Leergang ‘Triomf van de stad’ in nieuw perspectief

januari 12, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Vanaf 2012 organiseer ik als kerndocent voor stedelijke strategen de leergang ‘Triomf van de stad’ . Zes modules van twee dagen, met uitstekende docenten en met leerzame praktijkvoorbeelden. De recente ontwikkelingen van de steden vragen om nieuw beleid. Bovendien verandert de samenleving zo snel en zo fundamenteel dat oude instrumenten bot beginnen te worden.

Voor de eerste 6 groepen besteedde ik de logistiek en de administratie uit aan PBLQ. Aan het einde van 2015 hebben wij afscheid genomen van elkaar. Vanaf  januari 2016 organiseer ik de ‘Triomf van de stad’ geheel onder mijn eigen verantwoordelijkheid. Saskia de Puij-Akkermans neemt de administratie en de logistiek voortaan voor haar rekening. Karen Ephraim is de nieuwe co-docent.

De groep voor januari 2016 is volgeboekt. In september 2016 start de volgende groep. Ik zal op mijn website zo snel mogelijk de data van de jaargang 2016-2017 bekend maken. Aanmelding kan via Saskia de Puij-Akkermans (akkermanssaskia@gmail.com; 0611039819).

Zie voor meer informatie Triomf van de stad: de leergang.

Dagboek van een weerstudent

september 7, 2015 by  
Filed under artikel

Het viel niet mee, die eerste week. Op maandag beginnen met een uurtje introductie. Daarna naar McKinsey om te adviseren over duurzame mobiliteit en verstedelijking. Plotseling wordt er weer naar me geluisterd. ’s Middags drie uur college. Tussendoor de tijd doorbrengen bij ‘De Jaren’ in de Nieuwe Doelenstraat. Goede koffie, goede stroom. Zo word ik onwennig student, op de laatste dag van mijn hoogleraarschap. Dinsdag en woensdag rommel ik wat in huis. Donderdag en vrijdag verzuim ik mijn colleges aan de UvA en geef zelf les op de ss Rotterdam. Twee dagen met een groep stedelijke strategen in gesprek over de ‘achterkant van de triomf van de stad’.

Die twee dagen in Rotterdam waren een feest. Ik geniet van het college van Godfried Engbersen. Ik geniet van het felle debat dat tussen de groep en Jos van der Lans ontstaat. Ik geniet van de avond in het Verhalenhuis met Els Desmet en met autochtone bewoners van De Kaap. Ik geniet van mijn cursisten die zich die ene essentiële vraag stellen die ambtenaren (en politici!) zich veel vaker zouden moeten stellen: ‘waar zijn we van?’ Is dit echt een taak voor de overheid? We genieten van de stad die Carlo ons vanaf de 40e verdieping van het nieuwe stadskantoor laat zien, een stad die zich langzaam in regen hult. We genieten op een vmbo-school [Melanchton Mathenesse] van de passie van Hanna van Os en Erik van Ruijven voor hun school. De groep wordt er stil van. Zo zien echte professionals er dus uit.

En ik moet er even niet aan denken dat ik dit allemaal volgend jaar ga opgeven om fulltime student te worden. Twee volle dagen in gesprek met zeer gemotiveerde mensen. Ik mag de hele dag vragen stellen, spiegels voorhouden, prikkelen. Allemaal om hen nog verder te brengen. Om van hen nog betere strategen te maken. En elke minuut alert zijn op die ene briljante opmerking van Wouter, op die koffie die te laat wordt gebracht, op een buschauffeur die ‘langs het station’ iets te letterlijk opvat, terwijl de helft van de groep snakt naar de trein. En het allermooiste: de groep is gelukkig met deze twee dagen. Zoals Carlo zegt: ‘dit ging verder dan ergens iets van vinden, dit ging om voelen’. Van dat soort woorden, raak ik emotioneel, zeker als je vijf dagdelen zo hard hebt moeten werken.

In het weekend rond ik mijn werkweek af. En bereid ik de nieuwe voor. Ben ik vooral weerstudent. Ik oefen mezelf in de G-sleutel (te lang geleden). Ik maak een opdracht voor ‘onderzoeksvaardigheden’. Voor 9:00 morgenochtend moet de opdracht digitaal worden ingeleverd. ’s Middags bij het college moet de geprinte versie worden achtergelaten. Ik schreef er al over. En ik word op voorhand moe als ik weet dat de geprinte versie identiek moet zijn aan de digitale versie. Het is verboden om de geprinte versie in de loop van de dag nog aan te passen. Het is verboden om morgen na 8:59 nog te leren. Dat mag pas weer als de meester of de juf de opdracht heeft nagekeken.

Ja, je kan van niks moe worden en je kan van twee dagen les geven uitgeput raken. Maar wat een verschil! Wat word ik graag moe van twee geslaagde dagen. En wat haat ik het om moe te worden van geleuter op de vierkante centimeter. Ik besef weer eens dat je als docent maar één taak hebt: je leerlingen rijker maken. Je moet je leerlingen laten genieten, van al het wonderschone dat te vertellen valt.

