Journalistiek is geen onderzoek #NRC

juli 17, 2018 by  
Filed under artikel, De Stad

De NRC volgt al maanden nauwgezet de vorming van de Colleges van Burgemeester en Wethouders na de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart. Gisteren kwam de eindstand. Allemaal niet erg verrassend. CDA en VVD handhaven zich, D66 verliest dik en lokale partijen winnen weer. Het is goed dat de NRC dit soort onderzoek doet. Maar het doen van onderzoek is wel een vak. En het is de vraag of de NRC ook dit vak beheerst. Het onderzoek was een rommeltje. Misschien kan het ook niet anders als 100 redacteuren elk 3 gemeenten voor hun rekening nemen. En een stagiair alles mag optellen. Waarom was het een rommeltje? 

Ten eerste: wat was nu eigenlijk de vraag van dit onderzoek. Ik kreeg de indruk dat de NRC verder wilde gaan dan het geven van de uitslag: hoe zijn uiteindelijk de colleges samengesteld. Ja, ze wilden ook de formatie beschrijven. Maar wat wilden ze daar dan van weten? Of kregen we soms toevallig wat te horen over gemeente X omdat journalist Y daar zijn tweede huis had? De NRC wilde ook een kwantitatieve analyse doen. Maar ging het dan om een vergelijking tussen de nieuwe en de oude colleges (wie had gewonnen, wie had verloren) of ging het om een vergelijking tussen de gemeenteraadsverkiezingen van maart en de collegevorming daarna (was het verlies bij de collegevorming net zo groot als het verlies bij de raadsverkiezingen?). Als ik niet weet wat de vraag is van het onderzoek, kan ik ook niet bepalen of de onderzoeksopzet en de keuze van de variabelen adequaat zijn.

Ten tweede: opvallend genoeg ging het in de analyse vooral om het wel of niet deelnemen aan het nieuwe college. Dat is een leuke indicator, maar weinig precies. Ik heb bijvoorbeeld nergens gelezen hoeveel wethouders de verschillende partijen gezamenlijk in al die gemeenten hebben weten te verwerven. Was dat relatief gezien meer of minder dan vorig jaar? Het maakt nogal uit of je 1 wethouder hebt in Rotterdam (in een college van 10 wethouders) of 4. Alleen bij de NRC niet. 

Ten derde: ook de NRC deed weer mee aan de onzinnige vergelijking tussen VVD, CDA, D’66 etc. versus de lokale partijen. Hoewel ik nergens heb gelezen hoe een lokale partij door de NRC wordt gedefinieerd, is het alleen maar zinnig om lokale partijen met landelijke partijen te vergelijken. Om de simpele reden dat lokale partijen een verzamelterm is (bedacht door wetenschappers) voor heel veel totaal verschillende partijen die gemeen hebben dat ze maar in één gemeente aan de verkiezingen meedoen (althans volgens mijn definitie). Leefbaar Rotterdam is de grootste partij in Rotterdam, en is daar groter dan CDA, VVD, D66, maar landelijk hebben VVD, CDA en D66 veel meer stemmen en raadszetels dan Leefbaar Rotterdam. Vergeet niet dat sommige lokale partijen ronduit populistisch zijn, dat andere lokale partijen een plaatselijke combinatie zijn van linkse partijen en dat weer andere lokale partijen vooral one-issue-partijen zijn. Al die partijen worden door de NRC op één grote hoop gegooid. Dan moet je dat ook met al die landelijke partijen doen.

Ik weet het: wetenschappers zijn vaak tenenkrommend precies en genuanceerd. Maar dat probleem los je niet op door er een rommeltje van te maken. 

Het grote misverstand van de lokale politiek

maart 4, 2014 by  
Filed under De Stad

Ze brengen weer rozen, we moeten weer stemmen. De oude media doen veel moeite om ons te informeren over de lokale politiek, maar we zien en horen vooral landelijke politici. De nieuwe media leveren een stroom aan foto’s van folderende wethouders. Ga ik stemmen? Uit overtuiging, uit braafheid of omdat mijn ouders de oorlog hebben meegemaakt? Of ga ik lekker een tegenstem uitbrengen? Ik weet het nog niet. Ik weet wel dat die raadsverkiezingen vooral één groot misverstand zijn. We hebben een basisidee van lokale democratie, maar onze gemeenten voldoen daar helemaal niet aan.

Wat is de basisgedachte van de lokale democratie? Er is een lokale gemeenschap, die moet worden bestuurd. De gemeenschap kiest daarvoor bij verkiezingen uit haar midden een gemeenteraad. Politieke partijen met een politieke visie op de lokale gemeenschap strijden om de stem van de kiezer. De gemeenteraad mag als volksvertegenwoordiging de richting aangeven. Het dagelijks bestuur (het College van B&W) voert het beleid uit. Om het beleid mogelijk te maken wordt er onder de leden van de gemeenschap belasting geheven. Een burgemeester is als symbool van de lokale democratie zowel voorzitter van de Raad als van het College.

Zo dachten de oude Grieken er in Athene over en zo denken nog veel mensen erover. Maar in een moderne democratie is ook een heel ander model denkbaar. Nederland is een klein land. En daarom willen burgers overal dezelfde (rechten op) bijstand, jeugdzorg, gezondheidszorg en noem maar op. Wij willen dat ‘Den Haag’ daarover zekerheid biedt. En bovendien is er nog Europa dat voor alle landen dezelfde richtlijnen uitvaardigt. Het lokale bestuur is ervoor om al deze nationale en internationale regels uit te voeren. Omdat dat effectiever en efficiënter is. De schaal van het lokaal bestuur is afgestemd op een efficiënte uitvoering van (inter)nationaal beleid. Burgers leven zelf in meerdere gemeenschappen, lokaal, regionaal, nationaal en virtueel. Als het beleid elders wordt vastgesteld, kennen we alleen nog maar goede en slechte wethouders. Het onderscheid tussen linkse en rechtse wethouders komt te vervallen. Het is logisch dat de gemeenten voor de uitvoering van Rijksbeleid geld krijgen van het Rijk. De weinige lokale belastingen moeten de gemeenten vooral extra prikkelen om efficiënt met dat geld om te gaan. De wethouders staan centraal in dit model, de gemeenteraad houdt op hen toezicht.

