#gekozenburgemeester: democratie moet je altijd bevechten

november 19, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

De Eerste Kamer besluit deze week of de wijze van aanstellen van de burgemeester uit de Grondwet verdwijnt. Het gaat niet om de vraag of de burgemeester moet worden gekozen. Het gaat slechts om de vraag of de gekozen burgemeester in de toekomst mogelijk moet worden gemaakt. En toch roeren de tegenstanders van de gekozen burgemeester zich al weer volop. Vooral de brief van 31 burgemeesters die waarschuwen tegen een gekozen burgemeester heeft me ontroerd. 31 kalkoenen die de natie voor de laatste keer waarschuwen voor een catastrofe.

Sta me toe op vier dringen te wijzen. 

Ten eerste: al jaren is een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking voor een gekozen burgemeester. Wel te verstaan: voor een rechtstreeks gekozen burgemeester. 

Ten tweede: in de media hoor ik nooit die grote meerderheid over de gekozen burgemeester, maar altijd de mensen wiens positie op het spel staat. Burgemeesters, wethouders, raadsleden, allemaal mensen die deel uitmaken van de kleine groep Nederlandsers die al die mooie democratische functies onderling verdelen.

Ten derde: deze kleine groep heeft er baat bij om het publieke debat over de gekozen burgemeester zo ingewikkeld mogelijk te maken. De eerste troebele gedachte: een door de raad gekozen burgemeester is ook een gekozen burgemeester. De tweede troebele gedachte: met de gekozen burgemeester schaadt je de positie van de gemeenteraad en dus de democratie. De derde troebele gedachte: we hebben een nationale discussie nodig over de toekomst van het lokaal bestuur. Hoe meer troebele gedachten, hoe verder de gekozen burgemeester achter de horizon verdwijnt.

Ten vierde: heel veel van die argumenten tegen de gekozen burgemeester zijn argumenten tegen de democratie. Lees in al die bezwaren tegen de gekozen burgemeester eens voor de lol voor ‘burgemeester’: ‘Kamerlid’, en je bent verrast dat er nog verkiezingen zijn. 

Volgens mij is de kern simpel: de Nederlandse bevolking wil in grote meerderheid een gekozen burgemeester. En wat zou het mooi zijn als toekomstige burgemeesters eens niet worden gerecruteerd uit die kleine groep die het eigen bastion zo hard verdedigt.

Vanwaar dat klagen over #gemeenteraden

mei 21, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

Wim Voermans was bijna een groot man geweest in de wereld van het lokaal bestuur. Hij kreeg als wetenschapper veel geld om onderzoek te doen naar het functioneren van de gemeenteraad. Een commissie onder leiding van toenmalig wethouder Kajsa Ollongren zou zijn onderzoek omzetten in een belangrijk advies. Het liep allemaal anders. Voermans was te positief over de gemeenteraden volgens zijn opdrachtgever, de VNG. Hij werd vakkundig kaltgestellt. Voermans kreeg meer geld om langer onderzoek te doen en de  VNG riep snel een andere commissie in het leven onder leiding van Wim van den Donk. Het resultaat liet zich voorspellen: Van den Donk meldde dat er veel mis is met het functioneren van de gemeenteraad. En dat wilde de VNG blijkbaar horen. 

Overigens heb ik me (hier) al eerder verbaasd over dat rapport van Wim van den Donk. Het was een somber rapport. Alarmbellen gingen af over het lokaal bestuur. Maar de adviezen van de commissie waren zeer mager. Het dualisme tussen gemeenteraad en College van B&W moest worden geëvalueerd en de wijze van benoeming van de burgemeester moest onaangetast blijven. Dat was alles. Ik dacht meteen al: als er zo weinig hoeft te veranderen, zal er ook niet zoveel aan de hand zijn.

Voermans verwerkte samen met Geerten Waling alle opgedane kennis in een leesbaar boek: Gemeente in de genen. Bovenstaande anekdote komt pas aan het slot van het boek aan bod. En dan pas gaan Voermans en Waling helemaal los. Ze schrijven dat ze zich ergeren aan het geklaag van de bestuurlijke elite over de lokale democratie en met name over het zogenaamde slechte functioneren van gemeenteraden. Ze verbazen zich over alle voorstellen voor andere vormen van democratie (“meervoudige democratie” in de woorden van Van den Donk) die door de bestuurlijke elite worden gedaan. Denk aan de G1000-projecten in tal van steden, waar willekeurige burgers (soms bij loting aangewezen) debatteren over de toekomst van hun stad. 