 

Zie ook: De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

Afscheid van de bestuurskunde

mei 14, 2015 by  
Filed under artikel

“Zou je hen willen vertellen wat de bestuurskunde voor jou zelf betekent?” De collega is aardig en je kan hem niets weigeren. Hij zoekt een manier om een mooie invulling te geven aan het allerlaatste college van onze ‘deeltijdstudenten’. Ik zeg toe. Ik krijg er geen spijt van, maar ik krijg het wel benauwd. Het verhaal moet dus gaan over ‘de bestuurskunde en mij’. En ik weet al jaren dat die relatie bijzonder is. Laten we zeggen: niet stralend. Als men mij vraagt wat ik ben, antwoord ik meestal: socioloog. Ja, dat heb ik gestudeerd, maar ik ben wel al 26 jaar hoogleraar ‘bestuurskunde’. Dat vertel ik er dan ook nog wel bij. Maar waarom zeg ik niet gewoon: ik ben bestuurskundige.

Bovendien houd ik van het openbaar bestuur en houd ik van de wetenschap. Waarom voel ik me na al jaren dan nog steeds geen bestuurskundige? Is er misschien een kloof tussen mijn ideale bestuurskunde en (wat ik zie als) de mainstream-bestuurskunde?

Het college mag niet te lang duren. Dus ik maak twee lijstjes. Van ‘mijn’ bestuurskunde en van ‘de’ bestuurskunde. Zoals de bestuurskunde in mijn ogen zou moeten zijn en zoals de bestuurskunde in mijn ogen is. Ideaal versus gepercipieerde werkelijkheid.

Mijn bestuurskunde is:

  • Een bestuurskunde die vanuit een gedegen kennis van het openbaar bestuur op datzelfde openbaar bestuur reflecteert.
  • Een bestuurskunde die de vier basisdisciplines verenigt voor het domein van het ‘openbaar bestuur’: de economie, de rechtswetenschap, de sociologie en de politicologie.
  • Een bestuurskunde die voortbouwt op de grote denkers van deze vier basisdisciplines. Denk bij de sociologie aan Durkheim, Weber, Giddens, Castells.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met de intelligente modellen van de economen, hun zoektocht naar de rationaliteit van het menselijk gedrag en hun consequente redeneren vanuit (het idee van) de markt. Hoe vaak ik het ook fundamenteel oneens ben met economen, zij hebben mijn denken enorm aangescherpt.
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de rechtstaat van juristen, hun formele én informele staatsrecht en hun heldere en normatief strak ingekaderde beschouwingswijze (rechtvaardigheid, rechtszekerheid, rechtsgelijkheid).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het idee van de verzorgingsstaat van de sociologen, hun denken over functies en over ongelijkheid, hun denken vanuit maatschappelijke problemen en hun empirische fascinatie (hoe zit het echt?).
  • Een bestuurskunde die zijn voordeel doet met het machtsbegrip en het democratiebegrip van de politicologen, hun eeuwige vraag ‘wie krijgt wat, wanneer en hoe’ en hun methodologische zuiverheid (die niet zelden tot debunking leidt).
  • Een bestuurskunde die uiteindelijk altijd bezig is met de vraag: welke maatschappelijke problemen worden hier opgelost en wat legitimeert het overheidsoptreden in dit geval? Een bestuurskunde die dus altijd vanuit de inhoud redeneert.
  • Een bestuurskunde die studenten het openbaar bestuur wil leren (begrijpen).

Ik geef een voorbeeld. Sinds een paar jaar geef ik aan gemeentelijke strategen een leergang over ‘de triomf van de stad’. In zes modules van twee dagen (op locatie) komen alle grote stedelijke thema’s (maatschappelijke problemen) aan de orde. Als we het hebben over de stedelijke economie, leggen economen ons uit hoe die economie werkt. En legt de directeur van Hightech Campus Eindhoven ons uit hoe de uitwisseling van kennis tussen universiteit en bedrijven in de praktijk gaat. Als het over ‘immigratie en achterstanden’ gaat, praten we een hele dag met sociologen. Als het over wonen gaat praten we met demografen en volkshuisvestingsdeskundigen. En elke keer vragen we ons af welke strategie in onze eigen stad geschikt zou zijn om de stedelijke economie te versterken, om de achterstanden terug te dringen of om vraag en aanbod op de woningmarkt beter met elkaar te laten matchen. Welke missie, welke handelingspraktijk? Voor mij is dat allemaal bestuurskunde, mijn bestuurskunde.

Ik zie in de praktijk vaak iets anders:

  • Een bestuurskunde die een krampachtige poging doet om zich als zelfstandige wetenschap waar te maken en tegelijkertijd een eigen manier van redeneren ontbeert. Dit laatste leidt vaak tot een vlucht in wolligheid.
  • Een bestuurskunde die zich in navolging van de beta-wetenschappen te veel richt op theorievorming en het toetsen van theorieën, terwijl een theorie in de bestuurskunde in het beste geval een manier van kijken is en in het slechtste geval het zicht op het openbaar bestuur ontneemt.
  • Een bestuurskunde die door de internationalisering van het vak eerder een kleinere dan een grotere rol heeft gekregen in het nationale debat over de nationale overheid. Bijdragen in internationale tijdschriften worden overgewaardeerd en het Nederlandstalige essay (en het Nederlandstalige boek) worden ondergewaardeerd.
  • Een bestuurskunde die te zelfreferentieel is geworden en daardoor zowel zijn empirische als zijn reflecterende functie onvoldoende vervult.
  • Een bestuurskunde die de grote beleidsvelden als zorg, onderwijs, participatie, veiligheid, energie, klimaat, milieu etc. slechts als voorbeeld neemt en niet als onderwerp.
  • Een bestuurskunde die is ingebed in een academische gemeenschap waarin de tijd wordt verdeeld in onderwijslast en onderzoekstijd. De begrippen spreken voor zich. Een gemeenschap bovendien waar de didactiek van het onderwijs nauwelijks ontwikkeling doormaakt en daardoor ver achterloopt bij de didactiek in het vwo. Het pijnlijke is dat de student daarmee genoegen neemt. Blijkbaar infecteert het universitair onderwijs de student vaak zodanig, dat hij het calculeren boven het leren stelt.

