Nieuwe kansen voor de haven van Scheveningen

oktober 4, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Arno Segeren, accountmanager van de gemeente

De ontwikkeling van de haven van Scheveningen is heel interessant in het licht van de ontwikkeling van steden. De haven is vanouds bekend vanwege de vissers. Maar het was ook jarenlang de thuishaven van de Norfolkline, een rederij actief op het gebied van het vervoer van containers tussen Groot-Brittannië en Nederland. Maar een haven aan zee is tegenwoordig ook een aantrekkelijke en hippe woonplek. Veel steden bouwen appartementen aan de havens, vaak voor de hoogopgeleiden die de tegenwoordige stad zo nodig heeft voor haar ontwikkeling.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Want met de komst van woningen neemt de behoefte aan bedrijfsruimte niet af. De gemeente Den Haag is zich daarvan steeds meer bewust geraakt. Zo lag het accent in de Scheveningse Haven een aantal jaren geleden vooral op de haven als decor van woningbouw. In 2015 is dat beleid aanzienlijk omgebogen met de nota Scheveningen Haven, is en blijft haven. Het vertrek van de Norfolkline had geleid tot een verlies van zeshonderd banen, vooral banen voor lager opgeleiden. Terwijl de haven nog steeds veel economische potentie had. Bovendien drong het besef door dat een doodse haven ook een doods decor voor wonen oplevert. Wonen aan een levendige haven biedt voordelen. Al kan er ook spanning ontstaan tussen het woongenot en de havenactiviteiten.

Voldoende reden voor een gesprek met de accountmanager van de gemeente voor de Scheveningse haven, Arno Segeren. Wij fietsen in een wat druilerige regen rond in de haven en ik leer veel over het belang van een actief gemeentelijk beleid. En het succes aan beide zijden is te zien. Er wordt aan de ene kant enorm gebouwd en aan de andere kant groeien de economische activiteiten in de haven. Het aantal banen stijgt weer.

Segeren wijst erop dat je altijd moet kijken naar de unieke kenmerken van een gebied. Den Haag heeft die unieke ligging aan de Noordzee en de haven is de toegangspoort. Die kwaliteiten moet je in stand houden. Maak van die haven geen ‘bak water’. Dat kan ook. Je kan de havenactiviteiten afbouwen. Dan heb je water en een stukje industrieel erfgoed. Een oude havenkraan, een paar pakhuizen. Die kan je allemaal heel mooi maken. Zie Duisburg. Mooi museum voor moderne kunst erbij. Maar het blijft een bak water waar je op uit kijkt. Zo maak je niet optimaal gebruik van de kwaliteiten die je hebt. En ook bij ons raakte de haven in vergetelheid. Het beeld was: met de visserij gaat het niet goed en alleen maar slechter. De Norfolkline is vertrokken.

Wij menen tegenwoordig dat die haven veel meer kan opleveren. Het is een unieke kwaliteit van de stad, net zoals de regering, de internationale organisaties, het vrede, recht en veiligheid. Dat is allemaal economie. Voor economische groei kan je beter iets versterken wat je al hebt dan iets heel nieuws te bedenken. Op unieke kwaliteiten moet je zuinig zijn. Ook die haven heeft ons veel te bieden. Visserij van oudsher. Maar de haven is ook de toegangspoort naar de windmolenlocaties op de Noordzee. Daar wordt veel geïnvesteerd. En daar heeft Den Haag potentieel veel te bieden. Dat is werkgelegenheid. Bijvoorbeeld voor elektriciens. Die windmolens mogen niet stilstaan. Daar heb je veel geschoold personeel voor nodig. Ook de watersport biedt ons in economische zin veel, in termen van bezoekers, bestedingen, werkgelegenheid.

We zoeken naar niches. Je bent bij ons direct op de Noordzee. Dus als er testen moeten worden gedaan op zee, kan je dat goed doen vanuit Scheveningen. Of dat veel gaat opleveren, weten we nog niet. Maar we zijn ervan overtuigd dat die haven van Scheveningen voor sommige producten best eens de beste haven kunnen zijn. Een diepzeehaven met onbelemmerde toegang. Hij ligt centraal in het land, hij ligt in de stad, hij ligt dicht bij Delft, bij Leiden, bij TNO, bij Deltares. Allerlei partijen die actief zijn op de Noordzee.

En zo zie je zelfs een verschuiving van woningbouw naar economische activiteit in de plannen. Waar mogelijk voegen we bedrijfsruimte toe en op enkele plekken onderzoeken we of de geplande woningbouw deels geschrapt kan worden uit de plannen. In de tussentijd zijn er ook andere functies toegevoegd. We hebben het Zuiderstrandtheater tijdelijk gebouwd in de haven. Daar vinden nu ook veel aan havens of de Noordzee gerelateerde bijeenkomsten en conferenties plaats. Maar we gaan nu weer kijken of we daar bedrijvigheid kunnen krijgen als het theater weer wordt afgebroken.

En er zijn nog nieuwe kansen. De effecten van klimaatverandering worden zichtbaar aan de kust. Op een gegeven moment zullen ook rondom de haven maatregelen nodig zijn vanwege de stijging van de zeespiegel. Het garanderen van de veiligheid voor het achterland vormt dan de aanleiding voor een verkenning naar de zeewaartse uitbreiding van de haven. Maar dit zit allemaal nog in de verkennende fase.

De gemeente Den Haag heeft vier prioriteiten in de Scheveningse haven. Ik vraag Segeren om ze voor me samen te vatten. Visserij, watersport, offshore dienstverlening en innovatie. Visserij van oudsher. Belangrijk, zowel in directe als in indirecte zin. Scheveningen zonder haven, dan ben je niet anders dan Zandvoort. Authentiek, het hoort erbij. Veel werkgelegenheid, op zee en in de handel. De visafslag in Scheveningen is in grootte de derde van Nederland. Je kan ook vis kopen die niet fysiek op dat moment aanwezig is. Daarnaast hebben we twee grote internationaal opererende reders met zogenaamde trawlers. Nederlands visbureau zit hier. Veel handel, groothandel en detailhandel. Het is een compleet cluster. Trawlers die drie weken op zee zijn, kotters die elke week terugkeren en de kleinschalige visserij die elke dag weer binnenvaart. Het is een volledig cluster. Je hebt de drie onderdelen wel nodig.

Segeren maakt een interessante tussenopmerking over de rol van de overheid. Hij zegt: het is voor de overheid makkelijker om iets te verpesten dan om een positieve ontwikkeling aan te zwengelen. Daarom moet je als overheid de belangen in het gebied goed kennen. Dat is accountmanagement.

We gaan door met de tweede prioriteit: de watersport. Ook een economische sector. Recreatie, botenbouw, innovatie, topsport. We hebben Jachtclub Scheveningen, een grote jachtclub met 600 leden. Daarnaast het Topzeilcentrum met Olympische sporters en talentploeg die hier trainen. Er zit ook een catamaranbouwer. Dat zijn van die parels in het havengebied. Dit alles wordt nog versterkt door de finish van de Volvo Ocean Race in 2018. Moeten we trots op zijn. Er komen extra ligplaatsen, vooral voor passanten. Daar zijn er al te weinig van. En we hebben het Sailing Innovation Centre. Hoe kunnen we meer Olympische medailles winnen. Kennis over voedsel, over stroming, wind, communicatie etc.

Offshore-dienstverlening is de derde prioriteit. De tenderprocedure voor het windmolenpark Holland Kust Zuid loopt nu. Ze hebben allemaal goed gekeken naar de haven van Scheveningen. Welke haven is het meest geschikt als uitvalsbasis. We hebben ze één voor één op bezoek gehad. Maar als ze elders al een uitvalsbasis hebben wordt het moeilijker. Het gaat niet om de bouw, alleen om het onderhoud. Daarvoor heb je een opslagloods nodig en snelle kleine bootjes. Dat kan heel goed bij ons in de haven. Het is echt geschoold werk. Werken op zee vraagt ook nog weer extra vaardigheden. Ze willen echt mensen van hier het onderhoud laten doen. Die molens staan er immers voor 20 jaar. En die mensen worden ook ingezet voor de bouw. Dus dat levert echte werkgelegenheid op voor mensen uit deze regio. Scheveningen heeft ook een voordeel voor dit soort bedrijven, omdat het een grote arbeidsmarkt te beiden heeft. Meer dan IJmuiden bijvoorbeeld.

Innovatie, de laatste prioriteit. De genoemde drie zijn ook al innovatief. Wat zijn de echte voordelen van de haven. Je bent in een paar minuten op zee. Onbelemmerde toegang tot de haven. Je zit meteen midden in de stad en in een kennisintensieve regio. Veel kennisinstituten richten zich op het water. Die haven is dus geschikt voor allerlei innovaties op de Noordzee. Dat kan gaan over golfenergie. Zeewierteelt. The Ocean Clean-up, zij het vooral de lancering van hun eerste prototype. De doop van de solarboat van TU Delft heeft hier plaatsgevonden, ook om ons meer bekendheid te geven. We zijn toegetreden tot valorisatie-programma ‘Kust en Waterbeheer’ rondom TU Delft. Veel startende bedrijfjes met innovatieve producten. Soms zijn we de eerste klant, de launching customer. Op andere momenten stellen we ruimte ter beschikking. De ‘Slam Dam’ is hier uitgeprobeerd op de Doctor Lelykade. Als vervanger van de zandzakken. Al die bedrijven kunnen van elkaar leren. Hebben we in de toekomst ook een specifieke plek voor: de oude kantoor van de Norfolkline. Komen woningen in en ruimte voor innovatieve bedrijven onder de naam Innoport. Of dat ook lukt weten we niet, maar als er geen ruimte is voor innovatieve bedrijven, dan lukt het zeker niet. Twee jaar geleden was er geen ruimte meer voor dit soort bedrijven. Alleen maar kantoorruimte. Je hebt daarnaast ook loodsen nodig, opslagruimte. Ook hiervoor zitten verschillende projecten in de pijplijn.

Ik maak een overstap naar de Norfolkline. Ze gingen weg omdat de schepen te groot werden. Zijn naar Vlaardingen gegaan. Zeshonderd banen weg. Veel laaggeschoold. Ik vraag Segeren of je dat soort banen weer terugkrijgt. Segeren zegt dat het om een probleem van de hele stad gaat. Den Haag heeft weinig banen in de logistiek of in productie. Dus zoeken we naar andere sectoren. En het is moeilijk om als je heel lang een ambtenarenstad bent geweest om zo maar een andere sector aan te trekken. Toerisme zou een kans kunnen bieden. Veel instapbanen. Je kan vaak gisteren daar al beginnen. Maar voor iedere baan heb je bepaalde vaardigheden nodig. De uitdaging is tweeledig. We hebben een bestand van mensen in een uitkering die moeten worden geactiveerd. En we hebben werkgelegenheid nodig voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Je moet dat goed uit elkaar houden. Als je een hotel bouwt heb je mensen nodig die de was doen, die de kamers schoonmaken. Maar of dat mensen zullen zijn die nu een uitkering hebben in Den Haag, is maar zeer de vraag.

En naast die prioriteiten heb je natuurlijk het toerisme. Ik vraag naar de synergie tussen haven en toerisme. Segeren vertelt over de kleinere cruiseschepen die de gemeente naar de stad wil halen. Lost het probleem van de werkloosheid niet op, maar het levert wel wat op. Daarnaast is Scheveningen een Tallship-friendly port. Daarnaast heeft die haven veel evenementen. De Volvo Ocean Race die hier gaat finishen. Dat leidt tot veel drukte en veel bestedingen in de stad.

We gaan in ons gesprek terug naar de mogelijke spanning tussen wonen en bedrijvigheid in de haven. Segeren beaamt dat. Milieuzones geven grenzen aan. Ook toerisme kan overlast geven. De visserij is niet het probleem. Dat hoort bij Scheveningen. Maar ja, het gaat ook om de werkelijke stank en het werkelijke geluid en de perceptie van de stank en de perceptie van het geluid. Ja, het ruikt hier naar vis en naar zee! Als ik er kom ruik ik het wel. Maar ik denk ook: ik ben weer op de mooiste plek van Den Haag!

Maar die spanning, ja, daar heb je een bestemmingsplan voor. En iedere overheid krijgt klachten. Dus ook over laden en lossen op verkeerde tijdstippen. Maar er zijn meer klachten over de hoogbouw van de woningen dan over de haven! Het gaat om het eigen uitzicht. Maar we hebben geen recht op uitzicht in Nederland. Scheveningers die klagen over al die nieuwbouw en over de bereikbaarheid. Maar er wordt ook veel nieuwbouw erg fraai gevonden. Een rondje lopen in de haven wordt belangrijk gevonden. Tegelijkertijd moeten sommige delen van de haven soms worden afgesloten. Het is een zeehaven. Voor de veiligheid moet je soms kades afsluiten bij laden en lossen. De douane wil zicht hebben op de drugs etc. Zo is dat nu eenmaal. Dus je kan niet altijd het ‘rondje haven’ lopen.

Ik wil afronden met de vraag wat een gemeente kan en wat een gemeente niet kan in dit soort ontwikkelingen. Segeren zei al: je kan het vooral verpesten. Segeren verwoordt het ook nog anders: Gemeentelijk beleid is een noodzakelijke voorwaarde voor economische ontwikkeling van de stad, maar geen voldoende voorwaarde. En soms komt het nieuwe bedrijf geheel uit zichzelf, maar dan moet je het toch nog weer vaak ruimtelijk faciliteren. Een bestemmingsplan geldt voor heel Nederland. Maar het is duidelijk: de gemeente zorgt niet voor werkgelegenheid, maar de bedrijven zorgen voor werkgelegenheid. Maar we kunnen die bedrijven wel helpen om het ondernemen net iets makkelijker te maken. Bijvoorbeeld door te luisteren wat hun behoeften zijn. Dat heet accountmanagement. Je kan soms in geval van innovatie een subsidie geven. Je kan ze dus ruimtelijk faciliteren door een bedrijfsterrein te bestemmen terwijl je weet dat de verkoop van grond voor nieuwe woningen veel meer oplevert. En je kan bedrijven die er nog niet zitten enthousiast proberen te maken. Vertellen over de kwaliteiten van die plek. En als dat verhaal kloppend is, kan je daarin succesvol zijn. Veel koffiedrinken, wat je ook moet doen in zo’n gebied, is op zich niet voldoende.

Persoonlijk trek ik de conclusie dat alleen om die reden de haven van Scheveningen toekomst heeft. Want Segeren heeft een kloppend verhaal.

