hart is een icoon, het Groene Hart wordt beschermd, en toch is het Groene Hart in de laatste 50 jaar door stadsuitbreiding 20% kleiner geworden, en ligt de woningbouw in de resterende 80% altijd al jaren op het landelijke gemiddelde. Nog een voorbeeld: lintbebouwing is in Nederlandse ruimtelijke ordening verboden en zou dus niet voorkomen, toch zijn inmiddels veel snelwegen omzoomd door smakeloze bedrijventerreinen. De burgers hadden dat eerder door dan de planologen. Ja, in de wereld van de ruimtelijke ordening is veel gedroomd. Over het beleid en over de effecten. Dat alleen al plaatst het beleid van Schultz in een ander perspectief.

Maar de hamvraag hier is: wanneer is ruimtelijke ordening goed? Als Nederland er netjes, geordend uitziet? Of wanneer de verschillende claims op de ruimte zorgvuldig worden afgewogen? En hoe moet die afweging dan plaatsvinden? Is het goed als iedereen kan wonen, bij voorkeur op de plek van zijn voorkeur? Of als de welvaart van Nederland optimaal wordt bediend? Of als de biodiversiteit niet verder afneemt? In het eerste geval staat ruimtelijke ordening in het teken van het beeld, in het tweede geval in het teken van (de afweging van) belangen. Het interessante is dat veel mensen bij ruimtelijke ordening vooral denken aan het eerste, terwijl het instrumentarium vooral gericht is op het tweede. Die discussie over ‘Mooi Nederland’, is ook vooral iets van het laatste decennium.

Hoe anders was het in de tijd van de Tweede Nota. Nederland werd opnieuw ingericht, zoals we eerst de Zuiderzeepolders hadden ingericht. En zoals de Deltawerken de Zeeuwse samenleving opende voor de wijde wereld. Functies moesten worden gescheiden, steden moesten worden opengebroken, mensen met gezinnen kregen een huis en een tuin, bij voorkeur in een groeikern. Ruimtelijke ordening was hier veel meer dan het afwegen van ruimteclaims, het was maatschappelijke ordening. Zo is, al ver voordat ‘Mooi Nederland’ in beeld kwam, het ‘afwegen van ruimteclaims’ gaandeweg minder verheven geworden, normaler, soms niet meer dan een platte strijd tussen de belangen van het ene departement tegen die van het andere. Met het WRR-rapport van 1998 werd ‘ruimtelijke ordening’ niet voor niets ‘ruimtelijke ontwikkeling’ en later ‘gebiedsontwikkeling’.

Op zijn best worden de verschillende ruimteclaims tegenwoordig met elkaar verzoend; op zijn slechts geldt het recht van de sterkste en dat is meestal de economie. Van die hoogdravendheid van de oude ruimtelijke ordening is nog maar weinig over. Almere is wellicht de laatste stuiptrekking. En er is weinig reden om rouwig te zijn. Ik weet ook niet wie echt gelukkig is geworden van het scheiden van functies, een gedachte die inmiddels al weer lang door beleidsmakers wordt bestreden. En wie ziet hoe de steden zich momenteel ontwikkelen, beseft dat er met de ontwikkeling va de groeikernen in de vorige eeuw grote fouten zijn gemaakt. De leegloop van de jaren ’60 tot ’80 heeft de steden op een onnodige achterstand gezet. Veel te lang zijn de steden blijven ‘bouwen voor de buurt’, wat in de praktijk vooral neerkwam op deprimerende sociale woningbouw, waardoor de hogere inkomens wel moésten vertrekken. Duco Stadig verdient in dat verband een groot standbeeld. Hij heeft niet alleen Amsterdam, maar ook de andere steden met zijn Oostelijk Havengebied een prachtig nieuw perspectief geboden. Intussen doet de huidige toestand van de groeikernen beseffen dat het beleid van gebundelde deconcentratie wel effectief is geweest, maar geen succes is geworden.

