Peter Boelhouwer: nieuwbouw buiten stad is onvermijdelijk

november 14, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met Peter Boelhouwer

 

De wereld van de volkshuisvesting, tegenwoordig zeggen we ‘wonen’, is een boeiende wereld met boeiende en authentieke denkers. Peter Boelhouwer is daar één van. Hij is hoogleraar huisvestingssystemen en afdelingsvoorzitter van het OTB, een afdeling van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft, dat zich met vele vragen rondom wonen bezighoudt. Boelhouwer is dus de aangewezen man om een ander aspect van die Triomf van de stad te belichten. De kenniseconomie versterkt de trek naar de stad, de behoefte aan huizen is in sommige steden enorm. Tegelijkertijd worden de kansarmen geleidelijk uit de stad weggedrukt. Het gesprek gaat met name over die spanning.

Woningbouw en demografie hebben veel met elkaar te maken. Daarom start ik het gesprek met de demografie. In de laatste voorspellingen van het CBS blijft Nederland nog steeds maar groeien, tot 2060. Ik vraag Boelhouwer hoe dat toch komt, terwijl er zoveel stagnatie is in heel Europa? Boelhouwer nuanceert meteen: Duitsland krimpt echt. Van 80 miljoen naar 60 miljoen. Maar Engeland is precies andersom van 60 naar 80. Al is nog onduidelijk wat de effecten van Brexit op de demografie van VK zal zijn.

Nederland is heel aantrekkelijk

In het algemeen moeten we dus vaststellen dat bepaalde delen van Europa groeien, en andere krimpen. Nederland doet het als welvaartsstaat en als gebied om te wonen hartstikke goed. Van de studenten die aan de TU promoveren, komt 80% uit het buitenland. En heel veel van hen willen hier blijven. Nederland heeft gewoon een heel aantrekkelijk leefklimaat. We zijn goed georganiseerd. We zijn een open economie. Iedereen spreekt Engels. Die kenniseconomie trekt heel veel buitenlanders. Maar het zit op alle niveaus. We hebben weer meer maakindustrie, waar we buitenlanders voor nodig hebben. Land- en tuinbouw hebben steeds meer buitenlanders nodig. Zo zien we in het laatste jaar een stijging van de bevolking met bijna 90.000 inwoners. Maar het vestigingsoverschot is 66:000 en het geboorteoverschot is 20:000. We groeien dus vooral door de trek naar Nederland. En dat geboorteoverschot wordt ook nog eens voor een belangrijk deel bepaald door kinderen van immigranten. Vooral in de steden zien we heel veel immigranten. Ze zijn zeker geen geen afspiegeling meer van het land.

Toch blijft het volgens Boelhouwer moeilijk om de verdere ontwikkelingen te voorspellen. Dat heeft sterk te maken met de onvoorspelbaarheid van de migratie. Daarom werkt het CBS met enorme bandbreedtes bij hun voorspellingen. Betrouwbaarheidsmarges van 60%, daar kan je in de wetenschap niet mee aan komen. Op de langere termijn zagen we dat de voorspellingen erg moesten worden bijgesteld door de komst van de pil. Die voorspelde 20 miljoen mensen zijn er nooit gekomen.

Ik vraag Boelhouwer wat dat betekent voor de bouw van nieuwe woningen. Als de groei zo moeilijk valt te voorspellen. Ik suggereer dat de behoefte aan woningen over het algemeen altijd hoger is ingeschat dan er daadwerkelijk is gebouwd. Die gedachte blijkt onjuist. Want er worden op nationaal niveau geen bouwprognoses meer gemaakt. Bovendien is de woningmarkt is flexibel. Als er krapte is blijven studenten langer thuis wonen. Mensen gaan samen in één huis wonen, met die ‘friendscontracten’ bij corporaties bijvoorbeeld. Je hebt veel substituten bovendien. Stacaravans. Vakantiewoningen. Tegenwoordig is er heel veel anti-kraak. Er is dus een grote flexibele schil om die woningmarkt heen. De markt bepaalt of die schil groot genoeg is. Maar het Rijk maakt geen woningbouwprogramma’s meert. De provincies doen dat wel en ook gemeenten voor hun eigen grondgebied.

De steden bestaan uit twee groepen, de middeninkomens ontbreken

De demografische ontwikkelingen van de Nederlandse steden worden door twee vragen bepaald. Welke groei zal de Nederlandse bevolking te zien geven en welke regionale verschillen zijn er binnen het land te verwachten. Ook daar nuanceert Boelhouwer: de groei zit natuurlijk in de steden. Men trekt vooral naar de steden. Maar de laatste jaren kennen de steden weer een vertrekoverschot als het om de binnenlandse migratie gaat. Er verlaten meer mensen de stad naar de omliggende gemeenten dan omgekeerd. Maar de steden groeien omdat dit binnenlandse tekort vanuit buitenland fors wordt gecompenseerd. De stad is natuurlijk broedplaats en opvangplek voor al die mensen die van buiten komen.