 

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Engbersen: er is eerder minder dan meer discriminatie

december 1, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met Godfried Engbersen

Godfried Engbersen is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Bovendien is hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het zij gezegd: we kennen elkaar al jaren. Collega’s in Leiden, collega’s in Rotterdam en als lid van de WRR ben ik hem voorgegaan. Het kleurt het gesprek. Het geeft me ook de ruimte om het tegengeluid te laten horen. Engbersen is zeer deskundig op een gebied dat voor veel maatschappelijke onrust zorgt: migranten. Om zijn weloverwogen mening scherper te krijgen is het zinvol en aangenaam om het populistische tegengeluid te laten horen.

Allochtonen bestaan niet meer, maar de ellende blijft

Ik start met de opmerking, dat ik graag iets zou willen vragen over allochtonen. Maar mag dat nog wel? De WRR en het CBS willen beide het woord voortaan vermijden. Het gesprek staat meteen op scherp. Engbersen vertelt over zijn Verkenning over migratie en identificatie, een heel groot project van de WRR. Verre voorgangers bij de WRR hebben in 1989 het begrip allochtoon bepleit, want etnische minderheid was discriminerend. Maar het begrip allochtoon is technisch niet correct: van andere bodem. Maar tweede generatie allochtonen noemen we ook allochtonen. Als één ouder in een ander land is geboren ben je al allochtoon. Maar het is ook een scheldwoord geworden. Mensen hebben er last van. En vooral de tweede generatie die het goed doet, vindt het vervelend. “We doen het goed en dan worden we toch weggezet als allochtoon”. Je hebt dus behoefte aan een begrip dat niet discrimineert. We zeggen nu: personen met een migratie-achtergrond. Maar de definitie is gelijk gebleven: minimaal één ouder die geboren is in het buitenland.

Daarnaast voldoet het onderscheid tussen westers en niet-westers niet meer. Te willekeurig. Japan en Indonesië zijn westers, Suriname en de Antillen niet-westers. Ik vraag hoe het verbod op het begrip ‘allochtoon’ is gevallen. Engbersen was verbaasd over de enorme belangstelling voor het rapport. Maar het was wel oppervlakkige aandacht. Veel journalisten hadden het rapport niet goed gelezen. De WRR zegt: gebruik een clustering, naar gelang je probleem. Maar veel mensen hebben gezegd: de WRR verandert de vlag, maar de ellende blijft hetzelfde. Dat is het verdoezelen van problemen. Maar dat is incorrect. Bovendien nemen al veel mensen het begrip over. Voor Engbersen blijft de cruciale vraag of we in de statistieken van de overheid de tweede-generatie-migranten niet gewoon moeten rekenen tot personen met een Nederlandse achtergrond. Ze zijn hier immers geboren.

Enorme diversiteit aan migranten

Of je nu allochtoon zegt of migrant, achter beide begrippen gaat een enorme diversiteit schuil. Van de Nederlandse bevolking is nu 22% persoon met een migratieachtergrond. In de grote steden is dat 50%. Den Haag al 51%, Amsterdam 50 en Rotterdam er net onder. De samenstelling was vroeger overzichtelijk. Eerst kwamen de mensen uit de koloniën. Daarna de gastarbeiders. Toen de vluchtelingen. Maar nu komen ze uit alle hoeken en gaten van de wereld. Meer dan 200 nationaliteiten in Nederland. Amsterdam en Rotterdam hebben meer dan 175 nationaliteiten. Ze komen als vluchteling, als expat, als student, als familiemigrant, als arbeidsmigrant. Tegenwoordig kennen we ook al klimaatmigranten. Familiemigrant was lange tijd de grootste groep. Nu zijn dat de arbeidsmigranten. Met name door de uitbreiding van de EU. De Polen zijn de grootste groep arbeidsmigranten momenteel. Overigens vormden de 50.000 vluchtelingen vorig jaar de grootste groep.

Ik probeer de zorgvuldig formulerende Engbersen nog eens uit de tent te lokken en zeg dat al die vluchtelingen toch ook arbeidsmigranten zijn. Engbersen geeft voorzichtig toe: “Deels wel. Het beleid kent hokjes. Je bent student, familiemigrant, arbeidsmigrant of vluchteling. Maar soms zijn de scheidslijnen heel onduidelijk”. Dan weer scherp: “Maar al die Syrische vluchtelingen hebben echt te maken met de oorlog in Syrië. Ook veel anderen vluchten voor oorlogen. Niettemin, mensen die vluchten hebben vaak het geld om dat te doen. En ze zoeken een betere toekomst. Ook achter vluchtelingen gaat een grote diversiteit schuil. Onderzoek in Duitsland toont aan dat eenderde laagopgeleid is, eenderde is middelbaar opgeleid en eenderde hoogopgeleid. Je hebt dus differentiatie naar herkomst (regio), differentiatie naar motieven, en differentiatie naar opleiding.”

Ook de maatschappelijke positie van de migranten is heel verschillend. Volgens Engbersen kijken we te veel naar enkele specifieke groepen: naar Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers en vluchtelingen. En nu naar Polen. En inderdaad komen Marokkanen en Antillianen en een deel van de Turken moeilijk aan het werk. De werkloosheid onder deze groepen is soms 2, 3, 4 keer hoger dan onder autochtonen. Bij arbeidsmigranten zie je juist een hele lage werkloosheid. Bij vluchtelingen is het treurig gesteld. Van de Syriërs die het afgelopen jaar zijn binnengekomen zit driekwart in de bijstand. Maar vergeet niet dat veel migranten gewoon kenniswerkers zijn uit Amerika, Engeland, Duitsland, China en India. Dat zijn vaak hoger geschoolden.

Ik vraag Engbersen waarom de Nederlandse allochtonen het slechter doen dan de Spaanse? Engbersen wijst er op dat in Nederland het probleem zit bij specifieke groepen, waaronder Marokkanen, Antillianen en vluchtelingen. Hoewel de tweede generatie een veel rooskleuriger beeld laat zien. Spanje heeft weinig vluchtelingen. In Spanje heb je veel migranten die tijdelijk werken in de landbouw. En er is een politiek van circulaire migratie. Dat mensen terug gaan. In Nederland zijn we wel selectiever geworden en daardoor is het verbeterd. Er zijn nog twee probleemgroepen: de tweede generatie gastarbeiders en de vluchtelingen.

In het Westland dreigt een tekort aan migranten

Verdringen migranten banen van boze witte mannen, van autochtone Nederlanders? Engbersen: lees het interessante rapport van de SER, van een paar jaar geleden. Allochtonen hebben geen neerwaartse invloed op de lonen en ze verdringen geen banen. Ik antwoord meteen cynisch: en het transport dan? Die heeft de SER zeker allemaal politiek correct weggeveegd in de statistieken. Engbersen ontkent niet: Dat is juist. De grote statistieken laten zien dat migratie een toegevoegde waarde heeft voor de economie. Twee negatieve effecten: in bepaalde sectoren is er verdringing. Bouw en transport. En als nieuwe migranten concurreren, dan concurreren ze met oudere migrantengroepen. Vergeet niet dat het Westland voor bijna 100% draait op werknemers uit Polen. Een van de belangrijkste exportsectoren. Nu hebben ze daar problemen omdat de Polen niet meer zo graag komen, omdat het beter gaat in Polen zelf. En Duitsland heeft zijn arbeidsmarkt nu volledig opengesteld voor Polen. Waar moet het Westland ze hun arbeiders vandaan halen? We halen ze niet uit het granieten bestand van de bijstand.

Statistisch gecontroleerde vluchteling steelt alleen maar shampoo

Is de criminaliteit hoger onder migranten? Engbersen: ik durf het bijna niet te zeggen, maar de subtitel van onze studie luidt: ‘Naar een meervoudig migratie-idioom’. Want sommige groepen migranten zitten ver onder het Nederlands gemiddeld qua criminaliteit. Dan hebben we het overigens over cijfers van de geregistreerde criminaliteit door de Nederlandse politie. Die cijfers gaan over personen tegen wie als verdachte van het plegen van een misdrijf een proces verbaal is opgemaakt. Ik werp tegen: “Is dat niet weer zo’n politiek correcte reactie op Wilders?”. Engbersen: Ja, bepaalde subgroepen zijn inderdaad sterk vertegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken, in het bijzonder Marokkanen en Antillianen. In 2015 is rond de 5% van beide groepen verdacht van een misdrijf tegenover 1% van de Nederlanders. Onder de vluchtelingen komt ongeveer drie keer zoveel criminaliteit voor dan onder autochtone Nederlanders. Maar als je statistisch controleert, het zijn heel veel jonge, alleenstaande mannen, dan zijn ze juist minder crimineel. Ik werp weer tegen: maar als je Keulen woont maakt dat geen flikker uit, al die regressie-analyses van jullie. Nog steeds zijn ze 2 tot 3 maal crimineel. Engbersen: ja, maar je moet wel kijken naar het soort criminaliteit. Geen moord- en doodslag of drugs- en wapendelicten. Ik mompel: verkrachtingen. Engbersen: nee, het zijn vooral eenvoudige winkeldiefstallen. En geweld jegens elkaar. Je moet het wel in juiste perspectief zien. Je moet groepen eerlijk met elkaar vergelijken. Maar voor een burgemeester bestaat de statistisch gecorrigeerde vluchteling niet. Jouw vraag is in dat opzicht helemaal terecht. Een burgemeester kan te maken krijgen met onge Syriërs. Je moet er voor zorgen dat je ze niet allemaal bij elkaar huisvest. Hij moet ze spreiden. Geen 200 voetbalhooligans bij elkaar zetten. Ook geen 200 jonge Syriërs.

Engbersen: Wat interessant is: als je controleert naar leeftijd, geslacht en werk bij Marokannen en Antillianen, dan blijven ze bovengemiddeld vaak verdacht van een misdrijf. Daar speelt een culturele factor een rol. In het beleid moeten we dan rekenschap geven van culturele verschillen. Bij Antillianen vaak afwezige vaders, weinig sociale controle. Ze komen uit de volksbuurten. Bij Marokkanen hebben ouders uit de eerste generatie slecht toezicht op hun kinderen. Bij Turken gaat dat veel beter. Bij vluchtelingen is er geen culturele verklaring, volgens onze analyse. Het interessante van Marokkanen: na hun 20ste neemt het heel snel af. Dan settelen ze zich. Bij Antillianen blijft het, die hoge criminaliteit. Zij vormen een uitzondering.

Verliesgevoelens

Van der Laan wilde ooit geen maatschappelijke-kosten-baten-analyse doen naar migratie op verzoek van Wilders. Sadik Harchaoui van Forum gaf toen een opdracht aan Peter Nijkamp van de VU om het wel te doen. Van dat onderzoek hebben we nooit meer iets gehoord, naar verluid omdat de uitkomsten Harchaoui tegenvielen. Engbersen: Peter Nijkamp is de hoogleraar die het sterkst naar voren brengt dat diversiteit goed is voor de economie. Steden die divers zijn, met diverse migratie-achtergronden hebben meer ondernemerschap, meer economische groei volgens hem. Maar Nijkamp heeft zich vooral gebaseerd op een analyse van bestaand internationaal onderzoek. Maar de WRR gaat die vraag nu specifiek voor Nederland proberen te beantwoorden. We hebben twee grote vragen. Eén: valt de samenleving niet uit elkaar met steeds grotere diversiteit? We hebben – vooral in de Randstad – geen homogene wijken meer. Twee: wat levert het economisch op? Moeilijk onderzoek. Bijvoorbeeld bij die eerste vraag: hoe meet je sociale samenhang? We kiezen voor drie indicatoren. Ten eerste: gaat het sociale kapitaal niet kapot door de diversiteit: hoe verhouden mensen zich tot elkaar? Helpen ze elkaar? We zien dat als er meer diversiteit is, dat dan het samenleven problematischer wordt. Gevoelens van onbehagen ontstaan in directe leefomgeving. Ten tweede: leidt diversiteit tot verliesgevoelens bij gevestigde bevolking? Verliesgevoelens zijn een heel reëel vraagstuk. Ook bij middelopgeleiden en hoogopgeleiden. Ze hebben het gevoel de grip op hun bestaan kwijt te raken. Ten derde: de criminaliteit. Voelen mensen zich minder veilig? Wordt er meer gestolen in de wijk?

Ik maak een grote stap. Als de WRR verliesgevoelens een indicator noemt voor afnemende sociale cohesie zou een overwinning van Wilders bij de verkiezingen een indicatie zijn voor het uiteenvallen van de samenleving? Zover wil Engbersen niet gaan. Hij verwijst naar Van de politicoloog Gunsteren. Die zei ooit dat strijd – waaronder politieke strijd – niet altijd een indicatie voor afnemende sociale cohesie hoeft te zijn. Hangt ervan af hoe we met het conflict omgaan. Maar natuurlijk Wilders mobiliseert de verliesgevoelens en waarom zou dat niet mogen? Tegelijkertijd nemen veel partijen een deel van de agenda van Wilders over. Niet alleen nieuwe partijen, maar ook CDA, PvdA en VVD. Á la van Gunsteren: we zien wel strijd, maar we zijn nog steeds in staat om elkaar te debatteren.. Dat duidt op sociale cohesie.

Binding van Turkse jongeren met Erdogan is curieus

Hoe staat het met de binding van de allochtonen met moederland? Zijn Turken meer verbonden met Turkije dan met Nederland? Zie de beelden in Rotterdam na de staatsgreep tegen Erdogan. Engbersen: veel Turken zijn geïntegreerd in Nederland en voelen daarnaast loyaliteit voor het land van herkomst. Al moeten we toegeven dat dat ‘geïntegreerd zijn’, ook kan betekenen dat ze vooral onder elkaar wonen en leven. Toch bestaat er in het algemeen geen relatie tussen mate van integratie en mate van binding met het land van herkomst. En onder integratie verstaat Engbersen: met een normale baan meedoen in de samenleving. Sommige migranten zijn helemaal geïntegreerd en blijven geld sturen naar het land van herkomst en Somaliërs die in de bijstand zitten sturen ook nog steeds geld. Dat is het algemene beeld. Maar wat er met sommige Turkse jongeren gebeurt, daar wordt Engbersen niet blij van. Ze zijn hier opgegroeid. En dan die sterke identificatie met Erdogan. Engbersen begrijpt wel een zekere loyaliteit. Dat de staatsgreep daar hier emoties opwekt. Maar wat je zag, was ook een illustratie van problematische integratie van jongeren hier. “Het is curieus dat ze meer binding lijken te hebben met Erdogan dan met de Nederlandse samenleving”.

Hoeveel migranten zijn moslim? Engbersen: ik zou het niet kunnen zeggen. We hebben geen volkstelling meer. We weten wel dat een deel van de migranten uit moslimlanden komen. Maar het kunnen ook Christenen zijn uit Syrië. Dat weten we allemaal niet.