Er is dus een kloof tussen ‘mijn’ bestuurskunde en ‘de’ bestuurskunde, exacter geformuleerd: mijn perceptie van de mainstream-bestuurskunde. Dit is geen verwijt, dit is geen aanval op mensen of posities. Dit gaat alleen over mij. Over mijn fascinaties. En over waarom ik me nooit echt een bestuurskundige ben gaan voelen.

Maar het moet wel gevolgen hebben. Ik ben met mijn beperkte aanstelling aan de Erasmus universiteit in Rotterdam niet in staat om de kloof kleiner te maken. Ik ben 63 en ik wil ooit nog eens fulltime muziekstudent zijn. Volgens plan zou ik in de zomer van 2016 de universiteit verlaten. Maar dit reflecterende college laat maar één conclusie toe: ik stap nu op. Ik blijf nog doceren bij gemeenten en op departementen. (De triomf van de stad geeft nog veel bevrediging.) Maar de academische bestuurskunde zal het vanaf vandaag zonder mij moeten stellen.

De Agenda stad of de agenda van de steden

april 22, 2015 by  
Filed under artikel, De Stad

Historisch perspectief

Laten we het even in perspectief zien. Na de oorlog kregen de Nederlandse steden het moeilijk. Er was een gebrek aan ruimte. Vanaf de jaren 60 trokken de mensen massaal naar buiten. Naar de groeikernen en naar allerlei kleine kernen op het platteland. Het was een onnatuurlijke beweging. Normaal trekken mensen naar de stad, in Nederland en wereldwijd. Niet om er altijd te blijven, maar wel omdat de stad meer kansen biedt dan het platteland. Het was dan ook niet verrassend dat in de jaren 80 de trend al weer omsloeg. De steden krabbelden langzaam uit een diep dal. Het aantal inwoners nam weer toe. Maar nog niet van harte.

Het echte keerpunt lag in de jaren 90. Amsterdam ontwikkelde het Oostelijk Havengebied. Voor mij staat dat gebied model voor de nieuwe stad. Voor de nieuwe agenda van de stad. Stadsvernieuwing werd vervangen door stedelijke vernieuwing. Bij stadsvernieuwing werden sociale huurwoningen vervangen door betere sociale huurwoningen. ‘Bouwen voor de buurt’. In het Oostelijk Havengebied werd voor het eerst op grote schaal gebouwd voor de nieuwe stedeling: ‘de hoogopgeleide kenniswerker’. Daarna kwamen Richard Florida en Ed Glaeser, de twee beroemde Amerikaanse wetenschappers, die groot werden met mooie boeken over het belang van de stad. En jaren daarna kwam de Agenda stad. Een programma van het Rijk, waaraan de steden schoorvoetend mee doen. Alleen al omdat je het nooit weet.

Het is goed dat het programma Agenda stad er is. Maar alle tam tam rondom de Agenda stad vraagt wel om enige relativering en nuancering. De steden hebben al jaren hun eigen agenda. Dat steden werken aan hun agglomeratiekracht is niet nieuw. Dat steden hoogopgeleide starters kansen bieden is niet van het laatste jaar. Dat steden weten dat de nieuwe kenniseconomie om een ander woningbestand vraagt, hoeft het Rijk niet te komen vertellen. Dat steden aan hun sociale en culturele leefklimaat werken, omdat ze de nieuwe hipster willen vasthouden, was buiten Den Haag al lang gewoon.

Daarnaast is het de grote vraag wat het Rijk te bieden heeft voor de ontwikkeling van de steden. Wat staat er eigenlijk op die Agenda stad van het Rijk? Die vraag is des te relevanter omdat bij de Agenda stad eerder het proces en de procesvernieuwing voorop lijken te staan dan de inhoud. Maar de vraag is natuurlijk: wat hebben steden nodig dat alleen het Rijk hun kan bieden?

Ik laat in dit essay de tam tam van de Agenda stad voor wat hij is. We grinniken wel vaker in het land als Den Haag iets heel nieuws heeft bedacht, wat anderen al jaren wisten. We grinniken ook wel vaker als Den Haag een te grote broek aantrekt. Voor mij zijn drie vragen hier interessant: welke ontwikkelingen doen zich in de steden voor, welke stedelijke agenda is hier adequaat en welke bijdrage zou het Rijk daaraan (nog) kunnen leveren? Ik baseer me daarbij met graagte op een rapport dat onder mijn leiding in opdracht van de VNG is geschreven. Ter ondersteuning van de collegeonderhandelingen van het voorjaar van 2014 brachten wij het rapport Perspectief voor de steden uit.

De staat van de stad: twee gezichten

Steden zijn steeds meer de motor van economie en innovatie. Bedrijven profiteren van elkaars nabijheid en clusteren in steden. De kenniseconomie is de post-industriële economie aan het verdrijven, en gedijt goed in steden. De meeste steden groeien, zelfs als er geen nieuwe huizen meer worden gebouwd. Tegelijkertijd kondigt de bevolkingskrimp zich in de perifere delen van het land aan.