Toch is het wel begrijpelijk dat je weer meer gezinnen de stad ziet verlaten, behalve uit Rotterdam. Je kan met kinderen in een stad bijna niet meer fatsoenlijk wonen, tenzij je een heel hoog inkomen hebt. Ja in de Vinexwijken. Maar is dat stad? Utrecht heeft die hele stad erbij gekregen, dat is Leidsche Rijn. Heeft hele andere kenmerken. Lijkt meer op Nieuwegein dan op binnenstad van Utrecht. Dus al die statistieken van de stad moet je met een korrel zout nemen. En er was een crisiseffect. Die hele woningmarkt is bevroren geweest. Transacties waren gehalveerd. Nu zien we een inhaalslag van verhuizingen. Maar let wel, de mensen die vertrekken doen dat niet omdat ze weg willen, maar bij gebrek aan keuze. Als ze wel een betaalbare woning zouden kunnen vinden zouden ze graag in de stad willen blijven. Dat is anders dan in de jaren 60 en 70 toen mensen de steden ontvluchten.

Let wel: de steden bestaan steeds meer uit twee groepen. Aan de ene kant heb je de sociale woningbouw. Die mensen blijven zitten, zolang die sociale woningbouw er is. Er zijn wachtlijsten van tot wel 10 jaar. En daar komen asielzoekers bij die daar misschien werk kunnen vinden. Aan de andere kant heb je de hogere inkomen. En veel middenklasse woont suburbaan. Door de Triomf van de stad blijft de middenklasse wel meer in de stad wonen dan vroeger. De beroemde bakfiets-generatie. Die middenklasse bestaat in feite uit drie categorieën. Een deel blijft in de stad. En deel gaat naar de randgemeenten. En een deel zou in de stad willen blijven wonen, maar kan het niet omdat er te weinig fatsoenlijke en betaalbare woningen zijn. In Parijs en London is dat proces al veel verder voortgeschreden. De middenklasse kan daar niet meer blijven wonen. Of ze moeten een woning delen. In Moskou kan je wonen als je een woning van de staat hebt gekregen. Maar hoe kom je er anders nog in? En de prijzen in Amsterdam stijgen nu ook als een gek. Waar dat ophoudt? Ik weet het niet, maar voorlopig zeker niet.

Bijna alles wordt door de ruimtelijke ordening bepaald

Het is fundamenteel anders dan in de jaren 60 en 70. Toen zag je die trek naar buiten, die suburbanisatie. Die had volgens Boelhouwer alles te maken met de komst van de auto. En toen wilden we liever niet in de stad wonen. Die steden van toen hadden weinig voorzieningen en waren verpauperd. Toen de gentrification kwam, werden steden weer interessant. En dat is een hele bijzondere ontwikkelingen, want uitbreidingen van steden waren altijd suburbaan, vaak aan de rand van de reeds bestaande bebouwing. Oog en Al en Tuinwijk bij Utrecht. Daarna die modernistische wijken met die hoogbouw en veel groen. Er is nooit uitbreiding van de echte stad geweest. Daarna kwamen die groeikernen. Door infrastructuur en treinen kon dat. Altijd zijn die uitbreidingen er geweest voor de middenklasse. Door vervoer konden we verder gaan en met Vinex zijn we weer een stapje teruggegaan. En dat alles werd door ruimtelijke ordening bepaald. Ook voor de oorlog die tuinsteden, dat waren suburbane rustige woonmilieus. Alleen gentrification is een nieuw element. Heeft te maken met opkomst van jongerencultuur. Met studenten. Wie studeerde er vroeger nu? Dat waren een handjevol mensen. En kunstenaars hadden we ook veel minder. En daarmee begint de gentrification. Kunstenaars maken er iets leuks van. Dan komen mensen met geld erin. En aan het einde is het van Trump. Dan is het ook weer weg. Dat is ook zo’n discussie: is gentrification nu goed of slecht?