Wat weten we van radicalisering? Engbersen: wat is radicalisering? Ja. Jihadstrijder worden. Dat zeker. Maar als je meer fundamentalistisch wordt ten aanzien van religie, dat je op andere politieke partijen stemt? Maar er zijn in NL geen signalen van grote vormen van radicalisering. Indicaties van plukjes. Iets meer dan 200 naar Syrië afgereisd. Het kan een topje van de ijsberg zijn, maar dat weten we niet.

Wat zijn de oorzaken van die radicalisering? Speelt het Mattheus effect hier een rol? Engbersen: een cocktail. Er is een sociaal-economische voedingsbodem: groepen voelen zich gemarginaliseerd. Ze kunnen niet meekomen. Ze voelen zich gediscrimineerd. Maar ook middengroepen en hogere inkomens kunnen radicaliseren. Er is ook een sociaal-culturele voedingsbodem. Het gevoel: ik word niet erkend. Onvrede met de samenleving. Het idee dat geloof hun bescherming biedt. Er is geen sprake van een Mattheus effect. Het zijn namelijk ook hoogopgeleiden die radicaliseren. Het is een emotioneel en een sociaal-economisch vraagstuk dat niet alleen verbonden is met de eigen positie en die van de eigen migrantengroep, maar ook met geo-politieke machtsverhoudingen in de wijdere wereld.

Hoeveel migranten kan de samenleving aan

Ik durf die grote vraag toch maar te stellen: hoeveel migranten kan de Nederlandse samenleving eigenlijk aan? Waar ligt voor jou de grens? Of is er geen grens? Engbersen: ten eerste hangt erg van de toerusting van de mensen die hiernaar toe komen. Dat 50% van de inwoners van de grote steden een migratieachtergrond heeft, is niet het probleem. Het wordt pas een probleem als migrantengroepen zich niet kunnen redden en geen bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Denk aan de de grote bijstandsafhankelijkheid van Marokkanen en Antillianen en aan Somaliërs en Syriërs in de bijstand. Maar het merendeel van de migrantengroepen levert geen integratieproblemen op. In 2015 bestond de top tien van de migrantengroepen naast Syriërs, uit personen uit Polen, Duitsland, de voormalige Sovjet Unie, India, China, Engeland, de VS, Italië en Bulgarije. Ten tweede hangt het af van de economische absorptiecapaciteit: hoeveel banen hebben we te bieden?. Engbersen wijst er nog eens op dat we een intelligent selectief migratiebeleid nodig hebben. En dat is er in Nederland. Arbeidsmigranten van buiten de EU kunnen hier alleen komen als ze bepaalde skills hebben en als er een baan voor ze is. Internationale studenten mogen hier naar toe als ze worden toegelaten op de universiteit. Familiemigranten moeten een inburgeringstoets doen in het buitenland. Je mag en kan alleen niet selecteren op vluchtelingen. Daarom is het belangrijk om hen zo snel mogelijk te integreren. . Er ontstaat een grens als er in Nederland onvoldoende werk is voor migranten en als te veel migranten de juiste toerusting ontberen om in de Nederlandse samenleving te participeren.

Migranten worden steeds vaker passanten

Vaak wordt bij dit onderwerp de dynamiek vergeten. Ten eerste: hoe groot is de retourmigratie. Engbersen: binnen EU bestaat grote mobiliteit. Ik vermoed dat minimaal de helft van de Polen zal teruggaan. Zoals we in het verleden hebben gezien met Spanjaarden, Italianen en Grieken. Van de vluchtelingen gaat een derde weer door naar een ander Europees land of ze gaan weer terug. Expats gaan na 3 tot 5 jaar weer weg. Veel studenten gaan weer weg. Dat is heel ingewikkeld voor steden en voor integratiebeleid. Inburgering is niet voor iedereen de oplossing. Steden hebben in toenemende mate te maken met passanten. Tijdelijke huisvesting, tijdelijk onderwijs. Short stay voorzieningen. Zij-instroom in onderwijs.

Elke wereldstad heeft zijn arrival neigbourhoods

Ook binnen de steden bestaat veel dynamiek. Steden zijn vaak arrival cities. Men komt aan, krijgt een baan, een opleiding en zo fungeert de stad als roltrap. Bij hoeveel migranten lukt dat inderdaad? Engbersen: Al die hoeveel-vragen! Tjonge, tjonge, dat weten we niet precies. We weten wel dat het werkt. Maar ik kan geen cijfers noemen. In Rotterdam-Zuid werkt de roltrap overigens niet voor voor iedereen. Denk aan de problematische positie van de eerste generatie Surinamers en Turken. Maar wel voor de MOE-landers! Polen komen daar aan, en gaan of in Polen investeren in nieuw huis of ze gaan elders in Rotterdam een huis kopen. Liefst in een betere buurt. In hun ogen is verbetering: de buurt uitgaan! Maar het gaat moeizaam met de traditionele groepen. Hoewel, de grote hbo-instellingen in de buurt van Zuid zijn volstrekt multicultureel.Sociale stijging zie je bij Polen al in de eerste generatie, bij andere groepen in de tweede en de derde generatie. Onderwijsniveau van migranten op Zuid ligt hoger dan bij de autochtone bevolking.

Ja de stad is emancipatiemachine én de stad is toevluchtsoord van marginale groepen. Die arrival neighbourhoods hebben de functie van springplank én zijn de verzamelplek van kwetsbare groepen. Dat maakt zo’n wijk zo ingewikkeld. Elke serieuze wereldstad heeft dit soort arrival neigbourhoods nodig. Terwijl de overheid altijd bezig is om die instroom te verbeteren. De Nationale overheid heeft een selectief migratiebeleid, Rotterdam heeft zijn Rotterdamwet. In Amerika ligt het extremer. Met veel illegalen. Die hebben we hier ook, maar die krijgen hier veel minder ruimte dan in Amerika. In Amerika heb je illegalen als heel geslaagde ondernemers. Dat is hier onmogelijk.

Maar wat Marco Pastors wil, Zuid op het gemiddelde niveau van de stad als geheel brengen, dat lijkt mij een brug te ver. Wat hij heel goed doet, is dat hij heel zwaar inzet op onderwijs en op de verbinding onderwijs-arbeidsmarkt. Dat is de kern van het beleid. Niet van die kleine welzijnsprojectjes in de buurt. Maar de woningvoorraad mag ook niet te eenzijdig zijn. Voor de kwaliteit van leven. Is ook voor scholen goed. Dat er ook kinderen in de klas zitten van wie de ouders wel werken. Dat is het grote voordeel van de Polen die op Zuid erbij zijn gekomen. Onderwijs, arbeid en huisvesting is de heilige drie-eenheid. En ik weet dat het veranderen van de woningvoorraad heel ingewikkeld is.

Ik ben verbaasd dat Engbersen in het ‘buurteffect’ gelooft. Dat de samenstelling van de buurt je eigen kans op werk en op vooruitgang bepaalt. Engbersen is voorzichtig. Hij gelooft er “een beetje” in. “Ja, die geografen zeggen altijd dat buurteffecten niet bestaan”. Het gaat om een compositie-effect: de samenstelling van de bevolking is belangrijk. Zie het laatste boek van Putnam. Klassen met kinderen uit gezinnen met een verschillende sociaal-economische status zijn goed voor kinderen van lage inkomensgroepen.

Er is eerder minder dan meer discriminatie

We praten over het veranderen van het discours. In de jaren 90 stond het debat nog in het teken van multiculturaliteit. Tegenwoordig moet iedereen een bijdrage leveren aan de samenleving en heeft iedereen zich te houden aan de principes van onze democratische rechtstaat. En we eisen tolerantie. Dat duidt niet meer op gelijkwaardigheid van culturen. Deze principes belichamen nu eenmaal vooral onze cultuur. Misschien is de vraag te groot: is huidige racisme een gevolg van te vriendelijke houding in de jaren 90? Engbersen: ik weet het niet, eerlijk gezegd. Oude sociologische wet: migranten moeten altijd een plek veroveren. Gevestigden hebben altijd moeite met nieuwkomers. Discriminatie hoort daarbij. Harde varianten en impliciete varianten. Ik denk niet dat discriminatie is toegenomen, misschien wel afgenomen. Alleen degenen die onderwerp zijn van discriminatie zijn er gevoeliger voor geworden. Eerste generatie durfde er vaak nog niet tegen in te gaan. De tweede generatie, hoogopgeleid, die protesteert. Er is een veel grotere gevoeligheid voor discriminatie.

Opnamecapaciteit van Nederland kent grenzen

Tot slot, De WRR bracht vorig jaar een policy brief uit. Met als boodschap: laat asielzoekers eerder participeren, anders komen ze er nooit meer tussen. Ik vraag Engbersen of dat niet een beetje te politiek correct was? Het advies kwam uit toen vele vluchtelingen het land binnenstroomden. De WRR had ook kunnen zeggen: waarom worden statushouders voorgetrokken bij sociale huurwoningen en waarom mogen asielzoekers met een uitkering een baan weigeren? Het maatschappelijke gevoel was: toch die mensen pikken onze dingen in, kan het niet wat minder? Je had zelfs kunnen zeggen dat er minder vluchtelingen moeten worden toegelaten. Maar de WRR bepleitte slechts een snellere integratie. Er ontstaat een mooi debat. Engbersen fel: we waren helemaal niet braaf. De kracht van het rapport was dat we terugkeken naar de jaren 90. Toen kwamen er ook zoveel vluchtelingen. De integratie is toen bedroevend geweest. Veel werkloosheid onder vluchtelingen. Ik interrumpeer: dat is toch een extra argument om te zeggen: ga de grens sluiten? Engbersen: ja, nee, ja. Alle aandacht ging toen uit, net als nu, naar de eerste opvang van asielmigranten. Er was te weinig nagedacht over integratie. Dat dreigde ook nu te gebeuren. Wat wij dus zeiden was dus niet politiek correct! We hielden de spiegel voor van het verleden. En dat die centrale opvang opnieuw veel te lang dreigde te duren. Meer dan een jaar wachten, dan uitgeplaatst naar een gemeente. Dan gingen ze daar nadenken over inburgering en daarna over een opleiding. En daarna over baan. Dat kon 4, 5 jaar duren.

Ik probeer het nog een keer: hebben jullie overwogen om te zeggen: uit het verleden blijkt dat we deze aantallen niet aan kunnen? Engbersen: dat hebben we nooit overwogen omdat dat niet het onderwerp was van de policy brief. Maar ik wil er wel iets over zeggen. Het ging in 2015 om ruim 50.000 asielmigranten op 17 miljoen mensen in Nederland. In Zweden nemen ze er veel meer op. Met veel minder inwoners. Maar ons centrale punt was: je kan het veel intelligenter doen, die opvang en de integratie. Probeer meteen werk te maken van integreren. Meteen verspreiden over plekken waar ze kunnen werken. Voordat je migratiebeslissing neemt, meteen kijken naar geschiktheid voor de arbeidsmarkt. Nee, al die andere vragen hebben we niet opgeworpen en beantwoord. Het ging er toen om dat mensen er al waren. En we wisten dat het merendeel een asielstatus zou krijgen. De vraag was: hoe ga je deze groepen integreren?

Ik blijf het proberen: waarom heb je niet aan de verliesgevoelens van de gevestigden gedacht? Engbersen: we zeggen ook dat anderen groepen dezelfde rechten moeten hebben. We zeggen dat er van alles moet worden gedaan aan nieuwe vormen van huisvesting om ervoor te zorgen dat asielmigranten geen exclusief beroep doen op de publieke huisvesting. En we zeggen ook dat veel maatregelen die worden bedacht voor asielmigranten (bijvoorbeeld rond arbeidsmarktoeleiding) ook beschikbaar zouden moeten zijn voor de gevestigde bevolking. Het belangrijkste: de vluchteling moet zo snel mogelijk zijn eigen broek kunnen ophouden.

Kijk er waren twee stromingen. Sommigen waren heel bang dat al die vluchtelingen vooral naar de bijstand zouden gaan. Anderen vonden het vooral zielig voor die mensen. Wij hebben in feite die impasse proberen te doorbreken. Niet zielig doen, gewoon aanpakken. Professionals voor het onderwijs. Meer geld voor gemeenten.. Er alles er aan doen dat vluchtelingen meteen aan het werk gaan. Het is gewoon heel hard werken.

En dan komt plotseling een antwoord op een eerdere vraag: “Als jij vraagt: zou de Nederlandse samenleving in staat zijn om tien jaar achter elkaar dit soort aantallen op te nemen, dan denk ik van niet.”
En we worden het een beetje eens: “Je hebt gelijk, dat in zo’n policy brief een aantal fundamentele vragen niet aan bod kunnen komen. Maar daar is zo’n brief ook niet voor bedoeld. In de Kamer liepen velen met een grote boog om de integratie heen. Het merendeel van de Kamervragen en Kamerdebatten gingen over de eerste opvang. Dat is begrijpelijk, gelet op de aantallen en de onrust in de samenleving. Wij hebben gezegd: denk ook aan de volgende stap. En dat is de integratie. Sluit daarvoor je ogen nou niet. Want het draagvlak van het vluchtelingenbeleid staat of valt met de mate waarin asielmigranten straks een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Een vluchteling heeft vooral in dat eerste jaar een zetje nodig. Het is goed dat wij deze onafhankelijke positie hebben ingenomen en dit punt zijn blijven maken.

 

26 november 2016

Peter Boelhouwer: nieuwbouw buiten stad is onvermijdelijk

november 14, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met Peter Boelhouwer

 

De wereld van de volkshuisvesting, tegenwoordig zeggen we ‘wonen’, is een boeiende wereld met boeiende en authentieke denkers. Peter Boelhouwer is daar één van. Hij is hoogleraar huisvestingssystemen en afdelingsvoorzitter van het OTB, een afdeling van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft, dat zich met vele vragen rondom wonen bezighoudt. Boelhouwer is dus de aangewezen man om een ander aspect van die Triomf van de stad te belichten. De kenniseconomie versterkt de trek naar de stad, de behoefte aan huizen is in sommige steden enorm. Tegelijkertijd worden de kansarmen geleidelijk uit de stad weggedrukt. Het gesprek gaat met name over die spanning.

Woningbouw en demografie hebben veel met elkaar te maken. Daarom start ik het gesprek met de demografie. In de laatste voorspellingen van het CBS blijft Nederland nog steeds maar groeien, tot 2060. Ik vraag Boelhouwer hoe dat toch komt, terwijl er zoveel stagnatie is in heel Europa? Boelhouwer nuanceert meteen: Duitsland krimpt echt. Van 80 miljoen naar 60 miljoen. Maar Engeland is precies andersom van 60 naar 80. Al is nog onduidelijk wat de effecten van Brexit op de demografie van VK zal zijn.