Tegelijkertijd hebben ze er wel een verklaring voor. Met politicoloog Tom van der Meer constateren ze dat er weinig mis is met onze democratie, maar veel mis is met de bestuurscultuur van de oude partijen. De oude partijen beginnen hun grip op het geheel te verliezen en komen juist daarom, volgens Voermans en Waling, met al die voorstellen voor andere vormen van democratie. Let op: vanuit de gedachte dat die nieuwe vormen van democratie door de elite gemakkelijker zijn te bespelen dan de oude gemeenteraad.

Waarom zou dat zo zijn? Ten eerste verliezen de oude politieke partijen snel terrein in de gemeenteraden (vooral ten gunste van lokale partijen die veel meer een doorsnee zijn van de bevolking dan de hoogopgeleide vertegenwoordigers van de bestuurlijke elite). En ten tweede worden de uitkomsten van al die nieuwe vormen van inspraak, participatie, doe-democratie etc. vaak bepaald door de hoogopgeleiden. Als ze al een uitkomst hebben. Zeg maar, de mensen waarmee de oude elite veel verwantschap voelt. Er moeten dus nieuwe vormen van democratie komen, omdat de elite haar grip op de oude democratie aan het verliezen is.

Het is een interessante gedachte. Maar ben ik het ook eens met die stelling?

Ik heb me inderdaad al tijden verbaasd over die voorliefde voor andere vormen van democratie bij mensen die in de ‘oude democratie’ groot zijn geworden. Annemarie Kok vroeg zich eerder af: vanwaar toch die ‘weg-met-ons-mentaliteit’? Maar ik zag het vooral als een wanhoopspoging, vanwege die vermeende kloof tussen burgers en politiek. Vanwege het vermeende afnemende vertrouwen in politici. Ik zag het toch vooral als een poging om de burgers weer meer bij de politiek te betrekken.

Maar Voermans en Waling gaan veel verder. Zij zien de nieuwe democratische vormen als een instrument van de bestuurlijke elite om de macht vast te houden die gaandeweg in de gemeenteraden is verloren. Die veronderstelde kloof is geen kloof tussen politiek en burgers, maar een kloof tussen de huidige elite en de nieuwe burgers. 

Een aantal feiten valt niet te ontkennen:

Ten eerste: ik ken geen onderzoek dat aantoont dat gemeenteraden tegenwoordig minder functioneren dan vroeger, zeker als het primaire doel is van de gemeenteraad om de bevolking te representeren. 

Ten tweede: er is veel onderzoek dat aantoont dat al die nieuwe vormen van democratie (buiten de gemeenteraad om) vooral ten goede komen aan hoogopgeleiden en dat de Colleges van Burgemeester en Wethouders vaak subtiel gebruik dan wel misbruik weten te maken van de uitkomsten van die nieuwe vormen van democratie. 

Ten derde: al die nieuwe vormen van democratie zijn inderdaad nooit bedoeld om onderwerpen aan te kaarten die de politieke en bestuurlijke elite onwelgevallig zijn. Asielzoekers moeten wel een woning krijgen, vliegtuigen moeten wel blijven vliegen, Polen moeten hier wel kunnen werken, het klimaat moet wel veranderen. 

Ten vierde: vooral in sociaal-democratische hoek zijn veel voorstanders van de nieuwe vormen van democratie te vinden (Plasterk, Wallage etc). De PvdA is in de laatste decennia haar positie in het lokaal bestuur (in de gemeenteraden) geheel kwijtgeraakt. Lokale partijen hebben overigens geen nieuwe vormen van democratie nodig om contact te houden met de bevolking. 

Ten vijfde: nadat ze aanvankelijk enthousiast waren over het referendum, draaien oude politieke partijen momenteel dit instrument weer de nek om, mede omdat de uitkomsten helemaal geen ondersteuning waren voor hun beleid. Worden nieuwe vormen van democratie alleen toegejuicht zolang ze een middel zijn om het beleid van de politieke en bestuurlijke elite te legitimeren? 