Ik vraag Boelhouwer waar we moeten bouwen. Moet je, omdat de steden groeien, meer in de stad bouwen. Of gaan mensen gewoon weer naar groeikernen, als je daar weer meer zou bouwen? PBL-directeur Hajer suggereerde dat ooit. Zijn stelling was dat steden de laatste decennia groeien omdat de nieuwe huizen weer binnen de gemeentegrenzen worden gebouwd door Vinex. Als je ze daar niet meer bouwt, maar weer in Zoetermeer, dan gaan mensen weer naar Zoetermeer. Boelhouwer is het daar deels mee eens. Hij zegt: die redenering is te gemakkelijk. Want de bevolkingssamenstelling van de stad verandert wel. De stad bestaat voor driekwart uit één- en tweepersoonshuishoudens. Voor de helft uit alleenstaanden. Als je die Vinex eraf zou halen, zou het beeld nog even schever zijn. En de groei zit vooral in dat soort huishoudens. Alleenstaanden en ouderen. Dat er meer vraag naar de stad komt vanuit demografie, dat begrijp ik wel. Het aantal gezinnen daalt een beetje. Demografische ontwikkeling is een heel belangrijke verklaring voor de groei van de stad.

Niet veel mensen willen echt stedelijk wonen

Als je sommige gemeentebestuurders hoort, zou je denken dat iedereen in de stad wil wonen. Boelhouwer is echt op de hoogte van de woningbehoefte van burgers. Hij vertelt dat er over 20 jaar nauwelijks iets is veranderd in de woningbehoefte. “Het is zo stabiel als de pest.” Er is altijd maar 10 tot 15% die grootstedelijk wil wonen. Hij nuanceert meteen: dit gaat wel om onderzoek onder huishoudens met inkomens vanaf modaal. De rest kan toch niet kopen. Het gaat om mensen die iets te kiezen hebben. Het grootste deel wil groen-stedelijk wonen, dichtbij de voorzieningen. Vinex! Daarom is Vinex zo’n doorslaggevend succes! Korte afstand van voorzieningen, maar ze wonen toch op heel veilige en plezierige manier. Dezelfde soort mensen. Vinex wordt echt heel hoog gewaardeerd en het is niet waar dat er veel scheidingen in Vathorst zijn. Ja, al die architecten zijn tegen. Maar dat verbaast Boelhouwer. “Als die architecten en die stedebouwkundigen iets gemaakt hebben, is het plotseling niet meer goed. Dat is toch gek! Die architecten zijn ook vaak verstokte modernisten.” Ook maar 10 tot 20% wil echt landelijk wonen. Groot deel wil kleinstedelijk en dorps wonen en groot deel wil groen-stedelijk wonen. Wat in de stad wil wonen: migranten, hoogopgeleiden, kenniswerkers. Die groep is wel aan het groeien. En het is moeilijk om in de steden nog veel te bouwen. In Amsterdam willen ze nu de dichtheden op de nieuwe locaties in de stad verdubbelen. Ze willen 50.000 woningen in 10 jaar bouwen! Maar het houdt wel een keer op. In Rotterdam kan je wel de lucht in. Maar Rotterdam is niet zo populair. Maar in Amsterdam kan je niet op die manier de lucht in. Dat past niet bij die stad en kan niet vanwege de Unesco en vanwege Sciphol. Er is wel een trend om steeds kleiner te gaan bouwen. Is ook wel een oplossing.

Groot tekort aan sociale huurwoningen

We gaan verder inzoomen. In Amsterdam zie je dat de armen en de werklozen naar de randen van de worden verdreven. Ik vraag Boelhouwer of die trend overal zichtbaar is. Hij zegt dat ze al aan de rand woonden. Maar het verschuift wel. Almere vangt hen nu ook op. In Utrecht zullen ze naar Nieuwegein gaan. Zoetermeer moet ook de lagere inkomens opvangen. In dat verband zijn die nieuwe Woonvisies interessant. Boelhouwer heeft er veel gezien. Allemaal kiezen ze voor hogere en middeninkomens, voor kenniswerkers. We hadden eerst Florida. Iedereen moest creatief en cultureel gaan doen. We moesten de creatieve klasse aan trekken. Nu hebben we Glaeser. En moeten we de kenniswerkers aantrekken. Maar waar dan die lagere inkomensgroepen heen moeten, wordt er even niet bijverteld. Ik moet overal meedoen met het debat. Zoals die wethouder van Rotterdam. Die zegt: Rotterdam moet mooi worden, we willen de wat betere mensen in de stad hebben. Meer koopkracht, goede mensen. En dan gaan ze hele schimmige berekeningen maken van doelgroepen waarbij ze zitten te knoeien met grenzen. Bovendien kan je al snel bewijzen dat je voldoende sociale huurwoningen hebt, als je kijkt naar je doelgroep. Want er wordt scheefgewoond. Alleen: hoe krijg je die ‘scheefwoners’ uit die woningen? Bovendien kloppen die grenzen van de sociale huur niet. Mensen met kinderen met 40.000 wonen echt niet scheef, die hebben weinig te besteden. En dan wordt er gezegd: we moeten kenniswerkers hebben. Maar zoveel kenniswerkers zijn er niet. Den Haag doet het anders. De Haagse wethouder wil ook de sociale huur uitbreiden. Daar zit zijn achterban. Maar Amsterdam gaat er 40.000 sociale huurwoningen op achteruit. Dat komt door de wetgeving: particuliere huurwoningen die huurwoningen verhuren onder de liberalisatiegrens worden voor een deel geliberaliseerd. Omdat de WOZ-waarde meetelt bij de puntentelling. En bij hoge WOZ-waardes kom je uit boven het maximale aantal punten en dan mag je als verhuurder liberaliseren. En er worden sociale huurwoningen onttrokken door sloop en verkoop. Er gaan in Amsterdam tienduizenden sociale woningen weg, en er worden jaarlijks 1200 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd, waarvan 400 voor studenten. Terwijl in de jaren 90 nog 80% van de nieuwbouw in de steden sociale woningbouw was. Overal vraag ik of ze het regionaal afstemmen. Dat gebeurt bijna nergens. Zo ontstaat er een groot tekort aan sociale woningbouw.

