Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

Stedebouw heeft een oorsprong

mei 17, 2014 by  
Filed under De Stad

Rotterdam5Vorige maand had ik een afspraak met de buurtpastor van Spangen in Rotterdam. Na een boeiend gesprek over zelforganisatie en de rol van de overheid, reed ik door naar de campus van de Erasmus Universiteit op Woudestein. Van Sparta naar Excelsior voor de voetballiefhebbers. Alle bomen stonden in het frisse lentegroen. Ik reed langs de Mathenesserdijk, verliet Spangen via de Mathenesserbrug en passeerde het Oude Westen via de Mathenesserlaan, ging bij de Nieuwe Binnenweg linksaf, bij de Westersingel rechtsaf, en nog steeds was ik omgeven door een stralende stad. Op de Westzeedijk naar links en na 300 meter stond ik oog in oog met de Rotterdam, de nieuwe Koolhaas op de Wilhelminapier. Ik heb de Rotterdam zien bouwen, vanaf de overkant. Ik vind het in veel opzichten een indrukwekkend gebouw. Ik vrees dat veel mensen het een indrukwekkend gebouw vinden alleen al omdat het van Koolhaas is. Hij heeft inmiddels de status van Cruijff bereikt. Als onze topvoetballer vroeger over de bal struikelde zag bijna iedereen een briljante hakbal en als de topvoetballer tegenwoordig onzin verkoopt, hoort bijna iedereen grote wijsheid. Desalniettemin vind ik de Rotterdam een indrukwekkend gebouw. In architectonisch opzicht.

Stedebouwkundig vind ik het zeer matig. Niet alleen doet Koolhaas hier met Van Berkel een wedstrijd ver plassen, belangrijker is dat door zijn gebouw de Wilhelminapier als nieuwe stad definitief is mislukt. Hier is een architect niet bezig met een stad, maar met een ansichtkaart. Een paar dagen voor mijn autorit had ik gegeten in Hotel New York. We wandelden terug op een mooie avond, die meteen minder mooi werd door de enorme storm die ons omgaf. Guur. Elke geborgenheid ontbrak. Hoe schrijnend is de naam van het hotel. New York. Een stad waar wel hoogbouw samengaat met hoge stedelijkheid. Op de Wilhelminapier is hoogbouw alleen maar hoogbouw. Met veel wind.

Ook al een paar weken geleden wandelde ik met mijn vrouw rond het dorp waar wij in het weekend wonen. Het was koud en het woei hard. Om die reden besloten we onze wandeling af te breken en door het dorp terug te lopen. Vanaf de eerste huizen was de wind weg, de temperatuur 5 graden hoger. Het dorp bood geborgenheid. Zoals al die dorpen daar op Flakkee die onverwachtse geborgenheid geven, na kilometers hardlopen over de dijken en door de polders. En zoals ook die Mathenesserdijk en die Mathenesserlaan de geborgenheid geven die stedebouw moet geven. Zoals bekend schrijf je stedebouw zonder tussen-n, omdat het niet gaat om de bouw van een stad, maar van een stede, van een plek.

Het verbaast me altijd hoe we die kunst van het bouwen van plekken in de 20e eeuw zijn kwijtgeraakt. De kunst van het creëeren van geborgenheid. Hoe we vroeger bijna intuïtief wisten hoe je een dorp moest bouwen, kon laten ontstaan, zoals we intuïtief wisten hoe een stad eruit zou moeten zien. Zonder dat we een Faculteit Bouwkunde hadden. Dirk Sijmons maakte eens een prachtige studie van Zeeuwse dorpen. Hij liet zien wanneer het dorp volgroeid zou zijn, wanneer verder bouwen de zichtassen van het dorp zouden verpesten. Dat je dan beter aan een nieuw dorp kon beginnen.

