De stad, de markt en de wereld

mei 23, 2019 by  
Filed under De Stad, Geen categorie

Wie in de stad rondloopt komt ze nog vaak tegen: de armoedige huizen van de blije stadsvernieuwing uit de jaren zeventig en tachtig. Punaise-bouw. Ze zijn al lang weer aan renovatie toe. Maar toch stonden die woningen ergens voor. Voor de wederopstanding van de steden én voor een sterke lokale overheid. Na de oorlog waren de Nederlandse steden verpauperd en verkrot. Aanvankelijk waren sloop en kaalslag het enige antwoord. En groeikernen en suburbanisatie.Tot een nieuwe generatie het in de steden voor het zeggen kreeg. Er kwam een nieuw zelfbewustzijn. De stad werd opnieuw op de tekentafel gelegd. In al die jaren was de stad het ruimtelijk project van de overheid, vanzelfsprekend met een zekere inspraak. De stad als antwoord op de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. De stad eerst als een modernistisch antwoord op verkrotting, later als een nostalgisch antwoord op het modernisme. Maar we hadden nog niet door dat na 1989 alles anders zou zijn. 

We betraden een era waarin het neo-liberalisme en het verlangen naar de markt de overheid met zijn oude tekentafels snel terugwierpen. Een tijdperk waarin grenzen in snel tempo vervaagden en waarin we eerst nog over mondialisering maar al snel over globalisering spraken. De positie van de steden was daarin voorlopig nog onduidelijk. Want door de snelle opkomst van internet, laptops en smartphones leek de ‘world flat’ te worden. Het zou niet meer uitmaken waar je ging wonen, overal kon je met je laptop aan het werk. Maar er werd ook gesproken over glokalisering, de globalisering zou in steden voet aan land gaan zetten. Er werd gesproken over de Triomf van stad, mede vanwege de creatieve klasse die zich daar zou vestigen. En toen hoorden we al snel niet veel meer over die ‘world’ die ‘flat’ zou worden. Nee, in de globaliserende wereld werd het alleen maar drukker in de steden. 

Ook in Nederland. Door de globalisering was de industrie in snel tempo uit Nederland vertrokken. We moesten voortaan ons geld vooral verdienen met onze hoge opleidingen. En met onze connecties over de hele wereld. Steden werden hubs in een netwerk, kristallisatiepunten van een globale economie. En dé plek voor face-to-face contacten. Juist in dat directe contact ontstond de innovatie en in de economie werd je niet meer groot met eeuwigdurende herhaling (Ford), maar juist met de unieke innovatie. 

Veel burgemeesters en wethouders waren enthousiast. Eindelijk stond hun stad op de wereldkaart. Gingen de bestuurders vroeger naar China om nieuwe bedrijven te halen, tegenwoordig komen die bedrijven vanzelf als jij de goede hoogopgeleide werknemers in de aanbieding hebt. Dus gemeentebesturen moeten vooral zorgen voor een plek waar hoogopgeleiden graag willen wonen. En ze moeten ervoor zorgen dat de afgestudeerden in de stad blijven wonen. Het zijn de aantrekkelijke steden die op dit punt succesvol zijn. Gerard Marlet schreef er een mooi proefschrift over. Waar de oude grachten in de jaren 50 nog op de nominatie stonden om te worden gedempt, vinden de hoogopgeleiden er nu een ideale woonplek. 

De stedelijke besturen scheppen tegenwoordig op zijn best de randvoorwaarden voor een bloeiende lokale economie. Zie het Oostelijk Havengebied al in de jaren 90, zie het oude  spoorcomplex in Tilburg dat tegenwoordig ruimte biedt voor nieuwe bedrijvigheid en nieuwe kenniswerkers. Helaas denken veel gemeentebesturen ook dat ze zelf een hun eigen Silicon Valley kunnen plannen. Maar dan blijkt dat de nieuwe economie toch heel wat weerbarstiger is dan de tekentafel-bestuurders gewend waren. Valley’s en campussen ontstaan vooral bij toeval en als de buurman er al één heeft, is het zinloos om dat idee te kopiëren. De globale economie zet wel voet aan land in de steden, maar besluit zelf in welke stad dat het beste kan. 

Het doet me soms sterk denken aan de zorg. Misschien een rare vergelijking. Maar ook de zorg was vroeger van de overheid. Het mocht zo zijn dat artsen te veel verdienden en zich moeilijk lieten sturen, er mochten wachtlijsten zijn, maar de overheid was de baas. Tegenwoordig is de zorg overgelaten aan de onzichtbare hand van de markt. Wie aan het stuur zit, is onduidelijk. En de winsten verdwijnen vooral naar elders. Bij steden bekruipt me eenzelfde gevoel. Te meer omdat steden een pion zijn geworden in een mondiale markt. 

Die mondiale markt heeft de steden de laatste decennia veel goeds gebracht. En daardoor hebben de steden veel bijgedragen aan de gestegen welvaart. Waar vroeger de haven van Rotterdam en de luchthaven van Schiphol de fundamenten waren van de economische groei, zijn dat nu de High Tech Campus van Eindhoven, de Food Valley in Wageningen en de vele terrasjes in Amsterdam. 

Maar die ontwikkeling heeft ook iets ongrijpbaars, omdat ze wordt bepaald door de wetten van de globale markt. En die wetten hebben ook schaduwzijden. De Triomf van de stad vindt zijn tegenhanger in de Schaduw van de stad. Triomf en Schaduw gaan gelijk op. En terwijl de stedelijke besturen tien jaar geleden nog druk bezig waren om de Triomf op te stoken, worden ze nu steeds meer met de Schaduw geconfronteerd. Terwijl hun gereedschap uit de jaren 80 in onbruik is geraakt. 

Mag ik wat schaduwen noemen, vanuit een vijftal perspectieven. Ik begin met het demografisch perspectief. De Nederlandse steden groeien door hun geboorteoverschot en door een buitenlands vestigingsoverschot. Binnenlands gezien hebben alle grote steden een vertrekoverschot. Simpel gezegd: er komen veel expats binnen die de huizenprijzen zodanig opdrijven, dat veel stedelijke bewoners wel gedwongen zijn om ergens anders hun heil te zoeken. Niet omdat ze de stad willen verlaten, maar gewoon omdat de woningen in de stad voor hen onbetaalbaar zijn geworden. Zo worden de lagere én de middeninkomens de stad uitgedreven, of verdrongen naar de randen van de stad. Bovendien ontstaat daarmee het gevaar dat veel randgemeenten (denk aan de voormalige groeikernen) hun bevolkingsopbouw zien verschralen. De sterke groei van de stedelijke regio’s vertaalt zich verderop in het land in krimp. Een geringe bevolkingskrimp hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar bevolkingskrimp kan zichzelf wel gaan versterken als jongeren in versterkte mate wegtrekken omdat met de krimp van de bevolking ook de nieuwe kansen zijn verdwenen.

Vanuit economisch perspectief zien we dat de Triomf van de stad bepaald niet aan iedereen ten goede komt. Met de groei van de werkgelegenheid aan de bovenkant blijkt de werkloosheid aan de onderkant helemaal niet af te nemen. Vanwege een mismatch op de arbeidsmarkt. Voor de velen voor wie in de industrie en in de haven nog wel werk was te vinden, is in de kenniseconomie nog maar weinig plaats. Zeker als alle terrasjes door studenten worden bediend. De Triomf versterkt een maatschappelijke tweedeling die zich verscherpt langs lijnen van werk, inkomen, gezondheid en niet te vergeten onderwijs. Ook tussen de steden zijn er grote verschillen. De regio Den Haag en de regio Rotterdam hebben op dit moment ongeveer even veel arbeidsplaatsen als in 2008, op het hoogtepunt voor de crisis. Amsterdam heeft er ruim 70.000 meer. Ook Utrecht en Eindhoven doen het erg goed. Dat heeft alles te maken met het opleidingsniveau van de beroepsbevolking.  Vanuit economisch perspectief valt ook op dat de infrastructuur de toegenomen mobiliteit nauwelijks aan kan. Dat kan op termijn schadelijk zijn voor de bereikbaarheid van de stedelijke economieën.

Vanuit geografisch perspectief zien we dat de maatschappelijke tweedeling zich ook ruimtelijk vertaald. Segregatie is in Nederland nog steeds bescheiden, als we het met steden elders in de wereld vergelijken. Maar concentratie van armoede en werkloosheid kan leiden tot een cumulatie van problemen, waardoor de kansen om in de samenleving verder te komen, steeds kleiner worden. Vanuit geografisch perspectief valt er ook veel te zeggen over de voorzieningen, de culturele instellingen etc die de stad een voorsprong geeft op het ommeland. Wat steden aantrekkelijk maakt voor de gezochte kenniswerkers, kan steden ook aantrekkelijk maken voor toerisme. De gemeente Amsterdam dreigt al uit balans te raken. Te meer daar de winkels door de stijgende vierkante-meter-prijzen homogeniseren. Airbnb doet de rest. Er komen zoveel mensen op aantrekkelijke steden af, dat deze moeite hebben om aantrekkelijk te blijven.

Vanuit sociologisch perspectief valt op dat het aantal nationaliteiten en culturen in de steden in de afgelopen decennia enorm is toegenomen. De kansarme migranten starten vaak in arrival neighbourhoods in de grote steden om van daaruit vaak langzaam op te klimmen en naar betere wijken te verhuizen en soms te suburbaniseren. Ik spreek hier niet over expats. Lange tijd waren migranten vooral ‘gastarbeiders’ (Spanjaarden, Italianen, later Turken en Marokkanen) of mensen uit het rijke koloniale verleden (Molukkers, Surinamers, Antillianen). Tegenwoordig leidt de globalisering ertoe dat in Amsterdam en Rotterdam bijna 200 nationaliteiten wonen. Bovendien blijven veel migranten steeds korter. Of blijven ze in een globaliserende wereld gemakkelijker met het thuisland verbonden. Zo vindt Turkse politiek zijn weerslag in Rotterdamse wijken. Dat kan een extra druk leggen op integratie van nieuwkomers. En kan autochtonen een gevoel van ontheemding geven, zeker als ze toch al Globalisierungsverlierer zijn. Dat kan tot spanningen leiden en dat raakt de lokale politiek. Terwijl nu juist een tolerante cultuur de aantrekkelijkheid van steden voor de hoogopgeleiden, die de brandstof vormen van de motor van de kenniseconomie, vergroot. Populisme kan steden dus op termijn op achterstand zetten. 