Twee ‘ideale’ modellen. In de praktijk komen ze niet voor. Maar we kunnen wel vaststellen dat de Nederlandse gemeente voor 90% is vormgegeven volgens het tweede model. Dat heeft een lange geschiedenis. Ooit is een belangrijke beslissing genomen toen het Rijk de gemeenten in ‘medebewind’ heeft geroepen om Rijksbeleid te gaan uitvoeren. In andere landen is het lokaal bestuur ongemoeid gelaten (Frankrijk is een goed voorbeeld) en laat het Rijk zijn beleid uitvoeren door functionele besturen (vaak op regionale schaal). Zoals de Belastingdienst bij ons ook lokale en regionale kantoren heeft. De drie grote ‘decentralisaties’ die nu op de gemeenten afkomen (Participatiewet, Jeugdzorg, AWBZ) bevestigen de gemeente in haar uitvoerende rol. Gemeenten moeten bovenal ter plaatse het beleid gaan uitvoeren dat door Den Haag wordt gewenst. Als de jeugdzorg straks verschillen tussen gemeenten laat zien, heeft dat alleen te maken met de kwaliteit van het bestuur, en niet met de progressiviteit van het beleid.

Ook in andere opzichten voldoen de gemeenten steeds meer aan het tweede model. De gemeenten hebben nauwelijks ruimte om zelf belastingen te heffen (veel erger: als ze naar de mening van het Rijk lokaal te veel belasting heffen, worden ze op hun algemene uitkering uit Den Haag gekort). En de laatste jaren spoelt een enorme fusiegolf over de gemeenten, omdat vele te klein zijn om al die Rijkstaken uit te voeren.

Ook de gemeenteraadsverkiezingen passen geheel dit beeld. Mensen stemmen overwegend op grond van ‘landelijke overwegingen’ (vooral in de steden). Dat is verstandig omdat Jetta Klijnsma en de Tweede Kamer niet alleen verantwoordelijk zijn voor de Participatiewet, maar ook bepalen hoe die wet moet worden uitgevoerd. Bovendien zijn gemeenteraadsverkiezingen zogenaamd ‘second-order-verkiezingen’. Ze bieden je de mogelijkheid om lekker tegen het kabinet te protesteren, zonder dat je de PVV daarmee tegelijk in de regering helpt. Al die lokale partijen passen paradoxaal genoeg heel aardig in dit beeld. Soms geven ze uiting aan hun afkeer van de politiek in het algemeen. Soms verenigen ze zich rond lokale issues, maar willen ze vooral een transparanter bestuur; een beter lokaal bestuur, en een minder ideologisch bestuur. Ze willen wethouders die luisteren en ze willen geen wethouders die een ideologisch debat beginnen om hun zwakke optreden te verdoezelen. En ten slotte zijn lokale partijen soms een uitdrukking van het nostalgische verlangen naar het eerste model van lokale democratie.

Eén ding is zeker: die raadsverkiezingen van 19 maart passen niet meer bij de tegenwoordige gemeente. Alle lokale PvdA-ers en VVD-ers zullen worden afgerekend op het kabinet, en nauwelijks op de wijze waarop ze afgelopen jaren hun gemeenten hebben bestuurd of op de mensen die ze voor de komende jaren naar voren hebben geschoven.

Wat nog erger is: de wethouders, de hoofdpersonen van het lokaal bestuur, worden niet door de burgers gekozen, maar door de raadsleden na afloop van de verkiezingen. Daarbij is eerder het bereiken van een meerderheid het streven dan het zoeken naar een coherent program. Het laatste is overigens geen verwijt, het sluit immers geheel aan bij mijn analyse. De nieuwe wethouders hoeven geen raadslid te zijn. Soms staan ze onderaan de lijst en soms komen ze niet eens uit de eigen gemeente. De benoeming van veel wethouders is dan ook een verrassing, sommigen ontbeert elk democratisch mandaat. Daartussen figureert een burgemeester die al even weinig transparant door een vorige gemeenteraad is gekozen.

Ik zou het graag anders willen. Ik zou in Den Haag een wethouder willen kiezen die minder megalomaan is, ik zou in Amsterdam een wethouder willen kiezen die de gemeentelijke toeslagen wel in de hand heeft. Ik heb geen idee hoe ik dat moet doen. Bedankt voor de rozen, bedankt voor de folders, maar wie beseft nog dat het om mijn bestuur gaat?

Dromen over nieuwe stedelijke iconen

juli 10, 2013 by  
Filed under De Stad

600_photoEen nieuw Spuiforum in Den Haag

In Den Haag wordt een fel debat gevoerd over het ‘Spuiforum’. Het gebouw moet verrijzen op het nog niet zo oude Spuiplein, dat nooit echt een succes is geworden. Het gaat onderdak bieden aan het Residentieorkest, het Conservatorium en het Nederlands Danstheater. De huidige behuizing van orkest en danstheater is na 25 jaar aan vervanging toe. Het Conservatorium is op dit moment buiten het centrum van de stad gehuisvest. Architect Neutelings heeft een groots ontwerp gemaakt. De geraamde kosten zijn hoog, €181 miljoen. Er is weinig geld in de gemeentekas. Een fel debat is dan onvermijdelijk.

De strijd tussen voor- en tegenstanders laat zich eenvoudig uittekenen. De voorstanders wijzen niet alleen op het belang van cultuur, maar plaatsen dat belang meteen in het bredere kader van de creatieve economie. Wie de hoogopgeleiden aan zijn stad wil binden, zal een aantrekkelijk cultureel klimaat moeten bieden. Bovendien zal het nieuwe Spuiforum een nieuw icoon van de stad worden, hetgeen ook goed is voor het toerisme. Voor het gemak wordt er in de plannen maar meteen vanuit gegaan dat de bezoekersaantallen voor orkest en ballet met 50% zullen toenemen. Het icoon is hier een droom. En waarom ook niet? Zonder dromen was er nooit iets groots verricht.

De tegenstanders vragen zich af waarom een nieuw cultuurpaleis moet worden gebouwd terwijl tegelijkertijd zes bibliotheekfilialen vanwege geldgebrek Emoeten worden gesloten en terwijl er drastisch wordt gekort op het budget van het Residentieorkest. Ze missen een stedebouwkundig plan, waarin dat enorme Spuiforum een fatsoenlijke plek heeft gekregen. Ze tonen aan dat die €181 miljoen een veel te lage schatting is van de kosten en ze maken alternatieve plannen die een veel minder groot beslag zullen leggen op de gemeentefinanciën. En nee, hun plannen zullen niet uitmonden in een nieuw icoon.

Stedelijke iconen

Het doet me denken aan dat mooie boek over ‘stedelijke iconen’ van Wouter Jan Verheul. Verheul heeft onderzoek gedaan naar het ontstaan van stedelijke iconen en hij heeft ook boeiend de mislukkingen beschreven. Wat is overigens een ‘icoon’. Volgens Verheul hebben sommige bouwwerken een dusdanige iconische waarde voor hun stad gekregen dat ze als het ware hun logo zijn gaan vormen. Op elke folder van de stad zijn ze wel ergens te vinden. Ze hebben een hoge ansichtwaarde en iedereen wil ook met hen op de foto. Denk aan de Erasmusbrug van Rotterdam, aan de Golden Gate van San Francisco, aan de Eiffeltoren van Parijs, aan de Brandenburger Tor van Berlijn en aan het Guggenheim Museum in Bilbao.