Ik heb wel hoop. Het kan geen toeval zijn dat deze faculteit na de brand niet alleen gekozen heeft voor de geborgenheid van een oud gebouw, maar ook die kille modernistische plek in de polder waar de oude Van der Broek en Bakema stond, heeft verlaten. Het was kenmerkend dat de minister zijn beloofde 30 miljoen aanvankelijk voor dit pand niet ter beschikking wilde stellen. Dit zou geen vernieuwing zijn. Terwijl dit gebouw nu juist onder andere door de toevoegingen van Winy Maas een voorbeeld werd van wat hedendaagse architectuur altijd zou moeten zijn: hedendaagse elementen toevoegen aan wat er is. Dat is in mijn beleving goede architectuur, en goede stedebouw. Iets nieuws toevoegen, iets eigentijds toevoegen, zonder de arrogantie te hebben om alles opnieuw te willen doen. Om alles wat in de loop der eeuwen is bedacht overboord te gooien. Daarom heb ik ook een hekel aan het begrip neo-traditionalisme. Alsof voortbouwen op de traditie een aparte stijl is. Alsof dat niet de plicht is van elke architect en elke stedebouwkundige. Bovendien heeft het spreken over neo-traditionalisme het gevaar in zich dat men alleen maar terugkijkt, nabouwt wat ooit is geweest. Terwijl alleen vooruitgang ons verder brengt.

Het valt me overigens op dat neo-traditionalisme eerder een stijlfiguur is voor de architectuur dan voor de stedebouw. Juist daarom is het zo goed dat Rutte en Abrahamse hun boek Atlas van de verstedelijking in Nederland hebben geschreven. Hier, in deze faculteit. Ik weet niet hoe jullie studieprogramma er tegenwoordig uit ziet. Ik heb wel eens begrepen dat in het eerste jaar bij de modernisten werd begonnen. Het onderwijzersmodernisme. Le Corbusier, Koolhaas, als de nieuwe goden van ons bestaan. Ik ontken hun grootheid niet. Maar wat zou het goed zijn als die grootheden voortaan worden geplaatst in de traditie van de stedebouw en de architectuur. En dat niet alleen het kapelletje in Ronchamps en de Nederlandse ambassade in Berlijn verplichte kost zijn in het eerste jaar, maar ook het boek van Rutte en Abrahams. En laten we dan niet vergeten dat dat kapelletje alleen omdat het solitair op een heuvel staat weinig kwaad kon doen aan de omgeving en dat de Berlijnse Ambassade een groot succes werd omdat de het stadsbestuur stringente traditionele regels stelde aan het herstel van de stad.

Dank u wel

 

[Uitgesproken bij de uitreiking van het eerste exemplaar van de Atlas van de verstedelijking in Nederland van Rutte en Abrahamse, vrijdag 23 mei 2014, faculteit Bouwkunde TU Delft]

Al bouwend poetst Rotterdam zijn monumenten weg

oktober 26, 2013 by  
Filed under De Stad

Rotterdam blijft fascineren. Die stad is nooit af. Ik heb er lang gewoond en kom er nog graag. En telkens wordt mijn blik weer getrokken door al die bouwputten. Door de energie en de durf waarmee in deze stad nieuwe plannen worden gesmeed. Hoe mooi is het dat daarbij ruim baan wordt gemaakt voor de grote architecten uit de eigen stad. Van de Broek en Bakema ontwierpen hier na de oorlog hun roemruchte Lijnbaan, Maaskant en Van Tijen het Groothandelsgebouw, en al die andere hoopgevende modernistische gebouwen. Wim Quist tekende de nieuwe schouwburg, het Maritiem Museum, het Nedlloyd-gebouw aan de Maas en het Robeco-gebouw aan de Blaak. Hoogstad bouwde het hoofdkantoor van Unilever en een woontoren aan het Weena. Adriaan Geuze ontwierp het Schouwburgplein (sorry, niet erg geslaagd) en de nieuwe markt. Eric van Egeraat bouwde aan InHolland. Rem Koolhaas bouwt nu De Rotterdam op de Wilhelminapier, het nieuwe stadskantoor en straks misschien Forum. En MVRDV metselt al een tijdje aan de nieuwe Markthal bij station Blaak.

