Engbersen: er is eerder minder dan meer discriminatie

december 1, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Interview met Godfried Engbersen

Godfried Engbersen is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Bovendien is hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het zij gezegd: we kennen elkaar al jaren. Collega’s in Leiden, collega’s in Rotterdam en als lid van de WRR ben ik hem voorgegaan. Het kleurt het gesprek. Het geeft me ook de ruimte om het tegengeluid te laten horen. Engbersen is zeer deskundig op een gebied dat voor veel maatschappelijke onrust zorgt: migranten. Om zijn weloverwogen mening scherper te krijgen is het zinvol en aangenaam om het populistische tegengeluid te laten horen.

Allochtonen bestaan niet meer, maar de ellende blijft

Ik start met de opmerking, dat ik graag iets zou willen vragen over allochtonen. Maar mag dat nog wel? De WRR en het CBS willen beide het woord voortaan vermijden. Het gesprek staat meteen op scherp. Engbersen vertelt over zijn Verkenning over migratie en identificatie, een heel groot project van de WRR. Verre voorgangers bij de WRR hebben in 1989 het begrip allochtoon bepleit, want etnische minderheid was discriminerend. Maar het begrip allochtoon is technisch niet correct: van andere bodem. Maar tweede generatie allochtonen noemen we ook allochtonen. Als één ouder in een ander land is geboren ben je al allochtoon. Maar het is ook een scheldwoord geworden. Mensen hebben er last van. En vooral de tweede generatie die het goed doet, vindt het vervelend. “We doen het goed en dan worden we toch weggezet als allochtoon”. Je hebt dus behoefte aan een begrip dat niet discrimineert. We zeggen nu: personen met een migratie-achtergrond. Maar de definitie is gelijk gebleven: minimaal één ouder die geboren is in het buitenland.

Daarnaast voldoet het onderscheid tussen westers en niet-westers niet meer. Te willekeurig. Japan en Indonesië zijn westers, Suriname en de Antillen niet-westers. Ik vraag hoe het verbod op het begrip ‘allochtoon’ is gevallen. Engbersen was verbaasd over de enorme belangstelling voor het rapport. Maar het was wel oppervlakkige aandacht. Veel journalisten hadden het rapport niet goed gelezen. De WRR zegt: gebruik een clustering, naar gelang je probleem. Maar veel mensen hebben gezegd: de WRR verandert de vlag, maar de ellende blijft hetzelfde. Dat is het verdoezelen van problemen. Maar dat is incorrect. Bovendien nemen al veel mensen het begrip over. Voor Engbersen blijft de cruciale vraag of we in de statistieken van de overheid de tweede-generatie-migranten niet gewoon moeten rekenen tot personen met een Nederlandse achtergrond. Ze zijn hier immers geboren.

Enorme diversiteit aan migranten

Of je nu allochtoon zegt of migrant, achter beide begrippen gaat een enorme diversiteit schuil. Van de Nederlandse bevolking is nu 22% persoon met een migratieachtergrond. In de grote steden is dat 50%. Den Haag al 51%, Amsterdam 50 en Rotterdam er net onder. De samenstelling was vroeger overzichtelijk. Eerst kwamen de mensen uit de koloniën. Daarna de gastarbeiders. Toen de vluchtelingen. Maar nu komen ze uit alle hoeken en gaten van de wereld. Meer dan 200 nationaliteiten in Nederland. Amsterdam en Rotterdam hebben meer dan 175 nationaliteiten. Ze komen als vluchteling, als expat, als student, als familiemigrant, als arbeidsmigrant. Tegenwoordig kennen we ook al klimaatmigranten. Familiemigrant was lange tijd de grootste groep. Nu zijn dat de arbeidsmigranten. Met name door de uitbreiding van de EU. De Polen zijn de grootste groep arbeidsmigranten momenteel. Overigens vormden de 50.000 vluchtelingen vorig jaar de grootste groep.

Ik probeer de zorgvuldig formulerende Engbersen nog eens uit de tent te lokken en zeg dat al die vluchtelingen toch ook arbeidsmigranten zijn. Engbersen geeft voorzichtig toe: “Deels wel. Het beleid kent hokjes. Je bent student, familiemigrant, arbeidsmigrant of vluchteling. Maar soms zijn de scheidslijnen heel onduidelijk”. Dan weer scherp: “Maar al die Syrische vluchtelingen hebben echt te maken met de oorlog in Syrië. Ook veel anderen vluchten voor oorlogen. Niettemin, mensen die vluchten hebben vaak het geld om dat te doen. En ze zoeken een betere toekomst. Ook achter vluchtelingen gaat een grote diversiteit schuil. Onderzoek in Duitsland toont aan dat eenderde laagopgeleid is, eenderde is middelbaar opgeleid en eenderde hoogopgeleid. Je hebt dus differentiatie naar herkomst (regio), differentiatie naar motieven, en differentiatie naar opleiding.”

Ook de maatschappelijke positie van de migranten is heel verschillend. Volgens Engbersen kijken we te veel naar enkele specifieke groepen: naar Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers en vluchtelingen. En nu naar Polen. En inderdaad komen Marokkanen en Antillianen en een deel van de Turken moeilijk aan het werk. De werkloosheid onder deze groepen is soms 2, 3, 4 keer hoger dan onder autochtonen. Bij arbeidsmigranten zie je juist een hele lage werkloosheid. Bij vluchtelingen is het treurig gesteld. Van de Syriërs die het afgelopen jaar zijn binnengekomen zit driekwart in de bijstand. Maar vergeet niet dat veel migranten gewoon kenniswerkers zijn uit Amerika, Engeland, Duitsland, China en India. Dat zijn vaak hoger geschoolden.

Ik vraag Engbersen waarom de Nederlandse allochtonen het slechter doen dan de Spaanse? Engbersen wijst er op dat in Nederland het probleem zit bij specifieke groepen, waaronder Marokkanen, Antillianen en vluchtelingen. Hoewel de tweede generatie een veel rooskleuriger beeld laat zien. Spanje heeft weinig vluchtelingen. In Spanje heb je veel migranten die tijdelijk werken in de landbouw. En er is een politiek van circulaire migratie. Dat mensen terug gaan. In Nederland zijn we wel selectiever geworden en daardoor is het verbeterd. Er zijn nog twee probleemgroepen: de tweede generatie gastarbeiders en de vluchtelingen.

In het Westland dreigt een tekort aan migranten

Verdringen migranten banen van boze witte mannen, van autochtone Nederlanders? Engbersen: lees het interessante rapport van de SER, van een paar jaar geleden. Allochtonen hebben geen neerwaartse invloed op de lonen en ze verdringen geen banen. Ik antwoord meteen cynisch: en het transport dan? Die heeft de SER zeker allemaal politiek correct weggeveegd in de statistieken. Engbersen ontkent niet: Dat is juist. De grote statistieken laten zien dat migratie een toegevoegde waarde heeft voor de economie. Twee negatieve effecten: in bepaalde sectoren is er verdringing. Bouw en transport. En als nieuwe migranten concurreren, dan concurreren ze met oudere migrantengroepen. Vergeet niet dat het Westland voor bijna 100% draait op werknemers uit Polen. Een van de belangrijkste exportsectoren. Nu hebben ze daar problemen omdat de Polen niet meer zo graag komen, omdat het beter gaat in Polen zelf. En Duitsland heeft zijn arbeidsmarkt nu volledig opengesteld voor Polen. Waar moet het Westland ze hun arbeiders vandaan halen? We halen ze niet uit het granieten bestand van de bijstand.