Nederland is heel aantrekkelijk

In het algemeen moeten we dus vaststellen dat bepaalde delen van Europa groeien, en andere krimpen. Nederland doet het als welvaartsstaat en als gebied om te wonen hartstikke goed. Van de studenten die aan de TU promoveren, komt 80% uit het buitenland. En heel veel van hen willen hier blijven. Nederland heeft gewoon een heel aantrekkelijk leefklimaat. We zijn goed georganiseerd. We zijn een open economie. Iedereen spreekt Engels. Die kenniseconomie trekt heel veel buitenlanders. Maar het zit op alle niveaus. We hebben weer meer maakindustrie, waar we buitenlanders voor nodig hebben. Land- en tuinbouw hebben steeds meer buitenlanders nodig. Zo zien we in het laatste jaar een stijging van de bevolking met bijna 90.000 inwoners. Maar het vestigingsoverschot is 66:000 en het geboorteoverschot is 20:000. We groeien dus vooral door de trek naar Nederland. En dat geboorteoverschot wordt ook nog eens voor een belangrijk deel bepaald door kinderen van immigranten. Vooral in de steden zien we heel veel immigranten. Ze zijn zeker geen geen afspiegeling meer van het land.

Toch blijft het volgens Boelhouwer moeilijk om de verdere ontwikkelingen te voorspellen. Dat heeft sterk te maken met de onvoorspelbaarheid van de migratie. Daarom werkt het CBS met enorme bandbreedtes bij hun voorspellingen. Betrouwbaarheidsmarges van 60%, daar kan je in de wetenschap niet mee aan komen. Op de langere termijn zagen we dat de voorspellingen erg moesten worden bijgesteld door de komst van de pil. Die voorspelde 20 miljoen mensen zijn er nooit gekomen.

Ik vraag Boelhouwer wat dat betekent voor de bouw van nieuwe woningen. Als de groei zo moeilijk valt te voorspellen. Ik suggereer dat de behoefte aan woningen over het algemeen altijd hoger is ingeschat dan er daadwerkelijk is gebouwd. Die gedachte blijkt onjuist. Want er worden op nationaal niveau geen bouwprognoses meer gemaakt. Bovendien is de woningmarkt is flexibel. Als er krapte is blijven studenten langer thuis wonen. Mensen gaan samen in één huis wonen, met die ‘friendscontracten’ bij corporaties bijvoorbeeld. Je hebt veel substituten bovendien. Stacaravans. Vakantiewoningen. Tegenwoordig is er heel veel anti-kraak. Er is dus een grote flexibele schil om die woningmarkt heen. De markt bepaalt of die schil groot genoeg is. Maar het Rijk maakt geen woningbouwprogramma’s meert. De provincies doen dat wel en ook gemeenten voor hun eigen grondgebied.

De steden bestaan uit twee groepen, de middeninkomens ontbreken

De demografische ontwikkelingen van de Nederlandse steden worden door twee vragen bepaald. Welke groei zal de Nederlandse bevolking te zien geven en welke regionale verschillen zijn er binnen het land te verwachten. Ook daar nuanceert Boelhouwer: de groei zit natuurlijk in de steden. Men trekt vooral naar de steden. Maar de laatste jaren kennen de steden weer een vertrekoverschot als het om de binnenlandse migratie gaat. Er verlaten meer mensen de stad naar de omliggende gemeenten dan omgekeerd. Maar de steden groeien omdat dit binnenlandse tekort vanuit buitenland fors wordt gecompenseerd. De stad is natuurlijk broedplaats en opvangplek voor al die mensen die van buiten komen.

Toch is het wel begrijpelijk dat je weer meer gezinnen de stad ziet verlaten, behalve uit Rotterdam. Je kan met kinderen in een stad bijna niet meer fatsoenlijk wonen, tenzij je een heel hoog inkomen hebt. Ja in de Vinexwijken. Maar is dat stad? Utrecht heeft die hele stad erbij gekregen, dat is Leidsche Rijn. Heeft hele andere kenmerken. Lijkt meer op Nieuwegein dan op binnenstad van Utrecht. Dus al die statistieken van de stad moet je met een korrel zout nemen. En er was een crisiseffect. Die hele woningmarkt is bevroren geweest. Transacties waren gehalveerd. Nu zien we een inhaalslag van verhuizingen. Maar let wel, de mensen die vertrekken doen dat niet omdat ze weg willen, maar bij gebrek aan keuze. Als ze wel een betaalbare woning zouden kunnen vinden zouden ze graag in de stad willen blijven. Dat is anders dan in de jaren 60 en 70 toen mensen de steden ontvluchten.

Let wel: de steden bestaan steeds meer uit twee groepen. Aan de ene kant heb je de sociale woningbouw. Die mensen blijven zitten, zolang die sociale woningbouw er is. Er zijn wachtlijsten van tot wel 10 jaar. En daar komen asielzoekers bij die daar misschien werk kunnen vinden. Aan de andere kant heb je de hogere inkomen. En veel middenklasse woont suburbaan. Door de Triomf van de stad blijft de middenklasse wel meer in de stad wonen dan vroeger. De beroemde bakfiets-generatie. Die middenklasse bestaat in feite uit drie categorieën. Een deel blijft in de stad. En deel gaat naar de randgemeenten. En een deel zou in de stad willen blijven wonen, maar kan het niet omdat er te weinig fatsoenlijke en betaalbare woningen zijn. In Parijs en London is dat proces al veel verder voortgeschreden. De middenklasse kan daar niet meer blijven wonen. Of ze moeten een woning delen. In Moskou kan je wonen als je een woning van de staat hebt gekregen. Maar hoe kom je er anders nog in? En de prijzen in Amsterdam stijgen nu ook als een gek. Waar dat ophoudt? Ik weet het niet, maar voorlopig zeker niet.

Bijna alles wordt door de ruimtelijke ordening bepaald

Het is fundamenteel anders dan in de jaren 60 en 70. Toen zag je die trek naar buiten, die suburbanisatie. Die had volgens Boelhouwer alles te maken met de komst van de auto. En toen wilden we liever niet in de stad wonen. Die steden van toen hadden weinig voorzieningen en waren verpauperd. Toen de gentrification kwam, werden steden weer interessant. En dat is een hele bijzondere ontwikkelingen, want uitbreidingen van steden waren altijd suburbaan, vaak aan de rand van de reeds bestaande bebouwing. Oog en Al en Tuinwijk bij Utrecht. Daarna die modernistische wijken met die hoogbouw en veel groen. Er is nooit uitbreiding van de echte stad geweest. Daarna kwamen die groeikernen. Door infrastructuur en treinen kon dat. Altijd zijn die uitbreidingen er geweest voor de middenklasse. Door vervoer konden we verder gaan en met Vinex zijn we weer een stapje teruggegaan. En dat alles werd door ruimtelijke ordening bepaald. Ook voor de oorlog die tuinsteden, dat waren suburbane rustige woonmilieus. Alleen gentrification is een nieuw element. Heeft te maken met opkomst van jongerencultuur. Met studenten. Wie studeerde er vroeger nu? Dat waren een handjevol mensen. En kunstenaars hadden we ook veel minder. En daarmee begint de gentrification. Kunstenaars maken er iets leuks van. Dan komen mensen met geld erin. En aan het einde is het van Trump. Dan is het ook weer weg. Dat is ook zo’n discussie: is gentrification nu goed of slecht?

Ik vraag Boelhouwer waar we moeten bouwen. Moet je, omdat de steden groeien, meer in de stad bouwen. Of gaan mensen gewoon weer naar groeikernen, als je daar weer meer zou bouwen? PBL-directeur Hajer suggereerde dat ooit. Zijn stelling was dat steden de laatste decennia groeien omdat de nieuwe huizen weer binnen de gemeentegrenzen worden gebouwd door Vinex. Als je ze daar niet meer bouwt, maar weer in Zoetermeer, dan gaan mensen weer naar Zoetermeer. Boelhouwer is het daar deels mee eens. Hij zegt: die redenering is te gemakkelijk. Want de bevolkingssamenstelling van de stad verandert wel. De stad bestaat voor driekwart uit één- en tweepersoonshuishoudens. Voor de helft uit alleenstaanden. Als je die Vinex eraf zou halen, zou het beeld nog even schever zijn. En de groei zit vooral in dat soort huishoudens. Alleenstaanden en ouderen. Dat er meer vraag naar de stad komt vanuit demografie, dat begrijp ik wel. Het aantal gezinnen daalt een beetje. Demografische ontwikkeling is een heel belangrijke verklaring voor de groei van de stad.

Niet veel mensen willen echt stedelijk wonen

Als je sommige gemeentebestuurders hoort, zou je denken dat iedereen in de stad wil wonen. Boelhouwer is echt op de hoogte van de woningbehoefte van burgers. Hij vertelt dat er over 20 jaar nauwelijks iets is veranderd in de woningbehoefte. “Het is zo stabiel als de pest.” Er is altijd maar 10 tot 15% die grootstedelijk wil wonen. Hij nuanceert meteen: dit gaat wel om onderzoek onder huishoudens met inkomens vanaf modaal. De rest kan toch niet kopen. Het gaat om mensen die iets te kiezen hebben. Het grootste deel wil groen-stedelijk wonen, dichtbij de voorzieningen. Vinex! Daarom is Vinex zo’n doorslaggevend succes! Korte afstand van voorzieningen, maar ze wonen toch op heel veilige en plezierige manier. Dezelfde soort mensen. Vinex wordt echt heel hoog gewaardeerd en het is niet waar dat er veel scheidingen in Vathorst zijn. Ja, al die architecten zijn tegen. Maar dat verbaast Boelhouwer. “Als die architecten en die stedebouwkundigen iets gemaakt hebben, is het plotseling niet meer goed. Dat is toch gek! Die architecten zijn ook vaak verstokte modernisten.” Ook maar 10 tot 20% wil echt landelijk wonen. Groot deel wil kleinstedelijk en dorps wonen en groot deel wil groen-stedelijk wonen. Wat in de stad wil wonen: migranten, hoogopgeleiden, kenniswerkers. Die groep is wel aan het groeien. En het is moeilijk om in de steden nog veel te bouwen. In Amsterdam willen ze nu de dichtheden op de nieuwe locaties in de stad verdubbelen. Ze willen 50.000 woningen in 10 jaar bouwen! Maar het houdt wel een keer op. In Rotterdam kan je wel de lucht in. Maar Rotterdam is niet zo populair. Maar in Amsterdam kan je niet op die manier de lucht in. Dat past niet bij die stad en kan niet vanwege de Unesco en vanwege Sciphol. Er is wel een trend om steeds kleiner te gaan bouwen. Is ook wel een oplossing.

Groot tekort aan sociale huurwoningen

We gaan verder inzoomen. In Amsterdam zie je dat de armen en de werklozen naar de randen van de worden verdreven. Ik vraag Boelhouwer of die trend overal zichtbaar is. Hij zegt dat ze al aan de rand woonden. Maar het verschuift wel. Almere vangt hen nu ook op. In Utrecht zullen ze naar Nieuwegein gaan. Zoetermeer moet ook de lagere inkomens opvangen. In dat verband zijn die nieuwe Woonvisies interessant. Boelhouwer heeft er veel gezien. Allemaal kiezen ze voor hogere en middeninkomens, voor kenniswerkers. We hadden eerst Florida. Iedereen moest creatief en cultureel gaan doen. We moesten de creatieve klasse aan trekken. Nu hebben we Glaeser. En moeten we de kenniswerkers aantrekken. Maar waar dan die lagere inkomensgroepen heen moeten, wordt er even niet bijverteld. Ik moet overal meedoen met het debat. Zoals die wethouder van Rotterdam. Die zegt: Rotterdam moet mooi worden, we willen de wat betere mensen in de stad hebben. Meer koopkracht, goede mensen. En dan gaan ze hele schimmige berekeningen maken van doelgroepen waarbij ze zitten te knoeien met grenzen. Bovendien kan je al snel bewijzen dat je voldoende sociale huurwoningen hebt, als je kijkt naar je doelgroep. Want er wordt scheefgewoond. Alleen: hoe krijg je die ‘scheefwoners’ uit die woningen? Bovendien kloppen die grenzen van de sociale huur niet. Mensen met kinderen met 40.000 wonen echt niet scheef, die hebben weinig te besteden. En dan wordt er gezegd: we moeten kenniswerkers hebben. Maar zoveel kenniswerkers zijn er niet. Den Haag doet het anders. De Haagse wethouder wil ook de sociale huur uitbreiden. Daar zit zijn achterban. Maar Amsterdam gaat er 40.000 sociale huurwoningen op achteruit. Dat komt door de wetgeving: particuliere huurwoningen die huurwoningen verhuren onder de liberalisatiegrens worden voor een deel geliberaliseerd. Omdat de WOZ-waarde meetelt bij de puntentelling. En bij hoge WOZ-waardes kom je uit boven het maximale aantal punten en dan mag je als verhuurder liberaliseren. En er worden sociale huurwoningen onttrokken door sloop en verkoop. Er gaan in Amsterdam tienduizenden sociale woningen weg, en er worden jaarlijks 1200 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd, waarvan 400 voor studenten. Terwijl in de jaren 90 nog 80% van de nieuwbouw in de steden sociale woningbouw was. Overal vraag ik of ze het regionaal afstemmen. Dat gebeurt bijna nergens. Zo ontstaat er een groot tekort aan sociale woningbouw.

Nieuwbouw buiten de stad is onvermijdelijk

Dan hebben we het nog niet eens over de mogelijkheden voor nieuwbouw in de steden. EIB en PBL hebben beide de plancapaciteit binnen de steden in kaart gebracht. Maar die is gewoon niet genoeg! Terwijl het PBL er alles aan doet om aan te tonen dat je in de stad kan bouwen. Alles wordt meegenomen, ook waar het superduur is. En dan nog moet er voor het middensegment nog 30% buiten de stad worden gebouwd. Als je realistischer bent moet 70% buiten de stad worden gebouwd.

Dat lijkt gunstig voor de randgemeenten, maar als zij straks worden afgescheept met de armen en werklozen voor wie in de stad geen plek meer is, heeft dat ook allerlei consequenties. Ik vraag Boelhouwer dus wat die randgemeenten op dit moeten doen. Ook daarover is Boelhouwer duidelijk: Als die niks doen, worden ze het afvoerputje. Ze moeten regionaal goede afspraken gaan maken. Staat ook in de wet. Als Utrecht dat niet wil, kan Nieuwegein dat afdwingen bij de minister. Dan moeten ze goed onderzoek doen. Dan is er ook nog arbitrage. Ja de rand is tegenwoordig afhankelijk van de stad. Twee decennia geleden was het omgekeerd. Je ziet het met de Rotterdamwet. Ook randgemeenten willen de Rotterdamwet toepassen om te voorkomen dat degenen die in de stad op basis van de Rotterdamwet worden geweigerd allemaal doortrekken naar de randgemeenten. Overigens blijkt die Rotterdamwet volgens de evaluatie niet te werken. Hij heeft helemaal geen invloed op de uitstroom en instroom van mensen met lage inkomens. Zeker niet als iedereen die Rotterdamwet gaat gebruiken om de lagere inkomens tegen te houden.