In de nieuwe economie van kennis en innovatie is een aantal zaken cruciaal: stedelijke dichtheid, de bereikbaarheid van andere steden én de kwaliteit van de leefomgeving (voorzieningen, cultuur, veiligheid ). Niet het aantrekken van bedrijven moet voorop staan, maar het aantrekken en behouden van mensen die voor die bedrijven aantrekkelijk zijn. Daarmee zijn de creatieve kenniswerkers interessant geworden voor elke stad. Tegenwoordig geldt: ’werken volgt wonen’. Overigens begint dat pas als er voldoende interessante banen zijn, anders komen die hoogopgeleiden ook niet.

Een florerend cultuurbeleid is van belang voor een welvarende stad. Mensen trekken naar steden vanwege hun (culturele) voorzieningen, bedrijven trekken naar steden vanwege de florerende arbeidsmarkt. Internationale bedrijven willen goede culturele voorzieningen voor hun mensen. Cultuur levert de stad ook veel direct economisch profijt op.

In dat opzicht is de stedelijke economie goed met een vliegwiel te vergelijken. Als het eenmaal draait hoef je niet zoveel te doen, om het draaiende te houden (Amsterdam). De banen gaan de mensen en de andere banen achterna. Maar als er stilstand is, is het erg ingewikkeld om de stedelijke economie in beweging te krijgen (Rotterdam, Heerlen). Hoogopgeleide mensen trekken weg en daardoor is de stad minder aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven. De triomf van de stad doet zich niet overal (zo maar) gelden.

Ook in ander opzicht heeft de ‘triomf van de stad’ twee gezichten. In de nieuwe stedelijke economie staan de hoogopgeleide werknemers wel erg centraal. Lageropgeleiden hebben het veel moeilijker, ook al omdat op de arbeidsmark verdringing plaatsvindt: veel hoogopgeleiden werken beneden hun werkelijk niveau. Bovendien kan de groei gemakkelijk leiden tot tot ruimtelijke uitsortering, waarbij de werklozen en de lage inkomens verschuiven naar de randen van de steden en naar de oude groeikernen. Ook dat succesvolle Amsterdam heeft in dat opzicht twee gezichten. 12,3% van de inwoners van Amsterdam leeft bijvoorbeeld onder de armoedegrens, tegen 11,6% in Rotterdam, dat de ‘triomf van de stad’ grotendeels aan zich voorbij ziet gaan. En die 12,3% woont voor een zeer groot deel buiten de Ring. In veel steden zijn de broedplaatsen niet aan te slepen, maar veel winkels moeten sluiten. Terwijl de nationale economie afhankelijker wordt van de steden, worden in die steden de verschillen tussen arm en rijk groter.

Natuurlijk is die stad veel complexer dan dat simpele praatje van de D66-stemmende hoogopgeleiden die onze welvaart op hun rug hebben genomen. Zo neemt in de steden de diversiteit in tal van opzichten toe. Het gaat om steeds meer nationaliteiten, het gaat om Turken en Marokkanen die vaak moeilijk werk krijgen, het gaat om MOE-landers die vaak een (laagbetaalde) baan hebben, het gaat om vluchtelingen, het gaat om hoog opgeleide zzp-ers en het gaat om expats die voor bedrijven een periode naar Nederland komen. Aan de onderkant zien we steeds meer arbeidsmigratie en steeds minder gezinsmigratie. In de war of talent is het van groot belang om je stad aantrekkelijker te maken voor de internationale kenniswerkers.

Naast de diversiteit is de dynamiek van belang. Steeds meer hebben de steden te maken met passanten, zowel aan de bovenkant als aan de onderkant. Passanten worden structureel. Daarop zijn steden vaak nog onvoldoende ingericht. Ook in de achterstandswijken is er veel dynamiek (zeker in wijken met meer eigen woningbezit). De stad is een emancipatiemachine, hoewel niet iedereen boven komt. Veel migranten beginnen in bepaalde wijken (waar ze netwerken hebben, waar meer kans is op informele arbeid). Deze arrival neigbourhoods zijn niet het probleem, die zullen altijd blijven bestaan. Het gaat erom om mensen kansen te geven en om beleid te richten op mensen die er niet in slagen om verder te komen.

Daarom is het belangrijker om meer oog te hebben voor mensen en minder voor wijken (ook omdat de wijk in Nederland nauwelijks de kansen van de inwoner bepaalt). Veel mensen wonen in achterstandswijken omdat ze arm en werkloos zijn en ze zijn niet arm en werkloos omdat ze in achterstandswijken wonen. Niettemin is de schaal van sommige achterstandswijken zodanig dat de problemen te veel kunnen cumuleren.

De twee gezichten van de stad vragen volgens Perspectief voor de steden om een brede agenda. In de komende jaren moet het niet alleen gaan over de economische groei, over de creatieve klasse, over de broedplaatsen, maar ook over de nieuwe armoede, de nieuwe woningnood, en het gebrek aan kansen. Al met al: het moet gaan om de sociaal-economische vitaliteit van de steden.