Misschien zijn Voermans en Waling wel te cynisch, maar misschien was mijn geloof in de politieke en bestuurlijke elite nog te groot. Ik weet niet wat erger is. 

Het gaat goed met het lokaal bestuur

september 2, 2016 by  
Filed under De Stad

Dames en heren,

Laat ik beginnen met te vertellen waarom ik hier voor u sta, op dit afscheid van Roland van Schelven als burgemeester van Culemborg. Het was in Gouda. Een jaar of zeventien geleden. Er waren vaak problemen met allochtone jongeren. Vooral in het weekend. Er was een duidelijke aanleiding. De allochtone jongeren waren niet welkom in de plaatselijke disco’s. Het was duidelijk dat er een eigen plek voor hen moest worden gevonden in de binnenstad van Gouda. Een eigen ontmoetingscentrum. De meeste burgers waren het daar wel mee eens. Maar niet met de plek die het gemeentebestuur voor dit opvangcentrum in gedachten had. Er vormde zich een groep actieve burgers die zeer succesvol was in het dwarsbomen van de gemeentelijke plannen. Roland was één van die burgers. Er ontstond een patstelling en er werd een bemiddelaar gezocht om tot een oplossing te komen. Die bemiddelaar, dat was ik. Na veel geharrewar kwamen de partijen er samen uit. Ik had voorgesteld dat de burgers zelf zouden mogen bepalen waar dat opvangcentrum zou moeten komen. Als ik het wel heb, kozen ze na lang beraad voor de plek die de gemeente eerder had aangewezen. Het enige verschil: nu was iedereen tevreden.

Toch zijn de consequenties van dat conflict verstrekkend geweest. Roland van Schelven werd raadslid en wethouder in Gouda en werd burgemeester in Culemborg. Vandaag vertrekt hij als burgemeester. En heeft hij mij gevraagd te reageren op zijn afscheidsspeech. Ik heb zijn speech al eerder mogen lezen om me goed voor te kunnen bereiden. Ik heb zelfs vooraf commentaar gegeven. Dat heeft overigens niet geholpen. Ik vind zijn verhaal namelijk te somber. Hij beschrijft tal van ontwikkelingen in de gemeenten, en de teneur is te vaak dat het daarmee niet beter is geworden. Hij staat in dat denken overigens helemaal niet alleen. De VNG brengt eens in de twee jaar een rapport uit waarin wordt gepleit voor vernieuwing van het lokaal bestuur.

Dit voorjaar nog zag een rapport van de Commissie Van den Donk, in het dagelijks leven Commissaris van de Koning in Brabant, het licht. Een echt treurig rapport. Met veel wolligheid werd verteld dat het niet goed ging met het lokaal bestuur. Er moest heel veel veranderen. Wat er moest veranderen was ook weer niet helemaal duidelijk. Het dualisme tussen raad en College moest worden geëvalueerd! En de burgemeester moest voor stabiliteit zorgen en daarom was er weinig mis met de huidige benoemingsprocedure, waarbij de gemeenteraad de burgemeester aanwijst en de Kroon hem nog even netjes benoemt. Bij dat soort ‘fundamentele’ adviezen, begin je je inderdaad af te vragen hoeveel er eigenlijk mis is aan het lokaal bestuur. Ja, ik denk dat mijn verhaal een blij verhaal wordt.

Veel rapporten over de gemeenten klagen over het naar-binnen-gerichte karakter van de lokale politiek. Maar het leuke is dat die rapporten nog veel meer naar binnen zijn gericht dan het gemiddelde raadslid. Altijd een commissaris van de koning, een paar wethouders, iemand van de VNG en de verplichte hoogleraar. Die met bedrukte gezichten tegen elkaar zeggen dat het vertrouwen in de politiek zo snel afneemt. Ze bedoelen te zeggen: dat het vertrouwen in hunzelf zo snel afneemt. Nou is zelfs dat laatste niet helemaal waar. Het vertrouwen in de politiek is nooit hoog geweest. Het spreken over zakkenvullers is van alle tijden. Misschien wordt het tegenwoordig wat harder gezegd en wat sneller verspreid door sociale media. Maar wat is er mis aan als alle meningen in het politieke debat hun plek krijgen? Ik heb liever dat we weten hoe burgers erover denken, dan dat we doen alsof iedereen verliefd is op de lokale politiek. Ook in dat licht kunnen we het populisme bekijken.

