Dagboek van een weerstudent

september 7, 2015 by  
Filed under artikel

Het viel niet mee, die eerste week. Op maandag beginnen met een uurtje introductie. Daarna naar McKinsey om te adviseren over duurzame mobiliteit en verstedelijking. Plotseling wordt er weer naar me geluisterd. ’s Middags drie uur college. Tussendoor de tijd doorbrengen bij ‘De Jaren’ in de Nieuwe Doelenstraat. Goede koffie, goede stroom. Zo word ik onwennig student, op de laatste dag van mijn hoogleraarschap. Dinsdag en woensdag rommel ik wat in huis. Donderdag en vrijdag verzuim ik mijn colleges aan de UvA en geef zelf les op de ss Rotterdam. Twee dagen met een groep stedelijke strategen in gesprek over de ‘achterkant van de triomf van de stad’.

Die twee dagen in Rotterdam waren een feest. Ik geniet van het college van Godfried Engbersen. Ik geniet van het felle debat dat tussen de groep en Jos van der Lans ontstaat. Ik geniet van de avond in het Verhalenhuis met Els Desmet en met autochtone bewoners van De Kaap. Ik geniet van mijn cursisten die zich die ene essentiële vraag stellen die ambtenaren (en politici!) zich veel vaker zouden moeten stellen: ‘waar zijn we van?’ Is dit echt een taak voor de overheid? We genieten van de stad die Carlo ons vanaf de 40e verdieping van het nieuwe stadskantoor laat zien, een stad die zich langzaam in regen hult. We genieten op een vmbo-school [Melanchton Mathenesse] van de passie van Hanna van Os en Erik van Ruijven voor hun school. De groep wordt er stil van. Zo zien echte professionals er dus uit.

En ik moet er even niet aan denken dat ik dit allemaal volgend jaar ga opgeven om fulltime student te worden. Twee volle dagen in gesprek met zeer gemotiveerde mensen. Ik mag de hele dag vragen stellen, spiegels voorhouden, prikkelen. Allemaal om hen nog verder te brengen. Om van hen nog betere strategen te maken. En elke minuut alert zijn op die ene briljante opmerking van Wouter, op die koffie die te laat wordt gebracht, op een buschauffeur die ‘langs het station’ iets te letterlijk opvat, terwijl de helft van de groep snakt naar de trein. En het allermooiste: de groep is gelukkig met deze twee dagen. Zoals Carlo zegt: ‘dit ging verder dan ergens iets van vinden, dit ging om voelen’. Van dat soort woorden, raak ik emotioneel, zeker als je vijf dagdelen zo hard hebt moeten werken.

In het weekend rond ik mijn werkweek af. En bereid ik de nieuwe voor. Ben ik vooral weerstudent. Ik oefen mezelf in de G-sleutel (te lang geleden). Ik maak een opdracht voor ‘onderzoeksvaardigheden’. Voor 9:00 morgenochtend moet de opdracht digitaal worden ingeleverd. ’s Middags bij het college moet de geprinte versie worden achtergelaten. Ik schreef er al over. En ik word op voorhand moe als ik weet dat de geprinte versie identiek moet zijn aan de digitale versie. Het is verboden om de geprinte versie in de loop van de dag nog aan te passen. Het is verboden om morgen na 8:59 nog te leren. Dat mag pas weer als de meester of de juf de opdracht heeft nagekeken.

Ja, je kan van niks moe worden en je kan van twee dagen les geven uitgeput raken. Maar wat een verschil! Wat word ik graag moe van twee geslaagde dagen. En wat haat ik het om moe te worden van geleuter op de vierkante centimeter. Ik besef weer eens dat je als docent maar één taak hebt: je leerlingen rijker maken. Je moet je leerlingen laten genieten, van al het wonderschone dat te vertellen valt.

 

Zie ook: De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

augustus 31, 2015 by  
Filed under Geen categorie

Een vriend op Facebook schreef me: het moet wel een bijzondere ervaring om na zoveel jaar weer in de collegebanken te zitten. Nou dat was het! Niet alleen omdat het zo lang geleden was. Maar vooral omdat ik al die jaren aan de andere kant heb gestaan. Precies een jaar geleden ontving ik de eerstejaars in Rotterdam en legde ze uit wat de kernvragen van de bestuurskunde zijn. Nu zit ik mijn best te doen om alleen student te zijn. Ik kan het niet laten om veel te observeren.

