Waarom @ZefHemel de stad overschat

oktober 3, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Het was een vurig pleidooi van Zef Hemel. Zo kennen we hem. Het gaat in de wereld steeds meer om steden. Vooral om grote steden. Tien miljoen inwoners is in Azië eigenlijk niets meer. Hij schreef er een mooi boek over. En de NRC gaf hem een podium om zijn pleidooi te herhalen. Nederland zou alleen kunnen meekomen als we de steden zouden laten groeien. Zef bedoelde: als we Amsterdam voortaan alle ruimte zouden geven. Door Amsterdam te laten groeien, zou Nederland misschien nog kunnen meekomen.

Wat een simpele gedachte. Maar laat ik niet kleinzerig zijn. Zef heeft een punt. Maar zijn analyse is veel te simpel.

Het is al eeuwen waar: bedrijven floreren in steden beter dan er buiten. Tenzij de nadelen van de steden groter worden dan de voordelen. Dat was het geval in de tweede helft van de afgelopen eeuw. Het was beter om buiten te wonen, dan in de vervuilde (Rotterdam) en verpauperde (Amsterdam) steden van de jaren 60 en 70. Wat ook waar is: over de langere termijn is er nog steeds sprake van urbanisatie: mensen trekken naar steden. En daarom woont nu de meerderheid van de wereldbevolking in steden. En wat ook waar is: de kenniseconomie, die de huidige welvaart schraagt, gedijt vooral in steden. Daarin geef ik Zef helemaal gelijk.

Ik deel ook zijn opvatting dat Amsterdam moet groeien. Amsterdam groeit overigens ook al heel snel zonder dat Zef en ik dat adviseren. De komende tien jaar bouwt Amsterdam er terecht 50.000 woningen bij. En daarna ongetwijfeld nog veel meer. Maar de gedachte van 2 miljoen inwoners is voorlopig een droom van Zef. Zef en ik zullen dat niet meer meemaken. Laten we niet vergeten dat Amsterdam in de jaren 60 meer inwoners telde dan het succesvolle Amsterdam van dit moment. Meer dan 900.000 inwoners. In de Pijp. in de Staatsliedenbuurt, in Watergraafsmeer. De arbeidersgezinnen van toen hadden minder vierkante meters nodig dan de yuppen van nu.

Maar die vergelijking met die Aziatische steden slaat nergens op. De NRC was zo vriendelijk, of juist zo onvriendelijk, om allemaal onmogelijke flats af te beelden bij het verhaal van Zef. Alsof dat ons voorland zou zijn. Nou, dat zal ons voorland niet zijn. En veel belangrijker: het hoeft ons voorland niet te zijn.

Want laten we eens kijken naar het gemiddelde inkomen van die inwoners van Shanghai. Het ligt de helft lager dan het inkomen van de gemiddelde Amsterdammer. En dan is Shanghai nog spekkoper in China. In al die andere grote steden in China verdient men aanmerkelijk minder. Ook interessant: in Shanghai daalt het gemiddelde inkomen, terwijl het in Amsterdam stijgt. Ja, Shanghai heeft meer dan 20 miljoen inwoners. Amsterdam zit nog steeds ruim onder de miljoen. Waarom wil Zef eigenlijk zo graag groeien?

Het antwoord is simpel: de analyse van Zef is te simpel. Nederland behoort tot de rijkste landen ter wereld. Top 10. Nederland behoort tot de innovatiefste en meest concurrerende landen ter wereld. Top 5. Wat die cijfers ook waard mogen zijn. Maar de grootste stad van Nederland telt nog geen 1 miljoen inwoners. Waarom moeten we dan dat arme China gaan kopiëren?

Het is veel interessanter om te onderzoeken waarom we ondanks het ‘gebrek’ aan grote steden zo welvarend zijn. Laat ik drie argumenten noemen.

Ten eerste hebben we een zeer goed georganiseerd land. Democratie, nagenoeg geen corruptie, uitstekend georganiseerde arbeidsmarkt (ik maak hier een internationale vergelijking en doe niet mee aan het bekende en onnozele gemopper over Nederland) en een heel hoog opgeleide bevolking.

Ten tweede zijn we sterk in ondernemerschap. En vooral in handel. En in innovatie. En handel en ondernemerschap floreren niet alleen in steden. En vooral minder dan de kenniseconomie die het volgens theorie vooral van steden moeten hebben.

Ten derde zou die variëteit in steden wel eens de kracht van Nederland kunnen zijn. Rotterdam floreerde ooit als eerste haven van de wereld. Nu trekt Amsterdam weer even de kar. Zoals vroeger Dordrecht, Middelburg en Hoorn de motor waren van de Nederlandse economie.

Het heeft dus weinig zin om achter de mode van de grote steden aan te lopen. Het is beter om van de kracht van de Nederlandse economie uit te gaan. En in dat verband is het niet onverstandig om er in Amsterdam een paar woningen bij te bouwen.