En laten we eerlijk zijn: die loodzware ruimtelijke ordening, die neigt naar maatschappelijke ordening, past niet meer bij deze tijd. Mensen moeten zelf kunnen beslissen waar ze willen wonen. Dat moet de overheid niet voor hen willen beslissen. Hetzelfde geldt voor bedrijven, die zich toch al nooit erg aan de ordening van de overheid hebben gehouden. Ze streken neer waar hen het het beste uitkwam, afgezien van de dappere maar tot mislukken gedoemde politiek van de overheid om bedrijven naar achterstandsregio’s te verleiden. Hier resteert voor de overheid één belangrijke taak: verplicht bedrijven om hun rommel op te ruimen als ze zich weer elders gaan vestigen.
Ho! Maar! We verplichten mensen en bedrijven toch ook tot plekken om andere plekken van woningbouw en bedrijventerreinen te vrijwaren? Ja, ik weet het, mensen wonen niet in Almere omdat dat een leuke plek is, maar omdat ze zonder Almere en Lelystad hun tenten misschien eerder hadden opgeslagen in het Groene Hart. Ik heb deze via-de-band-politiek nooit erg begrepen. Als je de natuur of cultuurlandschappen echt wil beschermen, moet je het lef hebben om gebieden gewoon taboe te verklaren. Op dat punt kan Nederland nog steeds veel van het buitenland leren.

Deze ontwikkelingen zijn niet zonder gevolgen. Als het ruimtelijk beleid niet meer in het teken staat van grote maatschappijvisies en zich letterlijk verkleint tot gebiedsontwikkeling, dan is het logisch om het ruimtelijk beleid over te laten aan de mensen wie het aangaat: de regionale en lokale overheden. Dit geldt zelfs voor de ecologische hoofdstructuur, die wellicht grootschalig lijkt, maar toch vooral een kleinschalige zoektocht is naar stukjes groen, afgezien van de geur van oude maakbaarheid die het EHS-beleid omgeeft. Overigens, minder kunstmest en minder vlees zijn beter voor de biodiversiteit dan het voltooien van de ecologische hoofdstructuur. Zoals altijd zijn er uitzonderingen, zoals de bescherming van natuurgebieden van internationale betekenis, als de Wadden of van een cultuurlandschap met grote historische betekenis als de Beemster. Daarvoor hoort het Rijk zich verantwoordelijk te voelen. Ja, en voor de infrastructuur! Maar die heeft zich tot op de dag van vandaag altijd weten te ontworstelen aan het ruimtelijk beleid.

De ontwikkeling van maatschappelijke ordening, ruimtelijke ordening, ruimtelijke accommodering naar gebiedsontwikkeling heeft geleidelijk de legitimatie voor een nationaal ruimtelijk beleid ondermijnd. Die legitimatie heeft voor een ruimtelijk beleid dat zich bij uitstek richt op het beeld, op het plaatje eigenlijk nooit bestaan. Terwijl voor de kunst al jaren het adagium van Thorbecke wordt beleden dat de overheid geen oordeel behoort te hebben over mooi of lelijk, was daar plotseling in het vorige kabinet dat streven naar een ‘Mooi Nederland’. Nee, de overheid hoort geen oordeel te hebben over het spel van het Koninklijk Concertgebouw. Nee, ik heb geen behoefte aan het schoonheidsideaal van mevrouw Cramer. Wat dat betreft kwam het goed uit dat Cramer er nooit in is geslaagd om te duiden wat ‘Mooi Nederland’ voor haar betekende.

Hooguit is de overheid verantwoordelijk voor een zorgvuldige ruimtelijke ontwikkeling, met respect voor de historie van de plek en voor de identiteit van het gebied. Daarbij moeten we ons bedenken dat die taak lang niet altijd in goede handen is bij de overheid, burgers lijken er meer gevoel voor te hebben. In ieder geval is er geen reden om de nationale overheid op te zadelen met de taak van een ‘zorgvuldige’, ‘respectvolle’ stedebouw of landschapsarchitectuur. Dat kunnen de gemeenten veel beter af. Juist bij hen lijkt die mate van behoudzucht aanwezig die hier nuttig kan zijn. En als gemeenten aan de eis van zorgvuldigheid voorbij gaan, is het naïef om te denken dat de nationale overheid hen kan dwingen om op hun schreden terug te keren. Zoveel heeft het Rijk niet over de gemeenten te zeggen, in de praktijk. Melanie Schultz heeft er dus wijs aan gedaan om het hardop te zeggen: ruimtelijke ordening is vooral een zaak van lokale en regionale overheden. Het einde van de nationale ruimtelijke ordening is een logische afsluiting van de 20e eeuw.