Die geest van vernieuwing hoort bij de stad. Sinds de oorlog wordt er geheid in de stad. En sinds de oorlog staan Rotterdammers bij hun bouwputten te kijken. Waar in Amsterdam op bouwwerken wordt gescholden, is een bouwput in Rotterdam het symbool van hoop. Hoop op afronding van de stad. Tegelijkertijd weten we dat die hoop ijdel is. Omdat de stad nooit af zal zijn. Niet in het minst omdat de bouwwoede ook sans rancune ten koste gaat van gebouwen die in het recente verleden het resultaat van diezelfde bouwwoede waren.

Zo was de komst van de Hogesnelheidslijn reden om het oude station te vervangen. Vóór het station moest bovendien de smalle verkeerstunnel worden verbreed. En onder de grond vindt Randstadrail zijn aansluiting op het metronet. Rotterdam Centraal stond dus jaren symbool voor Rotterdam: bouwput, bouwput en nog eens bouwput. Hier wordt een stad gebouwd.

Maar hier wordt ook een stad afgebroken. We zouden namelijk bijna vergeten dat het oude Rotterdam Centraal een prachtig monument was van architect Sybold van Ravesteyn. Het station was een voorbeeld van de wederopbouw. De lichtheid van de grote stationshal, de lichtheid – in ander opzicht – van de perronoverkapping, het had allemaal een grote schoonheid. Natuurlijk, er was inmiddels veel mis aan dat station. Het was te klein, en het is zeker te klein als de HSL ooit een succes gaat worden. Het kon de nieuwe vervoerstromen niet meer aan. Ook het metrostation was te klein en te benauwd. Er was dus alle reden om iets nieuws te bouwen. Iets nieuws dat indrukwekkend is, dat prachtig is, dat meteen het mooiste station van Nederland is. Ja dit keer van een architectenbureau dat niet uit Rotterdam komt: Benthem Crouwel.

Het blijft een pleister op de wonde. De sloop van het prachtige station van Van Ravesteyn doet me nog steeds pijn. Die sloop heeft ook iets Rotterdams in een minder positieve zin: aan het bouwen gaat vaak ondoordacht slopen vooraf. Bouwen staat in Rotterdam vaak gelijk aan ‘helemaal opnieuw beginnen’. En helaas staat Rotterdam hier model voor veel andere steden in Nederland. We hebben weinig geduld met onze steden. De tijd dat we eeuwenlang bouwden aan onze grachtengordels ligt ver lang achter ons. Ook de tijd van het Plan Berlage is echt voorbij. Tegenwoordig straalt stedebouw vooral veel ongeduld uit. We hebben nauwelijks een plan en zijn soepel in onze argumenten.

En ook die manier van werken leidt tot veel schoonheid. Organische groei leidt nu eenmaal vaak tot interessante plekken, ook als er nauwelijks een plan onder ligt. Maar een echte stad wordt wel gekenmerkt door een combinatie van oud én nieuw, door een verzameling van bouwstijlen. Dus het is niet de zucht naar iets nieuws dat me tegenstaat, maar de behoefte om het oude te vernietigen. Denk ook aan de Zwarte Madonna in Den Haag, een bijzonder project van Carel Weeber, dat na vijftien jaar al weer plaats moest maken voor een ander project. Oké, de Zwarte Madonna paste niet in de rijkdom die Den Haag op die plek wilde uitstralen. Maar het was wel een onderdeel van de identiteit van de stad.

Bovendien horen we oog te hebben voor de monumenten die vroegere bestuurders hebben nagelaten. Het station van Van Ravesteyn was een monument. Ik geef toe, het oogde de laatste decennia steeds kleiner, met al dat bouwgeweld in de directe omgeving. Maar toch was het nog steeds van grote schoonheid. Ook het Groot Handelsgebouw van Hugh Maaskant en Wim van Tijen dat ernaast staat, is zijn grootsheid verloren na de komst van Nationale Nederlanden en al die andere prachtige pieken aan het Weena. En wordt nu nog pijnlijker weggedrukt door het nieuwe station. Maar ondanks alles: het hoort daar te staan. Voor de identiteit van de stad én omdat het zo typisch een monument is van de vorige generatie.