De vraag blijft waar die lagere inkomens dan wel heen moeten. Volgens Boelhouwer worden er nog maar weinig sociale huurwoningen gebouwd. Na de crisis is dat enorm ingezakt. Nog maar 15.000 sociale huur van de 50.000 nieuwbouwwoningen per jaar. De rest is allemaal markt. Zo ontstaat er een groot probleem aan de onderkant. De wachtlijsten zullen toenemen. De hoop was dat de doelgroepen kleiner zouden worden na de crisis. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. Maar de beleidsmakers doen er alles aan om de indruk te wekken dat de doelgroep steeds maar kleiner wordt. Daarom maken ze ook zo’n punt van dat scheefwonen. Dan heb je minder sociale huurwoningen nodig. Bovendien als je de huren loslaat, dan schieten ze omhoog en dan is er zelfs geen ruimte meer voor de middeninkomens. Zie de Neudeflat in Utrecht. Vanaf 900 euro voor een kleine woning. Dat kunnen alleen de rijken betalen. In Overvecht doen ze het anders. Daar knappen de corporaties de woningen mooi op. Het was vreselijk. En nu zijn er weer goede sociale huurwoningen. Ze wilden ze eerst slopen maar dat konden ze niet maken met het tekort aan goedkope woningen. Zoetermeer breekt de flats aan Palenstein nu wel af. Flats uit de jaren 70. Gemeente doet er 20 miljoen euro bij, in het kader van het opstoten van Zoetermeer in de vaart der volkeren.
Het algemene beeld wordt steeds scherper: de stad groeit aan de bovenkant, de onderkant blijft waar mogelijk zitten en middeninkomens verdwijnen. Aan de rand komen de middeninkomens, maar vooral de lagere middeninkomens en de lagere inkomens. Maar ook in de randgemeenten gaat het bouwen van sociale huurwoningen ook heel moeizaam. Zo ontstaat een groot tekort aan goedkope woningen.

GroenLinks als partij voor de insiders

We sluiten af met een groot thema uit de volkshuisvesting: de rol van de overheid. De overheid heeft altijd grote invloed gehad op de woningmarkt. Hoe ziet Boelhouwer dat in de toekomst? Dat die rol van de overheid momenteel veel kleiner is dan vroeger leidt volgens hem geen twijfel. De plannen zijn allemaal veel kleiner. We noemen het organisch. Of mensen doen het zelf, zoals in het Homeruskwartier in Almere. Ook bouwers bouwen vooral consumentgericht. Weinig confectie meer. En op nationaal niveau wordt niet meer gepland.

Er lijkt wel een kleine kentering aan te komen. De Kamer, de PvdA-fractie voorop, wil dat er beter wordt gemonitord in de woningbouw. En als het niet goed gaat, moet het Rijk afspraken gaan maken met gemeenten. Dus er is weer enige beweging richting nationale planning. Maar Noord-Holland en Utrecht beweren dat ze geen nieuwe locaties nodig hebben. Zuid-Holland is ook jaren aan het afremmen geweest. Pas het laatste jaar is Zuid-Holland om, ze zijn weer aan het zoeken naar nieuwe locaties. En dat moet gebeuren. Want we kunnen straks niks meer. Maar al die GroenLinkse wethouders en gedeputeerden die willen dat allemaal niet. Dat bouwen buiten de stad. Het is typisch een insider-outsider-probleem. Je kan in de steden wel meer bouwen, maar dan moet je er wel heel veel geld bij leggen. Of je moet overal het bouwen verbieden, dan stijgen de prijzen zo dat je ook in steden in herstructureringsgebieden kan bouwen. Maar dat is pervers. Bedrijventerreinen herstructureren is gewoon een hele lange weg en heel duur. En dan nog is het niet genoeg. Je moet echt buiten bestaand stedelijk gebied gaan bouwen. Als je dat niet doet zeg je tegen mensen die het niet zo goed kunnen betalen gewoon: je zoekt het maar uit. Dat zijn onze vrinden van GroenLinks. Maar ook zo’n Ivens in Amsterdam en Jansen in Utrecht zijn een soort burgemeesters in oorlogstijd. Willen voornamelijk voor hogere inkomens bouwen.

Triomf van de stad: alles begint met werk

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met prof Frank van Oort

Frank van Oort is hoogleraar Urban and regional economics aan de Erasmus Universiteit. Hij is dus bij uitstek een man die moet je spreken als je geïnteresseerd bent in de Triomf van de stad. Hij weet waarom veel steden een periode van bloei doormaken. Hij weet waarom hoogopgeleide mensen in steden willen wonen en bedrijven zich bij hen in de buurt willen vestigen. Maar hij weet ook dat die grote bloei niet voor alle steden geldt. Waarom trekt de economie in Amsterdam en Utrecht bijvoorbeeld wel heel erg aan? En waarom trekken mensen én bedrijven weg uit Emmen en uit Enschede?

Bedrijf is in de stad productiever

Van Oort begint graag met de basis. Waarom trekken bedrijven naar steden? Omdat hun omstandigheden daar beter zijn dan op het platteland. Dat blijkt uit ook uit de simpele cijfers. Hetzelfde bedrijf is in de stad 5-7% productiever dan op het platteland. En dat verschil wordt alleen maar groter naarmate de stad meer inwoners heeft. Marshall heeft dat in 1890 allemaal al opgeschreven. De stad heeft agglomeratievoordelen. In een stad is de arbeidsmarkt groter en komen vraag en aanbod veel gemakkelijker bij elkaar (matching). In de stad kan je je specialiseren en kan je toeleveranciers en uitbesteders delen (sharing). En in de stad leer je meer van elkaar omdat er meer bedrijven zijn. En universiteiten en andere kennisinstituten. Dat is eigenlijk gratis kennis. Daardoor heb je minder zoekkosten (learning). Marshall onderzocht deze fenomenen al in zijn tijd in Manchester en in Liverpool. Tegenwoordig zijn het nog steeds dezelfde mechanismes, alleen gaat het heel veel sneller.

Maar er zijn ook agglomeratienadelen van al die drukte, van al die mensen en al die bedrijven dicht op elkaar. Files, vervuiling, fijn stof, de natuur staat onder druk, en hoge huizenprijzen. In London moet je een paar miljoen meenemen als je een huis wil kopen tegenwoordig. Maar uiteindelijk zijn de voordelen in veel steden toch veel groter dan de nadelen. Denk aan de hogere salarissen. Daarom willen velen, ondanks de nadelen toch in die steden zitten.

Een echte theorie of handige begrippen

Ik vraag Van Oort of we het nu hebben over een echte theorie, die iets kan verklaren, of dat we het alleen maar hebben over begrippen waarmee je steden (iets) beter kan begrijpen. Veel economen zouden dat geen prettige vraag vinden. Ze verwarren de werkelijkheid vaak met hun model en hun model met de werkelijkheid. Van Oort betoont zich veel meer een sociale wetenschapper. Hij onderkent dat er meer theorieën over de stedelijke economie zijn en dat de één meer waar is dan de ander. Hij vertelt dat economen graag in termen van evenwicht denken. Uiteindelijk ontstaat er voor de meeste economen altijd evenwicht. Bijvoorbeeld: in de evenwichtssituatie zal er altijd (nagenoeg) volledige werkgelegenheid zijn. Van Oort onderkent in zijn vak echter geen convergentie, maar divergentie. De economische groei doet zich vooral in steden gelden. Het achterland blijft bijna per definitie achter. Van evenwicht tussen stad en land is geen sprake.

Maar ik blijf zuigen. Verklaart die theorie nu echt iets, of is hij zelfs tautologisch? Als er groei is, is er groei. Als er triomf is, is er triomf. Hoe kunnen we uit deze theorie nu de bijzondere ontwikkeling van de economie van bijvoorbeeld de stad Leiden verklaren? De theorie gaat er immers vanuit dat het proces van matching, sharing en learning ertoe leidt dat een stad steeds aantrekkelijker wordt. Namelijk, doordat er zich steeds meer mensen en bedrijven vestigen. Zo komt een vliegwiel in beweging. Maar Leiden was een florerende stad in de Gouden Eeuw en was een paar eeuwen later zo verarmd, dat delen van de stad werden gesloopt. Maar volgens Van Oort is dat logisch. Als zich technologieën aandienen, heb je vaak andere skills, andere vaardigheden nodig. En het is maar de vraag of de stad die onder de oude technologie nog floreerde, ook over die nieuwe vaardigheden beschikt. Bovendien stopt het vliegwiel van de stedelijke economie als de markt verzadigd is. Als je textiel maakt, en de markt wil geen textiel meer, of het wordt elders heel veel goedkoper gemaakt, dan gaat de textiel weg. Kijk eens naar de autoindustrie in Detroit, die was de grootste ooit. Maar als ze elders innovatiever zijn, dan kan je die voorsprong zo kwijt zijn. En kan het vliegwiel heel snel tot stilstand komen.

Dus dat vliegwiel van de zich versterkende agglomeratievoordelen blijft niet altijd draaien. Zeker niet als je te eenzijdig bent gespecialiseerd. Van Oort: Je moet een breed portfolio hebben. Je moet bedrijven hebben die groeien, waar je de werkgelegenheid uit haalt en je hebt dingen nodig die nog heel klein zijn, maar die in de toekomst gaan groeien. En natuurlijk, sommige steden zijn bijna door hun historie onverslaanbaar. Denk aan London. Dat blijft door zijn padafhankelijkheid altijd aantrekkelijk voor nieuwe ontwikkelingen.

Afstand doet ertoe

Oké, ik geloof Van Oort zijn vliegwiel-theorie. Omdat steden aantrekkelijk zijn, trekken ze steeds weer mensen en bedrijven aan en daardoor worden ze nog aantrekkelijker voor nog meer mensen en bedrijven. Nu hebben veel Nederlandse steden (en veel steden elders) in de tweede helft van de vorige eeuw een terugslag gehad. Door de industrieën vervuilden en verpauperden de steden en trokken veel mensen naar buiten. In de kenniseconomie is de trek naar de stad weer enorm toegenomen. Dat zeggen we. Maar je zou ook kunnen zeggen dat de agglomeratienadelen enorm zijn afgenomen. De vervuiling is sterk teruggedrongen, de industrie heeft zich naar elders verplaatst en de gasfabrieken zijn overal gesloopt. Wat is het nu? Iedereen beweert dat de steden juist door de kenniseconomie zijn gaan bloeien en groeien, terwijl je ook kan zeggen dat de steden weer veel aantrekkelijker zijn geworden omdat de nadel van vijftig jaar geleden gaandeweg zijn verdwenen.

Van Oort onderkent dat veel agglomeratienadelen zijn verdwenen. Maar hij weet ook dat in de kenniseconomie de agglomeratievoordelen van steden nog veel sterker zijn gaan meespelen. Kennis heeft altijd een rol gespeeld in de economie. Maar nu hebben we veel meer toegang tot allerlei vormen van kennis door ICT. Je zou kunnen zeggen dat je overal toegang tot kennis hebt. Dat de wereld zelfs flat zou kunnen worden. Toch is de trek naar de steden overal toegenomen. Dus die kenniseconomie heeft zelfde drivers als de oude economie. In die kenniseconomie zijn face-to-face contacten bovendien heel belangrijk. Het gaat over overleg, het gaat om vertrouwensrelaties die je in direct contact opbouwt. Vooral in de steden heb je veel meer kans op interactie. Daar vind je de plekken waar je veel meer kan leren. In dat opzicht is het belang van face-to-face contacten een aanvulling op de theorie van Marshall. Toch wordt het belang van die face-to-face contacten ook wel eens overdreven. Het gaat in de kenniseconomie niet alleen daarom, zoals Glaeser wel eens lijkt te suggereren. Het gaat ook over transportkosten.

Gaat Rifkin Rotterdam echt helpen?

Kenniseconomie en opleiding hebben vanzelfsprekend veel met elkaar te maken. Hoe hoger opgeleid hoe productiever. Van Oort: Als je er veel van hebt, zit je goed. Zeg maar Utrecht. Maar je moet nooit gemakzuchtig worden. Utrecht lijkt te denken: we hebben zo’n reservoir, wij hoeven niets meer te doen. Maar in de toekomst hebben ze niet meer genoeg aan zakelijke dienstverlening en ICT. Daarin zal verzadiging optreden. In de toekomst moet het wel ICT met iets anders zijn. Met zorg, of met veiligheid of iets anders Je moet naar markten toe die groeien. Het blijft nooit automatisch goed gaan.

Toch is het probleem van Utrecht een luxeprobleem. In Rotterdam ligt het echt anders. Daar biedt de arbeidsmarkt niet de kwaliteiten die de kenniseconomie op dit moment vraagt. Zo wil Rifkin van Rotterdam een smart port maken, maar Van Oort is bang dat Rotterdam de bijbehorende werknemers niet zal kunnen leveren. De arbeidsmarkt is de achilleshiel van Rotterdam. Van Oort: je gaat de arbeidsmarktproblemen van Rotterdam niet oplossen met het nieuwe verhaal van Rifkin. De mensen die Rifkin aan het werk wil helpen, heb je niet in Rotterdam.

Het vliegwiel start bij werken

Wie over arbeidsmarkten praat, praat in de stedelijke economie al gauw over de vraag of mensen naar steden trekken omdat er werk te vinden is, of dat bedrijven naar steden trekken omdat er goede werknemers te vinden zijn. In jargon: volgt wonen werken of volgt werken wonen? Het CPB meent dat werken tegenwoordig wonen volgt. Van Oort is veel genuanceerder: in eerste instantie gaat het erom dat je werk hebt. En dan kan je overal wonen. En je kan niet overal wonen als je geen werk hebt. Je kan dus wel dure appartementen in Rotterdam bouwen, voor hoger opgeleiden. Maar als er geen werk is komen die hogeropgeleiden maar met mondjesmaat en vaak moeten ze dan ook nog eens ergens anders werk gaan zoeken. In Den Haag of Amsterdam. Daar heb je dus niet zoveel aan. Er komen hier in Rotterdam ook geen nieuwe bedrijven omdat er een paar hoogopgeleiden wonen.

Voor Van Oort is het cruciaal: als het vliegwiel ergens start, dan start het bij werk. Pas als werk voldoende aanwezig is, dan krijgt het CPB gelijk. Dan gaat het vliegwiel draaien. Dat heb je vooral in de Noordvleugel. Maar de accountants die we hier aan de universiteit opleiden gaan allemaal aan de Zuidas werken. Dat los je niet op door mooie woningen aan de Maas neer te zetten. Dat los je op door hier werkgelegenheid te creëren waar dat soort functies nodig zijn. Er moeten weer hoofdkantoren naar Rotterdam komen, maar in de havenbranche zitten alle hoofdkantoren tegenwoordig in London.