Stedebouwkundig is er sprake van een boeiende paradox. Aantrekkelijke steden zijn vaak historische steden. Grachten. Dát zijn de plekken waar veel hoogopgeleiden willen wonen om te werken in een kenniseconomie die in veel opzichten footloos en grenzeloos is. Maar tegelijkertijd sluiten steden lang niet altijd in hun nieuwbouw aan bij de stad die ze altijd zijn geweest. Het lijkt er zelfs op dat gekozen wordt voor een internationaal imago, of op zijn minst voor een imago waarvan men denkt dat het internationaal is. Soms staat dat niet alleen haaks op de stad die men was, maar is het ook in strijd met de diversiteit die echte steden kenmerkt. Het gaat hier verder dan de oude tegenstelling tussen Le Corbusier en Jane Jacobs. Juist in de huidige kenniseconomie hebben steden de diversiteit nodig waarvoor Jane Jacobs een halve eeuw geleden pleitte. Dat roept ook de vraag op wie de vormgevers zijn van de nieuwe stad. De markt heeft daarin altijd een rol gehad, zij het eerder wel binnen duidelijke kaders van het stedelijk bestuur. Die kaders zijn enerzijds schijnbaar verwaterd, de overheid lijkt vaak de wensen van de markt te volgen. Daarnaast is de succesvolle stad een prachtig investeringsobject geworden voor mensen die dat kunnen betalen. In London wordt in hele straten, buurten nog maar nauwelijks gewoond omdat de huizen door investeerders zijn opgekocht. Ook in Nederlandse steden zie je ontwikkelingen in die richting. De vraag: van wie is de stad? lijkt tegenwoordig eenvoudig te beantwoorden. En dat hoeft niemand na 30 jaar neo-liberale politiek te verbazen. 

Inderdaad, de Triomf van de steden is onweerlegbaar. En die Triomf heeft veel te maken met de globalisering van de economie. Steden zijn schakels in de globaliserende economie. Soms straalt de Triomf af op de stedelijke bestuurders. Barber meende zelfs dat de burgemeesters de tegenwoordiger wereldleiders zijn. Dat lijkt me een vreemde conclusie als steden nu juist tot grote bloei zijn gekomen in een neo-liberale tijd waarin de markt het voortouw moest nemen, én als kristallisatiepunten van de globalisering, waarover nationale overheden, en laat staan lokale overheden, per definitie weinig te zeggen hebben. En tegelijkertijd kent die Triomf schaduwen, die veel inspanningen vragen van de overheid. Dat vraagt een heel subtiel spel van het stedelijk bestuur.

[verschenen in Binnenlands Bestuur, 24 mei 2019]

Triomf van de stad: alles begint met werk

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met prof Frank van Oort

Frank van Oort is hoogleraar Urban and regional economics aan de Erasmus Universiteit. Hij is dus bij uitstek een man die moet je spreken als je geïnteresseerd bent in de Triomf van de stad. Hij weet waarom veel steden een periode van bloei doormaken. Hij weet waarom hoogopgeleide mensen in steden willen wonen en bedrijven zich bij hen in de buurt willen vestigen. Maar hij weet ook dat die grote bloei niet voor alle steden geldt. Waarom trekt de economie in Amsterdam en Utrecht bijvoorbeeld wel heel erg aan? En waarom trekken mensen én bedrijven weg uit Emmen en uit Enschede?

Bedrijf is in de stad productiever

Van Oort begint graag met de basis. Waarom trekken bedrijven naar steden? Omdat hun omstandigheden daar beter zijn dan op het platteland. Dat blijkt uit ook uit de simpele cijfers. Hetzelfde bedrijf is in de stad 5-7% productiever dan op het platteland. En dat verschil wordt alleen maar groter naarmate de stad meer inwoners heeft. Marshall heeft dat in 1890 allemaal al opgeschreven. De stad heeft agglomeratievoordelen. In een stad is de arbeidsmarkt groter en komen vraag en aanbod veel gemakkelijker bij elkaar (matching). In de stad kan je je specialiseren en kan je toeleveranciers en uitbesteders delen (sharing). En in de stad leer je meer van elkaar omdat er meer bedrijven zijn. En universiteiten en andere kennisinstituten. Dat is eigenlijk gratis kennis. Daardoor heb je minder zoekkosten (learning). Marshall onderzocht deze fenomenen al in zijn tijd in Manchester en in Liverpool. Tegenwoordig zijn het nog steeds dezelfde mechanismes, alleen gaat het heel veel sneller.

Maar er zijn ook agglomeratienadelen van al die drukte, van al die mensen en al die bedrijven dicht op elkaar. Files, vervuiling, fijn stof, de natuur staat onder druk, en hoge huizenprijzen. In London moet je een paar miljoen meenemen als je een huis wil kopen tegenwoordig. Maar uiteindelijk zijn de voordelen in veel steden toch veel groter dan de nadelen. Denk aan de hogere salarissen. Daarom willen velen, ondanks de nadelen toch in die steden zitten.

Een echte theorie of handige begrippen

Ik vraag Van Oort of we het nu hebben over een echte theorie, die iets kan verklaren, of dat we het alleen maar hebben over begrippen waarmee je steden (iets) beter kan begrijpen. Veel economen zouden dat geen prettige vraag vinden. Ze verwarren de werkelijkheid vaak met hun model en hun model met de werkelijkheid. Van Oort betoont zich veel meer een sociale wetenschapper. Hij onderkent dat er meer theorieën over de stedelijke economie zijn en dat de één meer waar is dan de ander. Hij vertelt dat economen graag in termen van evenwicht denken. Uiteindelijk ontstaat er voor de meeste economen altijd evenwicht. Bijvoorbeeld: in de evenwichtssituatie zal er altijd (nagenoeg) volledige werkgelegenheid zijn. Van Oort onderkent in zijn vak echter geen convergentie, maar divergentie. De economische groei doet zich vooral in steden gelden. Het achterland blijft bijna per definitie achter. Van evenwicht tussen stad en land is geen sprake.

Maar ik blijf zuigen. Verklaart die theorie nu echt iets, of is hij zelfs tautologisch? Als er groei is, is er groei. Als er triomf is, is er triomf. Hoe kunnen we uit deze theorie nu de bijzondere ontwikkeling van de economie van bijvoorbeeld de stad Leiden verklaren? De theorie gaat er immers vanuit dat het proces van matching, sharing en learning ertoe leidt dat een stad steeds aantrekkelijker wordt. Namelijk, doordat er zich steeds meer mensen en bedrijven vestigen. Zo komt een vliegwiel in beweging. Maar Leiden was een florerende stad in de Gouden Eeuw en was een paar eeuwen later zo verarmd, dat delen van de stad werden gesloopt. Maar volgens Van Oort is dat logisch. Als zich technologieën aandienen, heb je vaak andere skills, andere vaardigheden nodig. En het is maar de vraag of de stad die onder de oude technologie nog floreerde, ook over die nieuwe vaardigheden beschikt. Bovendien stopt het vliegwiel van de stedelijke economie als de markt verzadigd is. Als je textiel maakt, en de markt wil geen textiel meer, of het wordt elders heel veel goedkoper gemaakt, dan gaat de textiel weg. Kijk eens naar de autoindustrie in Detroit, die was de grootste ooit. Maar als ze elders innovatiever zijn, dan kan je die voorsprong zo kwijt zijn. En kan het vliegwiel heel snel tot stilstand komen.

Dus dat vliegwiel van de zich versterkende agglomeratievoordelen blijft niet altijd draaien. Zeker niet als je te eenzijdig bent gespecialiseerd. Van Oort: Je moet een breed portfolio hebben. Je moet bedrijven hebben die groeien, waar je de werkgelegenheid uit haalt en je hebt dingen nodig die nog heel klein zijn, maar die in de toekomst gaan groeien. En natuurlijk, sommige steden zijn bijna door hun historie onverslaanbaar. Denk aan London. Dat blijft door zijn padafhankelijkheid altijd aantrekkelijk voor nieuwe ontwikkelingen.

Afstand doet ertoe

Oké, ik geloof Van Oort zijn vliegwiel-theorie. Omdat steden aantrekkelijk zijn, trekken ze steeds weer mensen en bedrijven aan en daardoor worden ze nog aantrekkelijker voor nog meer mensen en bedrijven. Nu hebben veel Nederlandse steden (en veel steden elders) in de tweede helft van de vorige eeuw een terugslag gehad. Door de industrieën vervuilden en verpauperden de steden en trokken veel mensen naar buiten. In de kenniseconomie is de trek naar de stad weer enorm toegenomen. Dat zeggen we. Maar je zou ook kunnen zeggen dat de agglomeratienadelen enorm zijn afgenomen. De vervuiling is sterk teruggedrongen, de industrie heeft zich naar elders verplaatst en de gasfabrieken zijn overal gesloopt. Wat is het nu? Iedereen beweert dat de steden juist door de kenniseconomie zijn gaan bloeien en groeien, terwijl je ook kan zeggen dat de steden weer veel aantrekkelijker zijn geworden omdat de nadel van vijftig jaar geleden gaandeweg zijn verdwenen.

Van Oort onderkent dat veel agglomeratienadelen zijn verdwenen. Maar hij weet ook dat in de kenniseconomie de agglomeratievoordelen van steden nog veel sterker zijn gaan meespelen. Kennis heeft altijd een rol gespeeld in de economie. Maar nu hebben we veel meer toegang tot allerlei vormen van kennis door ICT. Je zou kunnen zeggen dat je overal toegang tot kennis hebt. Dat de wereld zelfs flat zou kunnen worden. Toch is de trek naar de steden overal toegenomen. Dus die kenniseconomie heeft zelfde drivers als de oude economie. In die kenniseconomie zijn face-to-face contacten bovendien heel belangrijk. Het gaat over overleg, het gaat om vertrouwensrelaties die je in direct contact opbouwt. Vooral in de steden heb je veel meer kans op interactie. Daar vind je de plekken waar je veel meer kan leren. In dat opzicht is het belang van face-to-face contacten een aanvulling op de theorie van Marshall. Toch wordt het belang van die face-to-face contacten ook wel eens overdreven. Het gaat in de kenniseconomie niet alleen daarom, zoals Glaeser wel eens lijkt te suggereren. Het gaat ook over transportkosten.

Gaat Rifkin Rotterdam echt helpen?

Kenniseconomie en opleiding hebben vanzelfsprekend veel met elkaar te maken. Hoe hoger opgeleid hoe productiever. Van Oort: Als je er veel van hebt, zit je goed. Zeg maar Utrecht. Maar je moet nooit gemakzuchtig worden. Utrecht lijkt te denken: we hebben zo’n reservoir, wij hoeven niets meer te doen. Maar in de toekomst hebben ze niet meer genoeg aan zakelijke dienstverlening en ICT. Daarin zal verzadiging optreden. In de toekomst moet het wel ICT met iets anders zijn. Met zorg, of met veiligheid of iets anders Je moet naar markten toe die groeien. Het blijft nooit automatisch goed gaan.