Maar hoe slecht gaat het nu werkelijk met het lokaal bestuur? We weten dat veel burgers tevreden tot zeer tevreden zijn over de dienstverlening door hun gemeente. Persoonlijk ben ik ook best tevreden over mijn gemeente Den Haag. De dienstverlening is aardig op orde. De binnenstad is ongelofelijk opgeknapt in de laatste twintig jaar. De bereikbaarheid van de stad is sterk toegenomen met de Hubertustunnel. En ga zo maar door. Oké, soms doen ze in mijn ogen iets raars, dan willen ze een Cultuurpaleis bouwen, terwijl ze op hetzelfde moment 6 van de 18 bibliotheken gaan sluiten. Maar dat zegt niets over de kwaliteit van de lokale politiek of over de kwaliteit van het gemeentebestuur. Dat zegt alleen iets over de besluiten die de gemeente naar mijn mening zou moeten nemen. Of niet zou moeten nemen. Helaas voor mij heeft de meerderheid anders beslist.

Volgens mij hebben we daar een belangrijk element van de onvrede over de lokale politiek te pakken. Ik vraag me vaak af: geldt die onvrede nu de beslissingen die men neemt, of de wijze waarop beslissingen worden genomen? In een volwassen democratie worden beslissingen genomen, die niet ieders voorkeur hebben. Bovendien: in een volwassen democratie worden vaak vage beslissingen genomen, worden compromissen gesloten, omdat er geen duidelijke meerderheden zijn. In dat opzicht is elke politiek proces bijna onvermijdelijk rafelig en rommelig.

Roland van Schelven maakt zich met vele anderen zorgen over de dalende trend bij de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen. Dat wordt algemeen gezien als een signaal van afnemende belangstelling voor en betrokkenheid bij de lokale politiek. Maar is dat nu echt wel zo? Ik durf de vraag eens heel voorzichtig te stellen: zou er soms ook sprake kunnen zijn van toenemende tevredenheid? Als er geen reden is om je ergens druk over te maken, ben je ook minder geneigd om te gaan stemmen. Ik weet het, betrokkenheid van burgers is belangrijk in de democratie. Maar we moeten ook niet meteen alles gaan veranderen als mensen de Champions League belangrijker vinden dan de lokale politiek. Misschien hebben ze daarin nog wel gelijk ook.

Er zijn overigens ook drie belangrijke redenen waarom de lokale politiek de meeste burgers niet dagelijks bezighoudt.

Ten eerste hebben we in Nederland een hele bijzondere vorm van lokaal bestuur. U komt waarschijnlijk wel eens in Frankrijk, en dan ziet u midden in het dorp de Marie, het gemeentehuis. Een pand met enige statuur, maar altijd heel klein. En bovendien is er vaak ook nog eens de bibliotheek of de dokter in gehuisvest. Frankrijk heeft 36.000 gemeenten, en dat aantal verandert al jaren niet. De reden is heel simpel: gemeenten gaan in Frankrijk alleen maar over lokale kwesties. Ik zeg maar: over de vraag of die boom nu wel of niet moet worden gekapt. Ik weet het: in Nederland houden gemeenten zich ook met dit soort kwesties bezig die lokaal soms zeer hoog kunnen opspelen. Maar 90% van het werk van een gemeente, of misschien nog wel meer, is gewoon het netjes en efficiënt uitvoeren van het beleid van de regering. In Frankrijk hebben ze daar in het verleden allemaal departementen voor in het leven geroepen. In Nederland zijn we zuinig en hebben we minder grandeur, en hebben we ooit gezegd: die gemeenten kunnen dat beleid van het rijk best zelf uitvoeren.