Steden: don’t go with the flow

oktober 6, 2015 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Vijftig jaar geleden was Rotterdam een bloeiende stad. De stad werd herbouwd, de haven profiteerde van de nieuwe kranen en de ruime nieuwe kades. De Floriade van 1960 markeerde de vooruitgang. In dezelfde tijd werden in Amsterdam delen van de oude binnenstad gesloopt en werd serieus over het dempen van grachten gesproken. De stad had duidelijk behoefte aan impulsen.

Nog geen 50 jaar later zijn de rollen geheel omgedraaid. De economie is fors veranderd. De industrie heeft zijn dominante positie verloren. Het draait tegenwoordig vooral om kennis, innovatie, face-to-face contacten etc. De haven is vrijwel geheel geautomatiseerd. Nieuwe werknemers gaan niet meer in de nabijheid van fabrieken wonen, maar bedrijven vestigen zich vooral in de nabijheid van interessante werknemers. En omdat hoogopgeleiden graag in de buurt van oude binnensteden wonen, floreert Amsterdam tegenwoordig en heeft Rotterdam veel terrein verloren.

Het lijken autonome ontwikkelingen, en dat zijn het voor deel ook. In ieder geval kan je het de gemeente Rotterdam niet kwalijk nemen dat de economische structuur is veranderd. Net zo min als Amsterdam voor de triomf van de eigen stad zichzelf op de schouders hoeft te slaan.

Dit mag allemaal zo zijn, het betekent niet dat lokaal besturen voortaan zinloos is. Economen hebben wel eens de neiging om te zeggen: “Go with the flow”. En dat bekt ook wel lekker. En het is waar als ze bedoelen dat de overheid niet moet proberen tegen de economische trends in te gaan. En niet moet proberen om een campus te ontwikkelen waar geen bedrijf wil zitten. Maar het is ook een onzinnig advies. Als ze alleen op aarde is om de economische trends te volgen, kan de overheid beter naar huis gaan. Het is de taak, en zelfs de bestaansreden van een overheid om ervoor te zorgen dat de uitkomst uiteindelijk anders is dan de markt lijkt te willen. In een politiek gewenste richting.
Als je meer wilt weten over de ontwikkeling van de stad is de PBLQ-leergang De Triomf van de stad een aanrader.

Waarom groeit de stad

juni 15, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Het PBL heeft een voortreffelijk rapport geschreven over de groei van de steden: De stad: magneet, roltrap en spons. En toch kunnen ook voortreffelijke rapporten belangrijke vragen openlaten. Die belangrijke vraag ging me hier echt ging bezighouden toen ik de column van Jos Gadet over hetzelfde onderwerp onder ogen kreeg (zie: http://romagazine.nl/de-stad-magneet-roltrap-en-spons-2/10455, met dank aan Irene Klarenbeek). Gadet haalt in zijn column scherp uit naar Maarten Hajer, directeur van het PBL. De laatste zou tijdens de presentatie van het genoemde rapport hebben gesuggereerd dat vooral de groeikernen weer zouden moeten bouwen om de groei van de stedelijke agglomeraties op te vangen. Zo had ik het rapport zelf niet gelezen.

Wat is nu die belangrijke vraag die het PBL-rapport openlaat? Het rapport laat helder zien hoe de Nederlandse steden in de laatste decennia weer zijn gegroeid na een enorme terugval in de jaren 60 en 70. De burgers ontvluchten de verpauperde steden en de overheid gaf een enorme impuls aan deze trek naar buiten door het ontwikkelen van groeikernen. In de jaren 80 keerde de trend. Vooral na de eeuwwisseling zijn de (meeste) steden weer fors gaan groeien. Daarbij is overigens het verlies van de dramatische jaren 60 en 70 nog steeds niet goedgemaakt. Die trendbreuk heeft twee oorzaken.

Ten eerste is het ruimtelijk beleid van de rijksoverheid verschoven van groeikernen (Tweede Nota RO) via compacte stad (Derde Nota) naar groei van de steden door middel van nieuwe uitleg-gebieden (Vierde Nota en Vinex). De Vinex-gebieden lagen vaak binnen de stadsgrenzen of werden door gemeentelijke herindeling bij de stad gevoegd. Waar nieuwe huizen (vaak met tuinen) eerder werden gebouwd in de randgemeenten (en de groeikernen), werden voortaan weer in de stad gebouwd. Daardoor ging de roltrap van de steden anders functioneren. Die roltrap laat zich simpel omschrijven: jongeren trekken naar de stad om er te gaan studeren en een partner te vinden. Nadat beide missies zijn voltrokken en de eerste kinderen het licht hebben gezien zoeken ze een huis met een tuin. Vroeger moesten ze daarvoor vaak uitwijken naar de groeikernen, tegenwoordig kunnen ze binnen de gemeentegrenzen dit woonmilieu ook vinden. Nogal logisch dat de steden dan weer gaan groeien en de randgemeenten pas op de plaats maken.