Toch is het probleem van Utrecht een luxeprobleem. In Rotterdam ligt het echt anders. Daar biedt de arbeidsmarkt niet de kwaliteiten die de kenniseconomie op dit moment vraagt. Zo wil Rifkin van Rotterdam een smart port maken, maar Van Oort is bang dat Rotterdam de bijbehorende werknemers niet zal kunnen leveren. De arbeidsmarkt is de achilleshiel van Rotterdam. Van Oort: je gaat de arbeidsmarktproblemen van Rotterdam niet oplossen met het nieuwe verhaal van Rifkin. De mensen die Rifkin aan het werk wil helpen, heb je niet in Rotterdam.

Het vliegwiel start bij werken

Wie over arbeidsmarkten praat, praat in de stedelijke economie al gauw over de vraag of mensen naar steden trekken omdat er werk te vinden is, of dat bedrijven naar steden trekken omdat er goede werknemers te vinden zijn. In jargon: volgt wonen werken of volgt werken wonen? Het CPB meent dat werken tegenwoordig wonen volgt. Van Oort is veel genuanceerder: in eerste instantie gaat het erom dat je werk hebt. En dan kan je overal wonen. En je kan niet overal wonen als je geen werk hebt. Je kan dus wel dure appartementen in Rotterdam bouwen, voor hoger opgeleiden. Maar als er geen werk is komen die hogeropgeleiden maar met mondjesmaat en vaak moeten ze dan ook nog eens ergens anders werk gaan zoeken. In Den Haag of Amsterdam. Daar heb je dus niet zoveel aan. Er komen hier in Rotterdam ook geen nieuwe bedrijven omdat er een paar hoogopgeleiden wonen.

Voor Van Oort is het cruciaal: als het vliegwiel ergens start, dan start het bij werk. Pas als werk voldoende aanwezig is, dan krijgt het CPB gelijk. Dan gaat het vliegwiel draaien. Dat heb je vooral in de Noordvleugel. Maar de accountants die we hier aan de universiteit opleiden gaan allemaal aan de Zuidas werken. Dat los je niet op door mooie woningen aan de Maas neer te zetten. Dat los je op door hier werkgelegenheid te creëren waar dat soort functies nodig zijn. Er moeten weer hoofdkantoren naar Rotterdam komen, maar in de havenbranche zitten alle hoofdkantoren tegenwoordig in London.

Als er aan de voorwaarde van werk is voldaan, gaat het wonen wel een grote rol spelen. Mensen willen daar wonen, waar ze zich prettig voelen. Hogeropgeleiden hebben behoefte aan theaters, aan restaurants. Maar nogmaals, als je een mooi theater bouwt gaat het vliegwiel niet meteen draaien. Dat zie je ook in Enschede. Waar ze ook een prachtige wijk hebben gebouwd. Al die woonattracties, die amenities, werken als het vliegwiel eenmaal draait. In Amsterdam. In Utrecht. Dat zijn de echte consumercities.

Maar als ik vervolgens Eindhoven aankaart, ligt het toch weer ingewikkelder. Eindhoven heeft maar weinig voorzieningen, en de binnenstad is niet opvallend aantrekkelijk. Toch is dat in Eindhoven geen probleem volgens Van Oort, omdat ‘nerds’ andere behoeften hebben. Nerds willen gewoon carrièreperspectief, die willen werken, die willen op de campus. Die theorie van de Triomf van de stad is dus een ingewikkelde theorie. Hij klopt in Amsterdam en in Utrecht. Maar in Rotterdam draait het vliegwiel niet. En in Eindhoven loopt het goed, ondanks het feit dat het wonen daar niet attractief is. Van Oort zegt ook: de hele theorie is gericht op steden als Amsterdam. Omdat daar alles de goede kant opdraait. Maar het levert geen recept op voor iedere stad. Van Oort: ik zou in Eindhoven niet meteen achter cultuur aan gaan. Ik zou eerst eens goed gaan kijken, waaraan jouw doelgroep behoefte heeft. Wie gaat er gebruik van maken van dat nieuwe theater?

Niet elke stad een eigen campus, alsjeblieft

Het is boeiend dat Van Oort steeds weer het accent legt op werken. Op de werkgelegenheid. Op de bedrijven. Woonattracties zijn leuk, maar uiteindelijk gaat het om werk. Bovendien is ook nog eens het soort bedrijvigheid van groot belang. Sommige economen hebben altijd gedacht dat een homogene sectorstructuur goed zou zijn voor een stad. Hoe meer bedrijven van eenzelfde soort, hoe meer economies of scale. Maar Van Oort legt ook de nadruk op learning. En van identieke bedrijven kan je volgens hem minder leren. Als iedereen hetzelfde doet, ben je bovendien vooral concurrent. En bedrijven hebben in de regel niet de neiging om hun concurrent wijzer te maken dan hij al is. Met een homogene sectorstructuur heb je natuurlijk wel het voordeel van de arbeidsmarkt die je deelt. In Silicon Valley kan je heel veel ICT-ers vinden.

Maar je moet ook weer niet te veel van elkaar verschillen om iets van elkaar te kunnen leren. De schoenmaker leert niet veel van de fietsenmaker. Die heeft heel andere dingen te doen. Het moet ook weer niet te divers zijn voor cross-overs. In dat opzicht verwerpt Van Oort de ideeën van Jane Jacobs. Volgens hem heb je behoefte aan gerelateerde diversiteit. Je moet wel met mensen kunnen praten. Als je dezelfde technische taal spreekt, kan je iets van elkaar leren. Denk aan machinebouw naast de productie van auto’s.

Het is een mooie gedachte, gerelateerde diversiteit op je bedrijventerrein. Maar hoe organiseer je dat? Van Oort gelooft niet dat de overheid hier veel kan doen. Ten onrechte denken overheden volgens hem dat zij die cross-overs kunnen organiseren, door bedrijven bij elkaar te zetten. Maar bedrijven zoeken dat zelf wel uit. Van Oort: ik zeg altijd: de economie is zelfsturend. De overheid kan bedrijven faciliteren. Dat ze zich thuis voelen. Vergunningen snel leveren. Mooie woonmilieus. Glasvezel. Maar dat zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden, geen voldoende. Je kan het daar alleen op verliezen, niet op winnen. Ja het is prachtig als bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Maar dat moeten ze zelf doen. Dat kan de overheid niet opleggen. Bovendien hebben gemeenten niets te zeggen over de belangrijkste kennisinstellingen, de universiteiten. En dan vlucht de gemeente al snel in de richting van een mooie campus. En in het vergroten van de bereikbaarheid van de campus. Allemaal voorwaarden, maar of mensen gaan samenwerken is hun eigen keus.

Overigens is Van Oort ook heel kritisch over al die pogingen van gemeenten om allemaal hun eigen campus aan te leggen. Als het niet veel geld kost, ach, dan schaadt het niet. Maar het is wel belastinggeld. Campussen ontstonden vaak rondom een grote kennisdrager. Vaak is het toeval als een campus ontstaat. Maar als er één is, moet je zeker niet proberen in de omgeving er nog één te maken. Dan hebben de bedrijven zich al uitgesorteerd. In Emmen een ICT-hub maken heeft geen zin, als de bedrijven allemaal al in Eindhoven en Delft zitten. Het is vaak een een netwerk van elite-onderzoekers die heel sterk samen bepalen waar wat gebeurt. Lifesciences zit in Nederland in Leiden, Wageningen, Eindhoven en Utrecht. Die doen heel veel met buitenland. Maar Europees zijn onze pieken alleen maar heuveltjes. Cambridge, Braunschweig zijn echt groot.

Massa lenen bij de buren

Nederlandse steden hebben inderdaad vaak weinig massa in vergelijking met de buitenlandse concurrenten. In de wereld van bestuurders wordt veel gesproken over ‘borrowed size’. Zou het helpen om van elkaar te profiteren? Om als het ware massa bij de ander te lenen. Van Oort is daarover helder. Het zijn niet de bestuurders die steden bij elkaar op kunnen tellen, maar het is de markt die zelf sorteert. Daarvoor moeten steden onderling goed bereikbaar zijn. Als je één arbeidsmarkt bent, kan je uitwisselen. Maar er moet ook iets zijn om uit te wisselen. Het probleem in Nederland is dat elke stad zich in alles specialiseert. En dan valt er niet veel uit te wisselen. Ja, als er geen agglomeratievoordelen zijn, is er ook geen borrowed size.

Ik breng in dat we ondanks ons gebrek aan massa toch een heel rijk land zijn. Hoe kan dat dan, als onze pieken in de kenniseconomie internationaal maar kleine heuveltjes zijn. Het gesprek krijgt hier bijna een komische wending. Van Oort: Ja, we doen veel handel. In Europa zijn we een smeermiddel tussen allerlei sectoren. Ja, we hebben Born, maar vlak over de grens heb je 40 van dat soort autofabrieken. Ik interrumpeer weer: en toch doen we het economisch enorm goed in Nederland. Hoe kan dat? Van Oort: Ja, we zitten vooral in de handel. En in de dienstverlening. Daar heb je relatief minder massa voor nodig om winsten te halen. In dat licht is het goede vraag waarom we ons zo druk maken over die campussen. Ja, we willen ook innoveren. Alleen Eindhoven is daar echt goed in. Heel veel patenten. Ja, we verzinnen 11 topsectoren, waarvan je je moet afvragen of dat nou onze top is. Van Oort denkt dat we terug moeten naar wat we het beste kunnen. Handel en zakelijke dienstverlening. High tech systems and materials doen ze in Duitsland honderd maal beter. Lifesciences gaat in Oxford en Cambridge heel veel beter dan hier. Ja, daar heb je wel een punt. Zakelijke diensten is niet eens een topsector in Den Haag! Transport wel, maar handel niet.

Triomf is niet voor iedereen

We hebben het er al over gehad. Dat vliegwiel is prachtig als het eenmaal draait, maar ook dan draait het niet voor iedereen. Van Oort kent het onderzoek. PBL geeft aan dat een nieuwe baan voor een hoogopgeleide nauwelijks gevolgen heeft voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Marlet heeft aangetoond dat er wel banen aan de onderkant bijkomen maar dat die vaak door hoogopgeleiden worden ‘ingepikt’. De PhD achter de bar. Elders is er volgens Moretti wel sprake van ‘triggling down’. Volgens hem zou één nieuwe baan aan de bovenkant zelfs voor vijf nieuwe banen aan de onderkant zorgen. Maar in Nederland hebben we dit soort cijfers nooit gevonden. Anders gezegd: Rifkin lost dus het probleem van Rotterdam-Zuid niet op. We moeten ons niet rijk rekenen met trek in de schoorsteen. Daar komt de komende jaren een ander probleem bij. Er komen steeds minder banen voor de middengroepen, door ICT en robotisering. De middengroepen kunnen niet naar boven en willen niet naar beneden. Dat zal grote problemen geven en grote ongelijkheid.