De agenda van de steden

Wat kan de stad doen? Hoe kunnen gemeentebesturen de stedelijke ontwikkeling versterken? In het rapport Perspectief voor de steden stond een groot aantal concrete en minder concrete voorbeelden van een stedelijke agenda. De commissie stelde drie dingen centraal:

  • Waar ligt de kracht van je stad? Wat is het verhaal van je stad? Kopieer niet het succesmodel van andere steden, maar weet wat jouw stad nodig heeft. Niet iedere stad ligt in een ‘valley’, niet iedere stad heeft baat bij een campus.
  • Het verhaal van de stad wordt vaak verteld door burgers. Daarom is het zo belangrijk om aan te sluiten bij de initiatieven van burgers. Een goed bestuur geeft ruimte aan de stad en ruim baan voor de burger.
  • Sectorale en solistische oplossingen werken niet meer. Het gaat om de verbinding. Economie en sociaal moeten worden verbonden. Duurzaamheid én cultuur zijn brede thema’s die in alle sectoren moeten terugkomen. En in stedelijke regio’s is een gezamenlijke aanpak van ‘stad en ommeland’ vereist.

Van daaruit werd de agenda van de stad geleidelijk ingevuld. Zo bepleitte de commissie onder andere:

  • Nieuwbouw moet gericht zijn op vergroting van de ‘massa’: verdicht binnen de agglomeratie. Herstructurering en transformatie van bestaande gebieden zijn vaak niet duurder dan nieuwbouw aan de randen van de agglomeratie, als niet alleen wordt gekeken naar de plan-exploitatie, maar ook naar het effect op de gehele stad.
  • Ontwikkel nieuwe woonmilieus voor hoger opgeleiden én voor middeninkomens. De hoger opgeleiden zijn aantrekkelijk voor nieuwe bedrijven, woningen voor middeninkomens zijn aantrekkelijk voor migranten die gebruik maken van de emancipatiemachine die de stad ook is.
  • Het percentage sociale huur is in veel steden nog steeds veel te hoog. Regionale aanpak is hier onvermijdelijk.
  • Bij het grondbeleid moet het primair gaan om de ruimtelijke kwaliteit, de samenhang en de leefbaarheid van de stad.
  • Leegstaande gebouwen zijn een kans voor starters én voor burgerkracht. Het vraagt om: minder regels en flexibelere bestemmingsplannen. Vernieuw bestaande werkplekken in plekken voor kenniswerkers. Zet bestaande gebouwen om in woningen voor middeninkomens, voor doorstromende migranten.
  • De buurtinfrastructuur moet zowel sociaal en economisch krachtig zijn.
  • Heb continu overleg met het bedrijfsleven. Betrek ze bij voorbereiding en uitvoering van beleid. Wat economisch één gebied is, moet ook bestuurlijk als zodanig worden behandeld.
  • Kies voor concentratie van winkelbestand op stads- en wijkniveau.
  • Biedt meer ruimte en meer voorzieningen aan de internationale kenniswerker: veel internationale kenniswerkers zijn passanten (huur belangrijker dan koop, internationaal onderwijs).
  • De universiteitssteden investeren meer in huisvesting voor, talents scouting en het binden van internationale studenten.
    Sel je meer in op laaggeschoolde passanten. Short-stay-voorzieningen (‘Polenhotels’) zijn belangrijk. Ook scholen moeten beter worden toegerust op passanten.
  • Veel migranten wonen maar tijdelijk in achterstandswijken (hun arrival neigbourhoods). Voor hen is niet het verbeteren van de wijk prioriteit maar het vergroten van hun kansen op de arbeidsmarkt (taal, stage, werk). Het verbeteren van achterstandswijken kan voor hen zelfs contraproductief zijn, omdat ze daardoor naar andere achterstandswijken worden verdreven. Voor veel migranten is het dus beter om de verschillen tussen wijken te accepteren.
  • Daar staat tegenover dat degenen die niet in staat zijn om de achterstandswijken te ontstijgen, recht hebben op een decente en veilige leefomgeving.
  • Waar de schaal van de achterstandswijken de problemen onbeheersbaar dreigt te maken kan worden overwogen de toestroom van nieuwe kwetsbare groepen tegen te gaan. Dat kan door nieuwbouw van betere woningen in achterstandswijken, door woningtoewijzing (op straat- en buurtniveau), door regionale afspraken te maken en door toepassing van de Rotterdamwet. Zo kan een opeenhoping van kwetsbare groepen en een te eenzijdig sociaal-economisch profiel worden voorkomen.
  • Ga aan de gang met de verhalen die in de stad leven. Ga andere steden niet kopiëren. Het gaat op het culturele DNA van je eigen stad. Daarin speelt cultuurhistorie een grote rol.
  • Regelgeving moet het culturele klimaat niet in de weg zitten
  • Werk aan de herbestemming van het culturele erfgoed. Creëer ontmoetingsplaatsen (free zones) voor creatieve elite en culturele voorlopers. Benut leeg vastgoed om je culturele infrastructuur te versterken.
  • Investeer in de creativiteit van mensen, van jongeren en van ouderen. Daar past cultuureducatie bij.
  • Denk bij culturele instellingen regionaal. Betrek de regio bij het investeren in cultuur in de eigen stad. Specialisatie in culturele voorzieningen.
  • Festivalisering past bij consumer city (en bij identiteit).
  • Biedt kunstenaars van elders de mogelijkheid om langer in Nederland te blijven, ook als ze niet meteen een baan hebben. Zoals dat ook voor kenniswerkers geldt.
  • Bibliotheken van de toekomst zijn kennisplekken, plekken van dialoog, een educatief centrum.

Wat blijft erover voor het Rijk?