Ten tweede is de economische vitaliteit weer naar het hart van de stedelijke agglomeraties verschoven. In de kenniseconomie zijn de face-to-face contacten in de steden steeds belangrijker geworden. Bovendien is het werken meer het wonen gaan volgen dan omgekeerd. En omdat de binnensteden (vaak) zo aantrekkelijk zijn voor de hoogopgeleiden en de hogere inkomens, is het werk zich meer in de steden gaan concentreren. Zo is de leegstand van kantoren tegenwoordig veel groter in de randgemeenten dan in de centrale stad (op enkele notoir ongelukkige kantoorgebieden na). De stad als magneet daarmee heeft enorm aan betekenis gewonnen. Het gevolg is dat de steden zijn ook binnenstedelijk zijn gaan bouwen. Zie alle ontwikkelingen rondom het IJ in Amsterdam. Maar ook toen de bouw door de crisis stil viel, bleef Amsterdam per maand met 1000 inwoners groeien. De stad bleek nog veel meer bewoners op te kunnen nemen. Dat is het fenomeen van de stad als spons.

En op de volgende vraag geeft het rapport nu juist geen antwoord: in welke mate is de groei van de steden het gevolg van de eerste en in welke mate van de tweede factor? Zijn steden gaan groeien door het veranderende ruimtelijk beleid of zijn steden gaan groeien door de veranderende betekenis van de stad in de hedendaagse kenniseconomie? De onderzoekers geven geen antwoord op deze vraag. Ze stellen hem zelfs niet eens.

Toch is het antwoord op deze vraag van groot belang voor het verdere beleid. Als de steden vooral groeien door het veranderde ruimtelijk beleid, kan de trend vrij eenvoudig worden omgekeerd door weer meer buiten de stad te gaan bouwen. Als de steden vooral groeien omdat de stad zelf zo aantrekkelijk is geworden voor de kenniseconomie, zal die groei van de steden juist verder moeten worden geaccommodeerd.

Jos Gadet wijst erop dat alle Europese steden eenzelfde ontwikkeling hebben doorgemaakt en dat alleen Nederlandse steden Vinexwijken hebben. Aan die Vinexwijken binnen de eigen gemeentegrenzen kan het dus niet alleen liggen. Hij had er ook op kunnen wijzen dat de Vinexwijken in de steden wel goed lopen, en dat Almere momenteel een vertrekoverschot kent. En dat ook Leidse Rijn op grote afstand van het centrum van Utrecht nog niet het succes is dat ons lang werd voorgehouden. Ten slotte kan de overgang van groeikernen naar Vinex ook heel goed een bevestiging zijn van een nieuw stedelijk elan. En ook dat laatste betekent dat je het beleid niet zomaar weer kan omgooien.

Mijn inschatting is dat de tweede factor van veel groter gewicht is geweest dan de eerste. De bloei van de steden is geen simpel gevolg van ruimtelijk beleid. Nee, het ruimtelijk beleid volgt hier vooral de maatschappelijke ontwikkeling. En dat is, zoals het hoort.

Verteltrends en echte trends

november 29, 2014 by  
Filed under artikel

Het woord ‘trend’ suggereert gedegenheid. Hoe aantrekkelijk is het om in een voordracht te wijzen op enkele ‘belangrijke nieuwe trends’. Het bewijs voor de erop volgende conclusie lijkt op voorhand te zijn geleverd. “Vanwege de horizontalisering van het bestuur, is een vernieuwing van de overheid dringend gewenst”. “Omdat de samenleving complexer wordt, moet het beleid sneller worden aangepast”. Etc. etc. Het is een knappe retorische truc. A is waar, dan moet B ook wel waar zijn. De truc is des te knapper als we beseffen dat A vaak helemaal niet waar is! De juistheid van al die zogenaamde nieuwe trends is immers lang niet altijd bewezen. Ik noem een aantal van die verteltrends die we op vele conferenties kunnen horen, en plaats enkele vraagtekens.

Horizontalisering van het bestuur: het wordt voor de overheid steeds belangrijker om zich als gelijkwaardige partner op te stellen van een steeds mondiger samenleving. Die toegenomen mondigheid is waar. Het is waar dat de overheid zoekende is om daarmee om te gaan. Het is waar dat de overheid zich vaker als (gelijkwaardige) partner opstelt. Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat de overheid het steeds meer van haar ‘verticale’ instrumenten moet hebben. Het Energieakkoord zal alleen een succes worden als de overheid de CO2-uitstoot met normstelling steeds verder weet in te tomen.

Bevolkingskrimp in Nederland: na decennia van groei zouden we het omslagpunt hebben bereikt: Nederland krimpt. Maar: volgens de laatste prognoses van het CBS blijft Nederland (in ieder geval) tot 2060 groeien. Er is slechts sprake van (beperkte) regionale krimp, dat onderdeel is van een reële en hele oude trend: verstedelijking.

Zelforganisatie neemt steeds meer taken van de overheid over. Ik ken geen enkel onderzoek dat deze trend bevestigt. De uitspraak doet het vooral goed onder ambtenaren die zich zorgen maken over de gevolgen van de bezuinigingen van de overheid voor de samenleving.

De samenleving wordt steeds complexer. Ook dat kan waar zijn, het is een heel populaire verteltrend, maar ook hier ontbreekt onderzoek. Verwarren we hier niet de toegenomen complexiteit van het beleid (of is ook dat een verteltrend?) met de veranderende inrichting van de samenleving?