Bedrijven zoeken zelf wel hun plek

De grote vraag blijft: wat kan de overheid doen. Het is ook een vraag die Van Oort bezig blijft houden. Hij zegt: zoveel mogelijk obstakels uit de weg werken. Bottlenecks wegnemen in het onderwijs. Maar dat is niet zo eenvoudig. Studenten zouden nu het vak moeten leren, dat we straks nodig hebben. Maar hoe schatten we dat in. Bovendien: hebben we de docenten ervoor? Van Oort: ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wie dit anders zou moeten doen dan de overheid. We hebben overal Economic Boards, maar dat zijn niet de organisaties die op het terrein van het onderwijs dit soort dingen kunnen aanpakken. Maar heeft de overheid de goede mensen in huis om die toekomst een beetje aardig in te schatten? En je morrelt ook nog eens aan competenties van hbo-instellingen en van universiteiten.

Daarnaast: Ja, je moet bereikbaar zijn, je moet goede woonmilieus hebben, het moet veilig zijn. Leefbaar zijn. Het zijn de klassieke taken van de overheid. Maar dat doen ze overal in Europa. Dus waarom zou ons beleid differentiëren? Maar verder? Je kan wel besluiten dat er nu nog één groot biotechnologie bedrijf zou passen in je gemeente. Maar die kan je niet zomaar halen. Anders zouden ze er wel zitten. Bedrijven zoeken zelf wel hun plek.
Rotterdam, 28 juni 2016

Het gaat niet goed met #Rotterdam

maart 12, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Het PBL heeft weer een mooie, gedegen studie uitgebracht over de stedelijke economie. De belangrijkste conclusies hebben de publiciteit ruimschoots gehaald. Simpel samengevat: De ‘triomf van de stad’ geldt niet voor iedereen. Groei van het aantal goedbetaalde banen gaat niet automatisch gepaard met groei van het aantal laagbetaalde banen. Met de groei van de het aantal goedbetaalde banen daalt de werkloosheid dan ook niet. Wel zijn de lonen aan de onderkant van het loongebouw hoger, als de lonen aan de bovenkant (veel) hoger zijn.

Veel minder aandacht is uitgegaan naar de interessante vergelijkingen tussen de stadsgewesten binnen Nederland. En daaruit blijkt voor mij maar één ding zonneklaar: het gaat nog steeds niet goed met Rotterdam. In ieder geval niet goed genoeg.

Wat wel veranderd is in Rotterdam, is de citymarketing. Ivo Opstelten meldde als burgemeester bijna voor elke microfoon dat Rotterdam ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Dat leek me niet zo handig. Je hoeft nou ook weer niet met alle slechte dingen van je stad te koop te lopen. Daarvan wordt het in ieder geval niet beter. Maar het tegenwoordige stadsbestuur lijkt een tegenovergesteld strategie te volgen: vertellen dat het geweldig gaat. Ze hebben daarmee zonder meer succes. In de media. Maar is het ook waar?

Ik heb lang in Rotterdam gewoond, ik kom er nog vaak en graag. Ik vind het een fantastische stad. Laat dat eerst gezegd zijn. En misschien komt daar ook wel mijn zorg uit voort.

Ik zie drie dingen. Ten eerste: ik zie, zoals gezegd, een juichende citymarketing. Ten tweede: ik zie in de stad tekenen van vooruitgang. Ik zie de Markthal, ik zie het nieuwe CS. Ik zie geleidelijk meer hipsters, ik zie op sommige plekken voorbeelden van gentrificatie. Ik zie zelfs meer toeristen. Maar tegelijkertijd zie ik dat deze ontwikkelingen veel trager gaan dan in Amsterdam (en Utrecht). Ten derde: ik zie al die positieve dingen in de cijfers niet terug.

Zie bijvoorbeeld wat het PBL in die studie laat zien. In 1980 had de stadsregio Rotterdam meer banen dan welke stadsregio ook. In 2012 staat de regio Amsterdam ver op kop en heeft Utrecht inmiddels Rotterdam gepasseerd.

Het PBL probeert voor deze ontwikkelingen een verklaring te vinden. Vaak hoor je de hypothese dat Amsterdam door zijn economische structuur (sectorstructuur) een voorsprong zou hebben op Rotterdam. Maar wat blijkt: Rotterdam is vooral achterop geraakt door regionale factoren als bereikbaarheid, aanwezigheid kennisinstellingen, opleidingsniveau van de beroepsbevolking en de kwaliteit van de voorzieningen.

Ik weet het: statistieken zijn op vele manieren te interpreteren. Bovendien gaan de cijfers van het PBL tot 2012. Wie weet heeft de triomf van Rotterdam zich pas na 2012 geopenbaard. Daarom geef ik nog wat aanvullende cijfers van het CBS. Ik heb gekeken naar het aantal banen op Corop-niveau, dus: binnen de regionale arbeidsmarkt (ongeachte door wie die banen worden bezet).

Tussen december 2008 (de crisis) en december 2014 (recentere gegevens zijn nog niet beschikbaar op de CBS-site) is het aantal banen in de regio Amsterdam met 12.000 toegenomen. In de regio Utrecht met 5.000. In de regio Den Haag is het aantal banen met 18.000 afgenomen. In de regio Rotterdam met 22.000. En in de stad Rotterdam gaat het niet beter dan in de regio Rotterdam, bleek uit de  analyse van het PBL.

Wat zou ik graag geloven dat het beter gaat met Rotterdam! Maar waarom blijkt het dan niet uit de cijfers?

Rotterdam verlaagt zich door zijn armen de stad uit te jagen

februari 15, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Volgens NRC Next zijn veel inwoners van Rotterdam boos op hun gemeente. Erg boos. De gemeente wil 20.000 goedkope woningen slopen en vervangen door 35.000 dure woningen. Arme mensen moeten de stad uit, hipsters met bakfietsen erin. Migranten de stad uit, expats erin.

Ongetwijfeld staat het er anders, meer omfloerst, in die nieuwe Woonvisie van de gemeente. Maar het klinkt wel bekend. Alle steden zijn op zoek naar de hoogopgeleiden, naar de hogere inkomens, die de stedelijke economie een belangrijke impuls kunnen geven. Het klinkt ook bekend, omdat het maakbaarheidsdenken in Rotterdam altijd goed ontwikkeld is geweest. Maar het is de vraag of het klopt.

De theorie is simpel: het gaat in steden tegenwoordig om kennis, hoger-opgeleiden en economie. Wie daarvan de goede mix in huis heeft, hoeft zich nergens meer zorgen over te maken. Economen menen zelfs dat de bedrijven vanzelf volgen als je de goede bewoners hebt. En hoe krijg je goede bewoners? Door voor hen aantrekkelijk te zijn. Daarom doen de steden met een historische binnenstad het tegenwoordig vaak zo goed. En daarom gaat Amsterdam er in de komende 10 jaar 50.000 woningen bij bouwen! Zonder arme mensen doelbewust te verjagen.

De theorie is eenvoudig uit te leggen. De praktijk is natuurlijk weerbarstiger. Je kan wel mooie huizen bouwen voor rijke en hoogopgeleide mensen. Maar die zullen niet komen, als er geen banen zijn. Natuurlijk, volgens de theorie komen die banen vanzelf, als er werkloze hoogopgeleide mensen in rotten van drie op je zitten te wachten. Maar het vervelende is dat die hoogopgeleide mensen niet in rotten van drie gaan zitten wachten in Rotterdam, tot die banen zich eindelijk aandienen.

Eigenlijk kan je die stedelijke economie heel goed vergelijken met een vliegwiel. Als het eenmaal draait gaat het geweldig. En volgen bedrijven mensen en volgen bedrijven andere bedrijven. Maar als het niet goed draait volgt niemand iemand. Dan heb je weinig aan nieuwe dure woningen voor nieuwe dure mensen.

Ik wil niet zeggen dat de economie in Rotterdam stil staat. Het lijkt zelfs beter te gaan met Rotterdam. Maar nog steeds zijn de huizenprijzen relatief laag in Rotterdam. Dat betekent niet dat Rotterdam aantrekkelijk is. Dat betekent juist dat Rotterdam niet aantrekkelijk genoeg is. Wat werk betreft, wat wonen betreft. Rotterdam doet er dus goed aan om voor voldoende dure woningen te zorgen. Als een hoger-opgeleide rijkere in Rotterdam wil (blijven) wonen, moet hij in ieder geval een huis kunnen vinden.
Maar om nu ook maar meteen 20.000 goedkope woningen te slopen, is wel het andere uiterste. Waarom moeten die woningen en die mensen weg? Als Amsterdam er 50.000 woningen bij kan bouwen, zonder te slopen, heeft Rotterdam toch zeker plek genoeg? Bovendien als dat vliegwiel van Rotterdam eindelijk in beweging komt, zullen die armen ook wel vanzelf verdwijnen. Als ik het gemeentebestuur van Rotterdam was, zou ik me liever daarover zorgen maken.

Daar komt nog iets bij. Rotterdam moet aantrekkelijk worden voor hoogopgeleiden. Daarom moeten er voldoende woningen zijn. Maar ook een cultureel klimaat dat voor hoogopgeleiden aantrekkelijk is. Wellicht horen bij dat klimaat begrippen als tolerantie, kosmopolitisme, grootmoedigheid, veelkleurigheid, ruimdenkendheid en ruimhartigheid. Wie dat klimaat mist, moet niet gek opkijken als die dure woningen straks helemaal niet worden verkocht.

De Agenda stad of de agenda van de steden

april 22, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Historisch perspectief

Laten we het even in perspectief zien. Na de oorlog kregen de Nederlandse steden het moeilijk. Er was een gebrek aan ruimte. Vanaf de jaren 60 trokken de mensen massaal naar buiten. Naar de groeikernen en naar allerlei kleine kernen op het platteland. Het was een onnatuurlijke beweging. Normaal trekken mensen naar de stad, in Nederland en wereldwijd. Niet om er altijd te blijven, maar wel omdat de stad meer kansen biedt dan het platteland. Het was dan ook niet verrassend dat in de jaren 80 de trend al weer omsloeg. De steden krabbelden langzaam uit een diep dal. Het aantal inwoners nam weer toe. Maar nog niet van harte.