Dit waren de belangrijkste aanbevelingen van de commissie. [Waarbij zij opgemerkt dat ik het thema duurzaamheid hier buiten beschouwing heb gelaten, omdat het voor dit onderwerp minder relevant is.] Wat laten die aanbevelingen zien?

De stedelijke economie laat zich vooral faciliteren en nauwelijks sturen. En ook het faciliteren heeft zijn grenzen. Dat oude binnensteden in trek zijn bij de hoogopgeleide kenniswerkers die je tegenwoordig nodig hebt, is zeer interessant, maar geeft weinig mogelijkheden voor het lokaal bestuur. Je hebt een oude binnenstad of je hebt geen oude binnenstad. En dat Rotterdam het al jaren matig doet, ondanks de steeds weer opvlammende hoop dat het nu echt beter wordt, ligt niet aan het gemeentebestuur. Het ligt aan de veranderde economische structuur in dit land, waardoor arbeiders niet meer gaan wonen in de omgeving van de fabrieken maar bedrijven zich vestigen in de buurt van de plekken waar de kenniswerkers willen wonen. Gechargeerd gezegd, maar globaal wel waar.

Beleid moet dus vooral in het teken staan van ‘go with the flow’. Niet tegen de stroom oproeien. Heel goed onderkennen hoe de ontwikkelingen gaan en in de sfeer van randvoorwaarden ondersteuning verlenen. Zorgen dat die woningen er zijn op korte afstand. Zorgen dat die cultuur er is. Zorgen dat de veiligheid is gewaarborgd. En vooral zorgen voor de bereikbaarheid van mensen en bedrijven. Laten we eerlijk zijn: de casus Rotterdam, om nog maar niet te spreken van de casus Heerlen, laat zien dat de overheid niet zo heel veel kan als het gaat om het fundamenteel aan de praat krijgen van de stedelijke economie. Wat dat betreft is de overheid van grotere betekenis voor de ‘achterkant van de medaille’: het sociale domein waarin de achterblijvers een plek zoeken.

En wat de overheid wel kan, is vooral een zaak van het lokaal bestuur. Om twee redenen. Ten eerste moet elke stad uitgaan van eigen kracht en het verhaal van de eigen stad scherp krijgen. Elke stad is anders en elke stad heeft zijn eigen kansen. Daarbij past geen generiek centraal beleid. Ten tweede vergt het beleid ter versterking van de stedelijke economie vooral kennis van de lokale omstandigheden en de lokale ontwikkelingen. Het vergt het geven van een klein duwtje op het juiste moment. Het is het aanvoelen van lokale behoeften. Dat is het werk van het lokaal bestuur.

Om die reden ben ik wel benieuwd wat de (Rijks) Agenda stad gaat opleveren. Ik ga er gemakshalve van uit dat het Rijk niet het werk van de steden wil gaan dupliceren. Dat is weinig zinvol en zou al gauw terecht de kritiek van ‘bestuurlijke drukte’ opleveren. En ik ga er ook vanuit dat het normale Rijksbeleid gericht op de bevordering van de economie niet op de Agenda stad zal staan. Het economisch klimaat verbeteren, het onderwijs op peil brengen, onderzoek en innovatie bevorderen. Allemaal van belang voor de economie in het algemeen en daarmee ook voor de steden. Maar dat is nog geen stedelijke agenda.

Wat resteert er voor de Agenda stad?

  • Het vergroten van de bereikbaarheid van de steden (ten behoeve van de agglomeratiekracht van de steden). Ik ben benieuwd welke nieuwe wegen en tunnels op de agenda verschijnen. Ik heb het gevoel dat de belangrijkste bereikbaarheidsproblemen van de steden tegenwoordig de toegang tot die steden betreffen. Is dat Rijksbeleid? Of is dat door het Rijk gefinancierd stedelijk beleid?
  • De systeemverantwoordelijkheid voor cultuur en onderwijs. Gaat het Rijk weer meer geld besteden aan cultuur, wat vooral de steden ten goede zal komen? Of mogen we dat na de ingreep van Zijlstra de komende jaren juist niet verwachten? En gaat het Rijk meer geld ter beschikking stellen van de scholen in de achterstandswijken? Het is al een oude wens.
  • De systeemverantwoordelijkheid voor de universiteiten: het is opvallend dat buitenlandse universiteiten veel meer bedrijven aan zich weten te binden dan de Nederlandse. We zouden nog meer aan de bekostiging van de universiteiten kunnen veranderen opdat valorisatie echt aantrekkelijk wordt.
  • Het verkleinen en/of verschuiven van immigratiestromen: ik geloof er niets van dat de Agenda stad zal leiden tot een ander immigratiebeleid. [Evenmin mogen we verwachten dat het veiligheidsbeleid fundamenteel verandert door de Agenda stad.]
  • De systeemverantwoordelijkheid voor het binnenlands bestuur: wie de stad meer kansen wil geven zal het eigen belastinggebied van het lokaal bestuur moeten vergroten. Ik kan me voorstellen dat op dat gebied veranderingen te verwachten zijn. Maar we weten ook allemaal dat het vergroten van het lokale belastinggebied kan leiden tot grotere verschillen tussen gemeenten en met name tussen rijke en arme gemeenten. Het is de vraag of de politiek daar aan wil (en moet willen).
  • Ik daag de regering graag uit om werk te maken van de reorganisatie van het binnenlands bestuur. Structuurwijzigingen zijn niet heilig, maar waarom vallen grote delen van Amsterdam onder het regime van andere gemeenten? Het wordt tijd om de opschaling van de gemeenten kracht bij te zetten, om de randgemeenten en de centrumgemeenten onder één bestuur te plaatsen en om de provincies op te heffen. Maar laten we niet weer de eeuwige ‘dans van de kalkoenen’ opvoeren. Al die oudere bestuurders die komen melden dat hun gemeente of hun provincie niet mag worden opgeheven. Ik hoop dat een paar onderhandelaars met een oppervlakkige kennis van het binnenlands bestuur bij de volgende kabinetsformatie in een vermoeid moment bij het ingaan van de nacht Nederland een nieuw binnenlands bestuur zullen geven. In ieder geval verwacht ik op dit moment niets na het mislukken van de ‘superprovincie’.
  • Kennis over de stad: het Rijk zou de gemeenten kunnen helpen met inhoudelijke kennis over de ontwikkeling van steden. Ook daarover heb ik mijn twijfels. Het op voorhand niet duidelijk dat het Rijk meer van de ontwikkeling van de stedelijke economie weet dan de steden zelf.