De gevolgen zijn tweeërlei: we hebben in vergelijking met Frankrijk en vele andere landen, hele aanwezige gemeenten, met veel geld en veel ambtenaren. Maar we hebben ook hele onduidelijke gemeenten. Want er valt wel veel te doen, maar niet zoveel te kiezen. In Frankrijk hebben ze niks te doen, maar wel veel te kiezen, als ze een keer iets te doen hebben. De Nederlandse gemeenteraden ervaren dit aan de lijve. Een gemeenteraad is er vooral voor om het college te controleren bij de uitvoering van het rijksbeleid. En maar heel soms voor het grote politieke debat over de toekomst van de eigen stad, het eigen dorp, of de eigen boom. Dan is het niet zo vreemd dat je veel in het gemeentehuis zit als raadslid, en dan is het niet zo vreemd dat veel burgers de weg naar de lokale stembus niet weten te vinden. En het is zelfs helemaal niet zo gek dat burgers zich bij hun lokale stem vaak laten leiden door hun mening over landelijke partijen in Den Haag. Daar komt immers het beleid vandaan dat gemeenten moeten uitvoeren.

Ik noem een tweede reden waarom de lokale politiek de burger niet meteen bezighoudt. Dat is de ingewikkelde verhouding tussen gemeenteraad en college van B&W. Vroeger was de raad het algemeen bestuur en het college het dagelijks bestuur. In die tijd moest de samenstelling van het college bij voorkeur ook een afspiegeling zijn van de verhoudingen in de raad. Zo bepaalde je stem bij de gemeenteraadsverkiezingen niet alleen de verhoudingen in de raad maar ook in het college. In de jaren 60 en 70 zijn we afgestapt van de afspiegelingscolleges. Er ontstond een beetje een chaos. En toen kwam de dualisering, en toen werd de chaos nog groter, omdat niemand eigenlijk wist wat we daaronder moesten verstaan. In de kern betekent dualisme dat je twee organen hebt met hun eigen kiezerslegitimatie. Denk aan de Franse president, die rechtstreeks gekozen is en die zijn eigen kabinet formeert. President en kabinet staan tegenover een parlement dat ook rechtstreeks is gekozen. Zodat een meerderheid niet zo maar zijn mening kan doordrukken. Zodat er altijd afweging van argumenten en belangen plaatsvindt. Het Nederlands dualisme in Den Haag is al ingewikkelder. Er is geen rechtstreeks gekozen president in Den Haag die steun voor zijn plannen moet krijgen van de Tweede en Eerste Kamer. En in de gemeente ligt het nog ingewikkelder omdat de burgemeester wat onduidelijk tussen raad en college door scharrelt.

Dualisme had in de gemeenten alleen kans van slagen gehad als we de burgemeester ook rechtstreeks waren gaan kiezen en de burgemeester vervolgens, onder het toeziend oog van de gemeenteraad, zijn eigen college had kunnen samenstellen. Ja, als we iets niet goed hebben gedaan de laatste twintig jaar in het lokaal bestuur is het de dualisering geweest. We hebben de stoelen wat verschoven, we hebben een arme griffier in het leven geroepen en we hebben niets gedaan aan de onduidelijke rol van de gemeenteraad. De grootste winst van de dualisering is de klopjacht op wethouders die hun werk niet aankunnen. Ik weet, er moeten goede politieke redenen zijn om een wethouder naar huis te sturen. Maar het feit dat er tegenwoordig meer wethouders naar huis worden gestuurd dan 20, 30 jaar geleden, vind ik niet meteen een achteruitgang. Het kan ook een symptoom zijn van volwassenwording van de lokale politiek.