En nog iets: het is bijna niemand opgevallen maar in het bouwgeweld in Rotterdam is ook een hele vroege ‘Koolhaas’ ten onder gegaan; een leuke overkapping van het busstation, mooi aansluitend bij de vorm van het station. Ik worstel bij aankomst in Rotterdam dan ook altijd met die ene vraag: waarom wordt in Amsterdam terecht alles gedaan om het station van Pierre Cuypers bij de stationsuitbreiding te laten staan, terwijl in Rotterdam anderhalf monument achteloos is weggepoetst?

Jo Coenen en de stad

oktober 24, 2013 by  
Filed under De Stad

Sommige architecten intrigeren je. Je volgt hun werk al lange tijd, zonder te weten wanneer die fascinatie precies is begonnen. Mijn fascinatie voor Jo Coenen moet in het midden van de jaren ’80 zijn begonnen. Hij deed zowel mee met de prijsvraag voor het nieuwe kantoor van Nationale Nederlanden aan het Weena in Rotterdam als met de prijsvraag voor het nieuwe gebouw van het NAi, ook in Rotterdam. Het eerste ontwerp vertoonde enige gelijkenis met een groot hobbelpaard en moest het afleggen tegen de glasarchitectuur van Auke Bonnema. Het tweede ontwerp kwam wel als winnaar te voorschijn, en liet daarbij onder andere Koolhaas en Tschumi achter zich. Het verschil tussen de ontwerpen van Coenen en Koolhaas was niet alleen frappant, maar ook heel kenmerkend. Koolhaas schetste een interessant gebouw, dat nergens zou hebben misstaan. Coenen daarentegen ontwierp een gebouw dat juist aan deze open plek middenin Rotterdam een prachtige invulling gaf. Ik geef graag toe dat het even duurde voordat ik dat door kreeg; als socioloog ben je nu eenmaal niet gewend te kijken. Maar gaandeweg begon het gebouw me steeds meer te boeien. Het omarmt aan de voorkant niet alleen het museumpark in Rotterdam, het heeft aan de achterkant de Rochussenstraat structuur gegeven. Dit is heel kenmerkend voor Jo Coenen: hij weet van een plaats een plek te maken. In dat opzicht werd zijn ontwerp voor het gebouw van Nationale Nederlanden terecht afgewezen. Dit was geen echte ‘Coenen’, want het had op veel plaatsen niet misstaan.

Om die reden is het logisch dat Jo Coenen een boek heeft geschreven met als titel: ‘Van stadsontwerp tot architectonisch detail’. Misschien is Coenen ook wel meer stedebouwer dan architect: “Architectonisch ontwerpen van stukken stad, van stadsensembles, van grote delen stedelijke omgeving, ervaar ik bij uitstek als mijn vak.” Dit citaat van Coenen raakt overigens een meer fundamentele vraag: kan alleen een goede architect een zinvolle bijdrage aan de stedebouw leveren? Laat ik hier slechts vaststellen dat Coenen zelf briljant in staat is om soms met kleine en soms met grotere ingrepen een veel groter gebied meerwaarde te verschaffen. In Den Haag kennen we het voorbeeld van de Vaillantlaan, centrale as in de Schilderswijk die moest worden gerenoveerd. In vele andere oude wijken leidde de stadsvernieuwing tot treurige nieuwbouw, zonder karakter. In Den Haag vroeg wethouder Adri Duivesteijn Jo Coenen om voor de Vaillantlaan een masterplan te maken. Coenen ontwierp een laan, breder dan de oorspronkelijke straat, en gaf de individuele architecten een bouwdoos mee van strikt omschreven basiselementen waarmee alle nieuwe gevels aan de Vaillantlaan moesten worden gecomponeerd. Het effect is verbluffend: één laan die een hele wijk een nieuw gezicht weet te geven. Een architect als stedebouwer.