De overheid wordt steeds kleiner. Inderdaad, er wordt veel afslanking van de overheid aangekondigd, maar er komt maar weinig van terecht. Vaak is er sprake van verschuiving van fte’s tussen departementen of naar op afstand geplaatste organisaties. In de jaren 90 telde het bestuurlijk apparaat van de gemeente Rotterdam 12.000 mensen. Nu staat de gemeente voor de opgave om haar apparaat van 13.000 ambtenaren met 2.000 af te slanken.

De samenleving is steeds minder maakbaar. Dat kan waar zijn, maar de maakbaarheidsambities van de overheid zijn zeker niet geringer. Op tal van ingewikkelde maatschappelijke gebieden is de overheid druk in de weer om een ‘markt’ te creëren. En overal ontwaren we nog de overheid, overigens vaak met een tamelijk groot succes. Stel je voor dat er geen minimumloon was, geen bijstand, geen gratis en verplicht onderwijs. Hoe zou de ‘onderkant’ van de samenleving er dan uit zien?

Kennis wordt steeds belangrijker in de economie. Frank Kalshoven heeft al eens geschreven dat we hier moeilijk van een nieuwe trend kunnen spreken, omdat de bewering opgaat sinds de Verlichting.

De maakindustrie wordt steeds belangrijker. Met name sinds de auto-industrie in Duitsland het in de eerste jaren na de kredietcrisis goed deed. hoor je vaak dat de maakindustrie weer helemaal terug is van weg geweest. In werkelijkheid is nog maar 11% van de beroepsbevolking actief in de industrie en verschuift Philips steeds meer in de richting van de dienstverlening (zoals IBM al veel eerder deed).

De stad is steeds meer de motor van de nationale economie. De stad is altijd al de motor van de nationale economie geweest. Alleen was vroeger vooral Rotterdam belangrijk en tegenwoordig vooral Amsterdam. En vergeet niet dat de export voor een aanzienlijk deel drijft op de landbouw.

De samenleving individualiseert. Zo algemeen gesteld is daar veel tegen in te brengen. De verzuiling is voorbij en het aantal eenpersoonshuishoudens neemt toe. Maar het feit dat veel meer vrouwen zijn gaan werken maakt hen nog geen éénpitter en dat nog steeds miljoenen mensen naar dezelfde TV-programma’s kijken duidt niet op de uniciteit van de persoon. Dus mag ik even weten wat u bedoelt?

Ik weet het: die nieuwe verteltrends happen zo lekker weg. Maar verteltrends zijn pas nieuwe trends als er gedegen onderzoek onder ligt.

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Hoe D66 en populisten de steden van de PvdA overnamen

april 18, 2014 by  
Filed under De Stad

De raadsverkiezingen liggen achter ons, de collegevorming nadert zijn einde en de voortekenen zijn duidelijk: D66 gaat de dominante positie van de PvdA in verschillende steden overnemen. Dominant was de partij al in Utrecht en Nijmegen. Nu ook in Amsterdam, Den Haag, Groningen etc. Is dit een tijdelijk fenomeen of is er meer aan de hand?

Het valt me op dat deze vraag in de media nog nauwelijks aan bod is gekomen. Als het om een tijdelijk, bijna toevallig fenomeen gaat, is dat logisch. Dat geldt niet als er sprake zou zijn van een structurele verandering van het politieke landschap in de grote steden. Er zijn twee argumenten die pleiten voor een tijdelijke afwijking van het traditionele beeld. Ten eerste heeft de PvdA in het hele land, ook in de kleinere gemeenten ongeveer eenderde van zijn zeteltal verloren. Dat duidt op een landelijke trend en dat duidt er weer op dat we de oorzaken op landelijk niveau moeten zoeken. De kiezer staat nog niet te stralen bij het kabinet Rutte-Asscher en de glans is van Diederik Samsom af. Zou allebei heel goed kunnen. Ten tweede is D66 al jaren een vluchtige partij die soms prachtige scores maakt en nog geen tien jaar later weer de opheffing nabij is. Pechtold is een uitstekende leider en een natuurlijke opvolger dient zich niet aan. Ook dat relativeert de winst van D66.

Maar je zou evengoed een andere redenering kunnen volgen. Het is bekend dat de steden steeds meer de brandhaard van de economie zijn. Dat de hogere inkomens en met name de hoger-opgeleiden steeds meer in de steden blijven hangen, na de afronding van hun studie. We weten dat bedrijven op die hoger-opgeleiden afkomen (in plaats van dat hoger-opgeleiden verhuizen naar een bedrijf). We weten dat de kansarmen naar de randen van de steden worden verdreven, niet zelden over de gemeentegrens heen. Vanouds moet de PvdA het hebben van de beneden-modale kiezer en van een intellectuele elite. Die eerste achterban verdwijnt uit de steden, vertoont een lage opkomst en keert zich voor een deel af van de PvdA. Sommigen kiezen voor de SP, en migranten kiezen minder automatisch voor de PvdA (hetgeen ook geheel logisch is). D66 daarentegen vaart wel bij bevolkingsgroepen die luisteren naar innovatie en onderwijs: de nieuwe stedelingen.