Statistisch gecontroleerde vluchteling steelt alleen maar shampoo

Is de criminaliteit hoger onder migranten? Engbersen: ik durf het bijna niet te zeggen, maar de subtitel van onze studie luidt: ‘Naar een meervoudig migratie-idioom’. Want sommige groepen migranten zitten ver onder het Nederlands gemiddeld qua criminaliteit. Dan hebben we het overigens over cijfers van de geregistreerde criminaliteit door de Nederlandse politie. Die cijfers gaan over personen tegen wie als verdachte van het plegen van een misdrijf een proces verbaal is opgemaakt. Ik werp tegen: “Is dat niet weer zo’n politiek correcte reactie op Wilders?”. Engbersen: Ja, bepaalde subgroepen zijn inderdaad sterk vertegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken, in het bijzonder Marokkanen en Antillianen. In 2015 is rond de 5% van beide groepen verdacht van een misdrijf tegenover 1% van de Nederlanders. Onder de vluchtelingen komt ongeveer drie keer zoveel criminaliteit voor dan onder autochtone Nederlanders. Maar als je statistisch controleert, het zijn heel veel jonge, alleenstaande mannen, dan zijn ze juist minder crimineel. Ik werp weer tegen: maar als je Keulen woont maakt dat geen flikker uit, al die regressie-analyses van jullie. Nog steeds zijn ze 2 tot 3 maal crimineel. Engbersen: ja, maar je moet wel kijken naar het soort criminaliteit. Geen moord- en doodslag of drugs- en wapendelicten. Ik mompel: verkrachtingen. Engbersen: nee, het zijn vooral eenvoudige winkeldiefstallen. En geweld jegens elkaar. Je moet het wel in juiste perspectief zien. Je moet groepen eerlijk met elkaar vergelijken. Maar voor een burgemeester bestaat de statistisch gecorrigeerde vluchteling niet. Jouw vraag is in dat opzicht helemaal terecht. Een burgemeester kan te maken krijgen met onge Syriërs. Je moet er voor zorgen dat je ze niet allemaal bij elkaar huisvest. Hij moet ze spreiden. Geen 200 voetbalhooligans bij elkaar zetten. Ook geen 200 jonge Syriërs.

Engbersen: Wat interessant is: als je controleert naar leeftijd, geslacht en werk bij Marokannen en Antillianen, dan blijven ze bovengemiddeld vaak verdacht van een misdrijf. Daar speelt een culturele factor een rol. In het beleid moeten we dan rekenschap geven van culturele verschillen. Bij Antillianen vaak afwezige vaders, weinig sociale controle. Ze komen uit de volksbuurten. Bij Marokkanen hebben ouders uit de eerste generatie slecht toezicht op hun kinderen. Bij Turken gaat dat veel beter. Bij vluchtelingen is er geen culturele verklaring, volgens onze analyse. Het interessante van Marokkanen: na hun 20ste neemt het heel snel af. Dan settelen ze zich. Bij Antillianen blijft het, die hoge criminaliteit. Zij vormen een uitzondering.

Verliesgevoelens

Van der Laan wilde ooit geen maatschappelijke-kosten-baten-analyse doen naar migratie op verzoek van Wilders. Sadik Harchaoui van Forum gaf toen een opdracht aan Peter Nijkamp van de VU om het wel te doen. Van dat onderzoek hebben we nooit meer iets gehoord, naar verluid omdat de uitkomsten Harchaoui tegenvielen. Engbersen: Peter Nijkamp is de hoogleraar die het sterkst naar voren brengt dat diversiteit goed is voor de economie. Steden die divers zijn, met diverse migratie-achtergronden hebben meer ondernemerschap, meer economische groei volgens hem. Maar Nijkamp heeft zich vooral gebaseerd op een analyse van bestaand internationaal onderzoek. Maar de WRR gaat die vraag nu specifiek voor Nederland proberen te beantwoorden. We hebben twee grote vragen. Eén: valt de samenleving niet uit elkaar met steeds grotere diversiteit? We hebben – vooral in de Randstad – geen homogene wijken meer. Twee: wat levert het economisch op? Moeilijk onderzoek. Bijvoorbeeld bij die eerste vraag: hoe meet je sociale samenhang? We kiezen voor drie indicatoren. Ten eerste: gaat het sociale kapitaal niet kapot door de diversiteit: hoe verhouden mensen zich tot elkaar? Helpen ze elkaar? We zien dat als er meer diversiteit is, dat dan het samenleven problematischer wordt. Gevoelens van onbehagen ontstaan in directe leefomgeving. Ten tweede: leidt diversiteit tot verliesgevoelens bij gevestigde bevolking? Verliesgevoelens zijn een heel reëel vraagstuk. Ook bij middelopgeleiden en hoogopgeleiden. Ze hebben het gevoel de grip op hun bestaan kwijt te raken. Ten derde: de criminaliteit. Voelen mensen zich minder veilig? Wordt er meer gestolen in de wijk?

Ik maak een grote stap. Als de WRR verliesgevoelens een indicator noemt voor afnemende sociale cohesie zou een overwinning van Wilders bij de verkiezingen een indicatie zijn voor het uiteenvallen van de samenleving? Zover wil Engbersen niet gaan. Hij verwijst naar Van de politicoloog Gunsteren. Die zei ooit dat strijd – waaronder politieke strijd – niet altijd een indicatie voor afnemende sociale cohesie hoeft te zijn. Hangt ervan af hoe we met het conflict omgaan. Maar natuurlijk Wilders mobiliseert de verliesgevoelens en waarom zou dat niet mogen? Tegelijkertijd nemen veel partijen een deel van de agenda van Wilders over. Niet alleen nieuwe partijen, maar ook CDA, PvdA en VVD. Á la van Gunsteren: we zien wel strijd, maar we zijn nog steeds in staat om elkaar te debatteren.. Dat duidt op sociale cohesie.

Binding van Turkse jongeren met Erdogan is curieus

Hoe staat het met de binding van de allochtonen met moederland? Zijn Turken meer verbonden met Turkije dan met Nederland? Zie de beelden in Rotterdam na de staatsgreep tegen Erdogan. Engbersen: veel Turken zijn geïntegreerd in Nederland en voelen daarnaast loyaliteit voor het land van herkomst. Al moeten we toegeven dat dat ‘geïntegreerd zijn’, ook kan betekenen dat ze vooral onder elkaar wonen en leven. Toch bestaat er in het algemeen geen relatie tussen mate van integratie en mate van binding met het land van herkomst. En onder integratie verstaat Engbersen: met een normale baan meedoen in de samenleving. Sommige migranten zijn helemaal geïntegreerd en blijven geld sturen naar het land van herkomst en Somaliërs die in de bijstand zitten sturen ook nog steeds geld. Dat is het algemene beeld. Maar wat er met sommige Turkse jongeren gebeurt, daar wordt Engbersen niet blij van. Ze zijn hier opgegroeid. En dan die sterke identificatie met Erdogan. Engbersen begrijpt wel een zekere loyaliteit. Dat de staatsgreep daar hier emoties opwekt. Maar wat je zag, was ook een illustratie van problematische integratie van jongeren hier. “Het is curieus dat ze meer binding lijken te hebben met Erdogan dan met de Nederlandse samenleving”.