Maar iconen zijn niet alleen maar plaatjes. Dat zou te gemakkelijk zijn. Achter het beton gaat vaak een fraai vertoog schuil. De Erasmusbrug moest het arme Zuid bij de stad ‘trekken’, hetgeen overigens maar matig is gelukt. De Euromast moest de wederopbouw van de stad symboliseren. En de Brandenburger Tor toonde niet alleen de overwinning van de Duitsers op de Fransen, maar wellicht nog meer de onoverwinnelijkheid van de Duitsers. En het vertoog is nadrukkelijk verbonden met de identiteit van de stad. Iconen hebben dus niet alleen ansichtwaarde, maar ze vertellen ook iets over de stad. De Maas hoort bij de identiteit van de stad Rotterdam en niet voor niets is dan ook de Erasmusbrug momenteel het belangrijkste icoon van die stad. De wederopbouw is langzaam uit het beeld verdwenen, en daarmee heeft de Euromast zijn belangrijkste iconische waarde verloren. Roombeek is ontstaan na de vuurwerkramp in Enschede, die onderdeel is gaan uitmaken van de identiteit van die stad. Oude kerken en oude stadhuizen vertellen veel over de historische rijkdom van steden.

De zoektocht naar nieuwe iconen

Daarmee zijn stedelijke iconen een dankbaar onderwerp voor politici en bestuurders. Je kan er als stad (en in mindere mate als politicus) beroemd mee worden en je kan er een verhaal mee vertellen. Je kan met een nieuw icoon je stad een (nieuw) gezicht geven en je kan zelfs de identiteit van de stad ermee versterken. Het verbaast dan ook niet dat zelfs in tijden van schaarste het ‘icoondenken’ bij wethouders hoogtij viert. In Den Haag woedt die strijd rondom het Spuiforum, in Rotterdam rond een nieuwe Kuip (hoewel die strijd inmiddels beslecht lijkt in het voordeel van de tegenstanders), in Groningen rond een nieuw Cultuurforum, in Arnhem en vele andere plaatsen rondom een nieuw station.

Het lijkt allemaal zo aantrekkelijk. Je tast eens goed in de buidel, je stad krijgt grote bekendheid en je burgers voelen zich meer verbonden. Maar zo simpel is het helaas niet. Of een bouwwerk ook werkelijk een icoon zal worden, laat zich maar moeilijk voorspellen. Zo blijkt wel uit de studie van Verheul. Tony Blair deed ooit een jammerlijke poging met het Millennium Dome in London. Het werd een faliekante mislukking die de Britse overheid meer dan een miljard euro heeft gekost. In Almere staat een modern kasteel al meer dan 10 jaar onafgebouwd te rotten. En ook van vele andere iconen-in-spe bleef in de regel voor veel geld maar weinig over.

Noodzakelijke voorwaarden

Verheul noemt twee noodzakelijke voorwaarden om te komen tot een succesvol icoon: identiteit en vertoog. Een icoon slaat aan bij de identiteit van een stad. En het heeft een vertoog, een verhaal, dat hem met die stad verbindt. Persoonlijk zie ik nog niet zo goed hoe het Spuiforum aan die twee voorwaarden zou kunnen voldoen. Ik heb toch al moeite de identiteit van Den Haag als stad te verwoorden. Wellicht is het Haagse Bosch meer met de identiteit van Den Haag verbonden dan een nieuw cultuurpaleis. Of het bekende onderscheid tussen ‘zand en veen’.

Zo was het wijs van het gemeentebestuur van Rotterdam dat het geen extra geld wilde uitgeven aan het ontwerp van het nieuwe Rotterdam Centraal van de architect Alsup, dat al snel de bijnaam ‘de Champagneglazen’ kreeg. Het was zonder meer een markant ontwerp, maar in die Rotterdamse sfeer van ‘handen uit de mouwen’ en ‘niet lullen maar poetsen’ zei de bijnaam al meteen voldoende. Dat ontwerp paste niet bij de identiteit van de stad. Wellicht eerder bij een deel van Den Haag.

Het is met iconen eigenlijk net als met imago. Steden proberen middels citymarketing het imago van hun stad op te krikken, zoals bedrijven dat ook doen. Maar al die grote en kleine pogingen mislukken allemaal als het beoogde imago niet aansluit bij de identiteit van de stad. Imagocampagnes hebben alleen zin als het bestaande imago juist niet aansluit bij de identiteit van de stad. Een gebouw wordt dus geen icoon als het niet met de identiteit van de stad is verbonden. Daarmee kan het nog wel een goed en functioneel gebouw worden, maar het is niet verstandig om de meerwaarde van een ‘nieuw icoon’ meteen in de businesscase mee te nemen.

En welke eisen moet het vertoog, het verhaal voldoen? Een goed ‘verhaal’ is volgens Verheul zowel aansprekend als geloofwaardig. Het moet niet alleen maar begeesteren, maar het moet ook een gedegen fundament van cijfers en statistiek hebben. Het is bekend dat bestuurders de neiging hebben om de kosten vooraf te laag in te schatten en de opbrengsten te hoog. Dat is vaak ook onvermijdelijk om een meerderheid achter de plannen te krijgen. Maar de cijfers moeten nog wel geloofwaardig zijn. Waarom zouden Residentieorkest en Nederlands Danstheater in het nieuwe Spuiforum 50% meer toeschouwers trekken? Het huidige Danstheater is een aantrekkelijk gebouw, één van de eerste ontwerpen van Rem Koolhaas. De Anton Philipszaal waar het Residentieorkest zijn concerten geeft, is niet de beste concertzaal van Nederland. Maar zal het Spuiforum per definitie zoveel beter zijn?

Geen garantie voor succes

Identiteit en vertoog, de twee noodzakelijke voorwaarden voor het scheppen van een icoon. Maar let wel: het zijn noodzakelijke en geen voldoende voorwaarden. Niet alleen is het vaak toeval of een groot project inderdaad doorgaat, of er op het juiste moment een meerderheid voor valt te vinden. Maar ook dan heb je nog niet meteen een stedelijk icoon. Uiteindelijk zullen de burgers de iconische waarde van het gebouw moeten herkennen. Dan pas is het een icoon. Het mag dan waar zijn dat een positieve bespreking door een gezaghebbend architectuurcriticus soms een belangrijk  zetje in de goede richting is, maar ook architectuurcritici bepalen niet wat ‘wij’ als een icoon zien.