Natuurlijk kan het ook misgaan. Het stadskantoor van Coenen in Delft – voor de forens van Rotterdam naar Leiden, zoals ik jaren was, goed vanuit de trein te zien – is inmiddels een treurig gebouw. Gelukkig weten maar weinigen dat het hier gaat om een vroeg ontwerp van Coenen. Het siert hem dat hij in het genoemde boek de mislukking volmondig toegeeft. Daarentegen lijkt hij wel enthousiast over het gebouw aan de Hofwijckstraat in Den Haag. Dat verbaast me. Het valt Coenen niet te verwijten dat het Rijswijkseplein in Den Haag een vreselijk gebied is, en dat de flat van Carel Weeber daar veel verbeteringen in de weg staat. Toch ontgaat de meerwaarde van Coenens ontwerp voor de Hofwijckstraat mij grotendeels. Of ligt dat aan de armoedige afwerking?

Laat geen verkeerde indruk ontstaan: het gaat zelden mis bij Coenen. Het KNSM-eiland in Amsterdam is een wonderschoon ontwerp, hoog stedelijk, met een fraaie afronding van de hand van de meester zelf. Het Céramique-gebied in Maastricht heeft Coenen terecht internationaal beroemd gemaakt. Hier heeft hij nieuwe stedelijkheid aan de oude stad Maastricht toegevoegd, waar door vele anderen een nieuwbouwwijk zou zijn gebouwd, zoals ze zoveel in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn gebouwd. Dan realiseer je je hoe mooi, en vooral natuurlijk, nieuwbouw kan zijn.

Dat Coenen graag ‘natuurlijk’ wil bouwen, spat af van bijna elke pagina van zijn boek. In de beginjaren ’80 verwoordde hij het al aldus: “De architectuur die ik voorsta is op historische en culturele leest geschoeid, waarin de vanzelfsprekendheid van menselijk gebruik en begrip besloten ligt en waarin de continuïteit van tijd en plek gestalte krijgt.” In het boek schrijft hij: “Ontwerpen in de Europese stad betekent voor mij luisteren en kijken en niet direct uitgaan van mijn voorkeuren, omdat de bestaande constructies bij nadere beschouwing en analyse reden van bestaan hebben.” En: “Juist anonieme ingrepen hebben vanouds tot het ontstaan van architectuur geleid en die vanzelfsprekendheid, die verbondenheid met de omgeving, die probeer ik in mijn werk terug te vinden.” De architect heeft voor Coenen dan ook een bescheiden en beperkte rol. Coenen richt geen monumenten voor zichzelf op, hij maakt ze slechts om de kracht van de stad te vergroten. Hoe prachtig is de volgende uitspraak, waarin Coenen zijn hele werk samenvat: “Architectuur en stedebouw dienen om samenhang te creëren waar die verloren is gegaan of nooit bestond; en ze moeten continuïteit brengen waar iets nieuws wordt gevraagd.” Ook wenst Coenen als architect vooral authentiek te zijn. Ik zou eraan willen toevoegen: integer. Architectuur vergt integer omgaan met de stad, met de historie. Dat dit ook kan leiden tot hele moderne architectuur weet iedereen die het werk van Coenen enigszins volgt. Zouden ruimtelijke ordenaars niet heel veel van zo’n instelling kunnen leren?

De #architect is geen kunstenaar

september 17, 2013 by  
Filed under De Stad

Hoe mooi kan het toeval zijn. Terwijl ik net een paar interessante studies over de Nederlandse groeikernen heb gelezen, stuit ik op een prachtige citaat van Aldo Rossi: ‘Architectuur verschilt fundamenteel van iedere kunst en wetenschap omdat ze concreet vorm geeft aan de maatschappij, en hiermee ten nauwste verweven is.’ Zie pagina 13 van zijn klassieker ‘De architectuur van de stad’.