Hoeveel migranten zijn moslim? Engbersen: ik zou het niet kunnen zeggen. We hebben geen volkstelling meer. We weten wel dat een deel van de migranten uit moslimlanden komen. Maar het kunnen ook Christenen zijn uit Syrië. Dat weten we allemaal niet.

Wat weten we van radicalisering? Engbersen: wat is radicalisering? Ja. Jihadstrijder worden. Dat zeker. Maar als je meer fundamentalistisch wordt ten aanzien van religie, dat je op andere politieke partijen stemt? Maar er zijn in NL geen signalen van grote vormen van radicalisering. Indicaties van plukjes. Iets meer dan 200 naar Syrië afgereisd. Het kan een topje van de ijsberg zijn, maar dat weten we niet.

Wat zijn de oorzaken van die radicalisering? Speelt het Mattheus effect hier een rol? Engbersen: een cocktail. Er is een sociaal-economische voedingsbodem: groepen voelen zich gemarginaliseerd. Ze kunnen niet meekomen. Ze voelen zich gediscrimineerd. Maar ook middengroepen en hogere inkomens kunnen radicaliseren. Er is ook een sociaal-culturele voedingsbodem. Het gevoel: ik word niet erkend. Onvrede met de samenleving. Het idee dat geloof hun bescherming biedt. Er is geen sprake van een Mattheus effect. Het zijn namelijk ook hoogopgeleiden die radicaliseren. Het is een emotioneel en een sociaal-economisch vraagstuk dat niet alleen verbonden is met de eigen positie en die van de eigen migrantengroep, maar ook met geo-politieke machtsverhoudingen in de wijdere wereld.

Hoeveel migranten kan de samenleving aan

Ik durf die grote vraag toch maar te stellen: hoeveel migranten kan de Nederlandse samenleving eigenlijk aan? Waar ligt voor jou de grens? Of is er geen grens? Engbersen: ten eerste hangt erg van de toerusting van de mensen die hiernaar toe komen. Dat 50% van de inwoners van de grote steden een migratieachtergrond heeft, is niet het probleem. Het wordt pas een probleem als migrantengroepen zich niet kunnen redden en geen bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Denk aan de de grote bijstandsafhankelijkheid van Marokkanen en Antillianen en aan Somaliërs en Syriërs in de bijstand. Maar het merendeel van de migrantengroepen levert geen integratieproblemen op. In 2015 bestond de top tien van de migrantengroepen naast Syriërs, uit personen uit Polen, Duitsland, de voormalige Sovjet Unie, India, China, Engeland, de VS, Italië en Bulgarije. Ten tweede hangt het af van de economische absorptiecapaciteit: hoeveel banen hebben we te bieden?. Engbersen wijst er nog eens op dat we een intelligent selectief migratiebeleid nodig hebben. En dat is er in Nederland. Arbeidsmigranten van buiten de EU kunnen hier alleen komen als ze bepaalde skills hebben en als er een baan voor ze is. Internationale studenten mogen hier naar toe als ze worden toegelaten op de universiteit. Familiemigranten moeten een inburgeringstoets doen in het buitenland. Je mag en kan alleen niet selecteren op vluchtelingen. Daarom is het belangrijk om hen zo snel mogelijk te integreren. . Er ontstaat een grens als er in Nederland onvoldoende werk is voor migranten en als te veel migranten de juiste toerusting ontberen om in de Nederlandse samenleving te participeren.

Migranten worden steeds vaker passanten

Vaak wordt bij dit onderwerp de dynamiek vergeten. Ten eerste: hoe groot is de retourmigratie. Engbersen: binnen EU bestaat grote mobiliteit. Ik vermoed dat minimaal de helft van de Polen zal teruggaan. Zoals we in het verleden hebben gezien met Spanjaarden, Italianen en Grieken. Van de vluchtelingen gaat een derde weer door naar een ander Europees land of ze gaan weer terug. Expats gaan na 3 tot 5 jaar weer weg. Veel studenten gaan weer weg. Dat is heel ingewikkeld voor steden en voor integratiebeleid. Inburgering is niet voor iedereen de oplossing. Steden hebben in toenemende mate te maken met passanten. Tijdelijke huisvesting, tijdelijk onderwijs. Short stay voorzieningen. Zij-instroom in onderwijs.

Elke wereldstad heeft zijn arrival neigbourhoods

Ook binnen de steden bestaat veel dynamiek. Steden zijn vaak arrival cities. Men komt aan, krijgt een baan, een opleiding en zo fungeert de stad als roltrap. Bij hoeveel migranten lukt dat inderdaad? Engbersen: Al die hoeveel-vragen! Tjonge, tjonge, dat weten we niet precies. We weten wel dat het werkt. Maar ik kan geen cijfers noemen. In Rotterdam-Zuid werkt de roltrap overigens niet voor voor iedereen. Denk aan de problematische positie van de eerste generatie Surinamers en Turken. Maar wel voor de MOE-landers! Polen komen daar aan, en gaan of in Polen investeren in nieuw huis of ze gaan elders in Rotterdam een huis kopen. Liefst in een betere buurt. In hun ogen is verbetering: de buurt uitgaan! Maar het gaat moeizaam met de traditionele groepen. Hoewel, de grote hbo-instellingen in de buurt van Zuid zijn volstrekt multicultureel.Sociale stijging zie je bij Polen al in de eerste generatie, bij andere groepen in de tweede en de derde generatie. Onderwijsniveau van migranten op Zuid ligt hoger dan bij de autochtone bevolking.

Ja de stad is emancipatiemachine én de stad is toevluchtsoord van marginale groepen. Die arrival neighbourhoods hebben de functie van springplank én zijn de verzamelplek van kwetsbare groepen. Dat maakt zo’n wijk zo ingewikkeld. Elke serieuze wereldstad heeft dit soort arrival neigbourhoods nodig. Terwijl de overheid altijd bezig is om die instroom te verbeteren. De Nationale overheid heeft een selectief migratiebeleid, Rotterdam heeft zijn Rotterdamwet. In Amerika ligt het extremer. Met veel illegalen. Die hebben we hier ook, maar die krijgen hier veel minder ruimte dan in Amerika. In Amerika heb je illegalen als heel geslaagde ondernemers. Dat is hier onmogelijk.