En er valt veel te observeren. We beginnen om 10 uur met één uur introductie voor de eerstejaars. De helft van de afdeling musicologie is opgetrommeld en stelt zich voor en vertelt zijn of haar plannen. Het is allemaal, ja zeg maar, gewoon lief. En het is heel erg herkenbaar. Het is duidelijk wie de hoogleraren zijn. Het is duidelijk wie de universitair hoofddocent is. De laatste is de spreekstalmeester. Maar de ene hoogleraar moet haar natuurlijk wel even inleiden. De andere hoogleraar wordt door zijn onderdanen heftig geprezen dat hij nog even aanwezig is. Eigenlijk is hij daar te hoog voor. Hij laat zich door al deze lof verleiden om nog even achter het katheder te gaan staan. Charmant, rommelig, en zonder enige voorbereiding. Hij heeft dan ook geen verhaal. Als hij dat zelf bemerkt, rondt hij gelukkig snel af.

Ik kan ervan genieten, van de universiteit. Hoe hoe weinig professioneel het ook allemaal gaat. Er worden wat ‘stencils’ uitgedeeld. ik gebruik met opzet nog maar eens dat woord. Het is soms smoezelig en groezelig. Er wordt gehakkeld (omdat de collega’s erbij zijn?). Er wordt authentiek enthousiast gedoceerd. De sheet is onleesbaar of de beamer werkt niet. Ja, bij Nelissen en Schouten doen ze dat allemaal heel anders. Dan zou er koffie zijn geweest en een petitfour en een map met (gedeeltelijk overbodig) lesmateriaal. Wij zitten gewoon in zaal 3.01 na het beklimmen van zes trappen. In het rooster voor de middag blijkt dezelfde zaal  ‘Universiteitstheater’ te heten. Maar de docenten zijn gedreven, ze houden van hun vak. In de commerciële wereld houden ze vooral van mijn centen.

Ook dat college in de middag biedt veel stof voor observatie. Ik zal later nog wel eens spreken over het schoolse karakter van de universiteit. En dat die schoolsheid eerder de behoefte lijkt van de docenten dan dat studenten daarvoor veel aanleiding geven. Op het rooster staan 3 uur ‘inleiding musicologie’. Die inleiding, ik schreef het al, is vooral een samenraapsel van onderwerpen en vooral van wensen van individuele docenten. Collegeprogramma’s komen altijd incrementeel en organisch tot stand. Ooit was er een grote gedachte en daarna veel docenten en hoogleraren die hun eigen vak overeind willen houden. Het geeft niet. Behalve dat al dat aanbod nooit wordt afgestemd op onze vraag.

Vanmiddag valt me vooral op hoe groot de verschillen in informatiedichtheid zijn. Om drie uur starten we. Het eerste half uur gaat voorbij met het opnoemen van namen (aanwezigheidsplicht, kom ik vanzelfsprekend ook nog op terug) en aan het toelichten van het programma. Die toelichting is helaas geen toelichting (bijvoorbeeld: waarom die vak op dit moment in de studie?), maar is het voorlezen van regels en nog eens regels. Allemaal rechtstreeks te vinden op de website en op ons eigen Blackboard (intranet voor studenten). Dan gaat na een half uur plotseling het vuur branden. Docent vraagt: wat is muziek? Hij zet ons vijf kwartier aan het denken. Prachtig college. Jammer dat de docent uiteindelijk vergeet zijn eigen definitie te geven. Hadden we onze onrijpe ideeën nog beter kunnen toetsen.

Dan is het kwart voor vijf. We gaan een kwartier koffiedrinken. Na het kwartier komt docent nr 2. Die neemt een half uur om het idee van opdrachten voor de komende week te verduidelijken. Ik begrijp dat we elke maandagmorgen om uiterlijk 8.59 een opdracht digitaal moeten inleveren. En dat we ’s middags een geprinte versie naar het college moeten meenemen. Ik neem aan dat de docent vervolgens de geprinte versie gaat nakijken. Vanwaar dan die keiharde deadline van 8.59? Als die teksten toch pas een halve dag later worden ingenomen en een week later worden becommentarieerd? Ook dat onderwerp komt nog wel eens terug. Voor nu is vooral belangrijk dat alle procedures en regels over de opdrachten gewoon op Blackboard zijn te vinden. En dat het voorlezen daarvan geen meerwaarde heeft.