Je moet dus een optimist zijn, een beetje een dromer, als je een icoon wil toevoegen aan je stad. Zonder dat haal je het niet. Maar daarmee is een moeizaam debat over nieuwe grootse projecten die tot icoon moeten uitgroeien, bijna een gegeven. De voorstanders geloven in de iconische waarde van de plannen en boeken de bijbehorende winsten meteen in. De tegenstanders ontberen die roze wolk en noemen de te verwachten opbrengsten al snel onrealistisch. Zonder dromen geen nieuwe iconen. Maar het probleem is wel dat dromen zo weinig werkelijkheid worden. En dan zit de stad nog jaren met de gebakken peren.

——-

Luister hier naar: Interview over deze grote projecten op Radio 1 (10 juli 2013).

Hoe de PvdA in de stad overeind bleef

juni 22, 2013 by  
Filed under De Stad

Nog steeds heeft de PvdA in veel steden een bepalende plaats in het bestuur. Eigenlijk is dat minder logisch dan je op het eerste gezicht zou denken. De PvdA was altijd heel dominant op sociaal en ruimtelijk gebied. Maar op beide terreinen is het beleid in de laatste twee decennia sterk veranderd en heeft het aloude sociaal-democratische geluid aanzienlijk aan kracht ingeboet. Zijn de PvdA-wethouders zo goed, dat ze desondanks in veel steden de macht hebben kunnen vasthouden?

Eerst was er Rotterdam, nu vooral Amsterdam

Ergens aan het einde van de 20e eeuw heeft de omslag definitief zijn beslag gekregen. In de jaren ’50 was Rotterdam het summum van moderniteit. Het stadsbestuur werd geroemd om de wijsheid waarmee de gebombardeerde binnenstad werd herbouwd. Over de haven ging het verhaal dat juist de totale vernietiging door de Duitsers de haven wereldwijd een voorsprong had gegeven. Nergens waren de kranen nieuwer, sterker en groter. En nergens groeide de economie zo hard als in Rotterdam.

Amsterdam verkeerde in een heel andere positie. De stad was arm, aan de grachten woonden heel gewone Amsterdammers, de Jordaan was een achterbuurt en er waren plannen om grote doorbraken te realiseren om het toekomstige verkeer alle ruimte te kunnen geven. Jaloers werd ook in dit verband naar Rotterdam gekeken. Overigens werd alleen de doorbraak van de Wibautstraat gerealiseerd. Natuurlijk kon men het in Amsterdam maar moeilijk toegeven, maar niemand kon er omheen: Rotterdam deed het in die naoorlogse jaren veel beter dan Amsterdam.

Zoals gezegd, het moment van de omslag laat zich moeilijk bepalen. Maar aan het einde van de 20e eeuw had het beeld zich inmiddels geheel gewijzigd: Amsterdam was de trekker van de Nederlandse economie en Rotterdam sukkelde er op steeds grotere afstand achteraan. Deze omslag is geenszins toe te schrijven aan een verschil in kwaliteit van de twee gemeentebesturen. Nee, ‘it is economy, stupid’. De structuur van de economie is in de tweede helft van de 20e eeuw ingrijpend veranderd. In de jaren 50 domineerden industrie, transport en handel. Aan het einde van de eeuw was de industrie verschoven naar de randen van het land, was de transport weliswaar nog heel belangrijk, maar was tegelijkertijd de werkgelegenheid in de Rotterdamse haven gedecimeerd en dreef de Nederlandse economie vooral op de zakelijke dienstverlening. Velen spraken in dit verband over de nieuwe kenniseconomie. Een economie die niet meer was gebaseerd op grondstoffen, laat staan op landbouw, maar bovenal op kennis.

De plek van de stad

Deze veranderingen in de economische structuur hadden grote gevolgen voor de steden. Vroeger waren steden vooral ontstaan in de buurt van de grondstoffen of juist op plekken waarheen de grondstoffen zich lieten vervoeren. En waar eenmaal een ‘stad’ was, een economisch centrum, daar kon worden geprofiteerd van het vliegwiel van de de zogenaamde agglomeratie-effecten: voor veel bedrijven is het aantrekkelijk om zich te vestigen op plekken waar al veel andere bedrijven zijn gevestigd. Het zijn ook de plekken waar mensen naartoe trekken, die op zoek zijn naar werk. En omdat ook deze nieuwkomers weer afnemers zijn, groeit de stedelijke economie en wordt de stad nog aantrekkelijker voor nieuwe bedrijven.

Was het eerst vooral de bereikbaarheid over water, spoor en weg, die steden aantrekkelijk maakte voor bedrijven (waardoor het aanvankelijke veel kleinere Rotterdam het trotse Amsterdam in de 20e eeuw begon te overvleugelen, omdat de Nieuwe Waterweg veel meer kansen bood dan het Noordzeekanaal met zijn sluizen), later was vooral bevolkingsdichtheid de trigger voor economische groei. Bedrijven zaten vooral in steden om van een mooi afzetgebied verzekerd te zijn. En werknemers trokken naar steden om van een baan verzekerd te zijn. Dat laatste veranderde in de jaren 90 van de afgelopen eeuw met de komst van wat ‘kenniseconomie’ is gaan heten. Steeds vaker gingen bedrijven zich vestigen in een (stedelijke) omgeving vanwege een florerende arbeidsmarkt en de aanwezigheid van een potentieel aan goede werknemers. Of ontstonden bedrijven waar hoogopgeleide kenniswerkers woonden. In het jargon van de economische wetenschap heet dat: terwijl ‘wonen’ vroeger ‘werken’ volgde, volgt ‘werken’ tegenwoordig ‘wonen’. Natuurlijk, het is een simplificatie, maar in de kern is de gedachte juist.

Voor een bloeiende lokale economie is het tegenwoordig dus belangrijker om in te zetten op een goed-opgeleide bevolking dan op het aantrekken van bedrijven. Als je de gewenste beroepsbevolking hebt, komen de bedrijven meestal vanzelf. Om nog even terug te keren naar onze casus: Rotterdam scoorde altijd al minder op het opleidingsniveau van de bevolking dan Amsterdam. De haven had indertijd vooral handarbeiders aangetrokken uit onder andere Brabant en Drenthe. En de relatie met de universiteit was in Rotterdam nooit zo intens geweest als in Amsterdam, dat bovendien over twee veel oudere universiteiten beschikte. Een andere factor is hier misschien van nog veel groter belang. Als mensen niet meer gaan wonen waar bedrijven zijn, maar vooral daar waar ze zich prettig voelen, dan scoort een stad als Amsterdam bijna vanzelfsprekend hoger dan Rotterdam. De hedendaagse hoogopgeleide bevolking woont, zo blijkt, liever in historische binnensteden met een breed scala aan cultuur dan in de modernistische hoogbouw van Rotterdam dat cultureel bovendien altijd minder te bieden heeft gehad dan Amsterdam.