Maar wat Marco Pastors wil, Zuid op het gemiddelde niveau van de stad als geheel brengen, dat lijkt mij een brug te ver. Wat hij heel goed doet, is dat hij heel zwaar inzet op onderwijs en op de verbinding onderwijs-arbeidsmarkt. Dat is de kern van het beleid. Niet van die kleine welzijnsprojectjes in de buurt. Maar de woningvoorraad mag ook niet te eenzijdig zijn. Voor de kwaliteit van leven. Is ook voor scholen goed. Dat er ook kinderen in de klas zitten van wie de ouders wel werken. Dat is het grote voordeel van de Polen die op Zuid erbij zijn gekomen. Onderwijs, arbeid en huisvesting is de heilige drie-eenheid. En ik weet dat het veranderen van de woningvoorraad heel ingewikkeld is.

Ik ben verbaasd dat Engbersen in het ‘buurteffect’ gelooft. Dat de samenstelling van de buurt je eigen kans op werk en op vooruitgang bepaalt. Engbersen is voorzichtig. Hij gelooft er “een beetje” in. “Ja, die geografen zeggen altijd dat buurteffecten niet bestaan”. Het gaat om een compositie-effect: de samenstelling van de bevolking is belangrijk. Zie het laatste boek van Putnam. Klassen met kinderen uit gezinnen met een verschillende sociaal-economische status zijn goed voor kinderen van lage inkomensgroepen.

Er is eerder minder dan meer discriminatie

We praten over het veranderen van het discours. In de jaren 90 stond het debat nog in het teken van multiculturaliteit. Tegenwoordig moet iedereen een bijdrage leveren aan de samenleving en heeft iedereen zich te houden aan de principes van onze democratische rechtstaat. En we eisen tolerantie. Dat duidt niet meer op gelijkwaardigheid van culturen. Deze principes belichamen nu eenmaal vooral onze cultuur. Misschien is de vraag te groot: is huidige racisme een gevolg van te vriendelijke houding in de jaren 90? Engbersen: ik weet het niet, eerlijk gezegd. Oude sociologische wet: migranten moeten altijd een plek veroveren. Gevestigden hebben altijd moeite met nieuwkomers. Discriminatie hoort daarbij. Harde varianten en impliciete varianten. Ik denk niet dat discriminatie is toegenomen, misschien wel afgenomen. Alleen degenen die onderwerp zijn van discriminatie zijn er gevoeliger voor geworden. Eerste generatie durfde er vaak nog niet tegen in te gaan. De tweede generatie, hoogopgeleid, die protesteert. Er is een veel grotere gevoeligheid voor discriminatie.

Opnamecapaciteit van Nederland kent grenzen

Tot slot, De WRR bracht vorig jaar een policy brief uit. Met als boodschap: laat asielzoekers eerder participeren, anders komen ze er nooit meer tussen. Ik vraag Engbersen of dat niet een beetje te politiek correct was? Het advies kwam uit toen vele vluchtelingen het land binnenstroomden. De WRR had ook kunnen zeggen: waarom worden statushouders voorgetrokken bij sociale huurwoningen en waarom mogen asielzoekers met een uitkering een baan weigeren? Het maatschappelijke gevoel was: toch die mensen pikken onze dingen in, kan het niet wat minder? Je had zelfs kunnen zeggen dat er minder vluchtelingen moeten worden toegelaten. Maar de WRR bepleitte slechts een snellere integratie. Er ontstaat een mooi debat. Engbersen fel: we waren helemaal niet braaf. De kracht van het rapport was dat we terugkeken naar de jaren 90. Toen kwamen er ook zoveel vluchtelingen. De integratie is toen bedroevend geweest. Veel werkloosheid onder vluchtelingen. Ik interrumpeer: dat is toch een extra argument om te zeggen: ga de grens sluiten? Engbersen: ja, nee, ja. Alle aandacht ging toen uit, net als nu, naar de eerste opvang van asielmigranten. Er was te weinig nagedacht over integratie. Dat dreigde ook nu te gebeuren. Wat wij dus zeiden was dus niet politiek correct! We hielden de spiegel voor van het verleden. En dat die centrale opvang opnieuw veel te lang dreigde te duren. Meer dan een jaar wachten, dan uitgeplaatst naar een gemeente. Dan gingen ze daar nadenken over inburgering en daarna over een opleiding. En daarna over baan. Dat kon 4, 5 jaar duren.

Ik probeer het nog een keer: hebben jullie overwogen om te zeggen: uit het verleden blijkt dat we deze aantallen niet aan kunnen? Engbersen: dat hebben we nooit overwogen omdat dat niet het onderwerp was van de policy brief. Maar ik wil er wel iets over zeggen. Het ging in 2015 om ruim 50.000 asielmigranten op 17 miljoen mensen in Nederland. In Zweden nemen ze er veel meer op. Met veel minder inwoners. Maar ons centrale punt was: je kan het veel intelligenter doen, die opvang en de integratie. Probeer meteen werk te maken van integreren. Meteen verspreiden over plekken waar ze kunnen werken. Voordat je migratiebeslissing neemt, meteen kijken naar geschiktheid voor de arbeidsmarkt. Nee, al die andere vragen hebben we niet opgeworpen en beantwoord. Het ging er toen om dat mensen er al waren. En we wisten dat het merendeel een asielstatus zou krijgen. De vraag was: hoe ga je deze groepen integreren?

Ik blijf het proberen: waarom heb je niet aan de verliesgevoelens van de gevestigden gedacht? Engbersen: we zeggen ook dat anderen groepen dezelfde rechten moeten hebben. We zeggen dat er van alles moet worden gedaan aan nieuwe vormen van huisvesting om ervoor te zorgen dat asielmigranten geen exclusief beroep doen op de publieke huisvesting. En we zeggen ook dat veel maatregelen die worden bedacht voor asielmigranten (bijvoorbeeld rond arbeidsmarktoeleiding) ook beschikbaar zouden moeten zijn voor de gevestigde bevolking. Het belangrijkste: de vluchteling moet zo snel mogelijk zijn eigen broek kunnen ophouden.

Kijk er waren twee stromingen. Sommigen waren heel bang dat al die vluchtelingen vooral naar de bijstand zouden gaan. Anderen vonden het vooral zielig voor die mensen. Wij hebben in feite die impasse proberen te doorbreken. Niet zielig doen, gewoon aanpakken. Professionals voor het onderwijs. Meer geld voor gemeenten.. Er alles er aan doen dat vluchtelingen meteen aan het werk gaan. Het is gewoon heel hard werken.

En dan komt plotseling een antwoord op een eerdere vraag: “Als jij vraagt: zou de Nederlandse samenleving in staat zijn om tien jaar achter elkaar dit soort aantallen op te nemen, dan denk ik van niet.”
En we worden het een beetje eens: “Je hebt gelijk, dat in zo’n policy brief een aantal fundamentele vragen niet aan bod kunnen komen. Maar daar is zo’n brief ook niet voor bedoeld. In de Kamer liepen velen met een grote boog om de integratie heen. Het merendeel van de Kamervragen en Kamerdebatten gingen over de eerste opvang. Dat is begrijpelijk, gelet op de aantallen en de onrust in de samenleving. Wij hebben gezegd: denk ook aan de volgende stap. En dat is de integratie. Sluit daarvoor je ogen nou niet. Want het draagvlak van het vluchtelingenbeleid staat of valt met de mate waarin asielmigranten straks een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Een vluchteling heeft vooral in dat eerste jaar een zetje nodig. Het is goed dat wij deze onafhankelijke positie hebben ingenomen en dit punt zijn blijven maken.