Nieuwbouw buiten de stad is onvermijdelijk

Dan hebben we het nog niet eens over de mogelijkheden voor nieuwbouw in de steden. EIB en PBL hebben beide de plancapaciteit binnen de steden in kaart gebracht. Maar die is gewoon niet genoeg! Terwijl het PBL er alles aan doet om aan te tonen dat je in de stad kan bouwen. Alles wordt meegenomen, ook waar het superduur is. En dan nog moet er voor het middensegment nog 30% buiten de stad worden gebouwd. Als je realistischer bent moet 70% buiten de stad worden gebouwd.

Dat lijkt gunstig voor de randgemeenten, maar als zij straks worden afgescheept met de armen en werklozen voor wie in de stad geen plek meer is, heeft dat ook allerlei consequenties. Ik vraag Boelhouwer dus wat die randgemeenten op dit moeten doen. Ook daarover is Boelhouwer duidelijk: Als die niks doen, worden ze het afvoerputje. Ze moeten regionaal goede afspraken gaan maken. Staat ook in de wet. Als Utrecht dat niet wil, kan Nieuwegein dat afdwingen bij de minister. Dan moeten ze goed onderzoek doen. Dan is er ook nog arbitrage. Ja de rand is tegenwoordig afhankelijk van de stad. Twee decennia geleden was het omgekeerd. Je ziet het met de Rotterdamwet. Ook randgemeenten willen de Rotterdamwet toepassen om te voorkomen dat degenen die in de stad op basis van de Rotterdamwet worden geweigerd allemaal doortrekken naar de randgemeenten. Overigens blijkt die Rotterdamwet volgens de evaluatie niet te werken. Hij heeft helemaal geen invloed op de uitstroom en instroom van mensen met lage inkomens. Zeker niet als iedereen die Rotterdamwet gaat gebruiken om de lagere inkomens tegen te houden.

De vraag blijft waar die lagere inkomens dan wel heen moeten. Volgens Boelhouwer worden er nog maar weinig sociale huurwoningen gebouwd. Na de crisis is dat enorm ingezakt. Nog maar 15.000 sociale huur van de 50.000 nieuwbouwwoningen per jaar. De rest is allemaal markt. Zo ontstaat er een groot probleem aan de onderkant. De wachtlijsten zullen toenemen. De hoop was dat de doelgroepen kleiner zouden worden na de crisis. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. Maar de beleidsmakers doen er alles aan om de indruk te wekken dat de doelgroep steeds maar kleiner wordt. Daarom maken ze ook zo’n punt van dat scheefwonen. Dan heb je minder sociale huurwoningen nodig. Bovendien als je de huren loslaat, dan schieten ze omhoog en dan is er zelfs geen ruimte meer voor de middeninkomens. Zie de Neudeflat in Utrecht. Vanaf 900 euro voor een kleine woning. Dat kunnen alleen de rijken betalen. In Overvecht doen ze het anders. Daar knappen de corporaties de woningen mooi op. Het was vreselijk. En nu zijn er weer goede sociale huurwoningen. Ze wilden ze eerst slopen maar dat konden ze niet maken met het tekort aan goedkope woningen. Zoetermeer breekt de flats aan Palenstein nu wel af. Flats uit de jaren 70. Gemeente doet er 20 miljoen euro bij, in het kader van het opstoten van Zoetermeer in de vaart der volkeren.
Het algemene beeld wordt steeds scherper: de stad groeit aan de bovenkant, de onderkant blijft waar mogelijk zitten en middeninkomens verdwijnen. Aan de rand komen de middeninkomens, maar vooral de lagere middeninkomens en de lagere inkomens. Maar ook in de randgemeenten gaat het bouwen van sociale huurwoningen ook heel moeizaam. Zo ontstaat een groot tekort aan goedkope woningen.