Daarmee veranderen ook de mogelijkheden voor gemeentelijk beleid. Vroeger moesten gemeenten zich vooral onderscheiden met moderne bedrijventerreinen of met ruimtes voor starters. En moesten burgemeesters (en soms wethouders) op stap, bij voorkeur naar het buitenland, om bedrijven te ‘acquireren’. De geschiedenis van Rotterdam laat mooi zien wanneer dit beleid achterhaald was. In de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw was Rotterdam heel actief met hoogbouw in het centrum van de stad, met name om nieuwe bedrijven aan te trekken. Eerst op de Boompjes, later op het Weena en op de Wilhelminapier. Die hoogbouw kwam er, soms veel later dan gepland, maar die nieuwe bedrijven kwamen niet. De hoogbouw werd uiteindelijk betrokken door bedrijven en ambtelijke diensten die al jaren in Rotterdam waren gevestigd. Nee, die nieuwe bedrijven kwamen niet, omdat de Rotterdamse beroepsbevolking simpel te weinig te bieden had. In Amsterdam kwamen de bedrijven wel, overigens wel op de plek die ze daarvoor zelf in gedachten hadden. Nadat de gemeente eerst plannen had ontwikkeld voor de IJ-oevers, werd later onder druk van het bedrijfsleven een belangrijke locatie langs de Zuid-as ontwikkeld.

Steden zijn meer dan ‘economie’

Steden trekken niet alleen bedrijven, maar ook sociale problemen aan. In dat opzicht is er in eeuwen niets veranderd. De anonimiteit en de geestelijke vrijheid van de steden bieden niet alleen kansen voor innovatie, maar ook kansen om je te verschuilen en kansen voor criminaliteit. Immigranten vestigen zich bij voorkeur in steden, zeker als het om illegale migranten gaat. Kansarm als ze zijn, zijn ze aangewezen op de zwakkere buurten, de achterbuurten van de stad. En dat fenomeen deed zich in de jaren 90 met de komst van veel migranten in versterkte mate voor. Hele wijken werden in snel tempo overgenomen door nieuwkomers. De autochtone Nederlanders waren naar andere wijken verkast of naar de groeikernen op soms grote afstand van de stad.

Opvallend was dat het thema van de achterbuurten aanvankelijk veel scherper op de politieke agenda kwam te staan dan het thema van de migratie dat lange tijd nog tamelijk onbesproken bleef. Veel beleid werd ontwikkeld om de achterbuurten, zo u wilt: achterstandswijken, op te krikken. Het statistisch gemiddelde van de wijken liet zich overigens niet eenvoudig veranderen. Wel slaagde de overheid erin om een verdere terugval van de wijken te voorkomen. Dat betekende niet dat het beleid niet succescol was. Nemen we de bewoners als eenheid van analyse, dan was er juist wel sprake van een duidelijke vooruitgang. Veel onderzoek miskende namelijk de dynamiek van de wijken. In vijf jaar slaagde ongeveer 30% van de bewoners erin om te verhuizen naar een betere wijk, nadat ze zelf een baan hadden gevonden of elders promotie hadden gemaakt. Omdat de opengevallen plekken vaak weer werden ingenomen door nieuwe kansarme migranten, bleef het statische gemiddelde van de wijk bovenal op (het lage) peil.

Het lokaal bestuur raakt steeds meer verweven

Tegen de achtergrond van deze maatschappelijke ontwikkelingen veranderde het karakter van het lokaal bestuur. Ten eerste werd volop de noodzaak van decentralisatie van rijkstaken beleden, zowel in Den Haag als in de wereld van de gemeenten. Bovendien zouden gemeenten meer beleidsvrijheid moeten krijgen bij de besteding van haar eigen gelden. Zeker, er is op dit terrein ook veel in gang is gezet. Maar de uitkomst is minder eenvoudig te wegen. Wie het juridisch bekijkt kan inderdaad vaststellen dat veel taken in de richting van de gemeenten zijn opgeschoven. Ook het aantal specifieke uitkeringen is verminderd ten faveure van de algemene uitkering. Maar wie het meer politicologisch of bestuurskundig bekijkt en vooral let op de toegenomen beleidsvrijheid van de gemeenten, of nog breder op een eventuele machtsverschuiving tussen Rijk en gemeenten, moet toch vooral vaststellen dat er van een verschuiving van de macht nauwelijks sprake is geweest. Zo werd in de jaren 90 een begin gemaakt met het vergroten van de gemeentelijke beleidsvrijheid ten aanzien van de bijstand, maar tegelijkertijd werd de financiële verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de bijstand groter, waardoor gemeenten eerder genoodzaakt werden om het bijstandsbeleid conform de rijksdoelen uit te voeren dan eerder ooit het geval was geweest. In andere gevallen zagen we een woud aan monitoring-instrumenten ontstaan na de overheveling van een enkele rijkstaak naar gemeenten, waardoor de gemeenten in de praktijk eerder minder dan meer vrijheid kregen. Dat was zeker het geval als het Rijk er niet voor terugdeinsde om alsnog in te grijpen, als het lokale beleid niet aan de verwachting van het Rijk voldeed. Wellicht is de enige juiste conclusie dat het lokale en het rijksbeleid in de jaren 90 nog verder met elkaar verweven raakten. Zoals ook de financiële relatie tussen Rijk en gemeenten door het afbouwen van specifieke uitkeringen eerder gecompliceerder dan transparanter werd.

Terwijl de gemeenten taken overnamen van het rijk, verloren ze op lokaal niveau positie door privatisering en verzelfstandiging. De jaren 90 waren de jaren van de marktwerking, van de ‘Derde Weg’ en van paars. De woningcorporaties kwamen op grotere afstand te staan van de gemeenten en de gemeenten verloren invloed op de woningmarkt; het debat over de privatisering van het stadsvervoer nam een aanvang. Het streekvervoer kwam soms in private handen. Hoewel ook hier de soep niet zo heet werd gegeten als zij werd opgediend, van een machtsverschuiving van publiek naar privaat was zeker sprake.

Een derde ontwikkeling betrof de verdergaande regionalisering van het bestuur. Omdat burgers zich voor werk, wonen, voorzieningen en recreëren steeds minder aan één gemeente hechten en steeds meer leven in stadsgewesten, werd de behoefte aan regionale coördinatie steeds groter. Met deze regionalisering verloor de gemeente zeggenschap. Omdat bij deze ontwikkeling uit democratisch oogpunt vraagtekens kunnen worden geplaatst, ontstonden plannen voor de ontwikkeling van een democratisch gekozen regionaal bestuur, onder de titel van ‘stadsprovincies’. Bij enkele referenda in Amsterdam en Rotterdam bleek dat burgers minder zwaar tilden aan het verlies van invloed aan gemeenschappelijke regelingen en meer hechtten aan hun ‘oude’ gemeente. In grote meerderheid spraken zij zich uit tegen de vorming van stadsprovincies. De hele geschiedenis van de stadsprovincies had wel een positief effect op de samenwerking tussen centrum- en randgemeenten. Men had inmiddels geleerd dat onderhandelen en samenwerken onvermijdelijk waren. Gevolg was wel dat majeure beslissingen voortaan niet meer in gemeenteraden werden genomen.