 

26 november 2016

#Brexit biedt de #PvdA haar laatste kans @diederiksamsom

juni 25, 2016 by  
Filed under artikel

Ach ja, we zijn allemaal  geschokt door de uitslag in het Verenigd Koninkrijk. Maar verrast hadden we niet hoeven zijn. Het zat er gewoon aan te komen. En de simpele analyse van de uitslag maakt bijna alles duidelijk. Niet London stemde voor Brexit, niet de hogeropgeleiden stemden voor Brexit, niet de winnaars van de globalisering stemden voor Brexit. Maar de verliezers. De lager opgeleiden, de ouderen, de mensen op het platteland. De mensen die al jaren hetzelfde inkomen hebben, als ze dat al hebben. De mensen die bang zijn voor de immigratie. De mensen die zich afkeren van politici die gepassioneerd voor immigratie kiezen. Ja, zij worden weggezet als populisten of als rechtse extremisten. Maar het zijn eerder mensen van wie de politiek zich heeft afgekeerd. Het zijn de mensen die de politiek in de kou laat staan.

Twee pijnlijke ontwikkelingen komen hier samen. Ten eerste koos links, dat steeds meer werd geleid door de winnaars van de globalisering, door de hogeropgeleiden, voor die globalisering. Voor Europa, voor de wereld. En de keuze voor een verdere verdieping van de EU hoorde daar helemaal bij. In die globalisering past een neo-liberaal mensbeeld. Daarin past marktwerking, past de zogenaamde Derde Weg. Die Derde Weg was een afscheid van Oud Links, was een tussenstap naar het neoliberale mensbeeld van Reagan en Thatcher. Gelukkig was Links zijn solidariteit niet vergeten. Maar men was helaas selectief solidair. Solidair met de asielzoeker (hoe lofwaardig ook), maar niet solidair met de verliezer van de globalisering die al jaren op de nullijn stond. En dat was de tweede ontwikkeling waardoor de verliezer van de globalisering in de kou kwam te staan.

Het is niet verrassend dat de verliezers van de globalisering wegliepen bij de oude linkse partijen. Labour heeft schijnbaar geen idee wat haar overkomt. De PvdA pleit nog steeds voor asielzoekers en voor EU, alsof dat de vaste waarden van het eigen geloof zijn. Ja, de PvdA is de helft van zijn aanhang kwijtgeraakt aan PVV en SP. Dat waren de verliezers van de globalisering. En de winnaars liepen over naar D66 en GroenLinks.

En wat zien we in het Verenigd Koninkrijk? Juist, ja. De verliezers van de globalisering zijn bang voor een verdere integratie van Europa, voor meer immigranten en voor minder banen voor henzelf. En ze voelen zich miskend door de politieke elite die eerder ‘gepassioneerd’ voorstander lijkt te zijn van immigratie dan oog lijkt te hebben voor de belangen van (meer dan) de helft van de eigen kiezers. Maar ja, de laatsten zijn zo bekrompen dat ze de voordelen van al die globalisering niet willen zien. Nee, ze kunnen ze niet zien, omdat ze simpelweg de verliezers van de globalisering zijn.

Laat Brexit alsjeblieft niet leiden tot nieuwe pleidooien voor een nieuw Europa. Nog afgezien van het feit dat die pleidooien ongetwijfeld de verkeerde kant opgaan. Laat Brexit wel leiden tot een andere politiek. Een politiek die eens niet meeheult met de winnaars van de globalisering, maar werkelijk kiest voor de verliezers. Een politiek die strijdt tegen de ongelijke vermogensverdeling. Een politiek die strijd tegen allerlei onzinnige vormen van marktwerking. Een politiek die er vooral voor zorgt dat we een samenleving zijn waarin verliezers niet aan hun lot worden overgelaten.

Het is de laatste kans voor de PvdA.

Rationele oplossing voor irrationele burgers #WRR

oktober 14, 2014 by  
Filed under artikel

Goede adviezen dwingen je tot nadenken. En een advies kan dus ook ‘goed’ zijn als het het niet verdient om te worden opgevolgd. Als het maar tot nadenken heeft aangezet. Het klinkt misschien een beetje onaardig, toch vind ik dat het recente WRR-rapport Met kennis van gedrag beleid maken dit compliment verdient.

Het genoemde rapport had een roemruchte voorganger: De menselijke beslisser. Een voorstudie van de WRR uit 2009. Het was een verzameling essays van gedragswetenschappers die op grond van uitgebreide gedragswetenschappelijke studies aantoonden dat het gedrag van de burger maar zelden rationeel is, terwijl de overheid in haar beleid vaak uitgaat van een rationeel kiezende burger. Het blijkt dat burgers allerlei bias hebben bij het verwerken van informatie, dat ze moeite hebben om in hun gedrag rekening te houden met de verre toekomst en dat ze zich veel aantrekken van wat andere mensen doen. Op verzoek van de secretarissen-generaal is dat allemaal nog eens mooi en helder samengevat in een echt Rapport. Zo krijgen deze inzichten nog meer bekendheid en nog meer gewicht.

Er is wel één groot verschil met de Voorstudie. In een Voorstudie kan je nieuwe inzichten aanreiken, in een Rapport moet je erbij zeggen wat je ermee moet doen. Zo gaat dat bij de WRR. En hier word ik minder enthousiast. Persoonlijk zou ik na al die relativering van de rationaliteit van het menselijk gedrag kiezen voor een relativering van het beleid. Jongens, laten we eerlijk zijn: die mensen reageren soms zo onvoorspelbaar dat we beter een stapje terug kunnen doen. Zo niet de WRR. Die kiest voor de aanval en voor aanscherping van het beleid. Departementen moeten meer ‘gekwalificeerde gedragsexperts’ aanstellen, die vroeg in het beleidsproces moeten worden ingeschakeld. Het IAK (een Haagse bijbel met regels voor het opstellen van wetten) moet worden aangescherpt opdat de achterliggende beleidstheorie beter wordt ‘geëxpliciteerd’. En door checks and balances moeten de gedragswetenschappelijke voeding en toetsing worden ‘afgedwongen’.

Dat noemen we in de bestuurskunde nou de ‘rationele benadering’. Een benadering die uit gaat van rationele beleidsprocessen en die meer analytisch dan empirisch is. We weten immers dat het in de praktijk meestal anders gaat. Daarom is het zo opvallend dat de WRR zulke rationele oplossingen voor irrationele burgers biedt. Zo vraagt de WRR wél veel rationaliteit van de beleidsmakers (beleidstheorieën expliciteren!). Waar de overheid ten onrechte veronderstelt dat de burger rationeel handelt, zo veronderstelt de WRR een teveel aan rationeel gedrag bij de beleidsmakers.