Het is bekend dat de ‘triomf van de stad’ ook een schaduwzijde heeft. Niet alle steden zijn de winnaars. Rotterdam is niet in handen van D66 maar van Leefbaar gevallen. Rotterdam is nu juist ook een stad waaraan de ‘triomf’ voorbij lijkt te gaan. Zoals dat ook geldt voor sommige groeikernen, als Spijkenisse, Almere, maar ook Zoetermeer. En voor  meer perifere steden als Enschede,  Emmen, enzovoorts. In dat soort steden nemen de populistische en de  lokale partijen het van de PvdA over te.  En zo laat de uitslag in Den Haag zich zo goed vertalen. Den Haag is enerzijds een triomferende stad, met dat sterke merk ‘internationale stad en vrede en recht’. Het is ook de kant van het ‘zand’. Het ‘veen’ in Den Haag laat de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ zien: de verliezers van de globalisering, de lager-opgeleiden. Hoe opvallend dat de verkiezingen in Den Haag een tweestrijd waren tussen D66 en PVV, die op het laatste moment door D66 werd gewonnen.

Natuurlijk, de PvdA kan de nieuwe hoogopgeleide stedeling én de teleurgestelde kansarme weer terugwinnen bij een volgende verkiezing. Maar de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 kunnen ook een voorbode zijn geweest van een nieuwe politieke verdeling van de steden.

Perspectief voor de steden; advies commissie Derksen

maart 26, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

De VNG heeft een commissie bestaande uit Wim Derksen (vz.), Godfried Engbersen, Carolien Gehrels, Yvonne van Mierlo en Peter Noordanus, gevraagd om met de steden mee te denken over hun nieuwe collegeprogramma’s. Vandaag is het rapport van deze commissie gepubliceerd, inclusief een overzicht van de belangrijkste trends waarmee steden te maken hebben van Otto Raspe van het PBL. Het is hier te lezen. 

De waarde van cultuur in de stad

maart 19, 2014 by  
Filed under De Stad

De redenering is bekend: steden zijn de motor van de economie, omdat ze in staat zijn de hoogopgeleiden en de ‘creatieve klasse’ aan zich te binden. Mede omdat veel steden een rijk cultuuraanbod kennen willen die hoogopgeleiden daar graag wonen. En daarmee zijn (veel) overheidssubsidies voor kunst en cultuur gelegitimeerd.

Ik geef toe: ik bezondig me ook vaak aan deze redenering. Maar ik weet niet of ik dat nog zo gemakkelijk zal blijven doen, nu ik de studie van Gerard Marlet en Joost Poort De waarde van cultuur in cijfers heb gelezen. Een heldere studie, een prachtige studie, maar wat zijn de uitkomsten eigenlijk toch nog mager. Laat ik hun redenering volgen.

Die redenering is even simpel als charmant. Omdat mensen van cultuur houden, hebben ze er geld voor over en op basis daarvan kan je de maatschappelijke waarde van cultuur vaststellen. Die maatschappelijke waarde neemt vijf verschillende gedaanten aan: een gebruikswaarde, een economische waarde, een bestaanswaarde, een sociale waarde en een optiewaarde. En iets heeft maatschappelijk waarde bij Marlet en Poort als het bijdraagt aan een verhoging van de welvaart, uitgedrukt in euro’s. Overigens laat die bijdrage zich vaak niet zo gemakkelijk in euro’s uitdrukken.

Mensen maken gebruik van cultuur: ze gaan naar concerten en naar musea. Daar betalen ze voor. Op zich neemt daarmee onze welvaart nog niet toe. Als ze niet naar het concert of naar het museum waren gegaan, hadden ze het geld aan iets anders uitgegeven. Van welvaartsstijging is pas sprake als de burger bereid was geweest om voor hetzelfde concert of het hetzelfde museum een duurder entreekaartje te betalen. Stel dat iemand voor één concert in het Concertgebouw wel twee kaartjes had willen betalen, dan wordt zijn inkomen economisch gezien verhoogd met een gratis half concert. Dat surplus noemen we de gebruikswaarde van cultuur. Voor de podiumkunsten zou de gebruikswaarde jaarlijks € 59 miljoen bedragen.

Omdat sommige mensen graag naar het concert of het theater zijn, zijn de huizen in de buurt van het Concertgebouw en van de Koninklijke Schouwburg meer waard. Dat noemen we de optiewaarde van cultuur. Wat is het waard om er gemakkelijk gebruik van te maken? Voor podiumkunsten zou het in Nederland gaan om een jaarlijkse welvaartswinst van ongeveer € 800 miljoen. De onderzoekers geven wel aan dat de optiewaarde erg moeilijk is te berekenen. Inderdaad, hoe moet je nu vaststellen hoeveel de huizen in Amsterdam-Zuid duurder zijn omdat het Concertgebouw om de hoek ligt? Ook los van het Concertgebouw zijn dat wel aardige woningen.