Deze drie ontwikkelingen (centraal-decentraal, publiek-privaat, centrum-periferie) duiden erop dat het lokaal bestuur steeds meer verweven raakte met zijn omgeving. Begrijpelijkerwijs had dat gevolgen voor de positie van de gemeenteraad en binnen de gemeenteraad voor de ‘oude’ politieke partijen met hun ideologische en landelijke politieke programma’s. Deze ‘depolitisering’ had zich in kleinere gemeenten al veel eerder voorgedaan. Meer en meer kwam het accent op het beheer te liggen in het gemeentelijk bestuur en steeds minder op ‘beleid’. Door het verlies aan betekenis van de oude ideologische politiek ontstond ook in de steden ruimte voor een nieuw soort politiek, de politiek van de lokale partijen. De politiek die zich richt op kleine lokale zaken, op behoud van het eigene, op inspraak voor de burger, en op bestrijding van het stadhuis. In de jaren 90 ging het nog niet om ‘leefbaarheidspartijen’, die in populistische vijvers gingen vissen en meestal aan de rechter kant van het politieke spectrum verkeren. In de jaren 90 zijn de lokale partijen schijnbaar veel vrolijker, minder grimmig dan Leefbaar later vaak zou worden. En soms opvallend progressief. De nieuwe lokale partijen veroverden in de jaren 90 eerst de randgemeenten, later de grotere steden. Het lokaal bestuur verbleekt dus niet alleen, maar verkleurt ook in de jaren 90.

De PvdA in de jaren 90

Bij de verkiezingen van 1990 en 1994 moest de PvdA grote klappen incasseren. Haalde de PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 nog 31,6% van de stemmen, in 1994 was dan slechts 18,7%. Natuurlijk stond dat niet los van de rol die de PvdA zich in het lokaal bestuur in de jaren 80 had aangemeten: de rol van ondernemer, van manager, waardoor de band met de traditionele achterband verwaterde. In 1990 verloor de PvdA onder leiding van Walter Etty in Amsterdam nagenoeg de helft van zijn electoraat, omdat ‘Brezjnev aan de Amstel’ te weinig oog zou hebben voor de noden van de mensen.

Maar het was niet alleen de stijl van besturen die de PvdA werd aangerekend. Door de steeds grotere verwevenheid van het lokaal bestuur met zijn omgeving kreeg politieke polarisatie steeds minder kansen. Bovendien drong het besef door dat de samenleving veel minder maakbaar was, dan gedurende decennia werd geloofd en werd uitgedragen. Het realiseren van glinsterende hoogbouw betekende niet meteen dat de lokale economie aantrok, en het plannen van een ‘brainpark’ betekende niet meteen dat universiteit en bedrijfsleven nauwer gingen samenwerken. Ook ontstond heel langzaam, met de nadruk op heel langzaam, in de jaren 90 het besef dat nog meer sociale woningbouw de steden er niet bovenop zou helpen. Tot ver in de jaren 90 stond voor PvdA-bestuurders in de steden in marmer gebeiteld dat 80% van de nieuwbouw sociale woningbouw zou moeten zijn. Het bizarre is dat de Nederlandse steden ook decennia lang zijn geholpen op deze dwaalweg door de ontwikkeling van groeikernen in het kader van de nationale ruimtelijke ordening.

Nadat duidelijk was geworden dat grote ruimtelijke projecten nog niet meteen stedelijke economie genereerden, kwam de focus weer sterk te liggen op de onderkant van de arbeidsmarkt. Daar bleek hoezeer het maakbaarheidsdenken bij de PvdA-bestuurders nog steeds in de genen zat. Als er geen banen waren voor de onderkant van de arbeidsmarkt, dan moesten die maar worden geschapen. Onder de vlag van Melkertbanen werd een heel circus van additionele arbeid in het leven geroepen. Het woord ‘circus’ is niet denigrerend bedoeld.Toch werk lange tijd miskend dat het creëren van additionele banen ernstig leed onder ‘afroming’ (in Amsterdam werden veel Melkertbanen bezet door werkloze academici), door ‘verdringing’ (in Rotterdam gingen in één collegeperiode 1000 reguliere banen aan de onderkant van het loongebouw bij de gemeente verloren; in Leiden was er een vacaturestop voor reguliere banen bij de gemeente zolang de Melkertbanen nog niet waren vervuld) en vooral onder ‘bureaucratie’ (vaak in een poging om afroming en verdringing te voorkomen). Bovenal waren de Melkertbanen een laatste poging om te laten zien dat je voor banen het bedrijfsleven niet nodig had. Dat idee verdween definitief aan het einde van de jaren 90.

Je zou ook kunnen zeggen: de PvdA werd steeds realistischer en pragmatischer. Ja, de ‘ideologische veren’ werden afgeschud. Het was de tijd van paars en dat begon ook in de gemeenten voelbaar te worden. Misschien moeten we zelfs zeggen dat ‘paars’ juist in de gemeenten voelbaar werd, hoewel er van paarse coalities op lokaal niveau nauwelijks sprake was. Om de simpele reden dat je in de lokale politiek extra profiel moet hebben om als partij zichtbaar te blijven. Al met al, is in retrospectief het verlies van de PvdA in de jaren 90 heel goed te begrijpen. Dat laat onverlet dat de partij bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1998 weer wat opkrabbelde na de grote nederlagen van de twee voorgaande verkiezingen. De populariteit van Wim Kok, na zijn eerste kabinet, was daaraan debet.