Het echte keerpunt lag in de jaren 90. Amsterdam ontwikkelde het Oostelijk Havengebied. Voor mij staat dat gebied model voor de nieuwe stad. Voor de nieuwe agenda van de stad. Stadsvernieuwing werd vervangen door stedelijke vernieuwing. Bij stadsvernieuwing werden sociale huurwoningen vervangen door betere sociale huurwoningen. ‘Bouwen voor de buurt’. In het Oostelijk Havengebied werd voor het eerst op grote schaal gebouwd voor de nieuwe stedeling: ‘de hoogopgeleide kenniswerker’. Daarna kwamen Richard Florida en Ed Glaeser, de twee beroemde Amerikaanse wetenschappers, die groot werden met mooie boeken over het belang van de stad. En jaren daarna kwam de Agenda stad. Een programma van het Rijk, waaraan de steden schoorvoetend mee doen. Alleen al omdat je het nooit weet.

Het is goed dat het programma Agenda stad er is. Maar alle tam tam rondom de Agenda stad vraagt wel om enige relativering en nuancering. De steden hebben al jaren hun eigen agenda. Dat steden werken aan hun agglomeratiekracht is niet nieuw. Dat steden hoogopgeleide starters kansen bieden is niet van het laatste jaar. Dat steden weten dat de nieuwe kenniseconomie om een ander woningbestand vraagt, hoeft het Rijk niet te komen vertellen. Dat steden aan hun sociale en culturele leefklimaat werken, omdat ze de nieuwe hipster willen vasthouden, was buiten Den Haag al lang gewoon.

Daarnaast is het de grote vraag wat het Rijk te bieden heeft voor de ontwikkeling van de steden. Wat staat er eigenlijk op die Agenda stad van het Rijk? Die vraag is des te relevanter omdat bij de Agenda stad eerder het proces en de procesvernieuwing voorop lijken te staan dan de inhoud. Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben steden nodig dat alleen het Rijk hun kan bieden?

Ik laat in dit essay de tam tam van de Agenda stad voor wat hij is. We grinniken wel vaker in het land als Den Haag iets heel nieuws heeft bedacht, wat anderen al jaren wisten. We grinniken ook wel vaker als Den Haag een te grote broek aantrekt. Voor mij zijn drie vragen hier interessant: welke ontwikkelingen doen zich in de steden voor, welke stedelijke agenda is hier adequaat en welke bijdrage zou het Rijk daaraan (nog) kunnen leveren? Ik baseer me daarbij met graagte op een rapport dat onder mijn leiding in opdracht van de VNG is geschreven. Ter ondersteuning van de collegeonderhandelingen van het voorjaar van 2014 brachten wij het rapport Perspectief voor de steden uit.

De staat van de stad: twee gezichten

Steden zijn steeds meer de motor van economie en innovatie. Bedrijven profiteren van elkaars nabijheid en clusteren in steden. De kenniseconomie is de post-industriële economie aan het verdrijven, en gedijt goed in steden. De meeste steden groeien, zelfs als er geen nieuwe huizen meer worden gebouwd. Tegelijkertijd kondigt de bevolkingskrimp zich in de perifere delen van het land aan.

In de nieuwe economie van kennis en innovatie is een aantal zaken cruciaal: stedelijke dichtheid, de bereikbaarheid van andere steden én de kwaliteit van de leefomgeving (voorzieningen, cultuur, veiligheid ). Niet het aantrekken van bedrijven moet voorop staan, maar het aantrekken en behouden van mensen die voor die bedrijven aantrekkelijk zijn. Daarmee zijn de creatieve kenniswerkers interessant geworden voor elke stad. Tegenwoordig geldt: ’werken volgt wonen’. Overigens begint dat pas als er voldoende interessante banen zijn, anders komen die hoogopgeleiden ook niet.

Een florerend cultuurbeleid is van belang voor een welvarende stad. Mensen trekken naar steden vanwege hun (culturele) voorzieningen, bedrijven trekken naar steden vanwege de florerende arbeidsmarkt. Internationale bedrijven willen goede culturele voorzieningen voor hun mensen. Cultuur levert de stad ook veel direct economisch profijt op.

In dat opzicht is de stedelijke economie goed met een vliegwiel te vergelijken. Als het eenmaal draait hoef je niet zoveel te doen, om het draaiende te houden (Amsterdam). De banen gaan de mensen en de andere banen achterna. Maar als er stilstand is, is het erg ingewikkeld om de stedelijke economie in beweging te krijgen (Rotterdam, Heerlen). Hoogopgeleide mensen trekken weg en daardoor is de stad minder aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven. De triomf van de stad doet zich niet overal (zo maar) gelden.

Ook in ander opzicht heeft de ‘triomf van de stad’ twee gezichten. In de nieuwe stedelijke economie staan de hoogopgeleide werknemers wel erg centraal. Lageropgeleiden hebben het veel moeilijker, ook al omdat op de arbeidsmark verdringing plaatsvindt: veel hoogopgeleiden werken beneden hun werkelijk niveau. Bovendien kan de groei gemakkelijk leiden tot tot ruimtelijke uitsortering, waarbij de werklozen en de lage inkomens verschuiven naar de randen van de steden en naar de oude groeikernen. Ook dat succesvolle Amsterdam heeft in dat opzicht twee gezichten. 12,3% van de inwoners van Amsterdam leeft bijvoorbeeld onder de armoedegrens, tegen 11,6% in Rotterdam, dat de ‘triomf van de stad’ grotendeels aan zich voorbij ziet gaan. En die 12,3% woont voor een zeer groot deel buiten de Ring. In veel steden zijn de broedplaatsen niet aan te slepen, maar veel winkels moeten sluiten. Terwijl de nationale economie afhankelijker wordt van de steden, worden in die steden de verschillen tussen arm en rijk groter.

Natuurlijk is die stad veel complexer dan dat simpele praatje van de D66-stemmende hoogopgeleiden die onze welvaart op hun rug hebben genomen. Zo neemt in de steden de diversiteit in tal van opzichten toe. Het gaat om steeds meer nationaliteiten, het gaat om Turken en Marokkanen die vaak moeilijk werk krijgen, het gaat om MOE-landers die vaak een (laagbetaalde) baan hebben, het gaat om vluchtelingen, het gaat om hoog opgeleide zzp-ers en het gaat om expats die voor bedrijven een periode naar Nederland komen. Aan de onderkant zien we steeds meer arbeidsmigratie en steeds minder gezinsmigratie. In de war of talent is het van groot belang om je stad aantrekkelijker te maken voor de internationale kenniswerkers.

Naast de diversiteit is de dynamiek van belang. Steeds meer hebben de steden te maken met passanten, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant. Passanten worden structureel. Daarop zijn steden vaak nog onvoldoende ingericht. Ook in de achterstandswijken is er veel dynamiek (zeker in wijken met meer eigen woningbezit). De stad is een emancipatiemachine, hoewel niet iedereen boven komt. Veel migranten beginnen in bepaalde wijken (waar ze netwerken hebben, waar meer kans is op informele arbeid). Deze arrival neigbourhoods zijn niet het probleem, die zullen altijd blijven bestaan. Het gaat erom om mensen kansen te geven en om beleid te richten op mensen die er niet in slagen om verder te komen.

Daarom is het belangrijker om meer oog te hebben voor mensen en minder voor wijken (ook omdat de wijk in Nederland nauwelijks de kansen van de inwoner bepaalt). Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze arm en werkloos zijn en ze zijn niet arm en werkloos omdat ze in achterstandswijken wonen. Niettemin is de schaal van sommige achterstandswijken zodanig dat de problemen te veel kunnen cumuleren.

De twee gezichten van de stad vragen volgens Perspectief voor de steden om een brede agenda. In de komende jaren moet het niet alleen gaan over de economische groei, over de creatieve klasse, over de broedplaatsen, maar ook over de nieuwe armoede, de nieuwe woningnood, en het gebrek aan kansen. Al met al: het moet gaan om de sociaal-economische vitaliteit van de steden.

De agenda van de steden

Wat kan de stad doen? Hoe kunnen gemeentebesturen de stedelijke ontwikkeling versterken? In het rapport Perspectief voor de steden stond een groot aantal concrete en minder concrete voorbeelden van een stedelijke agenda. De commissie stelde drie dingen centraal:

  • Waar ligt de kracht van je stad? Wat is het verhaal van je stad? Kopieer niet het succesmodel van andere steden, maar weet wat jouw stad nodig heeft. Niet iedere stad ligt in een ‘valley’, niet iedere stad heeft baat bij een campus.
  • Het verhaal van de stad wordt vaak verteld door burgers. Daarom is het zo belangrijk om aan te sluiten bij de initiatieven van burgers. Een goed bestuur geeft ruimte aan de stad en ruim baan voor de burger.
  • Sectorale en solistische oplossingen werken niet meer. Het gaat om de verbinding. Economie en sociaal moeten worden verbonden. Duurzaamheid én cultuur zijn brede thema’s die in alle sectoren moeten terugkomen. En in stedelijke regio’s is een gezamenlijke aanpak van ‘stad en ommeland’ vereist.

Van daaruit werd de agenda van de stad geleidelijk ingevuld. Zo bepleitte de commissie onder andere:

  • Nieuwbouw moet gericht zijn op vergroting van de ‘massa’: verdicht binnen de agglomeratie. Herstructurering en transformatie van bestaande gebieden zijn vaak niet duurder dan nieuwbouw aan de randen van de agglomeratie, als niet alleen wordt gekeken naar de plan-exploitatie, maar ook naar het effect op de gehele stad.
  • Ontwikkel nieuwe woonmilieus voor hoger opgeleiden én voor middeninkomens. De hoger opgeleiden zijn aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven, woningen voor middeninkomens zijn aantrekkelijk voor migranten die gebruik maken van de emancipatiemachine die de stad ook is.
  • Het percentage sociale huur is in veel steden nog steeds veel te hoog. Regionale aanpak is hier onvermijdelijk.
  • Bij het grondbeleid moet het primair gaan om de ruimtelijke kwaliteit, de samenhang en de leefbaarheid van de stad.
  • Leegstaande gebouwen zijn een kans voor starters én voor burgerkracht. Het vraagt om: minder regels en flexibelere bestemmingsplannen. Vernieuw bestaande werkplekken in plekken voor kenniswerkers. Zet bestaande gebouwen om in woningen voor middeninkomens, voor doorstromende migranten.
  • De buurtinfrastructuur moet zowel sociaal en economisch krachtig zijn.
  • Heb continu overleg met het bedrijfsleven. Betrek ze bij voorbereiding en uitvoering van beleid. Wat economisch één gebied is, moet ook bestuurlijk als zodanig worden behandeld.
  • Kies voor concentratie van winkelbestand op stads- en wijkniveau.
  • Biedt meer ruimte en meer voorzieningen aan de internationale kenniswerker: veel internationale kenniswerkers zijn passanten (huur belangrijker dan koop, internationaal onderwijs).
  • De universiteitssteden investeren meer in huisvesting voor, talents scouting en het binden van internationale studenten.
    Sel je meer in op laaggeschoolde passanten. Short-stay-voorzieningen (‘Polenhotels’) zijn belangrijk. Ook scholen moeten beter worden toegerust op passanten.
  • Veel migranten wonen maar tijdelijk in achterstandswijken (hun arrival neigbourhoods). Voor hen is niet het verbeteren van de wijk prioriteit maar het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt (taal, stage, werk). Het verbeteren van achterstandswijken kan voor hen zelfs contraproductief zijn, omdat ze daardoor naar andere achterstandswijken worden verdreven. Voor veel migranten is het dus beter om de verschillen tussen wijken te accepteren.
  • Daar staat tegenover dat degenen die niet in staat zijn om de achterstandswijken te ontstijgen, recht hebben op een decente en veilige leefomgeving.
  • Waar de schaal van de achterstandswijken de problemen onbeheersbaar dreigt te maken kan worden overwogen de toestroom van nieuwe kwetsbare groepen tegen te gaan. Dat kan door nieuwbouw van betere woningen in achterstandswijken, door woningtoewijzing (op straat- en buurtniveau), door regionale afspraken te maken en door toepassing van de Rotterdamwet. Zo kan een opeenhoping van kwetsbare groepen en een te eenzijdig sociaal-economisch profiel worden voorkomen.
  • Ga aan de gang met de verhalen die in de stad leven. Ga andere steden niet kopiëren. Het gaat op het culturele DNA van je eigen stad. Daarin speelt cultuurhistorie een grote rol.
  • Regelgeving moet het culturele klimaat niet in de weg zitten
  • Werk aan de herbestemming van het culturele erfgoed. Creëer ontmoetingsplaatsen (free zones) voor creatieve elite en culturele voorlopers. Benut leeg vastgoed om je culturele infrastructuur te versterken.
  • Investeer in de creativiteit van mensen, van jongeren en van ouderen. Daar past cultuureducatie bij.
  • Denk bij culturele instellingen regionaal. Betrek de regio bij het investeren in cultuur in de eigen stad. Specialisatie in culturele voorzieningen.
  • Festivalisering past bij consumer city (en bij identiteit).
  • Biedt kunstenaars van elders de mogelijkheid om langer in Nederland te blijven, ook als ze niet meteen een baan hebben. Zoals dat ook voor kenniswerkers geldt.
  • Bibliotheken van de toekomst zijn kennisplekken, plekken van dialoog, een educatief centrum.

Wat blijft erover voor het Rijk?

Dit waren de belangrijkste aanbevelingen van de commissie. [Waarbij zij opgemerkt dat ik het thema duurzaamheid hier buiten beschouwing heb gelaten, omdat het voor dit onderwerp minder relevant is.] Wat laten die aanbevelingen zien?

De stedelijke economie laat zich vooral faciliteren en nauwelijks sturen. En ook het faciliteren heeft zijn grenzen. Dat oude binnensteden in trek zijn bij de hoogopgeleide kenniswerkers die je tegenwoordig nodig hebt, is zeer interessant, maar geeft weinig mogelijkheden voor het lokaal bestuur. Je hebt een oude binnenstad of je hebt geen oude binnenstad. En dat Rotterdam het al jaren matig doet, ondanks de steeds weer opvlammende hoop dat het nu echt beter wordt, ligt niet aan het gemeentebestuur. Het ligt aan de veranderde economische structuur in dit land, waardoor arbeiders niet meer gaan wonen in de omgeving van de fabrieken maar bedrijven zich vestigen in de buurt van de plekken waar de kenniswerkers willen wonen. Gechargeerd gezegd, maar globaal wel waar.

Beleid moet dus vooral in het teken staan van ‘go with the flow’. Niet tegen de stroom oproeien. Heel goed onderkennen hoe de ontwikkelingen gaan en in de sfeer van randvoorwaarden ondersteuning verlenen. Zorgen dat die woningen er zijn op korte afstand. Zorgen dat die cultuur er is. Zorgen dat de veiligheid is gewaarborgd. En vooral zorgen voor de bereikbaarheid van mensen en bedrijven. Laten we eerlijk zijn: de casus Rotterdam, om nog maar niet te spreken van de casus Heerlen, laat zien dat de overheid niet zo heel veel kan als het gaat om het fundamenteel aan de praat krijgen van de stedelijke economie. Wat dat betreft is de overheid van grotere betekenis voor de ‘achterkant van de medaille’: het sociale domein waarin de achterblijvers een plek zoeken.

En wat de overheid wel kan, is vooral een zaak van het lokaal bestuur. Om twee redenen. Ten eerste moet elke stad uitgaan van eigen kracht en het verhaal van de eigen stad scherp krijgen. Elke stad is anders en elke stad heeft zijn eigen kansen. Daarbij past geen generiek centraal beleid. Ten tweede vergt het beleid ter versterking van de stedelijke economie vooral kennis van de lokale omstandigheden en de lokale ontwikkelingen. Het vergt het geven van een klein duwtje op het juiste moment. Het is het aanvoelen van lokale behoeften. Dat is het werk van het lokaal bestuur.

Om die reden ben ik wel benieuwd wat de (Rijks) Agenda stad gaat opleveren. Ik ga er gemakshalve van uit dat het Rijk niet het werk van de steden wil gaan dupliceren. Dat is weinig zinvol en zou al gauw terecht de kritiek van ‘bestuurlijke drukte’ opleveren. En ik ga er ook vanuit dat het normale Rijksbeleid gericht op de bevordering van de economie niet op de Agenda stad zal staan. Het economisch klimaat verbeteren, het onderwijs op peil brengen, onderzoek en innovatie bevorderen. Allemaal van belang voor de economie in het algemeen en daarmee ook voor de steden. Maar dat is nog geen stedelijke agenda.

Wat resteert er voor de Agenda stad?

  • Het vergroten van de bereikbaarheid van de steden (ten behoeve van de agglomeratiekracht van de steden). Ik ben benieuwd welke nieuwe wegen en tunnels op de agenda verschijnen. Ik heb het gevoel dat de belangrijkste bereikbaarheidsproblemen van de steden tegenwoordig de toegang tot die steden betreffen. Is dat Rijksbeleid? Of is dat door het Rijk gefinancierd stedelijk beleid?
  • De systeemverantwoordelijkheid voor cultuur en onderwijs. Gaat het Rijk weer meer geld besteden aan cultuur, wat vooral de steden ten goede zal komen? Of mogen we dat na de ingreep van Zijlstra de komende jaren juist niet verwachten? En gaat het Rijk meer geld ter beschikking stellen van de scholen in de achterstandswijken? Het is al een oude wens.
  • De systeemverantwoordelijkheid voor de universiteiten: het is opvallend dat buitenlandse universiteiten veel meer bedrijven aan zich weten te binden dan de Nederlandse. We zouden nog meer aan de bekostiging van de universiteiten kunnen veranderen opdat valorisatie echt aantrekkelijk wordt.
  • Het verkleinen en/of verschuiven van immigratiestromen: ik geloof er niets van dat de Agenda stad zal leiden tot een ander immigratiebeleid. [Evenmin mogen we verwachten dat het veiligheidsbeleid fundamenteel verandert door de Agenda stad.]
  • De systeemverantwoordelijkheid voor het binnenlands bestuur: wie de stad meer kansen wil geven zal het eigen belastinggebied van het lokaal bestuur moeten vergroten. Ik kan me voorstellen dat op dat gebied veranderingen te verwachten zijn. Maar we weten ook allemaal dat het vergroten van het lokale belastinggebied kan leiden tot grotere verschillen tussen gemeenten en met name tussen rijke en arme gemeenten. Het is de vraag of de politiek daar aan wil (en moet willen).
  • Ik daag de regering graag uit om werk te maken van de reorganisatie van het binnenlands bestuur. Structuurwijzigingen zijn niet heilig, maar waarom vallen grote delen van Amsterdam onder het regime van andere gemeenten? Het wordt tijd om de opschaling van de gemeenten kracht bij te zetten, om de randgemeenten en de centrumgemeenten onder één bestuur te plaatsen en om de provincies op te heffen. Maar laten we niet weer de eeuwige ‘dans van de kalkoenen’ opvoeren. Al die oudere bestuurders die komen melden dat hun gemeente of hun provincie niet mag worden opgeheven. Ik hoop dat een paar onderhandelaars met een oppervlakkige kennis van het binnenlands bestuur bij de volgende kabinetsformatie in een vermoeid moment bij het ingaan van de nacht Nederland een nieuw binnenlands bestuur zullen geven. In ieder geval verwacht ik op dit moment niets na het mislukken van de ‘superprovincie’.
  • Kennis over de stad: het Rijk zou de gemeenten kunnen helpen met inhoudelijke kennis over de ontwikkeling van steden. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Het op voorhand niet duidelijk dat het Rijk meer van de ontwikkeling van de stedelijke economie weet dan de steden zelf.

Helaas, het is een mager lijstje. En ik vrees dat het lijstje van de Agenda stad uiteindelijk nog magerder wordt. Ten eerste omdat het Rijk, naar te vrezen valt, eerder bij de steden op schoot zal gaan zitten, dan dat het zijn meerwaarde haalt uit zijn eigen specifieke bevoegdheden (City deals staan voor mij symbool voor overheden die afspraken maken over zaken die ze al lang van plan waren). Ten tweede omdat het Rijk naar verwachting relatief te veel aandacht zal besteden aan processen en procesinnovatie en te weinig aan de inhoudelijke problemen van de steden.

Eerlijk gezegd verrast het me niet dat Stef Blok met graagte dit onderwerp, dat in feite uit zijn eigen afdeling stamt, aan Ronald Plasterk heeft overgelaten.

 

[opgenomen in V. de Witte et al. (red.), De VNG onder voorzitterschap van Annemarie Jorritsma, Den Haag, 2015, pp. 103-111]

 

De economie en het imago van Rotterdam

oktober 28, 2014 by  
Filed under artikel

Rotterdam heeft een prachtige Markthal. Terecht heeft deze prachtige architectuur van MVRD (ook al uit Rotterdam) veel aandacht gekregen in de media. Terecht gaan veel mensen even kijken. En terecht wordt de vraag gesteld: zal die nieuwe Markthal de stad Rotterdam uit het slop trekken? Met Rotterdam gaat het immers niet goed. De nationale economie steunt en kreunt, maar de verschillen tussen de steden zijn wel erg groot. Amsterdam doet het goed, Utrecht doet het goed, Den Haag doet het veel minder en Rotterdam is ronduit zwak. Het is dus goed dat de gemeente alles uit de kast haalt om de zwakke Rotterdamse economie impulsen te geven. Is de Markthal zo’n impuls?