Het was de blijdschap van de jaren 60. Rossi was zich ervan bewust dat architecten het resultaat van hun creativiteit niet zien verwelken in de depots van een museum. Hun werk zou hoe dan ook invloed hebben op de samenleving. Hoe mensen wonen, werken en leven, ligt in de handen van de architect. Het is het enige kunstwerk waarvan de mens werkelijk deel uitmaakt.

Maar de medaille heeft ook een schaduwzijde. Naarmate de architect meer zijn eigen weg kiest, heeft de burger minder te zeggen. En naarmate de architect origineler is in zijn ontwerp, des te minder ruimte is er voor de historie van de plek en de historische bouwprincipes.

Dat is precies wat er gebeurt in de groeikernen. Vanaf de tijd van Rossi zijn er hele nieuwe steden in Nederland verrezen, waar ooit een klein dorpje stond of waar ooit slechts het water kabbelde. Zoetermeer, Spijkenisse, Purmerend, Hoofddorp, Nieuwegein, Lelystad, Almere. Iedereen kent ze. En ze vechten allemaal tegen hun niet brandschone imago. Hier hebben de architecten van Rossi hun steden gebouwd. Ze deden dat volgens een recent boek van Pantus inderdaad ‘strikt authentiek’. Dat ‘strikt authentiek’ betekent overigens wel dat heftig de eigen modes zijn gevolgd. Eerst op veel plaatsen de Bijlmerflats van het functionalisme, later overal de ‘nieuwe truttigheid’ en de bloemkoolwijken. Altijd met de beste bedoelingen voor de bewoners, maar zonder de bewoners een woord te vragen. Woningnood doet de rest.

Stedebouwkundig zijn de groeikernen daarom razend interessant. Nergens zijn de bouwstijlen zo onverdund te bewonderen. Maar ook nergens is er zo’n ratjetoe aan stijlen ontstaan, omdat de stedebouwkundige modes elkaar zo snel opvolgden. En nergens is de eenvormigheid ook zo groot en lijken alle winkelcentra schijnbaar zo op elkaar. De reden is hard en simpel: de architect is niet dienstbaar geweest aan de plek, aan de historie en daarmee aan de bewoners. Alle stedebouwkundige principes van onze eeuwenoude steden lijken overboord te zijn gegooid. En in dat opzicht zijn ze wel uniek. Nergens lijkt het modernisme zo te hebben toegeslagen als in Nederland. Calvinisten als we zijn, moest de kelk van het modernisme tot op de bodem worden leeggedronken.

Rossi heeft gelijk. De architect is de enige kunstenaar die concreet vormgeeft aan de maatschappij. Je kan het ook omdraaien. De architect is de enige kunstenaar die zich dienstbaar dient op te stellen.

 

[Verschijnt als blog op de website van Bouwend Nederland]

Veiligheid en geborgenheid in de stad

maart 18, 2013 by  
Filed under De Stad

zwolle-grote-markt-285x205Het moet soms frustrerend zijn voor bestuurders: de criminaliteit daalt al jaren, maar het gevoel van veiligheid neemt niet toe. Hoewel het objectief gezien veiliger wordt in ons land en in onze steden, neemt het gevoel voor veiligheid niet toe. Eerder lijkt soms het tegendeel te gebeuren. En in die situatie durft geen politicus te roepen dat de criminaliteit afneemt. En terecht. Er is geen enkele reden om gevoelens van onveiligheid te bagatelliseren of zelfs te negeren.

Dit betekent niet dat de overheid geen invloed heeft op de omstandigheden waaronder mensen zich wel of niet veilig voelen. We weten inmiddels allemaal dat de inrichting van de stad de gevoelens van geborgenheid van burgers kan versterken, of soms geheel kan wegnemen. In dat verband is de discussie die in de stedebouw woedde in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog interessant. De ‘modernisten’ dachten niet in termen van geborgenheid, laat staan gezelligheid. Voor hen ging het om licht, lucht en ruimte, om de doorstroming van het (nieuwe) autoverkeer en om de scheiding van functies (als je woonde moest je geen last hebben van een ‘fabriek’).