Maatschappelijke ontwikkelingen zetten zich door na de eeuwwisseling

De trends van de jaren 90 werden in veel opzichten doorgetrokken in het eerste decennium van de 21e eeuw, zij het soms in verscherpte vorm. De economie verschoof verder in de richting van een ‘kenniseconomie’, steden werden (nog) belangrijker en er werd weer fors gebouwd in de steden, met name voor de midden- en hogere inkomens. Duco Stadig gaf als wethouder van Amsterdam het goede voorbeeld door het Oostelijk Havengebied te ontwikkelen. Dat gebied is in twee opzichten zeer interessant. Ten eerste biedt het plaats aan veel van de ‘kenniswerkers’ waar de tegenwoordige stad behoefte aan heeft. Hoger opgeleid, kosmopolitisch. Ten tweede werd hier nadrukkelijk gebroken met de modernistische stedebouwkundige opvatting die Nederland vanaf de Tweede Wereldoorlog in haar greep hield, resulterend in kilometers lange monotone nieuwbouwwijken, met – inderdaad – veel licht, lucht en ruimte, maar ook vaak verder zonder enige sfeer. De groeikernen die vanaf de jaren 60 tot ontwikkeling kwamen, hebben er nog steeds heftig onder te lijden. Maar ook de steden de afgelopen eeuw bouwden vooral in weilanden aan de buitenkant, en al even monotoon. In de stad was er aanvankelijk vooral ruimte voor doorbraken, een beleid dat in de jaren 70 vrij abrupt en met veel politiek lawaai werd vervangen door het ‘bouwen voor de buurt’. Ook hier was de bouw vaak monotoon en bovendien in de regel vaak tamelijk armoedig, op de dappere pogingen van enkelen, waaronder Adri Duivesteijn in Den Haag na. Maar bovenal: sociale woningbouw. Dus geen plek voor hogere inkomens en hoger opgeleiden. Het Oostelijk Havengebied is daarmee een icoon geworden van de omslag in het denken over de stad. En Duco Stadig verdient een standbeeld, zoals Adri Duivesteijn al een Maaskantprijs kreeg, onder andere voor zijn poging om stadsvernieuwing met kwaliteit en duurzaamheid te combineren.

Ook in de achterbuurten werd in de jaren 0 gaandeweg meer gebouwd voor mensen met een grotere portemonnee. Dat heeft er niet toe geleid dat mensen van elders zich in achterstandswijken zijn gaan vestigen. Maar het heeft er wel toe geleid dat mensen die ‘wooncarrière’ konden maken, vanwege promotie op het werk, langer in de eigen wijk konden blijven wonen. Zo kwam er meer differentiatie in achterstandswijken, en hopelijk meer sociale cohesie.

Intussen nam de immigratie sinds het begin van de nieuwe eeuw, met name door een nieuwe wet van staatssecretaris Job Cohen snel af. Bovendien werd tegen het einde van het eerste decennium het succes van de integratie van migranten ook geografisch goed zichtbaar. Onder geïntegreerde migranten ontstond, net als onder autochtone middeninkomens, een trek naar een huis met een tuin, in één van de randgemeenten. Daarmee is de groei van het aantal migranten in de grote steden tot stilstand gekomen. Het politieke debat in het eerste decennium stoorde zich overigens weinig aan deze feitelijke ontwikkelingen. Het werd salonfähig om over ‘massa-immigratie’ te spreken, terwijl de immigratie feitelijk bijna tot stilstand was gekomen, zeker als het ging om niet-westerse immigranten. Immigratie werd het grote politieke thema, waarbij al snel een koppeling werd gelegd met dat andere grote thema: de veiligheid, of beter gezegd: de ervaren onveiligheid. Ook bij dit laatste thema werden de werkelijk ontwikkelingen vaak miskend: terwijl er feitelijk sprake was van een afnemende criminaliteit, kwam het thema van de onveiligheid juist in het laatste decennium hoog op de politieke agenda.

Gemeente steeds meer onderdeel van die ene overheid

De bestuurlijke trends die zich voordeden in de jaren 90, zetten door in het eerste decennium van deze eeuw. De verwevenheid van de gemeenten met het Rijk, met nabuurgemeenten en met allerlei maatschappelijke partijen nam eerder toe dan af. De decentralisatie van de Wet Werk en Bijstand en van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning legde een zwaar beslag op de gemeentelijke capaciteit en op de gemeentelijke financiën, maar gaf de gemeenten niet meer vrijheid. Zo te zien vormde de ruimtelijke ordening een uitzondering. Hier trok de rijksoverheid zich gaandeweg werkelijk terug, uitmondend in het regeerakkoord van het kabinet Rutte waarin de rijksrol in de ruimtelijke ordening nagenoeg leek verdwenen. De tijden van Vinex waren geheel voorbij. De financiële bronnen bij de rijksoverheid voor stedelijke vernieuwing en nieuwbouwlocaties droogden geleidelijk geheel op. De gemeenten moesten het voortaan nagenoeg geheel zelf doen. Een uitzondering werd gemaakt voor Almere, waar de eerder genoemde Adri Duivesteijn een dappere strijd voerde voor voortzetting van het aloude, wel effectieve maar niet succesvolle groeikernenbeleid. De bemoeizucht van het Rijk ging hier samen met een gesloten portemonnee, afgezien van gelden voor nieuwe infrastructuur.

Op financieel gebied werd de verschuiving van specifieke naar algemene uitkering voortgezet. Het is de vraag of de beleidsvrijheid van de gemeenten daarmee werd vergroot omdat allerlei gelden binnen de algemene uitkering voortaan moeten worden verantwoord, waarmee de systematiek van het de financiële verhouding ernstig werd geschaad. Bovendien beperkten forse bezuinigingen aan het einde van het eerste decennium de beleidsvrijheid van gemeenten.

Binnen de gemeente nam de afhankelijkheid van het lokaal bestuur van allerlei maatschappelijke organisaties vooral toe. Gerard Anderiesen liet ooit zien dat binnen Amsterdam de woningcorporaties bij de woningbouw de leidende partij zijn geworden, zeker nadat ze niet meer alleen waren aangewezen op sociale woningbouw. In de sociale hoek was de afhankelijkheid van integratiebedrijven groot.
Op het gebied van de bestuurlijke reorganisatie was het stil in de jaren 0. De mislukking van de stadsprovincies in het midden van de jaren 90 werkte nog lang door. Dit laat onverlet dat er veel, en steeds meer door gemeenten werd samengewerkt. Samenwerking binnen tal van gewestelijke structuren werd zo normaal, dat gemeenteraden hun interesse in deze samenwerkingsconstructies grotendeels leken te verliezen. Ten onrechte, omdat veel lokale onderwerpen de gemeentegrenzen overstijgen en dan ook onderwerp van besluitvorming waren buiten de gemeenteraad om.

En zo werd de gemeente steeds meer onderdeel van de ‘die ene overheid’. Het politieke profiel van de gemeente verbleekte verder, zeker in termen van de oude ideologische scheidslijnen. Dit gebeurde ondanks een dappere maar onduidelijke poging om in het gemeentelijk bestuur het ‘dualisme’ in te voeren. Formeel was er tot 2002 sprake van ‘monisme’: het college van B&W vormde het dagelijks bestuur dat uitvoering gaf aan de besluiten van het algemeen bestuur, de gemeenteraad. Wethouders waren dan ook lid van de gemeenteraad (we laten hier de positie van de burgemeester voor de eenduidigheid even buiten beschouwing). In de praktijk was echter niet de gemeenteraad de baas, maar het college en bekrachtigde de gemeenteraad de door het College voorgekookte besluiten. Het is mij nooit duidelijk geweest waarom een formeel dualisme hier de oplossing zou kunnen bieden, nog afgezien van het feit dat er binnen de lokale wereld hele verschillende beelden ontstonden over dat nieuwe dualisme. Voortaan zou de gemeenteraad zich moeten concentreren op de hoofdlijnen en zou het College vooral moeten besturen. Wethouders waren vanaf 2002 geen lid meer van de gemeenteraad. Ook deed de ‘wethouder van buiten’ veelvuldig zijn intrede: personen die niet op een kieslijst hadden gestaan, of zelfs helemaal niet in de betreffende gemeente woonachtig waren. Daarmee kwam in ieder geval het College verder af te staan van de bevolking. Ook is achteraf vastgesteld dat deze staatsrechtelijke operatie op geen enkele wijze de positie van de gemeenteraad heeft versterkt. Tegen deze achtergronden werd steeds meer geklaagd over de kwaliteit van de raadsleden.