Ook als mensen niet naar het museum gaan, of naar een concert en het ook niet belangrijk vinden om daar eenvoudig heen te kunnen gaan, kan een schilderij een bestaanswaarde hebben. Zoals de Nachtwacht bijdraagt aan de nationale trots en we het allemaal vreselijk zouden vinden als het schilderij onherstelbaar zou worden beschadigd. De onderzoekers geven aan dat die bestaanswaarde niet valt te meten. Net zo min als de bestaanswaarde van de Elfstedentocht. Maar het is wel een waarde van cultuur.

Economen zijn altijd begaan met de export, omdat je de welvaart van je land kan vergroten door goederen aan het buitenland te leveren. Zo ook met cultuur. Soms gaat het Concertgebouw op toernee, veel buitenlandse toeristen komen in het Rijksmuseum en in het Van Gogh-museum. De economische waarde van cultuur staat voor het geld dat we daarmee als natie verdienen. Die economische waarde is vooral voor musea een belangrijke post. De totale jaarlijkse welvaartswinst van musea bedraagt € 200 miljoen.

Ten slotte de sociale waarde: cultuur heeft een positief effect op gezondheid, op leefbaarheid en op productiviteit. Er is veel onderzoek voorhanden om dit aan te tonen. Maar het onderzoek is allemaal veel te mager om deze sociale waarde van cultuur te kunnen vertalen in een jaarlijkse welvaartswinst.

Daarmee is dit onderzoek nogal ontnuchterend. Ten eerste moest het onderzoek zich beperken tot de letteren, de beeldende kunst, de cultuurparticipatie en de podiumkunsten, omdat de maatschappelijke waarde van andere vormen van cultuur (architectuur, film, festivals etc.) zich nog moeilijker liet bepalen. Ten tweede is de zoektocht van de onderzoekers naar cijfers zo transparant beschreven, dat je beseft dat elk cijfer met drie korrels moet worden genomen.

Het onderzoek is helemaal ontnuchterend als het gaat om het belang van cultuur voor de ‘creatieve economie’, voor de kennisspillovers, voor de innovatie, voor de economische groei. Steden zijn toch de brandhaarden van de innovatie omdat hoogopgeleiden daar clusteren? En ze clusteren daar toch vanwege de speciale stedelijke ‘amenities’, waaronder cultuur? Ja, dat weten we, maar in dit onderzoek kon het niet worden aangetoond.

Resteert een boeiende vraag. Legitimeert deze studie nu alle overheidsuitgaven voor cultuur? Marlet en Poort stellen vast dat de totale maatschappelijke waarde van de onderzochte culturele sectoren hoger is ‘dan de kosten die de maatschappij zich getroost om dat culturele aanbod tot stand te brengen’. Ze voegen er snel aan toe dat dit niet betekent dat elke euro belastinggeld aan kunst en cultuur vanuit welvaartsoptiek automatisch gerechtvaardigd is.

Dat lijkt me ook. Ten eerste hebben economen altijd moeite om rekening te houden met de maatschappelijke herverdeling die het gevolg kan zijn van marktwerking of van overheidsingrijpen. Als cultuursubsidies zouden betekenen dat alle huizen in Nederland meer waard zouden worden, kan de optiewaarde van cultuur een goed argument zijn voor cultuursubsidies. Maar de optiewaarde is niet gelijk verdeeld. Elke cultuurtempel die door de overheid wordt aangelegd komt ten goede aan de mensen die in de omgeving wonen. Juist hun huizen zullen in waarde stijgen. Ik ben dus eerder geneigd om die hele optiewaarde als legitimatie voor een cultuurbeleid van de overheid te vergeten. Je gaat toch geen cultuurtempel bouwen omdat daarmee de huizen in de omgeving duurder worden? [Het lijkt een open deur maar in de CPB-studie Stad en land van 2010 werd nog plompverloren beweerd dat stedelijke investeringen gerechtvaardigd zijn als ze zich terugvertalen in de grondprijzen.]

Daarnaast heb ik nog een fundamenteler bezwaar tegen deze manier van redeneren. Economen hebben vaak de neiging om overheidsingrijpen alleen gelegitimeerd te achten als onze welvaart daardoor toeneemt. Ondanks het feit dat daarbij wordt uitgegaan van een breed welvaartsbegrip (tot ‘geluk’ toe), wordt de waarde van die welvaart door economen bij voorkeur in geld uitgedrukt. Maar zou het niet waar kunnen zijn dat we op die manier aan de essentie van de overheid voorbijgaan: het verbeteren van de samenleving ook als we die verbetering niet in geld kunnen of willen uitdrukken?

 

 

Over segregatie in de steden van @Platform31

februari 25, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

Soort zoekt soort. Zo luidt de titel van een rapport dat Platform31 in samenwerking met de VU heeft uitgebracht. Het rapport is een bundel; een bundel van artikelen van verschillende auteurs. Dat heeft altijd een groot gevaar: welke conclusie moeten we nu uit al die stukjes trekken? Ik geef toe: voor de leesbaarheid is het aantrekkelijk. Veel korte stukjes van veel leuke auteurs met veel foto’s en plaatjes. Maar als wetenschapper zou ik willen weten wat ik na lezing meer weet dan ervoor. Op dat punt had het rapport aan scherpte kunnen winnen.