Als er aan de voorwaarde van werk is voldaan, gaat het wonen wel een grote rol spelen. Mensen willen daar wonen, waar ze zich prettig voelen. Hogeropgeleiden hebben behoefte aan theaters, aan restaurants. Maar nogmaals, als je een mooi theater bouwt gaat het vliegwiel niet meteen draaien. Dat zie je ook in Enschede. Waar ze ook een prachtige wijk hebben gebouwd. Al die woonattracties, die amenities, werken als het vliegwiel eenmaal draait. In Amsterdam. In Utrecht. Dat zijn de echte consumercities.

Maar als ik vervolgens Eindhoven aankaart, ligt het toch weer ingewikkelder. Eindhoven heeft maar weinig voorzieningen, en de binnenstad is niet opvallend aantrekkelijk. Toch is dat in Eindhoven geen probleem volgens Van Oort, omdat ‘nerds’ andere behoeften hebben. Nerds willen gewoon carrièreperspectief, die willen werken, die willen op de campus. Die theorie van de Triomf van de stad is dus een ingewikkelde theorie. Hij klopt in Amsterdam en in Utrecht. Maar in Rotterdam draait het vliegwiel niet. En in Eindhoven loopt het goed, ondanks het feit dat het wonen daar niet attractief is. Van Oort zegt ook: de hele theorie is gericht op steden als Amsterdam. Omdat daar alles de goede kant opdraait. Maar het levert geen recept op voor iedere stad. Van Oort: ik zou in Eindhoven niet meteen achter cultuur aan gaan. Ik zou eerst eens goed gaan kijken, waaraan jouw doelgroep behoefte heeft. Wie gaat er gebruik van maken van dat nieuwe theater?

Niet elke stad een eigen campus, alsjeblieft

Het is boeiend dat Van Oort steeds weer het accent legt op werken. Op de werkgelegenheid. Op de bedrijven. Woonattracties zijn leuk, maar uiteindelijk gaat het om werk. Bovendien is ook nog eens het soort bedrijvigheid van groot belang. Sommige economen hebben altijd gedacht dat een homogene sectorstructuur goed zou zijn voor een stad. Hoe meer bedrijven van eenzelfde soort, hoe meer economies of scale. Maar Van Oort legt ook de nadruk op learning. En van identieke bedrijven kan je volgens hem minder leren. Als iedereen hetzelfde doet, ben je bovendien vooral concurrent. En bedrijven hebben in de regel niet de neiging om hun concurrent wijzer te maken dan hij al is. Met een homogene sectorstructuur heb je natuurlijk wel het voordeel van de arbeidsmarkt die je deelt. In Silicon Valley kan je heel veel ICT-ers vinden.

Maar je moet ook weer niet te veel van elkaar verschillen om iets van elkaar te kunnen leren. De schoenmaker leert niet veel van de fietsenmaker. Die heeft heel andere dingen te doen. Het moet ook weer niet te divers zijn voor cross-overs. In dat opzicht verwerpt Van Oort de ideeën van Jane Jacobs. Volgens hem heb je behoefte aan gerelateerde diversiteit. Je moet wel met mensen kunnen praten. Als je dezelfde technische taal spreekt, kan je iets van elkaar leren. Denk aan machinebouw naast de productie van auto’s.

Het is een mooie gedachte, gerelateerde diversiteit op je bedrijventerrein. Maar hoe organiseer je dat? Van Oort gelooft niet dat de overheid hier veel kan doen. Ten onrechte denken overheden volgens hem dat zij die cross-overs kunnen organiseren, door bedrijven bij elkaar te zetten. Maar bedrijven zoeken dat zelf wel uit. Van Oort: ik zeg altijd: de economie is zelfsturend. De overheid kan bedrijven faciliteren. Dat ze zich thuis voelen. Vergunningen snel leveren. Mooie woonmilieus. Glasvezel. Maar dat zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden, geen voldoende. Je kan het daar alleen op verliezen, niet op winnen. Ja het is prachtig als bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Maar dat moeten ze zelf doen. Dat kan de overheid niet opleggen. Bovendien hebben gemeenten niets te zeggen over de belangrijkste kennisinstellingen, de universiteiten. En dan vlucht de gemeente al snel in de richting van een mooie campus. En in het vergroten van de bereikbaarheid van de campus. Allemaal voorwaarden, maar of mensen gaan samenwerken is hun eigen keus.

Overigens is Van Oort ook heel kritisch over al die pogingen van gemeenten om allemaal hun eigen campus aan te leggen. Als het niet veel geld kost, ach, dan schaadt het niet. Maar het is wel belastinggeld. Campussen ontstonden vaak rondom een grote kennisdrager. Vaak is het toeval als een campus ontstaat. Maar als er één is, moet je zeker niet proberen in de omgeving er nog één te maken. Dan hebben de bedrijven zich al uitgesorteerd. In Emmen een ICT-hub maken heeft geen zin, als de bedrijven allemaal al in Eindhoven en Delft zitten. Het is vaak een een netwerk van elite-onderzoekers die heel sterk samen bepalen waar wat gebeurt. Lifesciences zit in Nederland in Leiden, Wageningen, Eindhoven en Utrecht. Die doen heel veel met buitenland. Maar Europees zijn onze pieken alleen maar heuveltjes. Cambridge, Braunschweig zijn echt groot.

Massa lenen bij de buren

Nederlandse steden hebben inderdaad vaak weinig massa in vergelijking met de buitenlandse concurrenten. In de wereld van bestuurders wordt veel gesproken over ‘borrowed size’. Zou het helpen om van elkaar te profiteren? Om als het ware massa bij de ander te lenen. Van Oort is daarover helder. Het zijn niet de bestuurders die steden bij elkaar op kunnen tellen, maar het is de markt die zelf sorteert. Daarvoor moeten steden onderling goed bereikbaar zijn. Als je één arbeidsmarkt bent, kan je uitwisselen. Maar er moet ook iets zijn om uit te wisselen. Het probleem in Nederland is dat elke stad zich in alles specialiseert. En dan valt er niet veel uit te wisselen. Ja, als er geen agglomeratievoordelen zijn, is er ook geen borrowed size.

Ik breng in dat we ondanks ons gebrek aan massa toch een heel rijk land zijn. Hoe kan dat dan, als onze pieken in de kenniseconomie internationaal maar kleine heuveltjes zijn. Het gesprek krijgt hier bijna een komische wending. Van Oort: Ja, we doen veel handel. In Europa zijn we een smeermiddel tussen allerlei sectoren. Ja, we hebben Born, maar vlak over de grens heb je 40 van dat soort autofabrieken. Ik interrumpeer weer: en toch doen we het economisch enorm goed in Nederland. Hoe kan dat? Van Oort: Ja, we zitten vooral in de handel. En in de dienstverlening. Daar heb je relatief minder massa voor nodig om winsten te halen. In dat licht is het goede vraag waarom we ons zo druk maken over die campussen. Ja, we willen ook innoveren. Alleen Eindhoven is daar echt goed in. Heel veel patenten. Ja, we verzinnen 11 topsectoren, waarvan je je moet afvragen of dat nou onze top is. Van Oort denkt dat we terug moeten naar wat we het beste kunnen. Handel en zakelijke dienstverlening. High tech systems and materials doen ze in Duitsland honderd maal beter. Lifesciences gaat in Oxford en Cambridge heel veel beter dan hier. Ja, daar heb je wel een punt. Zakelijke diensten is niet eens een topsector in Den Haag! Transport wel, maar handel niet.

Triomf is niet voor iedereen

We hebben het er al over gehad. Dat vliegwiel is prachtig als het eenmaal draait, maar ook dan draait het niet voor iedereen. Van Oort kent het onderzoek. PBL geeft aan dat een nieuwe baan voor een hoogopgeleide nauwelijks gevolgen heeft voor de werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Marlet heeft aangetoond dat er wel banen aan de onderkant bijkomen maar dat die vaak door hoogopgeleiden worden ‘ingepikt’. De PhD achter de bar. Elders is er volgens Moretti wel sprake van ‘triggling down’. Volgens hem zou één nieuwe baan aan de bovenkant zelfs voor vijf nieuwe banen aan de onderkant zorgen. Maar in Nederland hebben we dit soort cijfers nooit gevonden. Anders gezegd: Rifkin lost dus het probleem van Rotterdam-Zuid niet op. We moeten ons niet rijk rekenen met trek in de schoorsteen. Daar komt de komende jaren een ander probleem bij. Er komen steeds minder banen voor de middengroepen, door ICT en robotisering. De middengroepen kunnen niet naar boven en willen niet naar beneden. Dat zal grote problemen geven en grote ongelijkheid.

Bedrijven zoeken zelf wel hun plek

De grote vraag blijft: wat kan de overheid doen. Het is ook een vraag die Van Oort bezig blijft houden. Hij zegt: zoveel mogelijk obstakels uit de weg werken. Bottlenecks wegnemen in het onderwijs. Maar dat is niet zo eenvoudig. Studenten zouden nu het vak moeten leren, dat we straks nodig hebben. Maar hoe schatten we dat in. Bovendien: hebben we de docenten ervoor? Van Oort: ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wie dit anders zou moeten doen dan de overheid. We hebben overal Economic Boards, maar dat zijn niet de organisaties die op het terrein van het onderwijs dit soort dingen kunnen aanpakken. Maar heeft de overheid de goede mensen in huis om die toekomst een beetje aardig in te schatten? En je morrelt ook nog eens aan competenties van hbo-instellingen en van universiteiten.

Daarnaast: Ja, je moet bereikbaar zijn, je moet goede woonmilieus hebben, het moet veilig zijn. Leefbaar zijn. Het zijn de klassieke taken van de overheid. Maar dat doen ze overal in Europa. Dus waarom zou ons beleid differentiëren? Maar verder? Je kan wel besluiten dat er nu nog één groot biotechnologie bedrijf zou passen in je gemeente. Maar die kan je niet zomaar halen. Anders zouden ze er wel zitten. Bedrijven zoeken zelf wel hun plek.
Rotterdam, 28 juni 2016

Afronding Triomf van de stad, editie 2016

juli 11, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

In juni jl. is de zevende editie van de leergang Triomf van de stad afgerond. De cursisten gaven een presentatie. Ze kregen feedback van José Manshanden, wnd gemeentesecretaris van de gemeente Utrecht. De presentaties + het programma + de rode draad van de leergang zijn gebundeld in een boeiend boek. Foto’s (van Ienske Meindertsma en Karen Ephraim) geven een beeld van de steden en een impressie van de leergang. Het is hier te lezen. In september start de achtste editie.

Leergang ‘Triomf van de stad’ in nieuw perspectief

januari 12, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Vanaf 2012 organiseer ik als kerndocent voor stedelijke strategen de leergang ‘Triomf van de stad’ . Zes modules van twee dagen, met uitstekende docenten en met leerzame praktijkvoorbeelden. De recente ontwikkelingen van de steden vragen om nieuw beleid. Bovendien verandert de samenleving zo snel en zo fundamenteel dat oude instrumenten bot beginnen te worden.

Voor de eerste 6 groepen besteedde ik de logistiek en de administratie uit aan PBLQ. Aan het einde van 2015 hebben wij afscheid genomen van elkaar. Vanaf  januari 2016 organiseer ik de ‘Triomf van de stad’ geheel onder mijn eigen verantwoordelijkheid. Saskia de Puij-Akkermans neemt de administratie en de logistiek voortaan voor haar rekening. Karen Ephraim is de nieuwe co-docent.

De groep voor januari 2016 is volgeboekt. In september 2016 start de volgende groep. Ik zal op mijn website zo snel mogelijk de data van de jaargang 2016-2017 bekend maken. Aanmelding kan via Saskia de Puij-Akkermans (akkermanssaskia@gmail.com; 0611039819).

Zie voor meer informatie Triomf van de stad: de leergang.

Dagboek van een weerstudent

september 7, 2015 by  
Filed under artikel

Het viel niet mee, die eerste week. Op maandag beginnen met een uurtje introductie. Daarna naar McKinsey om te adviseren over duurzame mobiliteit en verstedelijking. Plotseling wordt er weer naar me geluisterd. ’s Middags drie uur college. Tussendoor de tijd doorbrengen bij ‘De Jaren’ in de Nieuwe Doelenstraat. Goede koffie, goede stroom. Zo word ik onwennig student, op de laatste dag van mijn hoogleraarschap. Dinsdag en woensdag rommel ik wat in huis. Donderdag en vrijdag verzuim ik mijn colleges aan de UvA en geef zelf les op de ss Rotterdam. Twee dagen met een groep stedelijke strategen in gesprek over de ‘achterkant van de triomf van de stad’.

Die twee dagen in Rotterdam waren een feest. Ik geniet van het college van Godfried Engbersen. Ik geniet van het felle debat dat tussen de groep en Jos van der Lans ontstaat. Ik geniet van de avond in het Verhalenhuis met Els Desmet en met autochtone bewoners van De Kaap. Ik geniet van mijn cursisten die zich die ene essentiële vraag stellen die ambtenaren (en politici!) zich veel vaker zouden moeten stellen: ‘waar zijn we van?’ Is dit echt een taak voor de overheid? We genieten van de stad die Carlo ons vanaf de 40e verdieping van het nieuwe stadskantoor laat zien, een stad die zich langzaam in regen hult. We genieten op een vmbo-school [Melanchton Mathenesse] van de passie van Hanna van Os en Erik van Ruijven voor hun school. De groep wordt er stil van. Zo zien echte professionals er dus uit.

En ik moet er even niet aan denken dat ik dit allemaal volgend jaar ga opgeven om fulltime student te worden. Twee volle dagen in gesprek met zeer gemotiveerde mensen. Ik mag de hele dag vragen stellen, spiegels voorhouden, prikkelen. Allemaal om hen nog verder te brengen. Om van hen nog betere strategen te maken. En elke minuut alert zijn op die ene briljante opmerking van Wouter, op die koffie die te laat wordt gebracht, op een buschauffeur die ‘langs het station’ iets te letterlijk opvat, terwijl de helft van de groep snakt naar de trein. En het allermooiste: de groep is gelukkig met deze twee dagen. Zoals Carlo zegt: ‘dit ging verder dan ergens iets van vinden, dit ging om voelen’. Van dat soort woorden, raak ik emotioneel, zeker als je vijf dagdelen zo hard hebt moeten werken.