Om half zes ronden we maar af, omdat we wel klaar zijn. Zo bestaat het eerste college uit: 5 kwartier mooi verdiepend college, 4 kwartier voorlezen van regels en procedures, die elders beter zijn beschreven en 3 kwartier pauze. Je zou toch zeggen dat dat beter moet kunnen.

En natuurlijk, ik besef: ik heb al een paar jaar ervaring. Ik heb al eens een onderzoeksopzet geschreven. Het zal meespelen in mijn weging van die kwartieren. Toch vallen mij twee dingen op. Eén: wat hebben mijn medestudenten ongelofelijke goede opmerkingen bij het verdiepende college, wat zijn zij al ver in hun denken. Twee: wat zijn alle studenten betrokken bij de echte inhoud en wat worden ze vervelend en afgeleid als het over regels en procedures gaat. Kom op, geef ons volgende keer 12 kwartier fantastisch college! Jullie kunnen het!

 

Kijk ook: De zware onderwijslast aan de universiteit

De zware onderwijslast aan de #universiteit

augustus 28, 2015 by  
Filed under artikel

Overuren of tussenuren? Niet belangrijk hoe je het noemt. Maar ze vallen me wel op. Op mijn eerste dag word ik om 10 uur verwacht voor een introductie voor alle eerstejaars van ons van. Om 11 uur zijn we klaar. Om 3 uur begint het eerste college, tot 6. Vier overuren of tussenuren. Waarom? Wat is dit voor onzin? Voor zelfstudie? Maar ik weet nog helemaal niet wat ik moet leren.

Ook bij bestuurskunde in Rotterdam hadden we weinig contacturen. Daar heb ik me vaak genoeg boos over gemaakt. Maar Ik heb me nooit afgevraagd waarom die weinige uren zo verspreid over de hele week werden gegeven. Zo ook nu. In de komende weken heb ik op maandag 3 uur college, op donderdag 3 uur en op vrijdag 2 uur. Waarom doen we dat niet gewoon achter elkaar? Dan ben ik op maandag om 17 uur klaar met de colleges van de hele week. Ik kan één tegenargument bedenken. Als hetzelfde vak meer dan één keer per week wordt gegeven, is spreiden onvermijdelijk als je huiswerk mee wil geven. Maar wij krijgen helemaal niet elke week huiswerk. En het ‘inleiding musicologie’ dat we op maandag en donderdag krijgen, bestaat in werkelijkheid uit twee inleidingen, met twee verschillende docenten en twee verschillende boeken. Er staat dus niet een ééndaagse werkweek in de weg!

Of verspreiden we die paar colleges over de hele week om de indruk te geven dat we les geven? Het is zo grappig om de tegenwoordige studenten over ‘school’ te horen spreken. En het is zo minder grappig dat het universitaire onderwijs ook zo ‘schools’ is geworden. Terwijl het een school is waar nauwelijks les wordt gegeven! Ook in Amsterdam wordt de studenten voorgehouden dat ze elke week 40 uur met hun studie bezig zullen zijn. Ik ga het meemaken. Maar in Rotterdam zeiden we dat ook. Terwijl uit elk onderzoek bleek dat de studenten gemiddeld niet meer dan 20 uur per weel aan hun studie besteedden. En ik kan je beloven dat die 40 uur heel precies waren uitgerekend. Hoeveel uur kost het lezen van 10 pagina’s? Hoeveel uur kost het schrijven van een paper van 1000 woorden? Enzovoorts, enzovoorts. Alleen die uren waren volstrekt fictief. Uit de lucht gegrepen. Kijk maar naar die werkweken van 20 uur!

Ook voor docenten bestaan dat soort berekeningen. Ik gaf de laatste jaren in Rotterdam aan de eerstejaars het vak ‘kernvragen van de bestuurskunde’. In de eerste vier weken van hun studie behandelde ik ongeveer de hele stof. Ik deed dat in 8 colleges, van 2 x 45 minuten. Dat is 12 uur in totaal. Mijn onderwijslast voor deze 12 uur bedroeg 150 uur. Met uitdrukkelijke vermelding dat ik niet geacht werd de tentamens na te kijken (hetgeen op zich al een gotspe is). Iemand, ja iemand in de bureaucratie, had blijkbaar uitgerekend dat een ervaren hoogleraar 12,5 uur voorbereiding nodig heeft voor 1 uur les geven aan eerstejaars die nog nimmer iets van de bestuurskunde hebben gehoord. Ook als hij zijn Powerpoint van vorig jaar gebruikt.