GroenLinks als partij voor de insiders

We sluiten af met een groot thema uit de volkshuisvesting: de rol van de overheid. De overheid heeft altijd grote invloed gehad op de woningmarkt. Hoe ziet Boelhouwer dat in de toekomst? Dat die rol van de overheid momenteel veel kleiner is dan vroeger leidt volgens hem geen twijfel. De plannen zijn allemaal veel kleiner. We noemen het organisch. Of mensen doen het zelf, zoals in het Homeruskwartier in Almere. Ook bouwers bouwen vooral consumentgericht. Weinig confectie meer. En op nationaal niveau wordt niet meer gepland.

Er lijkt wel een kleine kentering aan te komen. De Kamer, de PvdA-fractie voorop, wil dat er beter wordt gemonitord in de woningbouw. En als het niet goed gaat, moet het Rijk afspraken gaan maken met gemeenten. Dus er is weer enige beweging richting nationale planning. Maar Noord-Holland en Utrecht beweren dat ze geen nieuwe locaties nodig hebben. Zuid-Holland is ook jaren aan het afremmen geweest. Pas het laatste jaar is Zuid-Holland om, ze zijn weer aan het zoeken naar nieuwe locaties. En dat moet gebeuren. Want we kunnen straks niks meer. Maar al die GroenLinkse wethouders en gedeputeerden die willen dat allemaal niet. Dat bouwen buiten de stad. Het is typisch een insider-outsider-probleem. Je kan in de steden wel meer bouwen, maar dan moet je er wel heel veel geld bij leggen. Of je moet overal het bouwen verbieden, dan stijgen de prijzen zo dat je ook in steden in herstructureringsgebieden kan bouwen. Maar dat is pervers. Bedrijventerreinen herstructureren is gewoon een hele lange weg en heel duur. En dan nog is het niet genoeg. Je moet echt buiten bestaand stedelijk gebied gaan bouwen. Als je dat niet doet zeg je tegen mensen die het niet zo goed kunnen betalen gewoon: je zoekt het maar uit. Dat zijn onze vrinden van GroenLinks. Maar ook zo’n Ivens in Amsterdam en Jansen in Utrecht zijn een soort burgemeesters in oorlogstijd. Willen voornamelijk voor hogere inkomens bouwen.

Groeikernen: bijzondere stedebouw, weinig doorleefd

september 10, 2013 by  
Filed under De Stad

De onvermijdelijke suburbanisatie

De regering stond voor een enorme bouwopgave. De bevolking groeide hard, de welvaart nam toe en er moesten veel nieuwe huizen worden gebouwd. Het idee bestond dat er in de steden onvoldoende plek was, in ieder geval werd daar nauwelijks gebouwd. Het gevolg was een ongekende trek naar buiten. Er dreigde in de jaren 60 zelfs een ongecontroleerde suburbanisatie, een sprawl naar Nederlandse maat. En toen de stadsvernieuwing in de jaren 70 eindelijk ter hand werd genomen, nam het aantal woningen in de steden alleen nog maar verder af.

Groeikernen vormden het antwoord op de leegloop van de stad en het dreigende vollopen van het ommeland. Planologen spraken van de noodzaak van ‘gebundelde deconcentratie’. De leegloop van de steden moest worden gekanaliseerd, satellietsteden moesten de stedelijke leegloop opvangen. Aanvankelijk dacht men vooral aan satellietsteden aan de buitenkant van de Randstad, later kwamen ze ook midden in het Groene Hart terecht. Vanaf 1972 spraken we over ‘groeikernen’. Het begrip kwam het eerst voor in de Nota Volkshuisvesting uit dat jaar. Ondanks zijn populariteit was het geen lang leven beschoren. In de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening van 1988 kwam het woord al niet meer voor.

Alleen gemeenten die als zodanig waren aangewezen voor het Rijk waren een groeikern. Maar de dynamische klank zorgde ervoor dat ook andere gemeenten zich ‘groeikern’ gingen noemen. Gemeenten als Leidschendam en Vlaardingen, maar ook Hoogezand-Sappemeer. Tijdelijk kenden we ook nog ‘groeisteden’. Groningen, Zwolle, Breda en Helmond werden in de Verstedelijkingsnota uit 1976 (een onderdeel van de Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening) als zodanig aangemerkt. Ook zij kregen de opdracht (en de middelen) om te groeien.

Effectief of succesvol

Gelet op het imago van steden als Spijkenisse, Purmerend, Capelle aan den IJssel, Lelystad en Zoetermeer is het nauwelijks voorstelbaar dat het nog maar enkele decennia geleden een grote eer was om als ‘groeikern’ te worden aangewezen. Hoewel veel mensen er naar grote tevredenheid wonen, wordt zowel door ‘echte’ stedelingen en door ‘echte’ plattelanders een beetje meewarig over dergelijke steden gesproken. Eenvormig, kleurloos en je kan er de weg niet vinden. Dat is ongeveer het beeld. Dat is niet terecht.