In het weekend rond ik mijn werkweek af. En bereid ik de nieuwe voor. Ben ik vooral weerstudent. Ik oefen mezelf in de G-sleutel (te lang geleden). Ik maak een opdracht voor ‘onderzoeksvaardigheden’. Voor 9:00 morgenochtend moet de opdracht digitaal worden ingeleverd. ’s Middags bij het college moet de geprinte versie worden achtergelaten. Ik schreef er al over. En ik word op voorhand moe als ik weet dat de geprinte versie identiek moet zijn aan de digitale versie. Het is verboden om de geprinte versie in de loop van de dag nog aan te passen. Het is verboden om morgen na 8:59 nog te leren. Dat mag pas weer als de meester of de juf de opdracht heeft nagekeken.

Ja, je kan van niks moe worden en je kan van twee dagen les geven uitgeput raken. Maar wat een verschil! Wat word ik graag moe van twee geslaagde dagen. En wat haat ik het om moe te worden van geleuter op de vierkante centimeter. Ik besef weer eens dat je als docent maar één taak hebt: je leerlingen rijker maken. Je moet je leerlingen laten genieten, van al het wonderschone dat te vertellen valt.

 

Zie ook: De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

Afscheid van de bestuurskunde

mei 14, 2015 by  
Filed under artikel

“Zou je hen willen vertellen wat de bestuurskunde voor jou zelf betekent?” De collega is aardig en je kan hem niets weigeren. Hij zoekt een manier om een mooie invulling te geven aan het allerlaatste college van onze ‘deeltijdstudenten’. Ik zeg toe. Ik krijg er geen spijt van, maar ik krijg het wel benauwd. Het verhaal moet dus gaan over ‘de bestuurskunde en mij’. En ik weet al jaren dat die relatie bijzonder is. Laten we zeggen: niet stralend. Als men mij vraagt wat ik ben, antwoord ik meestal: socioloog. Ja, dat heb ik gestudeerd, maar ik ben wel al 26 jaar hoogleraar ‘bestuurskunde’. Dat vertel ik er dan ook nog wel bij. Maar waarom zeg ik niet gewoon: ik ben bestuurskundige.

Bovendien houd ik van het openbaar bestuur en houd ik van de wetenschap. Waarom voel ik me na al jaren dan nog steeds geen bestuurskundige? Is er misschien een kloof tussen mijn ideale bestuurskunde en (wat ik zie als) de mainstream-bestuurskunde?

Het college mag niet te lang duren. Dus ik maak twee lijstjes. Van ‘mijn’ bestuurskunde en van ‘de’ bestuurskunde. Zoals de bestuurskunde in mijn ogen zou moeten zijn en zoals de bestuurskunde in mijn ogen is. Ideaal versus gepercipieerde werkelijkheid.

Mijn bestuurskunde is:

  • Een bestuurskunde die vanuit een gedegen kennis van het openbaar bestuur op datzelfde openbaar bestuur reflecteert.
  • Een bestuurskunde die de vier basisdisciplines verenigt voor het domein van het ‘openbaar bestuur’: de economie, de rechtswetenschap, de sociologie en de politicologie.
  • Een bestuurskunde die voortbouwt op de grote denkers van deze vier basisdisciplines. Denk bij de sociologie aan Durkheim, Weber, Giddens, Castells.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met de intelligente modellen van de economen, hun zoektocht naar de rationaliteit van het menselijk gedrag en hun consequente redeneren vanuit (het idee van) de markt. Hoe vaak ik het ook fundamenteel oneens ben met economen, zij hebben mijn denken enorm aangescherpt.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de rechtstaat van juristen, hun formele én informele staatsrecht en hun heldere en normatief strak ingekaderde beschouwingswijze (rechtvaardigheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de verzorgingsstaat van de sociologen, hun denken over functies en over ongelijkheid, hun denken vanuit maatschappelijke problemen en hun empirische fascinatie (hoe zit het echt?).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het machtsbegrip en het democratiebegrip van de politicologen, hun eeuwige vraag ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’ en hun methodologische zuiverheid (die niet zelden tot debunking leidt).
  • Een bestuurskunde die uiteindelijk altijd bezig is met vraag: welke maatschappelijke problemen worden hier opgelost en wat legitimeert het overheidsoptreden in dit geval? Een bestuurskunde die dus altijd vanuit de inhoud redeneert.
  • Een bestuurskunde die studenten het openbaar bestuur wil leren (begrijpen).

Ik geef een voorbeeld. Sinds een paar jaar geef ik aan gemeentelijke strategen een leergang over ‘de triomf van de stad’. In zes modules van twee dagen (op locatie) komen alle grote stedelijke thema’s (maatschappelijke problemen) aan de orde. Als we het hebben over de stedelijke economie, leggen economen ons uit hoe die economie werkt. En legt de directeur van Hightech Campus Eindhoven ons uit hoe de uitwisseling van kennis tussen universiteit en bedrijven in de praktijk gaat. Als het over ‘immigratie en achterstanden’ gaat, praten we een hele dag met sociologen. Als het over wonen gaat praten we met demografen en volkshuisvestingsdeskundigen. En elke keer vragen we ons vervolgens af welke strategie in onze eigen steden geschikt zou zijn om de stedelijke economie te versterken, om de achterstanden terug te dringen of om vraag en aanbod op de woningmarkt beter met elkaar te laten matchen. Welke missie, welke handelingspraktijk? Voor mij is dat allemaal bestuurskunde, mijn bestuurskunde.

Ik zie in de praktijk vaak iets anders:

  • Een bestuurskunde die een krampachtige poging doet om zich als zelfstandige wetenschap waar te maken en tegelijkertijd een eigen manier van redeneren ontbeert. Dit laatste leidt vaak tot een vlucht in wolligheid.
  • Een bestuurskunde die zich in navolging van de beta-wetenschappen te veel richt op theorievorming en het toetsen van theorieën, terwijl een theorie in de bestuurskunde in het beste geval een manier van kijken is en in het slechtste geval het zicht op het openbaar bestuur ontneemt.
  • Een bestuurskunde die door de internationalisering van het vak eerder een kleinere dan een grotere rol heeft gekregen in het nationale debat over de nationale overheid. Bijdragen in internationale tijdschriften worden overgewaardeerd en het Nederlandstalige essay (en het Nederlandstalige boek) worden ondergewaardeerd.
  • Een bestuurskunde die te zelfreferentieel is geworden en daardoor zowel zijn empirische als zijn reflecterende functie onvoldoende vervult.
  • Een bestuurskunde die de grote beleidsvelden als zorg, onderwijs, participatie, veiligheid, energie, klimaat, milieu etc. slechts als voorbeeld neemt en niet als onderwerp.
  • Een bestuurskunde die is ingebed in een academische gemeenschap waarin de tijd wordt verdeeld in onderwijslast en onderzoekstijd. De begrippen spreken voor zich. Een gemeenschap bovendien waar de didactiek van het onderwijs nauwelijks ontwikkeling doormaakt en daardoor ver achterloopt bij de didactiek in het vwo. Het pijnlijke is dat de student daarmee genoegen neemt. Blijkbaar infecteert het universitair onderwijs de student vaak zodanig, dat hij het calculeren boven het leren stelt.

Er is dus een kloof tussen ‘mijn’ bestuurskunde en ‘de’ bestuurskunde, exacter geformuleerd: mijn perceptie van de mainstream-bestuurskunde. Dit is geen verwijt, dit is geen aanval op mensen of posities. Dit gaat alleen over mij. Over mijn fascinaties. En over waarom ik me nooit echt een bestuurskunde ben gaan voelen.

Maar het moet wel gevolgen hebben. Ik ben met mijn beperkte aanstelling aan de Erasmus universiteit in Rotterdam niet in staat om de kloof kleiner te maken. Ik ben 63 en ik wil ooit nog eens fulltime muziekstudent zijn. Volgens plan zou ik in de zomer van 2016 de universiteit verlaten. Maar dit reflecterende college laat maar één conclusie toe: ik stap nu op. Ik blijf nog doceren bij gemeenten en op departementen. (De triomf van de stad geeft nog veel bevrediging.) Maar de academische bestuurskunde zal het vanaf vandaag zonder mij moeten stellen.

De Agenda stad of de agenda van de steden

april 22, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Historisch perspectief

Laten we het even in perspectief zien. Na de oorlog kregen de Nederlandse steden het moeilijk. Er was een gebrek aan ruimte. Vanaf de jaren 60 trokken de mensen massaal naar buiten. Naar de groeikernen en naar allerlei kleine kernen op het platteland. Het was een onnatuurlijke beweging. Normaal trekken mensen naar de stad, in Nederland en wereldwijd. Niet om er altijd te blijven, maar wel omdat de stad meer kansen biedt dan het platteland. Het was dan ook niet verrassend dat in de jaren 80 de trend al weer omsloeg. De steden krabbelden langzaam uit een diep dal. Het aantal inwoners nam weer toe. Maar nog niet van harte.

Het echte keerpunt lag in de jaren 90. Amsterdam ontwikkelde het Oostelijk Havengebied. Voor mij staat dat gebied model voor de nieuwe stad. Voor de nieuwe agenda van de stad. Stadsvernieuwing werd vervangen door stedelijke vernieuwing. Bij stadsvernieuwing werden sociale huurwoningen vervangen door betere sociale huurwoningen. ‘Bouwen voor de buurt’. In het Oostelijk Havengebied werd voor het eerst op grote schaal gebouwd voor de nieuwe stedeling: ‘de hoogopgeleide kenniswerker’. Daarna kwamen Richard Florida en Ed Glaeser, de twee beroemde Amerikaanse wetenschappers, die groot werden met mooie boeken over het belang van de stad. En jaren daarna kwam de Agenda stad. Een programma van het Rijk, waaraan de steden schoorvoetend mee doen. Alleen al omdat je het nooit weet.

Het is goed dat het programma Agenda stad er is. Maar alle tam tam rondom de Agenda stad vraagt wel om enige relativering en nuancering. De steden hebben al jaren hun eigen agenda. Dat steden werken aan hun agglomeratiekracht is niet nieuw. Dat steden hoogopgeleide starters kansen bieden is niet van het laatste jaar. Dat steden weten dat de nieuwe kenniseconomie om een ander woningbestand vraagt, hoeft het Rijk niet te komen vertellen. Dat steden aan hun sociale en culturele leefklimaat werken, omdat ze de nieuwe hipster willen vasthouden, was buiten Den Haag al lang gewoon.

Daarnaast is het de grote vraag wat het Rijk te bieden heeft voor de ontwikkeling van de steden. Wat staat er eigenlijk op die Agenda stad van het Rijk? Die vraag is des te relevanter omdat bij de Agenda stad eerder het proces en de procesvernieuwing voorop lijken te staan dan de inhoud. Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben steden nodig dat alleen het Rijk hun kan bieden?

Ik laat in dit essay de tam tam van de Agenda stad voor wat hij is. We grinniken wel vaker in het land als Den Haag iets heel nieuws heeft bedacht, wat anderen al jaren wisten. We grinniken ook wel vaker als Den Haag een te grote broek aantrekt. Voor mij zijn drie vragen hier interessant: welke ontwikkelingen doen zich in de steden voor, welke stedelijke agenda is hier adequaat en welke bijdrage zou het Rijk daaraan (nog) kunnen leveren? Ik baseer me daarbij met graagte op een rapport dat onder mijn leiding in opdracht van de VNG is geschreven. Ter ondersteuning van de collegeonderhandelingen van het voorjaar van 2014 brachten wij het rapport Perspectief voor de steden uit.

De staat van de stad: twee gezichten

Steden zijn steeds meer de motor van economie en innovatie. Bedrijven profiteren van elkaars nabijheid en clusteren in steden. De kenniseconomie is de post-industriële economie aan het verdrijven, en gedijt goed in steden. De meeste steden groeien, zelfs als er geen nieuwe huizen meer worden gebouwd. Tegelijkertijd kondigt de bevolkingskrimp zich in de perifere delen van het land aan.

In de nieuwe economie van kennis en innovatie is een aantal zaken cruciaal: stedelijke dichtheid, de bereikbaarheid van andere steden én de kwaliteit van de leefomgeving (voorzieningen, cultuur, veiligheid ). Niet het aantrekken van bedrijven moet voorop staan, maar het aantrekken en behouden van mensen die voor die bedrijven aantrekkelijk zijn. Daarmee zijn de creatieve kenniswerkers interessant geworden voor elke stad. Tegenwoordig geldt: ’werken volgt wonen’. Overigens begint dat pas als er voldoende interessante banen zijn, anders komen die hoogopgeleiden ook niet.

Een florerend cultuurbeleid is van belang voor een welvarende stad. Mensen trekken naar steden vanwege hun (culturele) voorzieningen, bedrijven trekken naar steden vanwege de florerende arbeidsmarkt. Internationale bedrijven willen goede culturele voorzieningen voor hun mensen. Cultuur levert de stad ook veel direct economisch profijt op.

In dat opzicht is de stedelijke economie goed met een vliegwiel te vergelijken. Als het eenmaal draait hoef je niet zoveel te doen, om het draaiende te houden (Amsterdam). De banen gaan de mensen en de andere banen achterna. Maar als er stilstand is, is het erg ingewikkeld om de stedelijke economie in beweging te krijgen (Rotterdam, Heerlen). Hoogopgeleide mensen trekken weg en daardoor is de stad minder aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven. De triomf van de stad doet zich niet overal (zo maar) gelden.

Ook in ander opzicht heeft de ‘triomf van de stad’ twee gezichten. In de nieuwe stedelijke economie staan de hoogopgeleide werknemers wel erg centraal. Lageropgeleiden hebben het veel moeilijker, ook al omdat op de arbeidsmark verdringing plaatsvindt: veel hoogopgeleiden werken beneden hun werkelijk niveau. Bovendien kan de groei gemakkelijk leiden tot tot ruimtelijke uitsortering, waarbij de werklozen en de lage inkomens verschuiven naar de randen van de steden en naar de oude groeikernen. Ook dat succesvolle Amsterdam heeft in dat opzicht twee gezichten. 12,3% van de inwoners van Amsterdam leeft bijvoorbeeld onder de armoedegrens, tegen 11,6% in Rotterdam, dat de ‘triomf van de stad’ grotendeels aan zich voorbij ziet gaan. En die 12,3% woont voor een zeer groot deel buiten de Ring. In veel steden zijn de broedplaatsen niet aan te slepen, maar veel winkels moeten sluiten. Terwijl de nationale economie afhankelijker wordt van de steden, worden in die steden de verschillen tussen arm en rijk groter.