Soort zoekt soort. Dat is niet nieuw. Maar de scheidslijnen zijn wel aan het veranderen. Speelde vroeger religie een grotere rol bij de ‘ruimtelijke uitsortering’, tegenwoordig gaat het vooral om opleiding en daaraan gekoppeld inkomen. De hoger-opgeleiden treffen elkaar steeds meer in de steden, en binnen de steden in bepaalde wijken. Zoals er andere wijken zijn waar de migranten hun eerste schrede op de Nederlandse maatschappelijke ladder zetten. En wijken waar autochtonen naar alle waarschijnlijkheid nooit meer een kans zullen krijgen.

Ruimtelijke economen leren ons dat de eerste clustering positief is voor de samenleving. Clustering van talent, van hoge opleidingen, van creativiteit is goed voor de economische groei. Ondanks het bestaan van allerlei virtuele gemeenschappen, is het face-to-face-contact vaak cruciaal voor de echte innovatie. En innovaties zorgen voor een verhoging van de arbeidsproductiviteit en die zorgt op zich weer voor een hoger BNP.

Je zou zeggen dat clustering aan de onderkant ook voordelen heeft. Voor migranten is het van belang om aansluiting te krijgen bij hun eigen netwerk (voor een deel familie). Dat netwerk zorgt soms voor informeel werk en kan nieuwkomers  op gang helpen. Saunders heeft daarover mooi geschreven in zijn boek over the arrival cities en over arrival neigbourhoods. Aan de andere kant is denkbaar dat juist de cumulatie van problemen in achterstandswijken de kansen voor de bewoners om maatschappelijk te slagen kleiner maken. In de wetenschap spreken we in dit verband over het buurteffect. Veel beleidsmakers zijn overtuigd van het bestaan van dit effect van de buurt op de kansen van hun bewoners. Daarom is het beleid er vaak op gericht om wijken op te knappen.

Helaas voor hen, voor het buurteffect ontbreekt nog steeds overtuigend bewijs. Jaco Dagevos mag in dit rapport nogmaals aantonen dat allochtonen meer contact hebben met autochtonen, naarmate er meer autochtonen in hun wijk wonen, maar daarmee is nog niet bewezen dat hun maatschappelijke kansen door dat contact ook daadwerkelijk worden vergroot (nog afgezien van de evidentie van het onderzoeksresultaat). Maarten van Ham wijst hier terecht op een ander effect: het selectieeffect. Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze werkloos zijn en in armoede leven. Natuurlijk is er een relatie tussen werkloosheid en achterstandswijken. Maar daarmee nog niet meteen een causale relatie. En als die causale relatie zou bestaan, zou die wel eens omgekeerd kunnen zijn aan hetgeen veel beleidsmakers denken: omdat ik werkloos ben woon ik in een achterstandswijk.

Die conclusie is niet nieuw. Maar haalt wel het fundament weg onder het mengen van wijken. Ik volg het heldere stuk van Van Ham in de bundel. Hij stelt dat het ‘opzettelijk mengen’ van wijken door sociale huurwoningen te slopen en te vervangen door duurdere koopwoningen geen positieve effecten heeft op de sociale stijging van de oorspronkelijke bewoners. ‘Mengen om daarmee sociale stijging te bereiken, is daarom onzin.’ Als je de wijk wilt veranderen, heeft het vervangen van sociale huurwoningen door duurdere koopwoningen vanzelfsprekend wel zin, schrijft Van Ham. Daarmee zal het percentage werklozen in de wijk duidelijk afnemen. Maar niet omdat de oorspronkelijke bewoners een baan krijgen, maar omdat ze vertrekken naar een andere achterstandswijk, waar nog wel plek voor hen is. Waarmee ze ook nog eens hun sociale netwerk kwijt raken. Spreiden is dus symptoombestrijding. Van Ham concludeert: ‘Concentraties van armoede zijn een symptoom van ongelijkheid en het gevolg van armoede, niet de oorzaak. Om deze ongelijkheid aan te pakken en de sociale mobiliteit te bevorderen zijn niet investeringen in buurten nodig, maar voornamelijk investeringen in scholing en opleiding.’

Is dit ook de conclusie van het boek? De redacteuren trekken inderdaad in het slothoofdstuk dezelfde conclusie: inzetten op scholing is beter dan het aanpakken van probleemwijken. Dat lijkt me een ongemakkelijk waarheid. Het is dan ook jammer dat deze conclusie zodanig in de slotbeschouwing verpakt zit, dat alle kans wordt geboden om erover heen te lezen.