Maar laten we eerlijk zijn: de docenten lieten zich deze bureaucratie met graagte aanleunen. Met een paar vakjes had je al voldaan aan je ‘onderwijslast’ en kon je je weer richten op je ‘onderzoekstijd’. Ja, dat zijn de formele woorden. En die twee woorden zeggen in feite alles. Het onderwijs is vooral een last en met goed onderzoek worden we uiteindelijk hoogleraar. En daarom krijgen die studenten zo weinig onderwijs dat al mijn colleges in één dag zouden kunnen worden afgehandeld.

 

Zie ook: Een studie aan de #UvA als cursus zelfbeheersing

Mijn eerste schreden op de #UvA

juni 29, 2015 by  
Filed under artikel, fagot

Op 15 juni meld ik me bij het Instituut voor Muziekwetenschap. Ik neem plaats in de wachtruimte. De omgeving is hilarisch. Het gevoel van een oude bezemkast. Brandslangen vlak voor mijn neus. De sfeer van Het Bureau. De jasjes van Maarten Koning worden nog steeds gedragen. Maar ook een jonge Mahler komt voorbij. En een meisje met een hoofddoek verzorgt het multiculturele element. Ik lees intussen dat je stage kan lopen bij de Concertzender. Zou het helpen dat ik al jaren geld naar ze overmaak? En wat zou ik mogen doen? Alleen cd’s opruimen, misschien wel zoeken? Toch geen programma samenstellen, laat staan presenteren? Dat lijkt me wel wat. En volgens mij klinkt mijn stem wel oud genoeg voor deze zender.

Ik ben veel te vroeg, maar ook als een half uur is verstreken is er geen teken van een studieadviseur. Ik ga op zoek en vind een vriendelijke dame, die me netjes met ‘U’ aanspreekt. Ik vraag haar of ze altijd ‘U’ zegt tegen studenten. “Nee, alleen als ze zo oud zijn”. De stemming zit erin. Studieadviseurs leggen de verbinding tussen de systeemwereld van de universiteit en ons, de gewone studenten. En zijn dus onmisbaar. Ook deze dame. Ze schrijft de data van de colleges voor me op een papiertje. Alles onder voorbehoud. Het is pas juni. In Rotterdam was het niet anders. Werken er honderden mensen bij ‘bedrijfsvoering’ of ‘concern’ en hebben ze half juni nog geen definitief rooster voor het volgende jaar.

Maar eerst spreken we over mijn studie. Waarom ik dit wil. En of ik wel serieus genoeg ben. “Je bent toch geen hobbyist, want daar worden wij op afgerekend”. Ja, het rendementsdenken van Den Haag. Of ik noten kan lezen. En of ik vrijstellingen wil. [Nee, want ik wil iets leren.] Dat ik me moet inschrijven via Studielink van DUO. Dat ik met een deeltijdstudie kan beginnen, waarin ik in het eerste jaar maar 26 ECT hoef te halen. Ik verheug me op kleinschaligheid van de studie. Veertig eerstejaars, waaronder ook (oudere!) deeltijders.

Er doemt slechts één klein probleempje op. Aanwezigheid bij de colleges is verplicht. Eenmaal missen wordt nog wel door de vingers gezien, maar vaker moet met een extra opdracht worden gecompenseerd. Een korte blik in mijn agenda leert dat aan extra opdrachten niet valt te ontkomen. Mijn werk stelt ook zijn eisen. Het is toch een deeltijd-opleiding? Waarom zou het andere deel dan geen rechten hebben.

Ja, ik heb me heilig voorgenomen dat ik niet de professor zal uithangen. Ik ben gewoon student. Maar ja, ik heb wel zo mijn opvattingen. Zelf vond ik het altijd een teken van zwakte om de studenten te verplichten om mijn colleges bij te wonen. Als mijn colleges geen of te weinig meerwaarde hebben kunnen de studenten zich beter anders op het tentamen voorbereiden. Anders gezegd: het moet mijn eer zijn om mijn werk zo goed te doen dat de collegezalen volstromen. Niet door handtekeningen te vragen. En nu moet ik plotseling zelf een handtekening zetten. Zal ik straks ook zo snel mogelijk de collegezaal verlaten als ik de lijst heb getekend? Hoe calculerend zal ik worden?