Jane Jacobs was één van de wetenschappers die zich verzette zich tegen de modernistische stedebouw, waarbij verkeerscorridors en functiescheiding een einde maakten aan de traditionele (organische) stad. Haar befaamde boek uit 1961 over de stad (The life and death of the great American cities) had later zelfs grote impact op de Amerikaanse stedebouw. Haar betoog was helder: je moet niet streven naar functiescheiding, maar naar functiemenging, want functiemenging geeft geborgenheid en veiligheid. Wie bedrijven, winkels, scholen en andere voorzieningen toevoegt aan een buurt, vergroot de levendigheid. En als er voldoende mensen op straat lopen, is er geen ruimte meer voor criminaliteit. Hoe plausibel die stelling misschien ook mag luiden, empirisch bewijs leverde Jacobs niet. Dat empirisch bewijs was ook moeilijk te leveren, aangezien bekend is dat criminaliteit juist het hoogst is in gebieden waar veel mensen zijn. Vanwege die andere simpele reden: gelegenheid maakt de dief.

Hoe aardig is dan ook het boek van Talja Blokland uit 2009: Oog voor elkaar, veiligheidsbeleving en sociale controle in de stad. In tegenstelling tot Jane Jacobs bewijst Talja Blokland wel dat functiemenging tot veiligheid leidt, maar ze toont ook aan dat de relatie tussen beide een stuk complexer is dan door Jacobs werd verondersteld. Haar betoog is opgebouwd uit drie stappen.

De eerste stap: Jacobs veronderstelt dat de veiligheid groter is naarmate er meer mensen op straat lopen. En functiemenging leidt tot meer mensen. Dus functiemenging leidt tot veiligheid. Nee, zegt Blokland: functiemenging leidt wel tot meer mensen op straat, maar dat op zich vergroot de veiligheid niet. Want waarom zouden al die mensen op elkaar letten. In de woorden van Blokland: “Ogen op straat, is nog geen oog voor elkaar”.

De tweede stap: er wordt vaak verondersteld dat als mensen elkaar beter kennen, ze elkaar meer vertrouwen en zich daardoor veiliger voelen. Door functiemenging ontmoeten mensen elkaar en leren ze elkaar kennen. Functiemenging leidt dus tot een groter gevoel van veiligheid. Nee, zegt Blokland: als je mensen beter leert kennen, weet je ook welke mensen je niet kan vertrouwen. Sommige mensen zijn nu eenmaal niet te vertrouwen.

De derde stap: toch neemt het gevoel van veiligheid in een buurt toe als je de andere mensen uit de buurt beter kent. Want niet het vertrouwen in de medemens bepaalt het gevoel van veiligheid, maar juist de wetenschap of je iemand wel of niet kan vertrouwen! Het gevoel van onveiligheid komt vooral voort uit het niet weten wie je kan vertrouwen. Sociologen spreken in dit verband over mistrust.

Deze redenering brengt gemeentebesturen een stap verder. Ze weten voortaan dat functiemenging op zich niet voldoende is om de veiligheid in een wijk te vergroten. Je moet er ook voor zorgen dat mensen elkaar zien. Daarom: zorg voor veel differentiatie in winkels, zodat de kans op ontmoeten veel groter wordt. Zorg voor een breed gebruik van scholen. Zorg er ook voor dat er een plek is voor de rafelrand van de samenleving, zonder dat die plekken geheel door de rafelrand worden bezet (dan weet je wie je niet kan vertrouwen). Juist doordat mensen elkaar zien leren ze wie ze kunnen vertrouwen en wie ze niet kunnen vertrouwen. En die zekerheid draagt bij aan het gevoel van veiligheid.

En Blokland voegt er meteen een waarschuwing aan toe. Dat gevoel van veiligheid ontwikkel je pas na een langdurig dagelijks contact met de bewoners uit je buurt. De overheid wil nog wel eens denken dat het allemaal geregeld is met een projectje hier en een projectje daar. Nou, dat is dus niet het geval. Om het gevoel van veiligheid in steden en buurten te versterken, heb je echt een structurele aanpak nodig.