Los daarvan, ik geloof niet in die verdere rationalisering van het beleid. Hoe verfijnd moet het beleid wel niet worden, als we van geval tot geval moeten inschatten hoe burgers werkelijk op beleidsmaatregelen zullen reageren? Bovendien: we weten helemaal niet hoe burgers in concrete gevallen reageren. We weten vooral dat ze lang niet altijd rationeel reageren op overheidsbeleid. Herman van Gunsteren sprak ooit heel wijs over ‘de ongekende samenleving’. Als het over de afwegingen van burgers gaat, heeft hij nog steeds gelijk. En misschien moeten we deze ‘ongekendheid’ ook wel koesteren. Willen we echt weten hoe mensen mensen hun keuzes maken?

Achter het denken van de WRR gaat een vorm van leren schuil, die nu juist in dit soort onzekere omstandigheden niet erg handig is. In de bestuurskunde spreken we al jaren over A/I-leren versus V/S-leren. Analyse + instructie versus variëteit + selectie. In het eerste geval leidt een steeds verdergaande analyse tot een steeds verfijndere instructie. Precies wat de WRR hier voorstaat. In het tweede geval probeert de overheid op verschillende manieren haar doelen te bereiken en bekijkt in de praktijk welke maatregel het meeste effect heeft. Naar mijn inschatting past hier V/S-leren. Laten we maar proefondervindelijk kijken wat werkt. Bij die andere manier van leren hoort ook een andere manier van ‘sturen’, een andere ‘governance’. Coproductie bijvoorbeeld in plaats van sturen met nota’s, wetten en subsidieregelingen. Dan merk je vanzelf wat burgers willen en hoef je geen ‘gekwalificeerde gedragswetenschappers’ aan te stellen om het gedrag van de burger verder in kaart te brengen.

Maar bovenal is zou ik aan de WRR willen vragen: als blijkt dat burgers niet reageren zoals de overheid wenst, zou het dan geen goed moment zijn om overheidssturing eens te relativeren? Komt er dan nooit een einde aan het in het gelid zetten van de burgers?

Beter een marktadept die leert dan een overheidsadept die schmiert

juni 24, 2014 by  
Filed under artikel

Roel Kuiper heeft een tendentieus boekje geschreven over privatisering. Hij is tegen. Dat mag, maar zijn argumentatie is mager. Dat is opvallend omdat Kuiper voorzitter was van de enquêtecommissie van de Eerste Kamer die zich over de privatiseringspolitiek van de laatste decennia heeft gebogen. Het rapport van de enquêtecommissie was een genuanceerd rapport. Algemene beeld: we hebben vaak te ondoordacht en te snel geprivatiseerd. Dat beeld herken ik, en niet als enige. Maar dat is een heel ander beeld dan wat Roel Kuiper nu schetst. Kuiper is voor de overheid en tegen de markt. En dat allemaal zo heftig, dat ik bijna het tegenovergestelde geloof ga aanhangen. Bijna. Weet Kuiper nog dat je vroeger soms 9 maanden op een telefoonaansluiting moest wachten, ook als het technisch al lang in orde was?

Ik schrijf dit stukje met een buitengewoon genoegen. Als hoofdauteur van het WRR-rapport ‘Het borgen van publiek belang’ heb ik me vaak moeten verdedigen tegen privatiseringsgetuigen. De WRR zou tegen privatisering zijn en voor de overheid. De WRR bracht de privatisering een harde slag toe. Het laatste is misschien waar, het eerste is nooit waar geweest. De WRR heeft in dat rapport uit 2000 nu juist voor een neutrale positie gekozen. Het is onlangs nog eens helder beschreven in ESB door Maarten Veraart. De WRR constateerde dat het ideologische debat voor over tegen de markt onvruchtbaar was. Dat het ook betekenisloos is om om zonder meer voor de markt of voor de overheid te kiezen. Dat de één niet per se beter is dan de ander. Dat het politieke debat nu juist zou moeten gaan over de belangen waarvoor de overheid een (eind)verantwoordelijkheid wil nemen. En dat die belangen soms het beste binnen de publieke sector en soms binnen de private sector kunnen worden geborgd. En dat die laatste keuze het beste zonder vooringenomenheid kan worden gemaakt.

Vanuit die gedachtengang concludeerde ook de WRR dat verschillende privatiseringsoperaties te snel waren doorgevoerd. Er was vooraf te weinig nagedacht over welke publieke belangen in het geding waren (en bleven!) en er was te weinig aandacht besteed aan de borging van die publieke belangen (kon de overheid haar verantwoordelijkheden na privatisering nog voldoende waarmaken?).

Waar sommige marktadepten boos waren op de WRR vanwege dit neutrale standpunt (zoals sommige overheidsadepten heimelijk blij waren dat de WRR de marktadepten tegengas gaf), zo boos zou Kuiper ook op het toenmalige WRR-rapport moeten zijn. Niets van dat al. Kuiper gebruikt de WRR zelfs als argument voor zijn bijna archaïsche pleidooi. Nu heeft Kuiper een uiterst prettige, vriendelijke schrijfstijl. En als je niet uitkijkt tuin je er met open ogen in. Zo begint hij zijn eerste hoofdstuk met een beeldend verhaal over Rotterdam Centraal Station. Nee, niet over de schoonheid van het nieuwe gebouw. Wel over arme treinreizigers die uren staan te wachten op een Fyra en dan vervolgens door een binnenrijdende Thalys worden afgewezen. Herkenbaar. Maar niet passend in een boek van een senator die tevens wetenschapper is. Want Kuiper bedient zich niet van argumenteren maar van schmieren. En dat is zelfs in het amateurtoneel verboden. “Waar het publiek belang niet wordt behartigd, gaat ook het politieke leven teloor.” Alsof de overheid werkelijk alles heeft geprivatiseerd. En” Het verdampen van de publieke zaak [..] leidt tot allerlei desintegratieverschijnselen”. Zo zet hij de lezer vanaf de eerste pagina op het verkeerde been en biedt hij zichzelf alle mogelijkheid om over elke poging om meer aan de markt over te laten laatdunkend te doen.

En van de mogelijkheid om in het hele boek overheid, publieke belangen en de behartiging van publieke belangen op één hoop te gooien. Aan de zuiverende gedachte dat publieke belangen ook binnen de private sector kunnen worden geborgd (en heel vaak worden geborgd) lijkt Kuiper bijna moedwillig voorbij te gaan. Daarin past zijn incorrecte beschrijving van het genoemde WRR-rapport. Kuiper roemt het rapport, om het vervolgens meteen onschadelijk te maken door het geheel foutief te ‘citeren’. Volgens hem mondt het rapport uit in de volgende vraag: ‘Is de grip van een nationale overheid op publieke diensten niet een publiek belang van de eerste orde?’. Die vraag heeft de WRR nu juist niet gesteld! De WRR zei twee belangrijke dingen. Ten eerste: de overheid is ervoor om maatschappelijke belangen aan zich te trekken als die zonder overheidsondersteuning onvoldoende tot hun recht zouden komen. [De WRR koos ervoor om in dat geval van ‘publieke belangen’ te spreken.] Ten tweede: die verantwoordelijkheid betekent niet dat de overheid de dienst ook zelf moet leveren. Simpel omdat de overheid vaak nog slechtere spoorboekjes maakt.