Laten we eerst vaststellen dat er een grootse prestatie is geleverd. Tussen 1970 en 1985 is het inwonertal van de 15 groeikernen met 446.000 personen toegenomen. Het hoogtepunt van de groeispurt van de groeikernen lag in 1980. Na 1980 nam de groei snel af, om de simpele reden dat de echte steden hun politieke koers drastisch hadden bijgesteld: in plaats van de ‘overloop’ naar de groeikernen te ondersteunen, wilden ze zelf weer groeien. Overigens met hele goede redenen. Niettemin zijn er in korte tijd onwaarschijnlijk veel woningen gebouwd. Het beleid is zonder meer effectief geweest. Of het ook succesvol is geweest, is een andere vraag.

Gelukkig verschijnen er de laatste tijd verschillende studies over de groeikernen, die het beeld kunnen inkleuren en kunnen nuanceren. Voor een weloverwogen oordeel is het nodig om de groeikernen vanuit verschillende perspectieven te bezien. Er is het ruimtelijk perspectief: heeft de gebundelde deconcentratie er inderdaad toe geleid dat de Nederlandse sprawl is voorkomen (zie het standaardwerk van Van der Cammen en De Klerk over Ruimtelijke ordening)? Er is het sociologisch perspectief: hoe gedijen die lokale samenlevingen nu de meeste groeikernen zijn volgroeid en hoe tevreden zijn de inwoners met hun buurt en hun huis (zie bijvoorbeeld de Atlas nieuwe steden van Arnold Reijndorp en anderen)? Er is het politieke perspectief: hoe komt het dat veel lokale partijen een grote stem hebben in de gemeentepolitiek van de voormalige groeikernen (mij nog geen goed overzicht bekend)? En er is het stedebouwkundige perspectief, simpel gezegd: hoe zien die nieuwe steden eruit? In deze blog ga ik alleen op die stedebouwkundige kant in, aan de hand van een interessant boek van Willem Jan Pantus: Groeikernen in Nederland; een studie naar stedebouw en architectuur. Het aardige van het boek is dat het vooral een overzicht biedt en geen keiharde conclusies. De auteur geeft de lezer de ruimte om zelf zijn conclusies te trekken. Laat ik hier een poging wagen.

Vele soorten groeikernen

De vijftien groeikernen hebben één ding gemeen: ze zijn door het Rijk als zodanig aangewezen. Terecht maakt Pantus een onderscheid tussen de new towns (Lelystad en Almere) en de andere groeikernen. Maar ook die andere groeikernen kennen stedebouwkundige een andere start. In feite is er sprake van een glijdende schaal. Aan het ene uiterste hebben we Lelystad en Almere, aan het andere de nieuwe buitenwijken van Alkmaar, Hoorn en Helmond. Vooral in Helmond krijgt de oude binnenstad een belangrijke impuls van de nieuwbouwwijken die onder de vlag van ‘groeikern’ worden gerealiseerd. Dat blijkt een onderscheidend criterium: wat gebeurt er met de oude dorpskern/stadskern onder invloed van de enorme uitbreidingen? In Huizen bijvoorbeeld concurreert het oude dorp met het nieuwe winkelcentrum. In Zoetermeer, Houten, Capelle aan den IJssel, Purmerend en Nieuwegein wordt het oude dorp als het ware ingekapseld en ingepakt in de nieuwbouw, en verliest het elke centrumfunctie, als daarvan al ooit sprake is geweest. In Spijkenisse vindt er zelfs kaalslag plaats in het oude dorp, in de hoop oud en nieuw beter met elkaar te integreren. Zonder succes overigens. Dus soms valt de groeikern geheel samen met de nieuwe stad; soms gaan oud en nieuw met elkaar concurreren; soms blijft naast de nieuwe stad het oude dorp verweesd achter en soms komt de oude stad versterkt uit de groeikernstatus van de buitenwijken te voorschijn.