Laten we eerst eens kijken wat de werkelijke problemen van Rotterdam zijn. Ik probeer dat eerlijk te doen, zonder een teveel aan chauvinisme. Het kernprobleem van Rotterdam is de lokale arbeidsmarkt. Te veel mensen zijn te laag opgeleid en de hoogopgeleiden hechten zich te weinig aan de stad. Veel studenten van de Erasmus blijven na hun afstuderen niet in de stad wonen. En dat is erg, want veel bedrijven willen zich vooral daar vestigen waar veel hoogopgeleiden zijn.

Veel studenten hebben een goed weerwoord: waarom zouden wij in de stad blijven wonen, als we hier geen werk kunnen vinden!? De kip en het ei. Om nieuwe werkgelegenheid aan te trekken moeten hoger opgeleiden in de stad blijven wonen. Maar hoger opgeleiden kunnen hier maar mondjesmaat werk vinden. Rotterdam verkeert dus in een patstelling.

De stad zou dus twee dingen moeten doen: hoger opgeleiden verleiden om te blijven (of te komen) en bedrijven aantrekken die hoger opgeleiden een baan kunnen bieden. Ik vrees dat die bedrijven voorlopig niet komen. Dat zien we aan de leegstand. Blijft over: hoger opgeleiden verleiden. Misschien verleidt de Markthal hen om in Rotterdam te komen wonen. Misschien verleiden de kluswoningen afgestudeerden om in Rotterdam te blijven. Ja zeker, de Van Nellefabriek verleidt hoogopgeleiden om in de stad te komen wonen. Maar het gaat te langzaam. Het gaat al jaren veel te langzaam. Ik ben dol op Rotterdam, ik zou het wel weten, hoewel ook ik niet in Rotterdam woon. Maar velen weten het niet. Die vinden Rotterdam een koude stad, een harde stad, een stad met veel problemen. En ook het gemeentebestuur draagt daaraan bij. Ik weet niet of doelgroep meteen enthousiast wordt van een stad waarvan de vorige burgemeester altijd zei ‘dat wij alle slechte rijtjes aanvoeren’: armoede, werkloosheid, probleemgezinnen, criminaliteit. En hoe aantrekkelijk is een stad met een grote aanhang voor PPV en Leefbaar voor mensen die zich vooral bij D66 lijken thuis te voelen?

 

[geschreven voor Studievereniging Cedo Nulli]

#markthalrotterdam, één zwaluw aan einde van de zomer

oktober 3, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

rotterdam31Ja, ik was er! In de #markhalrotterdam van MVRDV, van Winy Maas en van Anton Wubben. Ik ben naar binnen gegaan, ik heb de drukte gezien. Ik heb langs de stallen geschuifeld en heb gevulde speculaas gekocht, zoals ik dat elk najaar doe. Het gebouw heeft veel publiciteit gehad. Er wordt ook veel van verwacht, zoals in Rotterdam altijd veel wordt verwacht van nieuwe iconen.

Ik twijfel niet: het is nu al een icoon. Zoals al die mensen zich een weg banen door de ingang en dan vol verwachting én beduusd rondkijken. Dat is heel bijzonder. Maar het gebouw kan uit meerdere perspectieven worden bekeken.

Architectuur: het is natuurlijk een kwestie van smaak, maar ik geloof zeker dat hier een heel bijzonder gebouw is verrezen. Het is echt MVRDV en toch ook weer volstrekt nieuw. Zeker als het gebouw economisch een succes wordt, zal het architectonisch alle gidsen halen.

Stedebouw: het gebouw past in de lange traditie van Rotterdam dat ‘elke lege plek kan worden volgebouwd’. Dat wreekt zich ook hier. De stad mist nog steeds een heldere stedebouwkundige visie op de binnenstad. Het gevolg is dat de Wilhelminapier unheimisch is geworden. Dat het Weena geen wandelpromenade is geworden, dat de Boompjes geen Maasboulevard zijn geworden. En hier vormt de Markthal geen geheel met de omgeving. In de zon is het stralend, in de regen kan het wel eens heel guur worden.

Toerisme: de Markthal zal ongetwijfeld toeristen trekken. Architectuurtoeristen. Dagjesmensen. Maar de vraag is natuurlijk hoeveel mensen dat zullen zijn en hoeveel geld ze de stad inbrengen. Ik hou van Rotterdam, ik ben dol op die stad. Ik heb er gewoond, met veel plezier. Maar het is geen toeristenstad, zoals Amsterdam. Zelfs het aantal cruiseschepen dat aanlegt in Amsterdam is vele malen groter dan het aantal schepen in Rotterdam. Bovendien staat in Rotterdam de bus klaar voor Delft en Volendam. Niet voor Rotterdam. Rotterdam is nu eenmaal voor veel buitenlandse toeristen veel gewoner dan die grachtengordels. En voor veel Nederlandse toeristen is Rotterdam te koud, te winderig.

Detailhandel: ik verwacht dat er de komende jaren veel bezoekers in de Markthal zullen komen. De Markthal is geen echte concurrent van de aanpalende markt. Het prijsverschil lijkt me te groot. Maar het is wel een concurrent van andere winkels in de stad. Dan is de grote vraag: verdient de Markthal zichzelf terug uit toerisme, of treedt er ook binnen de stad een verschuiving op. Wie kent nog Alexandrium III, de meubelboulevard in Alexanderpolder? Veel meubelwinkels trokken indertijd weg uit de binnenstad, om nu een troosteloos bestaan te leiden in een stil winkelcentrum. De Markthal heeft betere kansen (lijkt het nu), maar zal ongetwijfeld geld wegzuigen uit andere delen van de binnenstad. En dat in een tijd waarin heel veel winkels het erg moeilijk hebben door het shoppen op het internet.

Stedelijke economie: mogen we nog meer van de Markthal verwachten? Krijgt de Rotterdamse economie er als geheel een impuls door? Met de stedelijke economieën is de laatste decennia iets boeiends aan de hand. Vroeger volgde ‘wonen werken’. Aan de monding van de Maas vestigden zich bedrijven. De mensen uit de provincie trokken naar Rotterdam voor werk. Die teneur bleef lang bestaan. Daarom was het aantrekkelijk voor gemeentebesturen om bedrijven aan te trekken. Daardoor groeide de werkgelegenheid en groeide de stad. Hoe anders is dat tegenwoordig. Bedrijven vestigen zich nu vooral waar geschikte arbeidskrachten wonen. ‘Werken volgt wonen’. En het probleem van Rotterdam is dat de lokale arbeidsmarkt te weinig aansluit bij de nieuwe kennisintensieve bedrijven die werkgelegenheid zouden kunnen bieden. De opleiding van de Rotterdamse bevolking is gemiddeld genomen gewoon veel te laag. En daarom komen er te weinig bedrijven en blijft de werkloosheid hoog. Wie de stedelijke economie van Rotterdam wil versterken moet dan ook vooral twee dingen doen: hoogopgeleiden aantrekken en hoogopgeleiden vasthouden. Geen kantoren bouwen (waar de gemeente uit gebrek aan nieuwe bedrijven zelf zijn intrek neemt), maar kluswoningen verkopen. De studenten van de Erasmus Universiteit moeten niet massaal de stad verlaten als ze zijn afgestudeerd. De stad moet voor afgestudeerden veel attractiever worden. Helpt de Markthal daarbij? Wellicht een heel klein beetje. Dat is goed, maar er zal veel en veel meer moeten gebeuren.

De economie bepaalt de ontwikkeling van de stad

maart 11, 2013 by  
Filed under De Stad

Een historicus zal zich over een eeuw wellicht afvragen waarom Rotterdam rondom 2000 zoveel hoge kantoren heeft gebouwd in de binnenstad. In de jaren ’80 ging het om de Boompjes aan de Maas, in de jaren ’90 om het Weena bij CS en daarna om de Wilhelminapier op Kop van Zuid. De reden was simpel: Rotterdam zag de werkgelegenheid in de haven snel teruglopen en wilde nieuwe bedrijven aantrekken in de sfeer van de zakelijke dienstverlening. Op het eerste gezicht leek het beleid succesvol. Wie echter beter keek zag dat veel nieuwe kantoorgebouwen werden betrokken door bedrijven die al lang in Rotterdam gevestigd waren. Of nog erger: door de gemeentelijke overheid. Zo betrekt binnenkort het Gemeentelijk Ontwikkelingsbedrijf de nieuwste toren op de Wilhelminapier.

De nieuwbouw leidde dus nauwelijks tot het aantrekken van nieuwe bedrijven, maar vooral tot het verplaatsen van bestaande bedrijvigheid. Je zou kunnen zeggen dat de gemeente beter een ander beleid had kunnen voeren. Maar dat zou niet terecht zijn, omdat we pas achteraf kunnen vaststellen dat de economische structuur veranderingen heeft ondergaan en daarmee ook het vestigingsgedrag van bedrijven.

In dat verband is het boek van Gerard Marlet, De aantrekkelijke stad, heel leerzaam. Hij laat daarin zien hoe het vestigingsbeleid van bedrijven door de jaren heen is veranderd. Bedrijven vestigden zich ‘vroeger’, in de negentiende eeuw, bij voorkeur in de nabijheid van havens, rivieren of kolenmijnen. Daar waren hun grondstoffen te vinden, of eenvoudig aan te voeren. En als bedrijven eenmaal een plek hadden gevonden, kwamen de arbeiders vanzelf. Zoals geografen en ruimtelijk economen zeggen: wonen volgde werken. Zo werd het Ruhrgebied belangrijk, zo kon Rotterdam in enkele decennia uitgroeien tot een grote stad. Zoiets laat zich niet zo maar wegpoetsen. Dus nog steeds zijn de gevolgen van de locatiekeuzes van bedrijven in de negentiende eeuw goed zichtbaar op de Nederlandse kaart.

Toch geeft deze oude ‘theorie’ allang geen verklaring meer voor het huidige succes van steden. Nieuwe theorieën zijn daarvoor nodig. Met name iemand als Paul Krugman heeft daaraan fors bijgedragen. Omdat de betekenis van (transport van) grondstoffen sterk afnam, werden andere overwegingen steeds belangrijker voor de locatiekeuze van bedrijven. Voortaan ging het vooral om de nabijheid van bevolkingsconcentraties. Bevolkingsconcentraties hebben veel te bieden voor bedrijven. Er zijn veel toeleveranciers gevestigd. Er wonen veel werknemers. En omdat al die werknemers bij elkaar wonen, leren ze van elkaar en worden ze daardoor productiever (zoals we eerder zagen). En niet te vergeten: in bevolkingsconcentraties wonen veel klanten. En hoe dichter bij de afzetmarkt, hoe sneller en goedkoper kan worden geleverd. Dit alles verklaart waarom steden in de Randstad in vergelijking met andere steden zo’n sterke positie hebben.