Door alles wat publiek heet op één grauwe hoop te gooien, is Kuiper een verklaard voorstander van de overheid. Daarbij wijkt hij helaas niet af van de marktadepten uit de jaren 90 die voor zichzelf een privaat altaar hadden opgericht. Het verschil is wel dat veel marktadepten inmiddels veel wijzer zijn geworden.

Roel Kuiper, De terugkeer van het algemeen belang, privatiseringsverdriet en de toekomst van Nederland, Gennep Amsterdam, 2014.

[verschijnt in het zomernummer van ESB]

 

Adviesorganen en de verplichte kabinetsreactie

maart 1, 2014 by  
Filed under artikel

De WRR ‘opende op de één’ in de NRC van afgelopen donderdag. Niet vanwege een nieuw rapport, maar vanwege de reactie van het kabinet op een rapport uit november. Een groot interview met de ministers Bussemaker en Kamp was aan de kabinetsreactie gewijd. Erg instemmend was die reactie overigens niet. ‘We wisten het al’ en ‘we deden het al’ streden om voorrang.

En passant werd gemeld dat de kabinet af wil van de verplichting om een reactie te geven op de rapporten van de WRR en andere adviesorganen. D66 protesteerde meteen: het kabinet wil af van die kritische adviesorganen en meent het wel zonder te kunnen doen. Terwijl tegenspraak toch zo’n groot goed is in de democratie!

Er zijn hier twee zaken aan de hand: de verplichte kabinetsreactie op adviezen van adviesorganen en het belang van adviesorganen an sich. Eerst iets over het eerste, daarna de bredere vraag naar het belang van adviesorganen. Principieel is het juist om het kabinet te verplichten om inhoudelijk te reageren op adviezen van zijn eigen adviesorganen. Maar als voormalig lid van de WRR kan ik me geen moment in de geschiedenis herinneren waarop ik blij werd of warm of vrolijk of geestelijk rijker van een kabinetsreactie op één van onze rapporten. Inderdaad allemaal in de geest van ‘wij wisten het al’ en ‘wij deden het al’. Ga met je rapport de boer op, zorg dat iedereen ervan weet, ga met het kabinet in gesprek over je rapport, daar wordt iedereen wel beter van. Niet als je ambtenaren dwingt om binnen drie maanden alle Haagse bezweringsformules uit de kast te halen om dit potentiële gevaar onschadelijk te maken. Dus als het kabinet de bereidheid uitspreekt om tijd in te ruimen voor een goed gesprek over goede rapporten, bereik je meer dan wanneer de Haagse werkvloer zich aan een formele kabinetsreactie zet.

Nu die bredere vraag: hoe zinvol zijn die adviesorganen? Ik voeg eraan toe dat ik als planbureaudirecteur jaren waarnemer in de VROM-Raad ben geweest en dat ik momenteel nog geassocieerd lid ben van de Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur. Ik heb daarnaast drie jaar gewerkt op het ministerie van VROM en heb daar drie jaar lang die adviezen zich binnenstromen. Ik begrijp het ongenoegen van het kabinet. En ik zie de grote behoefte aan goede adviezen.

Vooraf: laten we een nadrukkelijk onderscheid maken tussen WRR en de andere adviesorganen. In principe wijst de WRR het kabinet op nieuwe ontwikkelingen, bij voorkeur ontwikkelingen die de sectoren overstijgen. Daarmee staat de WRR dichter bij de planbureaus dan de andere adviesorganen. Maar de positie is subtiel en precair: al gauw vertelt de WRR op dwingende toon aan het kabinet wat het nu echt moet doen. In Den Haag weet je dan al gauw welke privé-mening van welk raadslid daar wordt verwoord. Leuke mening van die man, maar wat moet ik ermee?

Bij de andere adviesorganen speelt dat gevaar een nog veel grotere rol. De adviezen zijn concreter en bovendien groter in aantal. Hoe voorkomen ze dat hun adviezen niet meer zijn dan de opvattingen van een toevallige groep betrokken burgers met enig verstand van zaken? Of nog erger: de mening van één raadslid die de wereld nog voor de laatste maal wil waarschuwen? Hoe interessant die mening ook mag zijn, het advies overstijgt hier niet de inhoud van de opiniepagina’s van de kwaliteitskranten. Waarom zou het kabinet zich moeten verantwoorden tegenover al die meningen? Hoe zit het ook al weer met de democratische legitimatie?

Een goed advies is dus eerder beschouwend dan dwingend. Tegelijkertijd hoort een adviesorgaan het politieke spel te beheersen en goed ingevoerd te zijn in de politieke context. Goede adviezen komen op het goede moment en weten de juiste toon te treffen. Goede adviezen weten een impasse te doorbreken, ze geven net het zetje dat de politiek nodig heeft. Of goede adviezen verwijzen alleen naar de toekomst zonder het beleid van vorig jaar bij de enkels af te breken. Laten we reëel zijn: wat had Kamp anders moeten zeggen over het commentaar van de WRR dat zijn topsectorenbeleid ‘onzinnig’ is? Hoe juist die conclusie van de WRR op dit punt ook is.

Het kabinet moet niet bang zijn voor tegenspraak en ophouden om eindeloos te snoeien in adviesorganen. Maar adviesorganen mogen zich nog wel eens beraden op hun rol en legitimatie. Voegt het advies op dit moment echt iets toe aan het politieke debat?

Recensie ‘Kennis en beleid verbinden’

november 1, 2012 by  
Filed under Geen categorie

Verschenen op: Beleidsonderzoek Online
Geschreven door: Thijs Lenderink

Wim Derksen is hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en heeft een adviespraktijk. Zijn werkervaring op het snijvlak van wetenschap en beleid bij onder andere VROM/RPB, en de mede door hem verzorgde masterclass ‘Kennis voor beleid’ (najaar 2010), zijn aanleiding voor het besproken boek. Het boek is geschreven uit verwondering: Nederland heeft veel kennisinstituten, maar te veel onderzoek wordt niet gebruikt voor beleidsmatige doelen en te veel beleid wordt ontwikkeld op grote afstand van kennis. ‘Kennis en beleid verbinden’ is vanuit deze verwondering geschreven: het is bedoeld als boek voor de beleidspraktijk, het heeft geen wetenschappelijke pretenties. In zijn boek stelt Derksen, op een heldere wijze, veel kwesties aan de orde die in de beleidspraktijk maar zeker ook bij het beleidsonderzoek spelen.

Bij ‘kennis’ en ‘beleid’ gaat het in dit boek grotendeels over de relatie tussen kennisinstituten van de overheid en hun opdrachtgevers bij de departementen, opdrachtgevers die strategisch beleid maken. Een vrij kleine en ‘Haagse’ doelgroep dus, gezien het uitgangspunt van het boek dat het vooral voor de beleidspraktijk is bedoeld. Het boek heeft de facto een veel groter bereik. Vele anderen kunnen er inzichten aan ontlenen: onderzoekers, operationeel beleidsmakers, leden van begeleidingscommissies, et cetera. Dit is zeker een verdienste van Derksen, die transparant schrijft en een overzichtelijke structuur hanteert in dit boek: korte en krachtige hoofdstukken met veel aandacht voor herkenbare en actuele casussen. Zoals hij zelf aangeeft, gaat het daarbij om voorbeelden uit zijn praktijk, zoals de ruimtelijke ordening, de infrastructuur, het milieu, de volkshuisvesting: het ‘fysieke domein’.