Dan kom ik bij mijn laatste reden waarom de aandacht van de burger voor de politiek van het gemeentehuis zal zijn afgenomen. Het is zonneklaar dat de gemeente veel taken naar de samenleving heeft overgeheveld. En het is zonneklaar dat de gemeente de uitvoering van veel taken vaker in handen legt van burgers. Zoals in Gouda, toen Roland met enkele maten mocht bepalen waar dat opvangcentrum voor allochtone jongeren moest komen. Wat fantastisch dat zij dat bepaalden, in plaats van een paar overjarige gemeenteambtenaren! Wat we toen in Gouda hebben gezien, is gemeengoed geworden in alle gemeenten. Burgers zijn binnen de grenzen van het algemeen belang gaan meebeslissen over lokale onderwerpen. Dat is ten koste gegaan van de positie van de gemeenteraad. Dat verklaart waarom de gemeenteraad tegenwoordig ook door burgers minder belangrijk wordt gevonden. Maar dat betekent niet dat de lokale democratie achteruit is gegaan. Het betekent dat de democratie ook op een andere manier vorm krijgt. Dat we de representatieve democratie van de gemeenteraad hebben uitgebreid met de vrijheid van burgers om over hun eigen publieke zaken te beslissen. Ik heb van Roland in Gouda geleerd hoe mooi dat is. En als hij nu sombert over de lokale democratie, past maar één vraag: waarom ben je eigenlijk burgemeester geworden? In Gouda had je als burger zeker zoveel invloed.
[Uitgesproken bij het afscheid van Roland van Schelven als burgemeester van Culemborg, 1 september  2016]

Vragen over een groter lokaal belastinggebied

juni 20, 2016 by  
Filed under artikel

Het lokale belastinggebied moet groter. Iedereen zegt het. En toch begrijp ik het niet. Ik heb er al vaker over geschreven op mijn site. Het gevolg is dat je als coreferent wordt gevraagd bij iemand die pleit voor een vergroting van het lokale belastinggebied. En daardoor ga je je nog meer afvragen waarom dat goed zou zijn. Laat duidelijk zijn: ik ben niet tegen een kleine vergroting van het lokale belastinggebied. Ik zal zo aangeven waarom. Maar waarom zou die vergroting van het lokale belastinggebied een oplossing zijn, en waarvoor? Waarom geloven zoveel mensen daarin, terwijl elke burger al heftig protesteert tegen een minimale verhoging van zijn ozb. Belastingen zijn niet geliefd, en zeker geen belastingen die zo zichtbaar zijn als lokale belastingen. Waar beginnen we aan? Ik geef tien overwegingen. En reageer vooral op het rapport van de commissie Rinnooy Kan (VNG) en het advies van de Raad voor de Gemeentefinanciën (Rgf).