Helaas, het is een mager lijstje. En ik vrees dat het lijstje van de Agenda stad uiteindelijk nog magerder wordt. Ten eerste omdat het Rijk, naar te vrezen valt, eerder bij de steden op schoot zal gaan zitten, dan dat het zijn meerwaarde haalt uit zijn eigen specifieke bevoegdheden (City deals staan voor mij symbool voor overheden die afspraken maken over zaken die ze al lang van plan waren). Ten tweede omdat het Rijk naar verwachting relatief te veel aandacht zal besteden aan processen en procesinnovatie en te weinig aan de inhoudelijke problemen van de steden.

Eerlijk gezegd verrast het me niet dat Stef Blok met graagte dit onderwerp, dat in feite uit zijn eigen afdeling stamt, aan Ronald Plasterk heeft overgelaten.

 

[opgenomen in V. de Witte et al. (red.), De VNG onder voorzitterschap van Annemarie Jorritsma, Den Haag, 2015, pp. 103-111]

 

Je kan pas leren, als je weet hoe mensen leren

november 24, 2014 by  
Filed under artikel

Ik sta sinds 1978 voor de klas. Al noemen we dat op de universiteit nooit zo. En in al die jaren heeft niemand mij op de universiteit geleerd hoe ik moet leren. Nog erger: we vinden dat normaal. Soms schrik ik daar weer van, om dit schrikwekkende nieuws daarna weer een paar jaar te vergeten. Ik vrees dat de universiteit daarmee een enorme achterstand heeft opgelopen op de rest van het onderwijs.

Ik realiseer me dat nog weer eens heel goed als collega Karen Ephraim mij een boekje in handen drukt over leren. Revalideren is leren, van Inge Vuijk. Het is een prachtig boekje. Ook een benauwend boekje voor alle docenten aan de universiteit. Omdat zo simpel valt uit te leggen hoe het moet. En met alle waardering voor het inspirerende boekje van Inge Vuijk, ik neem aan dat anderen haar voor zijn gegaan in andere boeken over ‘leren’. Kan iemand me uitleggen waarom we nog hoorcolleges geven op de universiteit?

Nu verkeer ik inmiddels zelf in de heerlijke positie om mijn eigen leergangen, masterclasses en cursussen te organiseren. Regelmatig met collega Ephraim, die de boekjes van Vuijk al veel eerder heeft gelezen. En zo merk ik tot mijn vreugde dat ik door het dwingende werk van collega Ephraim al veel van de lessen van Vuijk in praktijk breng. Ik geef toe: het is wel een soort per ongeluk ervaren dat je het soms goed doet.

Voordat ik de lessen van Inge Vuijk samenvat, nog een boeiend aspect van haar boek. Als zij het over leren heeft, heeft ze het over learning, terwijl wij op de universiteit zouden beginnen met teaching. Inderdaad: je kan pas iets verstandigs over teaching zeggen als je weet wat learning is. Je kan pas leren, als je weet hoe je weet hoe mensen leren.

Hoe leren mensen? Inge Vuijk onderscheidt elf leerprincipes. Ik geef ze kort en vertel wat ik ervan leer voor mijn eigen lesgeven:

  1. mensen leren alleen als ze open staan om te leren (ondanks alle pogingen van een opleider); mijn les: probeer bij een serieuze intake mensen die met een ander doel naar een cursus komen, te weren.
  2. mensen nemen subjectief waar; geen opleider kan bepalen wat een leerling op welk moment leert; mijn les: ‘zenden’ heeft geen zin [wist u dat een student morgen nog maar 20% heeft onthouden van wat ik vandaag tijdens het hoorcollege heb verteld en dat er over enkele maanden nog enkele procenten over zijn?]
  3. mensen leren associatief; je koppelt het altijd aan wat je al weet; mijn les: begin altijd met de vraag: wat wil je hier leren (dan leer ik wat ze al weten) en laat elke docent vooral antwoord geven op de kennisvragen van de cursist.
  4. mensen leren concentrisch: ze gaan steeds meer waarnemen in eenzelfde situatie; mijn les: bouw een cursus op, bij voorkeur uit meerdere dagen en voorkom dat het ‘één dagje’ uit wordt.
  5. mensen leren sneller als ze uit hun comfortzone stappen; mijn les: het is niet erg als cursisten soms eens tegen de muur lopen.
  6. mensen leren door bewust te worden van hun eigen gedrag en van de effecten van hun gedrag; mijn les: vraag cursisten wat ze de komende week met het geleerde op hun eigen werk gaan doen.
  7. leren is veranderen: een leertraject is de zoektocht om dingen anders te gaan doen of anders aan te pakken; mijn les: vraag je cursisten bij de volgende ontmoeting wat ze op het werk anders zijn gaan doen.
  8. leren is leren verwoorden; door in eigen woorden te formuleren, kunnen we het gemakkelijker onthouden; mijn les: eindig een dag altijd met de vraag: wat heb je vandaag geleerd?
  9. van grijpen naar begrijpen: wanneer we zelf in een situatie zijn geweest, zijn we beter in staat te overzien en te begrijpen; mijn les: ga eerst de stad in voordat ze in gesprek gaan met een wetenschapper over de stad.
  10. samen leer je meer; samen leren helpt om ons eigen referentiekader te verruimen; mijn les: laat cursisten vaak in subgroepen werken zonder de docent [dat dwingt hun ook tot meer activiteit, tot nadenken, tot formuleren dan plenair mogelijk is]
  11. leren doe je vooral in betekenisvolle context; als de situatie relevant is om te leren, sta je meer open om te leren en leer je sneller; mijn les: ga altijd ‘ter plaatse’ kijken.

Dank je wel, Inge. Dank je wel, Karen.

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Hoe D66 en populisten de steden van de PvdA overnamen

april 18, 2014 by  
Filed under De Stad

De raadsverkiezingen liggen achter ons, de collegevorming nadert zijn einde en de voortekenen zijn duidelijk: D66 gaat de dominante positie van de PvdA in verschillende steden overnemen. Dominant was de partij al in Utrecht en Nijmegen. Nu ook in Amsterdam, Den Haag, Groningen etc. Is dit een tijdelijk fenomeen of is er meer aan de hand?

Het valt me op dat deze vraag in de media nog nauwelijks aan bod is gekomen. Als het om een tijdelijk, bijna toevallig fenomeen gaat, is dat logisch. Dat geldt niet als er sprake zou zijn van een structurele verandering van het politieke landschap in de grote steden. Er zijn twee argumenten die pleiten voor een tijdelijke afwijking van het traditionele beeld. Ten eerste heeft de PvdA in het hele land, ook in de kleinere gemeenten ongeveer eenderde van zijn zeteltal verloren. Dat duidt op een landelijke trend en dat duidt er weer op dat we de oorzaken op landelijk niveau moeten zoeken. De kiezer staat nog niet te stralen bij het kabinet Rutte-Asscher en de glans is van Diederik Samsom af. Zou allebei heel goed kunnen. Ten tweede is D66 al jaren een vluchtige partij die soms prachtige scores maakt en nog geen tien jaar later weer de opheffing nabij is. Pechtold is een uitstekende leider en een natuurlijke opvolger dient zich niet aan. Ook dat relativeert de winst van D66.

Maar je zou evengoed een andere redenering kunnen volgen. Het is bekend dat de steden steeds meer de brandhaard van de economie zijn. Dat de hogere inkomens en met name de hoger-opgeleiden steeds meer in de steden blijven hangen, na de afronding van hun studie. We weten dat bedrijven op die hoger-opgeleiden afkomen (in plaats van dat hoger-opgeleiden verhuizen naar een bedrijf). We weten dat de kansarmen naar de randen van de steden worden verdreven, niet zelden over de gemeentegrens heen. Vanouds moet de PvdA het hebben van de beneden-modale kiezer en van een intellectuele elite. Die eerste achterban verdwijnt uit de steden, vertoont een lage opkomst en keert zich voor een deel af van de PvdA. Sommigen kiezen voor de SP, en migranten kiezen minder automatisch voor de PvdA (hetgeen ook geheel logisch is). D66 daarentegen vaart wel bij bevolkingsgroepen die luisteren naar innovatie en onderwijs: de nieuwe stedelingen.

Het is bekend dat de ‘triomf van de stad’ ook een schaduwzijde heeft. Niet alle steden zijn de winnaars. Rotterdam is niet in handen van D66 maar van Leefbaar gevallen. Rotterdam is nu juist ook een stad waaraan de ‘triomf’ voorbij lijkt te gaan. Zoals dat ook geldt voor sommige groeikernen, als Spijkenisse, Almere, maar ook Zoetermeer. En voor  meer perifere steden als Enschede,  Emmen, enzovoorts. In dat soort steden nemen de populistische en de  lokale partijen het van de PvdA over te.  En zo laat de uitslag in Den Haag zich zo goed vertalen. Den Haag is enerzijds een triomferende stad, met dat sterke merk ‘internationale stad en vrede en recht’. Het is ook de kant van het ‘zand’. Het ‘veen’ in Den Haag laat de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ zien: de verliezers van de globalisering, de lager-opgeleiden. Hoe opvallend dat de verkiezingen in Den Haag een tweestrijd waren tussen D66 en PVV, die op het laatste moment door D66 werd gewonnen.

Natuurlijk, de PvdA kan de nieuwe hoogopgeleide stedeling én de teleurgestelde kansarme weer terugwinnen bij een volgende verkiezing. Maar de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 kunnen ook een voorbode zijn geweest van een nieuwe politieke verdeling van de steden.

« Vorige pagina