Mijn plek in de stad: heimwee naar Rotterdam

oktober 16, 2013 by  
Filed under De Stad

Mijn plek in de stad bestaat niet meer. En mijn stad is mijn stad niet meer. Laat ik met het laatste beginnen. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat die in hun leven al meerdere steden hebben bewoond, velen delen die ervaring, maar mijn huidige woonplaats is nooit ‘mijn stad’ geworden. Achtereenvolgens heb ik gewoond in Meppel, Groningen, Leiden, Rotterdam en Den Haag, maar Rotterdam springt er ver boven uit. Als ik er kom, kom ik thuis, in mijn stad. Daarmee is niets ten nadele van de andere steden gezegd. In Den Haag woon ik objectief gezien geweldig; dicht bij de duinen, dicht bij het station, dicht bij snelwegen, mooi huis, mooie tuin (gesloten bouwblok!). Maar mijn gevoel ligt nog steeds in Rotterdam. En de stad waar ik woon, is mijn stad dus niet meer.

Mensen die nimmer in Rotterdam hebben gewoond, kunnen zich mijn liefde voor Rotterdam soms maar moeilijk voorstellen. Zij menen dat Rotterdam een kale en kille stad is met weinig beschutting. Anderen weten dat Rotterdam een arme stad is met relatief veel werkloosheid. Maar ik ken de dynamiek van die stad. Ik weet hoe die stad 24 uur per dag leeft, en ik weet hoe rauw de Rotterdamse dynamiek kan zijn. Hoe onopgesmukt de cultuur en de kunst. Dat veel grote architectenbureaus  in Rotterdam zijn gevestigd. En ik ken de daadkracht van de stad. Hoe het bestuur en de bewoners van Rotterdam zonder te versagen proberen de stad te vernieuwen en de uitstraling van een werkelijk grote stad te geven. Dit uit zich in een eindeloze rij plannen, die ook bijna allemaal worden gerealiseerd. In de tijd dat ik in Rotterdam woonde, zijn de Boompjes ontwikkeld, met het Nedlloyd-gebouw van Quist; is het Weena ontwikkeld, met de kantoren van onder anderen Bonnema en Hoogstad; is het museumkwartier ontwikkeld, met het prachtige architectuurinstituut van Jo Coenen en de uitbreiding van het Boymans van Hubert-Jan Henket, is het Schouwburgplein door Quist, Van Velzen en Geuze omgetoverd en zijn de eerste plannen ontwikkeld voor de Kop van Zuid. Ik geef het toe: vaak vallen met name de economische resultaten tegen. De Boompjes zijn nooit een levende boulevard geworden ondanks het prachtige paviljoen van Mecanoo. Hetzelfde moet van het Weena worden gezegd, waar de dependance van het Boymans al snel weer werd gesloten. Op het Weena wordt niet geflaneerd, niet gewinkeld; er wordt alleen (snel) verplaatst. Ook de Kop van Zuid heeft nog niet de economische impuls gegeven aan Rotterdam die de stad zo node mist. De ‘Koopgoot’ vormt in dit verband een positieve uitzondering. Niet getreurd: Rotterdam zal nieuwe plannen blijven maken tot de stad niet meer ‘de verkeerde lijstjes aanvoert’, zoals oud-burgemeester Ivo Opstelten altijd zei.

En mijn plek in mijn stad bestaat niet meer. Mijn lievelingsplek in Rotterdam bevond zich op de oevers van de Maas. Op het hoekje van het oorlogsmonument, dat een aantal jaren in de zomer tot strand werd omgetoverd. Ook de Spido heeft daar een tijdje zijn afvaarten gehad. Wie hier in zuidwestelijke richting kijkt, ziet de prachtige brug van Van Berkel, in de volksmond: ‘de Zwaan’, afsteken tegen de lucht. Het blijft een indrukwekkend ontwerp, het is een fenomenaal logo voor de stad. Het getuigde van grote wijsheid van de gemeenteraad om indertijd een meerprijs van 30 miljoen gulden voor de brug te betalen om dit ontwerp mogelijk te maken. De twee zwarte ‘wachters’ van Wiel Arets hebben de brug in mijn beleving nog mooier gemaakt. Overigens schijnt dit, zelfs in Rotterdam, een afwijkend standpunt te zijn. Toch ontneemt de brug me het uitzicht dat ik vroeger op deze plek had. Zonder Erasmusbrug was het uitzicht vrij. En de overkant was veel verder weg. De Nieuwe Maas stroomde voor je voeten in de richting van de zee. En heel vaak vervloeiden lucht en water aan de horizon. In het ochtendlicht was het prachtig, maar ook in de herfst en in de winter als het een beetje mistig was. Of die keer, het zal in 1986 zijn geweest, toen de rivier eindeloze brokken ijs meevoerde. Het zachte geklots van de rivier aan je voeten maakte altijd deel uit van het uitzicht. En altijd was het licht weer anders. Hoe mooi die Erasmusbrug ook is, hij heeft mij dit uitzicht ontnomen. En dat niet alleen. De waarschuwing van publicist Herman Moscoviter is uitgekomen. De brug heeft de rivier klein gemaakt. Door de hoogte van de brug is de rivier gedegradeerd tot een klein stroompje. De overkant is akelig dichtbij, de mist lijkt voor eeuwig opgetrokken. Rivier en lucht vervloeien niet meer aan de einder. En de rivier stroomt niet meer naar de zee. De rivier stroomt voor goed onder een brug door.

Volgende pagina »