Strikte authenticiteit leidt tot eenvormigheid

Daarmee zijn misschien ook wel de grootste verschillen tussen de groeikernen genoemd. En dat is eigenlijk heel opvallend, zeg maar: paradoxaal. Zoals Pantus beschrijft is de stedebouw van de groeikernen namelijk ‘strikt authentiek’. Hier geven stedebouwers hun visitekaartje af, bewoners spelen in de vormgeving van de groeikernen geen rol. Dat zou pas later gebeuren, na de eerste VINEX-golf, wanneer de jaren-dertig-woningen in het hele land uit de grond worden gestampt. Pantus lijkt dat geen verbetering te vinden. Daarnaast lijkt de omgeving in de stedebouw nauwelijks een rol te spelen. Hellevoetsluis heeft iets gedaan met de oude vestiging, Huizen heeft het Gooimeer een plek gegeven in het stedebouwkundig ontwerp. Maar voor het overige valt vooral op dat de locatie juist geen rol van betekenis speelde. Hoorn en Lelystad hebben aanvankelijk helemaal niets gedaan met Markermeer en IJsselmeer. Hetzelfde geldt voor Almere en het IJmeer. Hele wijken van Lelystad hadden in Haarlemmermeer kunnen worden gebouwd en de buitenwijken van Helmond hadden evengoed in Alkmaar kunnen terechtkomen. Veel wijken van groeikernen zijn in de praktijk volstrekt inwisselbaar. Het is het werk van de tekentafel dat overal kan worden verkocht.

Maar dat niet alleen. Wijken zijn niet alleen inwisselbaar, ze zijn ook volstrekt eenvormig. Blijkbaar werd er op al die tekentafels vooral hetzelfde getekend. Niet alleen hadden de wijken van Lelystad even goed in Haarlemmermeer kunnen worden opgetrokken, qua uiterlijk had het ook weinig uitgemaakt. Haarlemmermeer zou er niet anders hebben uitgezien als de tekeningen van Lelystad per ongeluk naar Hoofddorp waren opgestuurd. Zie ook al die winkelcentra, die zo op elkaar lijken. Spijkenisse Kopspijker, Alkmaar de Mare, Almere Centrum, Capelle ad IJssel Koperwijk, Hellevoetsluis Struytse Hoek, Zoetermeer Stadshart. Je waant je overal op dezelfde plek, en niet alleen vanwege de bekende winkelketens. Nee, het zijn overal dezelfde overdekte passages, met dezelfde vrolijke ingang en allemaal al snel met een armoedige uitstraling. Zoals ook in veel groeikernen (verkeerde) zuinigheid heeft geleid tot de bouw van een armoedig nieuw gemeentehuis. De nieuwe gemeentehuizen van Haarlemmermeer en Huizen zijn in dat opzicht het toonbeeld van een gemiste kans.

Dat staat nogal haaks op de conclusie van Pantus dat de stedebouw van de groeikernen ‘strikt authentiek’ is. Nee, blijkbaar hebben al die verschillende stedebouwers overal bijna allemaal hetzelfde gedaan. Strikte authenticiteit leidt hier vooral tot eenvormigheid. Vergelijk dat eens met het Oostelijk Havengebied en de IJ-oevers in Amsterdam, waar juist een poging is gedaan om in aansluiting op het bestaande de stad meerwaarde te bieden. Is dat de reden waarom al de nieuwe ‘stadsharten’ in de groeikernen maar niet willen kloppen? Niet de plek en de mensen zijn het uitgangspunt geweest, maar de beperkte creativiteit van de stedebouwer.

Strikte authenticiteit kent wel modes

Die strikte authenticiteit van die stedebouwers was overigens wel aan modes onderhevig. En zoals het met modes hoort te gaan: de stedebouw maakte in alle groeikernen dezelfde ontwikkelingsgang door. Dus ‘strikt authentiek’, maar alle nieuwe trends en modes moeten wel worden gevolgd. Daardoor laten de groeikernen ons een prachtige staalkaart van de geschiedenis van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw zien. In Lelystad stond Van Eesteren nog aan de basis van de plannen. Er werd uiteindelijk gekozen voor een functionalistische gridstructuur met vrijliggende fietspaden. Ook Spijkenisse was in aanvang schatplichtig aan CIAM: ruim opgezette woonwijken, doorgaande stroken van galerijflats en rijtjeswoningen strak in het gelid, langs orthogonale stratenplannen. Purmerend kende zijn functionalistische flats van Groosman, Zoetermeer de geknikte galerijflats van Van Eesteren en een stadsplattegrond van Van Emden. Het was de tijd van de Bijlmer, en heel Nederland moest en zou Bijlmerflats krijgen.

Almere kwam een decennium later van de grond. Hier werd gekozen voor een vlekkenplan en de eerste vlek, Almere Haven, werd geteisterd (ja, geen neutrale connotatie) door de periode van de nieuwe truttigheid. Er kwam een namaak-grachtje met namaak-grachtenhuizen. Nadrukkelijk werd afstand genomen van de functionalistische benadering. Le Corbusier leek even helemaal vergeten. De auto stond niet meer centraal, maar de intimiteit. Het was het startsein voor de bouw van ‘bloemkoolwijken’, met woonerven, waar je je auto kwijt kon, als je de weg kwijt was. Niet meer de bereikbaarheid was het streven, maar de onbereikbaarheid.