Natuurlijk is die stad veel complexer dan dat simpele praatje van de D66-stemmende hoogopgeleiden die onze welvaart op hun rug hebben genomen. Zo neemt in de steden de diversiteit in tal van opzichten toe. Het gaat om steeds meer nationaliteiten, het gaat om Turken en Marokkanen die vaak moeilijk werk krijgen, het gaat om MOE-landers die vaak een (laagbetaalde) baan hebben, het gaat om vluchtelingen, het gaat om hoog opgeleide zzp-ers en het gaat om expats die voor bedrijven een periode naar Nederland komen. Aan de onderkant zien we steeds meer arbeidsmigratie en steeds minder gezinsmigratie. In de war of talent is het van groot belang om je stad aantrekkelijker te maken voor de internationale kenniswerkers.

Naast de diversiteit is de dynamiek van belang. Steeds meer hebben de steden te maken met passanten, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant. Passanten worden structureel. Daarop zijn steden vaak nog onvoldoende ingericht. Ook in de achterstandswijken is er veel dynamiek (zeker in wijken met meer eigen woningbezit). De stad is een emancipatiemachine, hoewel niet iedereen boven komt. Veel migranten beginnen in bepaalde wijken (waar ze netwerken hebben, waar meer kans is op informele arbeid). Deze arrival neigbourhoods zijn niet het probleem, die zullen altijd blijven bestaan. Het gaat erom om mensen kansen te geven en om beleid te richten op mensen die er niet in slagen om verder te komen.

Daarom is het belangrijker om meer oog te hebben voor mensen en minder voor wijken (ook omdat de wijk in Nederland nauwelijks de kansen van de inwoner bepaalt). Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze arm en werkloos zijn en ze zijn niet arm en werkloos omdat ze in achterstandswijken wonen. Niettemin is de schaal van sommige achterstandswijken zodanig dat de problemen te veel kunnen cumuleren.

De twee gezichten van de stad vragen volgens Perspectief voor de steden om een brede agenda. In de komende jaren moet het niet alleen gaan over de economische groei, over de creatieve klasse, over de broedplaatsen, maar ook over de nieuwe armoede, de nieuwe woningnood, en het gebrek aan kansen. Al met al: het moet gaan om de sociaal-economische vitaliteit van de steden.

De agenda van de steden

Wat kan de stad doen? Hoe kunnen gemeentebesturen de stedelijke ontwikkeling versterken? In het rapport Perspectief voor de steden stond een groot aantal concrete en minder concrete voorbeelden van een stedelijke agenda. De commissie stelde drie dingen centraal:

  • Waar ligt de kracht van je stad? Wat is het verhaal van je stad? Kopieer niet het succesmodel van andere steden, maar weet wat jouw stad nodig heeft. Niet iedere stad ligt in een ‘valley’, niet iedere stad heeft baat bij een campus.
  • Het verhaal van de stad wordt vaak verteld door burgers. Daarom is het zo belangrijk om aan te sluiten bij de initiatieven van burgers. Een goed bestuur geeft ruimte aan de stad en ruim baan voor de burger.
  • Sectorale en solistische oplossingen werken niet meer. Het gaat om de verbinding. Economie en sociaal moeten worden verbonden. Duurzaamheid én cultuur zijn brede thema’s die in alle sectoren moeten terugkomen. En in stedelijke regio’s is een gezamenlijke aanpak van ‘stad en ommeland’ vereist.

Van daaruit werd de agenda van de stad geleidelijk ingevuld. Zo bepleitte de commissie onder andere:

  • Nieuwbouw moet gericht zijn op vergroting van de ‘massa’: verdicht binnen de agglomeratie. Herstructurering en transformatie van bestaande gebieden zijn vaak niet duurder dan nieuwbouw aan de randen van de agglomeratie, als niet alleen wordt gekeken naar de plan-exploitatie, maar ook naar het effect op de gehele stad.
  • Ontwikkel nieuwe woonmilieus voor hoger opgeleiden én voor middeninkomens. De hoger opgeleiden zijn aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven, woningen voor middeninkomens zijn aantrekkelijk voor migranten die gebruik maken van de emancipatiemachine die de stad ook is.
  • Het percentage sociale huur is in veel steden nog steeds veel te hoog. Regionale aanpak is hier onvermijdelijk.
  • Bij het grondbeleid moet het primair gaan om de ruimtelijke kwaliteit, de samenhang en de leefbaarheid van de stad.
  • Leegstaande gebouwen zijn een kans voor starters én voor burgerkracht. Het vraagt om: minder regels en flexibelere bestemmingsplannen. Vernieuw bestaande werkplekken in plekken voor kenniswerkers. Zet bestaande gebouwen om in woningen voor middeninkomens, voor doorstromende migranten.
  • De buurtinfrastructuur moet zowel sociaal en economisch krachtig zijn.
  • Heb continu overleg met het bedrijfsleven. Betrek ze bij voorbereiding en uitvoering van beleid. Wat economisch één gebied is, moet ook bestuurlijk als zodanig worden behandeld.
  • Kies voor concentratie van winkelbestand op stads- en wijkniveau.
  • Biedt meer ruimte en meer voorzieningen aan de internationale kenniswerker: veel internationale kenniswerkers zijn passanten (huur belangrijker dan koop, internationaal onderwijs).
  • De universiteitssteden investeren meer in huisvesting voor, talents scouting en het binden van internationale studenten.
    Sel je meer in op laaggeschoolde passanten. Short-stay-voorzieningen (‘Polenhotels’) zijn belangrijk. Ook scholen moeten beter worden toegerust op passanten.
  • Veel migranten wonen maar tijdelijk in achterstandswijken (hun arrival neigbourhoods). Voor hen is niet het verbeteren van de wijk prioriteit maar het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt (taal, stage, werk). Het verbeteren van achterstandswijken kan voor hen zelfs contraproductief zijn, omdat ze daardoor naar andere achterstandswijken worden verdreven. Voor veel migranten is het dus beter om de verschillen tussen wijken te accepteren.
  • Daar staat tegenover dat degenen die niet in staat zijn om de achterstandswijken te ontstijgen, recht hebben op een decente en veilige leefomgeving.
  • Waar de schaal van de achterstandswijken de problemen onbeheersbaar dreigt te maken kan worden overwogen de toestroom van nieuwe kwetsbare groepen tegen te gaan. Dat kan door nieuwbouw van betere woningen in achterstandswijken, door woningtoewijzing (op straat- en buurtniveau), door regionale afspraken te maken en door toepassing van de Rotterdamwet. Zo kan een opeenhoping van kwetsbare groepen en een te eenzijdig sociaal-economisch profiel worden voorkomen.
  • Ga aan de gang met de verhalen die in de stad leven. Ga andere steden niet kopiëren. Het gaat op het culturele DNA van je eigen stad. Daarin speelt cultuurhistorie een grote rol.
  • Regelgeving moet het culturele klimaat niet in de weg zitten
  • Werk aan de herbestemming van het culturele erfgoed. Creëer ontmoetingsplaatsen (free zones) voor creatieve elite en culturele voorlopers. Benut leeg vastgoed om je culturele infrastructuur te versterken.
  • Investeer in de creativiteit van mensen, van jongeren en van ouderen. Daar past cultuureducatie bij.
  • Denk bij culturele instellingen regionaal. Betrek de regio bij het investeren in cultuur in de eigen stad. Specialisatie in culturele voorzieningen.
  • Festivalisering past bij consumer city (en bij identiteit).
  • Biedt kunstenaars van elders de mogelijkheid om langer in Nederland te blijven, ook als ze niet meteen een baan hebben. Zoals dat ook voor kenniswerkers geldt.
  • Bibliotheken van de toekomst zijn kennisplekken, plekken van dialoog, een educatief centrum.

Wat blijft erover voor het Rijk?

Dit waren de belangrijkste aanbevelingen van de commissie. [Waarbij zij opgemerkt dat ik het thema duurzaamheid hier buiten beschouwing heb gelaten, omdat het voor dit onderwerp minder relevant is.] Wat laten die aanbevelingen zien?

De stedelijke economie laat zich vooral faciliteren en nauwelijks sturen. En ook het faciliteren heeft zijn grenzen. Dat oude binnensteden in trek zijn bij de hoogopgeleide kenniswerkers die je tegenwoordig nodig hebt, is zeer interessant, maar geeft weinig mogelijkheden voor het lokaal bestuur. Je hebt een oude binnenstad of je hebt geen oude binnenstad. En dat Rotterdam het al jaren matig doet, ondanks de steeds weer opvlammende hoop dat het nu echt beter wordt, ligt niet aan het gemeentebestuur. Het ligt aan de veranderde economische structuur in dit land, waardoor arbeiders niet meer gaan wonen in de omgeving van de fabrieken maar bedrijven zich vestigen in de buurt van de plekken waar de kenniswerkers willen wonen. Gechargeerd gezegd, maar globaal wel waar.

Beleid moet dus vooral in het teken staan van ‘go with the flow’. Niet tegen de stroom oproeien. Heel goed onderkennen hoe de ontwikkelingen gaan en in de sfeer van randvoorwaarden ondersteuning verlenen. Zorgen dat die woningen er zijn op korte afstand. Zorgen dat die cultuur er is. Zorgen dat de veiligheid is gewaarborgd. En vooral zorgen voor de bereikbaarheid van mensen en bedrijven. Laten we eerlijk zijn: de casus Rotterdam, om nog maar niet te spreken van de casus Heerlen, laat zien dat de overheid niet zo heel veel kan als het gaat om het fundamenteel aan de praat krijgen van de stedelijke economie. Wat dat betreft is de overheid van grotere betekenis voor de ‘achterkant van de medaille’: het sociale domein waarin de achterblijvers een plek zoeken.

En wat de overheid wel kan, is vooral een zaak van het lokaal bestuur. Om twee redenen. Ten eerste moet elke stad uitgaan van eigen kracht en het verhaal van de eigen stad scherp krijgen. Elke stad is anders en elke stad heeft zijn eigen kansen. Daarbij past geen generiek centraal beleid. Ten tweede vergt het beleid ter versterking van de stedelijke economie vooral kennis van de lokale omstandigheden en de lokale ontwikkelingen. Het vergt het geven van een klein duwtje op het juiste moment. Het is het aanvoelen van lokale behoeften. Dat is het werk van het lokaal bestuur.

Om die reden ben ik wel benieuwd wat de (Rijks) Agenda stad gaat opleveren. Ik ga er gemakshalve van uit dat het Rijk niet het werk van de steden wil gaan dupliceren. Dat is weinig zinvol en zou al gauw terecht de kritiek van ‘bestuurlijke drukte’ opleveren. En ik ga er ook vanuit dat het normale Rijksbeleid gericht op de bevordering van de economie niet op de Agenda stad zal staan. Het economisch klimaat verbeteren, het onderwijs op peil brengen, onderzoek en innovatie bevorderen. Allemaal van belang voor de economie in het algemeen en daarmee ook voor de steden. Maar dat is nog geen stedelijke agenda.

Wat resteert er voor de Agenda stad?

  • Het vergroten van de bereikbaarheid van de steden (ten behoeve van de agglomeratiekracht van de steden). Ik ben benieuwd welke nieuwe wegen en tunnels op de agenda verschijnen. Ik heb het gevoel dat de belangrijkste bereikbaarheidsproblemen van de steden tegenwoordig de toegang tot die steden betreffen. Is dat Rijksbeleid? Of is dat door het Rijk gefinancierd stedelijk beleid?
  • De systeemverantwoordelijkheid voor cultuur en onderwijs. Gaat het Rijk weer meer geld besteden aan cultuur, wat vooral de steden ten goede zal komen? Of mogen we dat na de ingreep van Zijlstra de komende jaren juist niet verwachten? En gaat het Rijk meer geld ter beschikking stellen van de scholen in de achterstandswijken? Het is al een oude wens.
  • De systeemverantwoordelijkheid voor de universiteiten: het is opvallend dat buitenlandse universiteiten veel meer bedrijven aan zich weten te binden dan de Nederlandse. We zouden nog meer aan de bekostiging van de universiteiten kunnen veranderen opdat valorisatie echt aantrekkelijk wordt.
  • Het verkleinen en/of verschuiven van immigratiestromen: ik geloof er niets van dat de Agenda stad zal leiden tot een ander immigratiebeleid. [Evenmin mogen we verwachten dat het veiligheidsbeleid fundamenteel verandert door de Agenda stad.]
  • De systeemverantwoordelijkheid voor het binnenlands bestuur: wie de stad meer kansen wil geven zal het eigen belastinggebied van het lokaal bestuur moeten vergroten. Ik kan me voorstellen dat op dat gebied veranderingen te verwachten zijn. Maar we weten ook allemaal dat het vergroten van het lokale belastinggebied kan leiden tot grotere verschillen tussen gemeenten en met name tussen rijke en arme gemeenten. Het is de vraag of de politiek daar aan wil (en moet willen).
  • Ik daag de regering graag uit om werk te maken van de reorganisatie van het binnenlands bestuur. Structuurwijzigingen zijn niet heilig, maar waarom vallen grote delen van Amsterdam onder het regime van andere gemeenten? Het wordt tijd om de opschaling van de gemeenten kracht bij te zetten, om de randgemeenten en de centrumgemeenten onder één bestuur te plaatsen en om de provincies op te heffen. Maar laten we niet weer de eeuwige ‘dans van de kalkoenen’ opvoeren. Al die oudere bestuurders die komen melden dat hun gemeente of hun provincie niet mag worden opgeheven. Ik hoop dat een paar onderhandelaars met een oppervlakkige kennis van het binnenlands bestuur bij de volgende kabinetsformatie in een vermoeid moment bij het ingaan van de nacht Nederland een nieuw binnenlands bestuur zullen geven. In ieder geval verwacht ik op dit moment niets na het mislukken van de ‘superprovincie’.
  • Kennis over de stad: het Rijk zou de gemeenten kunnen helpen met inhoudelijke kennis over de ontwikkeling van steden. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Het op voorhand niet duidelijk dat het Rijk meer van de ontwikkeling van de stedelijke economie weet dan de steden zelf.

Helaas, het is een mager lijstje. En ik vrees dat het lijstje van de Agenda stad uiteindelijk nog magerder wordt. Ten eerste omdat het Rijk, naar te vrezen valt, eerder bij de steden op schoot zal gaan zitten, dan dat het zijn meerwaarde haalt uit zijn eigen specifieke bevoegdheden (City deals staan voor mij symbool voor overheden die afspraken maken over zaken die ze al lang van plan waren). Ten tweede omdat het Rijk naar verwachting relatief te veel aandacht zal besteden aan processen en procesinnovatie en te weinig aan de inhoudelijke problemen van de steden.

Eerlijk gezegd verrast het me niet dat Stef Blok met graagte dit onderwerp, dat in feite uit zijn eigen afdeling stamt, aan Ronald Plasterk heeft overgelaten.

 

[opgenomen in V. de Witte et al. (red.), De VNG onder voorzitterschap van Annemarie Jorritsma, Den Haag, 2015, pp. 103-111]

 

Volgende pagina »