Met de opkomst van Fortuyn in 2002 veranderde het karakter van de lokale partijen. Het begrip ‘leefbaar’ deed zijn intrede. Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Utrecht haalden veel stemmen. ‘Leefbaar’ werd bijna synoniem voor ‘populisme’, was vaak zeer gericht op behoud van het eigene en tegen ‘multiculturalisme’. Terwijl het bij de lokale partijen in de jaren 90 nog vaak ging om het behoud van een ‘oude boom in het centrum van de stad’, richtten de leefbaren zich tegen immigratie en islam. Tegen een door hen niet-gewenste verandering van de cultuur. Met de leefbaren kwamen de immigratie en de veiligheid bovenaan de lokale agenda.

De PvdA op zoek naar een nieuwe basis

Joop van den Berg schreef treffend dat de lokale politiek van de PvdA twee peilers kent: de ruimtelijke peiler van Wibaut en de sociale peiler van Drees.1 Op beide terreinen is het eigen geluid van de PvdA op lokaal niveau in de laatste twee decennia, en vooral in het laatste, verstomd. Stond het woningbeleid van de PvdA eerder altijd in het teken van sociale woningbouw, stadsvernieuwing, bouwen voor de buurt, vanaf 1990 was het onvermijdelijk dat PvdA-wethouders gingen bouwen voor de midden- en de hogere inkomens. Alleen daar werd de lokale economie beter van. Dat de onderkant van de arbeidsmarkt uiteindelijk ook beter wordt van een sterkere lokale economie, mag waar zijn, maar die omweg wordt aan de onderkant van de samenleving niet altijd begrepen. Zo werd de PvdA veel meer een partij voor de hogere inkomens en raakten de lagere inkomens uit beeld. Bordewijk constateerde al dat tussen 1986 en 1994 de grootste neergang van de PvdA zich had voorgedaan in de buurten met sociale huurwoningen.2

Ook in de sociale agenda raakte de PvdA op lokaal niveau gaandeweg haar eigen gezicht kwijt. Na het decennium van de Melkertbanen, de banencreatie zonder bedrijven, heeft de partij geleidelijk moeten toegeven dat Melkertbanen geen structurele oplossing zijn en dat echte banen in het bedrijfsleven (of in de publieke sector, maar dan niet als doel maar als middel) moeten worden gevonden. Bovendien werd het sociale beleid van de gemeenten helaas vooral effectief toen de sociale diensten onder bezuinigingsdruk hun houding veranderden en de uitkeringsgerechtigden veel straffer aanzetten tot het accepteren van een baan. Het beleid werd harder. Daarmee werd de agenda van ‘rechts’ voor een deel overgenomen. We kunnen ook zeggen: links en rechts onderscheidden zich op lokaal niveau nog maar nauwelijks op sociaal terrein.

De derde ontwikkeling die de PvdA parten heeft gespeeld in het eerste decennium van deze eeuw betrof de nieuwe politieke agenda van immigratie en veiligheid. Over immigratie liet de PvdA wel een eigen geluid horen, maar dat geluid werd niet erg herkend door de oude achterban die de achterstandswijken inmiddels voor een groot deel al had verlaten. Over veiligheid heeft de PvdA nooit veel te zeggen gehad. De nieuwe ‘rechtse’ agenda heeft de PvdA vooral parten gespeeld omdat de partij geen antwoord had. En nog steeds niet heeft. In Rotterdam nam de PvdA in 2006 de rechtse agenda van de Leefbaren nagenoeg geheel over nadat weer een plek in het College was bevochten.

Een toch bleef de PvdA in beeld

Op de twee traditionele agenda’s vervreemdde de PvdA dus van een belangrijk deel van zijn achterban. Op de nieuwe agenda had de partij geen aangepast antwoord. Eigenlijk is het verbazingwekkend hoeveel stemmen de partij in het eerste decennium nog heeft getrokken. Natuurlijk, de opvallend goede uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 kan voor een zeer belangrijk deel worden toegeschreven aan de anti-stemming tegen het kabinet Balkenende in het land en aan de persoon van Wouter Bos die op dat moment op het toppunt van zijn populariteit stond. En het is waar, in 2010 haalde de PvdA het slechtste resultaat ooit bij gemeenteraadsverkiezingen. In die zin werd de dalende lijn sinds 1986, met twee uitschieters, één voor Wim Kok en één voor Wouter Bos, gewoon doorgetrokken.

Maar dat neemt niet weg dat nog steeds 15% van het electoraat voor de PvdA koos. En dat veel PvdA-wethouders nog steeds een belangrijke zo niet dominante rol spelen in het lokaal bestuur. De kwaliteit van de PvdA-vertegenwoordigers heeft hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld. Veel PvdA-bestuurders staan immers bekend als goede, betrokken bestuurders, die goed kunnen omgaan met (veranderende) machtsverhoudingen. Tegelijkertijd moeten we vaststellen dat nog maar weinig PvdA-wethouders een landelijk profiel hebben. Het is niet vreemd dat er eigenlijk één uitzondering op die regel was, de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher, die inmiddels beloond is met het ministerschap van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Opvallend aan hem was dat hij zich als enige PvdA-er profileerde op de derde agenda van veiligheid en migratie.

Daarmee houdt de PvdA dus stand op grond van bestuurlijke kwaliteiten en veel minder op grond van ideologie. Maar misschien is dat ook wel heel goed te verklaren uit het veranderend profiel van het lokaal bestuur. Met de nadruk op bestuur. De lokale politiek heeft steeds minder om hakken in de gemeente, waar het uitvoeren van Rijksbeleid de agenda tegenwoordig helemaal beheerst.

1 J.Th.J. van den Berg, Sociaal-Democratie, gemeentelijk bestuur en de vloek van de technocratie, in Frans Becker, Menno Huurenkamp (red.), Lokale politiek als laboratorium, WBS Jaarboek 2009, Den Haag, 2009, pp. 101-118.2 Zie Pieter Nieuwenhuijsen en Paul Bordewijk in Becker en Huurenkamp, 2009, pp. 19-42.