En ook de bloemkoolwijken kregen weer hun opvolgers. Niet alleen in de groeikernen, maar in het hele land. Wel bieden de groeikernen een welhaast museaal overzicht van de geschiedenis van de stedebouw. Dat geldt het meest voor Zoetermeer, dat niet alleen al aan het bouwen was voordat het tot groeikern werd aangewezen, maar ook in de fase van de VINEX nog fors is doorgegaan met de stadsuitleg. Met reden bracht Zoetermeer enige jaren geleden het boek ‘De gave stad’ uit, waarin de stad werd gepresenteerd als staalkaart van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw.

En hier stuiten we op een andere paradox. Eerst zagen we al dat ‘strikte authenticiteit’ vooral heeft geleid tot eenvormigheid. De tweede paradox lijkt nog treffender: juist het gebrek aan historisch besef heeft geleid tot een prachtig historisch overzicht van de recente stedebouw. Omdat zo weinig aandacht is besteed aan de voor Nederland kenmerkende principes van stedebouw, konden de stedebouwkundige modes onverdund worden gevolgd.

Maar dat heeft een keerzijde. In de groeikernen zijn de historie van de Nederlandse stedebouw en de historie van de plek nauwelijks te herkennen. Dat heeft het bizarre effect dat veel woonwijken uit de groeikernen alweer gedateerd zijn, iets wat we van de historische centra van de oude Nederlandse steden nooit zullen zeggen. En dat is nu juist het kenmerkende verschil tussen groeikernen en de oude binnensteden. In de eerste zijn nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd (en blijkbaar afgekeurd), in de tweede zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. Experimentele stedebouw staat hier tegenover doorleefde stedebouw. De stedebouwkundige plannen voor de groeikernen zijn inderdaad wel erg origineel, maar ook weinig doorleefd.

Tegenbewegingen

Het is dan ook niet verrassend dat na de eeuwwisseling een tegenbeweging op gang is gekomen. De huidige bezoeker van groeikernen wordt steeds vaker verrast door opvallende architectuur. In Almere Centrum zijn Koolhaas, SANAA, Van Dongen en Van Zuuk actief en succesvol geweest. In Lelystad hebben Van Egeraat, Van Zuuk en Mastenbroek gebouwd aan een hele nieuwe Zilverparkkade. Calatrava heeft drie bruggen gebouwd in Haarlemmermeer. Van Huut een theater in Hoorn, Van Berkel een theater in Lelystad. In Spijkenisse heeft Sjoerd Soeters een nieuw winkelcentrum ontworpen, Ben van Berkel (alweer) een nieuw theater en MVRDV een nieuwe bibliotheek. Spijkenisse afficheert zich inmiddels zelf als een ‘stad met hernieuwde ambities’. Toch is het de vraag of grote architecten het gebrek aan doorleefde stedebouw kunnen goedmaken.

Ook anderszins maken de groeikernen momenteel veranderingen door: er wordt alweer gesloopt. In Nieuwegein, in Lelystad gaan hele straten tegen de grond. In Zoetermeer is het prachtige Meerzicht van Alberts geamoveerd. Het stemt treurig, het is zo vergankelijk, het is zo weinig duurzaam. Al wijken de groeikernen hier niet af van de uitbreidingswijken die in andere steden in dezelfde tijd zijn gebouwd. Van de oorspronkelijke Bijlmermeer is ook nog maar weinig over.

Het zou ook hoopvol kunnen stemmen. Juist door her en der te slopen en door interessante nieuwe bouwwerken toe te voegen, zou een echte stad kunnen ontstaan. De eenvormigheid zou kunnen worden doorbroken. Er zouden inderdaad steden met ‘hernieuwde ambities’ kunnen ontstaan. Zou op die manier iets van organische stedelijke ontwikkeling tot stand kunnen worden gebracht? Wellicht. Al vergt organische stedebouw meer dan het slopen van slechte delen en het toevoegen van nieuwe woningen. Organische stedebouw vraagt nu juist een plan, een overtuigend verhaal, waarbinnen al die kleine veranderingen een plek kunnen krijgen. Het kenmerkende van de groeikernen is dat dat eenduidige verhaal er niet is. Neo-truttigheid is soms maar een paar straten verwijderd van functionalisme. En ook daarin staan de groeikernen niet alleen. De historische steden van Nederland kennen hun structurerende principes heel goed. Maar daar waar de historie is weggeslagen, zoals in het centrum van Rotterdam en in delen van Utrecht (Hoog Catharijne) en Den Haag (Spuiplein), is de zoektocht naar nieuwe masterplannen even ingewikkeld als in veel groeikernen het geval is. En waar de structurerende principes ontbreken, zal het organisch groeien vermoedelijk nergens toe leiden.