Ho! Maar! Brengt die 21e eeuw dan geen nieuwe problemen die zo’n stap voorbarig maken? Eerlijk gezegd: ik zie ze nog niet. Klimaatverandering vraagt inderdaad ruimtelijke aanpassingen. Denk aan de zeespiegelstijging. Daarvoor heb je inderdaad een nationale overheid nodig die voor hoge dijken zorgt, maar geen nationaal ruimtelijk beleid en lagere overheden die voor ruimtelijke aanpassingen zorgen. Denk aan de behoefte aan duurzame energie. Hier zijn het juist de gemeenten geweest die de afgelopen jaren het goede voorbeeld hebben gegeven. Bij het rijk was het vooral oorverdovend stil. Bevolkingskrimp dan? Voorzover daarvan de eerste 30 jaar sprake is. De Randstad zal immers nog met 1,5 miljoen mensen groeien. Ook hier: de omslag van kwantiteit naar kwaliteit moet vooral op lokaal niveau worden gemaakt. Of het belang van de stad? Ja, inderdaad dat is groot, zeker in de huidige economie. Maar het zijn de steden zelf die hun stad aantrekkelijk moeten maken, leefbaar, veilig. Dan komen die hoogopgeleide kenniswerkers vanzelf.

Ik geef het toe, ik ben zelf ook verrast door mijn conclusies. Er is een grote behoefte aan ruimtelijk beleid, aan het accommoderen van de verschillende ruimteclaims in hun onderlinge samenhang. Bij voorkeur zodanig dat er meerwaarde ontstaat. Er is grote behoefte aan een overheid die oog heeft voor de zorgvuldigheid waarmee ruimtelijke ontwikkelingen zich voltrekken. Die oog heeft voor de culturele betekenis van een plek (culturele planologie). Die ervoor zorgt dat historie zich laat aflezen aan de stad en het landschap. Maar dat zijn allemaal taken die bij uitstek de lokale en regionale overheid toebehoren. Voor het gemak mag hier voor regionale ook provinciale overheid worden gelezen.

Ik wil ook wel toegeven dat mijn bijna aangeboren voorkeur voor lagere overheden in het bovenstaande een rol speelt. Overigens is dat geen ernstige geboorteafwijking. Juist in een tijd waarin de samenleving uiterst complex is geworden en de betekenis van burgers, bedrijven en andere maatschappelijke partijen groot is, moet beleid altijd in samenspraak met anderen worden ontwikkeld, wil het werkelijk effectief zijn. Daartoe zijn de mogelijkheden op het lokale en regionale niveau bijna per definitie groter dan op het nationale.
Moet het Rijk dan niet helpen? Ik weet dat vele rijksambtenaren gemeenten helpen bij gebiedsontwikkeling en wat dies meer zij. Ze zullen daarbij vaak goed werk doen. Maar als er geen nationaal belang in het geding is: waarom betalen we dan rijksambtenaren om het gebrek aan mankracht bij gemeenten te compenseren? Dat moet handiger kunnen. Daarnaast: laten we de macht van het Rijk niet overschatten. Als gemeenten niet willen, dan laten ze zich maar zeer zelden dwingen.

Maar overtuigen kan wel. Met kennis en met visies. Kennis over nieuwe ontwikkelingen, kennis over andere oplossingen. Ontwerpvisies over hoe het ook kan. Of visies over de uniciteit van het Nederlandse waterlandschap en over het bijzondere karakter van onze steden. Geen visies die door gemeenten moeten worden uitgevoerd, maar visies die lagere overheden inspireren bij een ruimtelijk beleid dat toekomstgericht is en toch nadrukkelijk past bij de wordingsgeschiedenis van Nederland. Dat hoort de nationale overheid in alle gevallen te doen. Ja, tegen die achtergrond was uitspraak over België toch nog fout.
Wim Derksen