  1. In beide adviezen worden de decentralisaties in het sociale domein als een belangrijk argument opgevoerd. De lokale beleidsvrijheid is groter geworden en dat hoort zich ook uit te betalen in meer eigen inkomsten. Stel nu dat je van dit onderwerp niets af wist. Waarom zou deze stelling dan waar zijn? De gemeenten hebben meer taken gekregen, maar ook veel meer inkomsten (rijksbijdragen via het Gemeentefonds). Die inkomsten zijn niet onbeperkt en zetten dus aan tot zuinigheid. Dat hebben we geweten! De gemeenten hebben in 2015 zelfs veel minder aan deze nieuwe taken uitgegeven dan ze hebben ontvangen. De gemeenten zijn dus financieel beter van geworden van hun zuinigheid. Dat noemen we efficiëntie. Wat is nu het probleem?
  2. Eén argument kan ik wel begrijpen. Omdat de lokale inkomsten zo enorm zijn gestegen door overheveling van rijksgelden naar de gemeenten is het percentage van de lokale belastingen van het geheel van gemeentelijke inkomsten nog lager geworden (9%). Simpel omdat de noemer groter is geworden. Dat zou een reden kunnen zijn om ook de teller weer wat te vergroten. Maar ik geef toe, dat is vooral een rekenkundige en een weinig politieke redenering.
  3. Sorry, laat ik het maar meteen zeggen: hier is sprake van groepsdenken. Iedereen praat iedereen na, en de afwijkende geluiden worden niet gehoord. Ik lees namelijk weinig fundamentele argumenten voor een vergroting van het lokale belastinggebied. Ja, meer lokale belastingen zouden de lokale democratie versterken en de gemeenten meer aanzetten tot efficiëntie. Wat bedoelen we eigenlijk met efficiëntie? Is dat een synoniem voor zuinigheid of is efficiëntie ervoor zorgen dat het geld terecht komt waar het echt nodig is. We zagen al dat het eerste ook anders kan worden bereikt. Het tweede bereik je onder andere met keukentafelgesprekken. Bij dat groepsdenken hoort dat we zeggen dat al jaren vele commissies hebben gepleit voor een vergroting van het lokale belastinggebied. Maar waarom is dan het tegendeel gebeurd? Het gebruikersdeel van de ozb voor woningen is verdwenen. Zouden er dan toch goede argumenten zijn voor een klein lokaal belastinggebied in Nederland?
  4. Er zit altijd iets oneigenlijks in die discussie over het lokale belastinggebied. Want de gemeenten krijgen maar 65% van hun inkomsten van het rijk. We moeten ons dus afvragen of die 35% groot genoeg is, en niet of die 9% groot genoeg is. En dat leidt tot een heel andere discussie. Tot voor de crisis verdienden gemeenten veel aan hun investeringen (in nieuwbouwwijken onder andere). Maar daarna werd het grondbedrijf in veel gemeenten een blok aan het been. Is dat een argument om het gemeentelijk aandeel in de eigen inkomsten te vergroten? Ja, je kan ook zeggen: gemeenten hebben slecht geïnvesteerd en daarom is het eerlijk dat de burgers daarvoor moeten boeten. Maar is dat de bedoeling van deze hele discussie?
  5. Terug naar het argument van de efficiëntie en democratie. Leiden hogere lokale lasten tot meer efficiëntie en meer democratie? De financiële verhoudingen kenden vroeger veel open-einde-regelingen, waardoor de gemeenten de rekening altijd bij het Rijk konden neerleggen. Dat kan al lang niet meer omdat al die regelingen zijn afgeschaft. Oké, dan nog kan je de efficiëntie vergroten door de gemeenten zelf hun broek te laten ophouden. Maar welke gemeentebestuurder zit daar eigenlijk op te wachten? Die VNG en die Rgf hebben geen burgers, gemeenten wel. Leg het maar eens aan de burgers uit: u moet nu twee keer zoveel lokale belasting betalen, omdat wij dan efficiënter en democratischer zullen worden. Ik denk dat weinig wethouders dat aantrekkelijk vinden. En denken we nu echt dat de lokale democratie beter gaat functioneren als we de lokale lasten met een factor twee of drie verhogen? Dat probleem lijkt me toch fundamenteler.
  6. Het is boeiend dat vroeger werd gezegd dat de lokale belastingen en het Gemeentefonds de gemeenten de vrijheid gaven om zelf hun afwegingen te maken. Democratie! Maar eerst hebben we gezien dat het aantal specifieke uitkeringen meestal op verzoek van gemeenten is uitgebreid. Beter een financieel voordeeltje in Den Haag, dan lokaal meer beleidsvrijheid. En vervolgens hebben we al die specifieke uitkeringen weer met steun van de gemeenten in het Gemeentefonds gekieperd, met instandhouding van vele beperkingen en vele onderscheidingen. Daardoor is de lokale beleidsvrijheid sterk afgenomen. En daarover hoor ik niemand klagen. Als het Gemeentefonds een generiek fonds was gebleven, en niet zo was vervuild met al die decentralisatiebalkonnetjes en al die andere onzin, was de lokale beleidsvrijheid veel groter geweest dan nu ooit door een uitbreiding van het lokale belastinggebied kan worden bereikt.