De theorie verklaart ook waarom groeiende steden steeds maar sterker kunnen worden. De nieuwe bedrijven trekken nieuwe werknemers, waardoor de lokale afzetmarkt en arbeidsmarkt nog aantrekkelijker worden voor bedrijven. Juist daarom voert het gemeentebestuur van Heerlen een ongelijke strijd tegen de Randstad. Overigens treden na verloop van tijd ook schaalnadelen op van bevolkingsconcentraties. De grondprijzen en de kantoorprijzen worden soms te hoog en de files gaan de bereikbaarheid verstoren. Het verklaart waarom de Randstad wat aan kracht heeft verloren in de laatste decennia, ten gunste van de schil erom heen. Hoe goed de theorie van Krugman en de zijnen ook is, zij verklaart niet waarom Amsterdam en Utrecht het de laatste jaren zoveel beter doen dan Den Haag en met name Rotterdam.

Om deze verschillen te verklaren verwijst Marlet naar een nieuwe theorie, die niet start bij de voorkeuren van bedrijven, maar bij de voorkeuren van mensen. Omdat sommige steden veel aantrekkelijker zijn om te wonen, trekken zij met name meer hoogopgeleiden aan. En hoogopgeleiden zijn productiever, geven meer geld uit en starten vaker een eigen bedrijf. Zo vestigen bedrijven, op zoek naar goede werknemers, zich tegenwoordig graag in steden die aantrekkelijk zijn voor mensen. In jargon: ‘werken volgt wonen’. Uit het onderzoek van Marlet blijkt dat Amsterdam, Utrecht en Haarlem voor burgers tot de vijf aantrekkelijkste steden van het land behoren. Daarmee verklaart hij waarom de Noordvleugel van de Randstad het zoveel beter doet dan de Zuidvleugel.

Maar hoe zit het dan met twee heel aantrekkelijke woonsteden als Groningen en Maastricht? Hoe goed die het ook doen, het valt niet te ontkennen, dat ze het beter zouden doen als ze in de Randstad zouden hebben gelegen. Heeft Krugman dan nog steeds een beetje gelijk? Inderdaad, beide theorieën zijn op dit moment waar. Daarom telt Rotterdam nog steeds heel veel arbeidsplaatsen. En daarom komen die nieuwe bedrijven niet naar Rotterdam, alleen omdat de gemeente nieuwe kantoorgebouwen neerzet. Rotterdam zou er beter aan doen om ervoor te zorgen dat een groter deel van de vele afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad blijft wonen. Dan komen de bedrijven vanzelf. En als ze komen (vanwege die hoogopgeleide inwoners van de stad), heb je nog genoeg tijd om kantoorruimte vrij te maken.

In de stad ben je productiever

maart 4, 2013 by  
Filed under De Stad

cc-bridge-commuteWaarom vestigen bedrijven zich eigenlijk in steden? De grondprijzen zijn er hoger, waardoor bedrijfsgebouwen duurder zijn en de werknemers hogere woonlasten hebben. De loonkosten zijn er hoger, omdat werknemers in steden gemiddeld meer verdienen dan op het platteland. Ja, waarom trekken niet alle bedrijven naar het platteland? Oost-Groningen zou toch eigenlijk heel aantrekkelijk zijn voor een bedrijf: je koopt voor een habbekrats een bedrijfsgebouw en de lonen van de werknemers zijn er veel lager.

En toch gebeurt dat niet. De reden is tamelijk simpel: in de steden zijn bedrijven productiever dan op het platteland. En daarmee bedoel ik niet dat het gemiddelde bedrijf in de stad productiever is dan het gemiddelde bedrijf op het platteland. Nee, eenzelfde bedrijf in Veendam is 5 tot 7% minder productief dan hetzelfde bedrijf in Amsterdam. In jargon: dus wanneer we bijvoorbeeld ‘controleren’ voor de opleiding van de werknemers en voor het soort werk.

Het is ongeveer de hamvraag van de ruimtelijke economie. Waarom is een bedrijf in de stad zoveel productiever dan zijn identieke evenknie op het platteland? Wie een helder antwoord op die vraag wil krijgen moet eens met Frank van Oort gaan praten. Frank is hoogleraar stedelijke economie aan de Universiteit van Utrecht. Hij doceerde een paar weken geleden voor een leergang van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, waarvan ik de trekker ben.

Frank doceert en grijpt terug naar Marshall die al in 1890 schreef over de agglomeratievoordelen van de stad. Zo heeft Amsterdam drie voordelen boven Veendam. Ten eerste hebben bedrijven in Amsterdam minder zoekkosten. Dit geldt zowel voor personeel als voor subcontractors. Er bieden zich veel meer mensen aan als werknemer en veel meer bedrijven als subcontractor. In Veendam ligt dat anders. Daar zal een bedrijf hogere kosten hebben om voldoende goede mensen te vinden.

Ten tweede is de arbeidsmarkt in Amsterdam niet alleen veel omvangrijker, maar ook gewoon beter van kwaliteit. Oké, de lonen liggen in Amsterdam hoger, maar daar krijg je dan ook wat voor. Ook als het om dezelfde functies gaat. Het is een heel oud gegeven dat de betere werknemers naar de steden trekken en de minderen achterblijven op het platteland. Dat drukt de gemiddelde kwaliteit van de gemiddelde werknemer in Veendam.

Ten derde zorgt een concentratie van bedrijven, zoals je die in de steden kent, voor ‘kennis spillovers’. Bedrijven leren van elkaar. In de stad zit kennis ‘in de lucht’. Niet alleen omdat werknemers van verschillende bedrijven met elkaar praten. Maar ook omdat steden vaak veel kennisinstellingen kennen, die hun contacten met het bedrijfsleven hebben.

Het is binnen de ruimtelijke economie een oude discussie of vooral identieke bedrijven van elkaar leren dan wel bedrijven die sterk van elkaar verschillen. Bloeit de economie vooral van homogene clusters van bedrijven of juist van diverse clusters? De bedrijfseconoom Porter is aanhanger van de eerste these, de econoom Glaeser van de tweede. Veel onderzoek is er inmiddels gedaan om aan te tonen wie van hen beiden gelijk heeft. De helft van de studies geeft aan dat diversiteit belangrijker is (Glaeser heeft gelijk!), de andere helft van de studies geeft aan dat specificiteit belangrijker is (Porter heeft gelijk!).

Frank van Oort kiest een interessante tussenpositie. Volgens hem moeten clusters van bedrijven worden gekenmerkt door ‘gerelateerde diversiteit’. Juist dan zullen we baat hebben van elkaars nabijheid. En zullen ze van elkaar kunnen leren. Die gedachte oogt logisch. Bedrijven die volledig identiek is, hebben wellicht te veel gemeen om nog veel van elkaar te kunnen leren. Bedrijven die te sterk van elkaar verschillen, hebben elkaar wellicht minder te melden. Dus: de stedelijke economie heeft baat bij een zeker profiel, maar niet bij een monocultuur.

Daarmee doemt de vraag op wat het lokaal bestuur kan doen om de productiviteit van de lokale bedrijven verder te vergroten (en bovendien de eigen stad nog aantrekkelijker te maken voor andere bedrijven). De drie argumenten van de ruimtelijke economie kunnen ons hierbij goed helpen.

Eén: in de stad zijn meer potentiële werknemers en meer potentiële subcontractors bereikbaar. Omdat ze dichtbij wonen. Maar dichtbij wonen is relatief. Als het verkeer vast staat in de file kan dichtbij nog heel lang duren. En als er een fantastisch net is van vervoersmodaliteiten is verder weg ook nog dichtbij. Het vergroten van de bereikbaarheid kan dus sterk bijdragen aan de stedelijke economie. Bereikbaarheid is ook figuurlijk van belang: de arbeidsmarkt moet goed functioneren om vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Daar kan bijvoorbeeld het UWV belangrijk werk verrichten.

Twee: de kwaliteit van de stedelijke arbeidsmarkt vergroot de productiviteit van de bedrijven in de stad. De ene stad is aantrekkelijker om te gaan wonen dan de andere. Voor veel mensen is Amsterdam een aantrekkelijker woonplek dan Rotterdam (waarschijnlijk omdat ze Rotterdam onvoldoende kennen). Die aantrekkelijkheid van steden is voor een belangrijk deel een gegeven. Rotterdam heeft geen grachtengordel. Maar het lokaal bestuur kan er wel veel aan doen om de aantrekkelijkheid te vergroten. Zo is het bezuinigen op cultuur in dat licht niet erg logisch. En het bouwen van corporatiewoningen aan de Maas is charmant, maar wellicht minder goed voor de stedelijke economie. Nee, de stad moet juist nog aantrekkelijker worden gemaakt voor die werknemers die de productiviteit van je bedrijven verder zullen verhogen. Hoe aantrekkelijker je stad, hoe beter de stedelijke arbeidsmarkt en hoe productiever je bedrijven.

Drie: clusters van bedrijven leren van elkaar en de combinatie met kennisinstellingen maakt de stedelijke economie nog productiever. Op dit terrein zijn nogal wat steden actief, terwijl het tegelijkertijd om de weerbarstigste factor gaat. De ontwikkeling van een ‘campus’ (een locatie voor bedrijven en universiteit) kan heel positief zijn. Maar je bent niet meteen een ‘valley’ als je die naam eenmaal hebt bedacht.

De uitwisseling tussen kennisinstellingen en bedrijven gaat immers niet vanzelf als ze in elkaars nabijheid verkeren. Enige decennia geleden ontwikkelde de gemeente Rotterdam een ‘brainpark’ naast de Erasmus Universiteit. Omdat het gebied erg gunstig was gelegen voor de automobilist, waren de kavels snel uitverkocht. Uiteindelijk bleek maar één bedrijf een relatie te hebben met de universiteit.

In Leiden deed de gemeente dat beter. Daar werd een groot terrein naast het Universitair Medisch Centrum bestemd voor biomedische bedrijven. Door nauwlettend toe te zien op de uitgifte van de kavels heeft zich inderdaad een cluster van biomedische bedrijven gevormd. De verkoop van kavels werd dus gekoppeld aan een helder profiel.

Maar ook dan is een vruchtbare uitwisseling tussen universiteit en bedrijfsleven nog geen gegeven. De Nederlandse universiteiten zijn minder op ‘valorisatie’ (benutting van kennis in het bedrijfsleven) gericht dan elders het geval is. Om dat te verbeteren is nationaal beleid nodig. De gemeente heeft nauwelijks instrumenten om universitaire wetenschappers meer te laten samenwerken met bedrijven in de omgeving.