In het eerste deel van het boek wordt de relatie tussen kennis en beleid beschreven, en definieert Derksen de begrippen. Kennis maakt de onzekere toekomst minder onzeker. Er is expliciete en impliciete kennis: expliciete kennis is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, impliciete kennis is betekenis geven op basis van ervaring. Derksen beperkt zich tot expliciete kennis: kennis gebaseerd op nieuw en bestaand onderzoek, en hij verwijst voor impliciete kennis en kennismanagement naar anderen. Misschien kan dat in een tweede druk wel worden meegenomen?

Hoe meer (wetenschappelijke) kennis, des te beter kan de juistheid van de betreffende beleidstheorie ingeschat worden. Derksen maakt onderscheid tussen strategische kennis (richting, vormgeving beleid) versus operationele kennis (technische, juridische, politiek-bestuurlijke kennis). Operationele kennis is onmisbaar bij de concretisering en uitvoering van beleid. Strategische kennis biedt nieuwe antwoorden op bekende vragen, of leidt ook tot nieuwe vragen.

Kennis betreft niet alleen het beleid zelf, maar ook het gedrag van burgers en beleidsmakers. Zo verwijst Derksen naar het WRR-rapport De menselijke beslisser (2010): cognitieve vaardigheden voor het maken van keuzes zijn beperkt, voorkeuren zijn vaak niet consistent en het ontbreekt vaak aan wilskracht om geplande keuzes uit te voeren. Kennis betreft dus ook kennis van machtsrelaties en kennis van onbedoelde bijwerkingen van beleid. Derksen beschrijft in een casus een ‘spel om de macht’ tussen het Rijk en gemeenten met betrekking tot beschermde dorps- en stadsgezichten: niet de inhoud van het beleid van het Rijk speelde volgens hem hier de boventoon, maar juist dat het Rijk het beleid van de gemeenten vergaand wilde bepalen, leidde tot een tegenreactie van gemeenten. De indeling die Derksen hanteert, is niet altijd even duidelijk: de kennis van menselijk gedrag, en deze casus, worden door Derksen geordend onder kennis van de werking van beleidsinstrumenten.

Als het gaat om de relatie tussen kennis en beleid, haalt Derksen twee modellen aan: het kennisgebruiksmodel (benadrukt onafhankelijkheid, gescheiden werelden van beleid en kennis) en het coproductiemodel (samenwerken in alle fasen). Derksen neemt een tussenpositie in, met nadrukkelijk behoud van eigen verantwoordelijkheden van onderzoekers en beleidsmakers. Via voorbeelden maakt Derksen zijn insteek duidelijk: niemand is de baas, beleidsmakers en wetenschappers moeten zich beiden in hun eigen domein verantwoorden. Hij formuleert dit later kort op een aansprekende manier: hij stelt dat beleidsmakers en onderzoekers zich om elkaar moeten bekommeren, maar zich niet met elkaar moeten bemoeien.

In het tweede deel van het boek schetst Derksen een handleiding voor beleidsmakers. Deze handleiding is natuurlijk ook een reflectie op wat hij zelf in diverse rollen (bij kennisinstituut, bij universiteit, als beleidsambtenaar) heeft ervaren, en wat hij van anderen heeft opgestoken. Hij pleit, mede op basis van eigen ervaringen met dergelijk overleg (en blijkbaar op basis van voortschrijdend inzicht), voor meer informeel overleg tussen departementen en kennisinstituten. Verder licht hij de begrippen kenniskamer (top beleidsmakers overlegt met top kenniswereld) en kennisagenda (strategische agenda departement) toe. Beleidsmakers moeten openstaan voor nieuwe kennisvragen, kennisinstituten moeten geen onderzoek doen waar geen behoefte aan is, en beide moeten beseffen dat veel kennis al bestaat. De ins en outs van het begeleiden van onderzoek worden herkenbaar beschreven. De rol van de media in het krachtenveld kennis-beleid beschrijft Derksen wat als te vanzelfsprekend. In de praktijk haalt natuurlijk lang niet al het (strategisch) beleidsonderzoek de pers.

Omdat het boek is geschreven vanuit zijn werkervaring, is het niet verwonderlijk dat de auteur zelf figureert in een flink deel van de gebruikte casussen. Zijn eigen opvattingen komen mede hierdoor in het boek duidelijk naar voren. En dat is interessant: het kan bij de lezer leiden tot vraag- en/of uitroeptekens. Soms gaat Derksen wat korter door de bocht, bijvoorbeeld wanneer hij schrijft over ‘bestelkennis’: minder diepgravende kennis die wordt geleverd door commerciële onderzoeksbureaus met de bereidheid om de conclusies aan de wensen van de opdrachtgever aan te passen. Gelukkig spaart Derksen ook zichzelf in het boek niet, wat ook tegengewicht biedt aan de indruk dat hij bij de beschrijving van een enkel praktijkvoorbeeld alsnog de kans aangrijpt het ‘laatste woord’ te nemen.

Aan het eind van het boek stelt Derksen terecht dat het boek nog meer een leerboek is dan een praktijkboek. In het boek beschrijft hij immers hoe het zou moeten gaan in de praktijk, op basis van zijn eigen ervaringen en inzichten. Zijn streven is het beleid te verbeteren door kennis en beleid (veel) intensiever met elkaar te verbinden. Hij bepleit, in navolging van evidence-based medicine, evidence-based policy. Hij stelt deze Angelsaksische term tegenover een andere Angelsaksische term: fact-free politics. Het moge duidelijk zijn dat hij daar geen vertrouwen in heeft. Ook introduceert de auteur de term ‘grenswerkers’: intermediairs die nodig zijn om kennis en beleid te verbinden. Zoals hij er zelf een was toen hij op een ministerie werkte. Dit interessante concept zou Derksen een volgende keer misschien nog wat verder kunnen uitwerken.

Ofschoon Derksen in een voetnoot impliciet een tweede boek aankondigt waarin met name onderzoekers worden aangesproken, raad ik beleidsonderzoekers aan juist ook dit boek te lezen. Het is voor hen minstens zo leerzaam om te weten hoe er vanuit beleid naar onderzoek wordt gekeken dan andersom. Ik heb het boek in ieder geval geboeid gelezen. Het levert me meerdere nieuwe inzichten op (bijvoorbeeld over de evaluatie van het krachtwijkenbeleid) en bruikbare handvatten voor de onderzoekspraktijk (bijvoorbeeld over de spelregels van begeleidingscommissies en over het ‘Belgische model’). Ik zie ook uit naar een eventueel tweede boek, zeker als het lukt om nog wat meer casussen uit het sociale domein te beschrijven (waar de gewenste rolverdeling tussen kennis en beleid misschien wat minder makkelijk is te realiseren).