  7. Laten we naar de echte vragen gaan. De vragen over de afweging tussen equity en efficiency. Ik mis in de hele discussie namelijk een fundamenteel debat over de vraag wat we beogen met die financiële verhoudingen. Dat zou je wel verwachten, want er is vroeger goed over nagedacht. Vooral de commissie Rinnooy Kan lijkt daar geen benul van te hebben. We zouden bijvoorbeeld kunnen wensen dat verschillen in belastingcapaciteit tussen gemeenten (als een gemeenten meer rijke inwoners heeft, kan meer belasting worden opgehaald) worden verevend. Persoonlijk vind ik (en bijvoorbeeld ook professor Maarten Allers vindt dat) dat verschillen in belastingcapaciteit volledig moeten worden gecompenseerd door het Rijk via het GF. Volgens Rgf hoeft dat niet volledig. Ook dat laatste is een legitiem standpunt. Rinnooy Kan zegt er niets over. Maar als je het lokale belastinggebied vergroot en voor de verschillen in belastingcapaciteit wil compenseren, dan is onvermijdelijk dat rijkere steden en dorpen meteen hogere belastingen moeten heffen. Willen we dat? En bovendien straf je gemeenten die erin slagen meer hogere inkomens aan te trekken (meer dan nu het geval is). Willen we dat? Of willen we die hele belastingcapaciteit vergeten en rijke gemeenten steeds rijker laten worden en arme steeds armer?
  8. De huidige financiële verhoudingen streven niet alleen naar een gelijke belastingcapaciteit, maar ook naar een gelijke voorzieningencapaciteit. Gemeenten worden niet alleen verevend voor hun mogelijkheden om belasting op te halen, maar ook voor de verschillen in kosten. De ene gemeente kent nu eenmaal meer problemen dan de andere. De gedachte is: gemeenten moeten allemaal een gelijke startpositie hebben. U begrijpt het al: gemeenten met rijkere inwoners en met lagere kosten voor het leveren van dezelfde voorzieningen krijgen daarom minder geld van het Rijk. Maar wat betekent het als we met behoud van het uitgangspunt van gelijke startposities het lokale belastinggebied willen vergroten? Heel simpel: hoe groter het lokale belastinggebied hoe meer geld van het Rijk naar arme gemeenten zal gaan (om al die achterstanden te compenseren). In extremo wordt het Gemeentefonds een armoedefonds en beloont het Rijk niet succes, maar falen. Wat heeft dat met efficiëntie te maken? En als we het streven naar een gelijke voorzieningencapaciteit willen loslaten, moeten we straks niet zeuren als arme gemeenten minder geld hebben om hun grotere problemen aan te pakken.
  9. De theorie kent nog een laatste ‘aspiratieniveau’. Zo zouden we niet alleen kunnen streven naar een gelijke voorzieningencapaciteit, maar gewoon naar gelijke voorzieningen. Dan moet je helemaal niet willen dat er een omvangrijk lokaal belastinggebied is. Tenzij je elke uitgave van de gemeente weer door het Rijk laat compenseren. Op het eerste gezicht lijkt dat nogal treurig, ik geef dat graag toe. Maar vragen we ons wel eens af wat burgers willen? Vinden burgers het rechtvaardig als je in de ene gemeente wel een rollator krijgt en in de andere niet? Om nog maar niet spreken over een hogere of lagere bijstandsuitkering. Als je mij vraagt begrijpen burgers er niets van als je in Rijswijk anders wordt behandeld dan in Wassenaar. Als het om de basisbehoeften van mensen gaat.
  10. Dat brengt me bij een slotvraag. Wat is de lokale democratie? Wat is een gemeente? In ons kleine land dat in feite bestaat uit één grote stad en wat achterland. Is de gemeente een uitvoeringsloket van de overheid of is de gemeente de hoeder van de lokale gemeenschap? Of denken alleen lokale bestuurders nog in termen van lokale gemeenschappen met hun eigen lokale democratie? Ik heb een huis  in Ooltgensplaat, ik heb een huis in Den Haag. Ik studeer in Amsterdam en voor mijn werk doorkruis ik elke dag de Randstad en soms verder. Sorry, ik wil vooral dat de overheid zijn werk goed doet. En hoe ze dat organiseren over Rijk, provincies en gemeenten, dat moeten ze zelf maar uitmaken. Als het maar netjes gebeurt. Ja, in die optiek is de gemeente gewoon het dichtstbijzijnde loket van de overheid. Een overheid die in dit kleine landje vooral streeft naar rechtsgelijkheid. Van alle burgers. In welke gemeente ze ook wonen.

Perspectief voor de steden; advies commissie Derksen

maart 26, 2014 by  
Filed under artikel, De Stad

De VNG heeft een commissie bestaande uit Wim Derksen (vz.), Godfried Engbersen, Carolien Gehrels, Yvonne van Mierlo en Peter Noordanus, gevraagd om met de steden mee te denken over hun nieuwe collegeprogramma’s. Vandaag is het rapport van deze commissie gepubliceerd, inclusief een overzicht van de belangrijkste trends waarmee steden te maken hebben van Otto Raspe van het PBL. Het is hier te lezen.