Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht

december 21, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Annemarie Kok schreef een prachtig stuk in S&D. Ze stelde de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’ en ‘doe-democratie’. We zouden de burgers veel vaker zelf moeten laten beslissen. Ook wel: meer democratie en minder politiek. En het is opvallend dat je dit geluid vooral van politici hoort. Kok vraagt zich af: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Jacques Wallage voelde zich aangevallen en reageerde met een verkeerde intonatie en met een verkeerde argumentatie. Alle reden om nog even erop terug te komen.

Ik vermoed dat Wallage heeft verzuimd het essay Binding genoeg te lezen dat aan de basis stond van Koks beschouwing in S&D. Misschien had hij dan anders gereageerd. Binding genoeg is een helder opgebouwd filosofisch betoog, verpakt in een brief aan Jane Jacobs. De stad Groningen, waar Annemarie Kok woont, fungeert als basis. Zoals in vele steden, en in nota’s van Plasterk en Wallage, bestaat er in Groningen zorg over de wegvallende sociale cohesie, het wegvallende gemeenschapsgevoel. En zoals elders wil de gemeente Groningen daaraan iets doen door de beslissingsmacht in handen van de burgers te leggen. Kok analyseert dat er met die sociale cohesie in de Nederlandse samenleving weinig mis is. Ja, de buurt is steeds minder een integrerend kader, maar is dat al zolang Jacques van Doorn daarop een halve eeuw geleden wees. De sociale cohesie is langs functionele weg opnieuw ingevuld. Het probleem bestaat dus niet. En volgens Kok mankeert er ook alles aan de oplossing, als er wel een probleem zou zijn.

In Binding genoeg geeft Kok hilarische voorbeelden. Ze beschrijft hoe ze verzeild raakt op een G1000-bijeenkomst waar ‘Stadjers’ (Groningers) samen plannen voor de toekomst van hun stad gaan smeden. Drie dringen vallen haar van deze conferentie op. Ten eerste is na een korte gedachtenwisseling al meteen duidelijk in welke richting de stad zich moet ontwikkelen en wordt voor het gemak aangenomen dat alle niet-aanwezigen het met deze richting wel eens zullen zijn. Ten tweede hebben professionals op de conferentie een bepalende rol, onder andere omdat ze aan elke tafel als gespreksleider optreden. Ten derde komt er uiteindelijk niets terecht van al die plannen die binnen in één dag zijn ontwikkeld en vastgesteld. Na een jaar is iedereen het gedoe weer vergeten.

Het tweede voorbeeld gaat over de Stripheldenbuurt in Almere, waar de gemeente burgers  verantwoordelijk heeft gemaakt voor de openbare ruimte (verlichting, bestrating, binnentuin en de riolering). Alweer vanuit de gedachte dat deze ‘gezamenlijkheid’ de sociale cohesie in de buurt zou versterken. En ook alweer vanuit de gedachte dat de burgers het over het gebruik van die openbare ruimte vanzelfsprekend eens zijn. Waarom zou de gemeente zich daar dan nog mee bemoeien? Nou, misschien wel omdat het gedrag van de ene burger negatieve effecten heeft voor de ander? Het hele onzinnige idee heeft uiteindelijk vooral tot burenconflicten, hoge kosten en hoofdpijn geleid.

Het derde voorbeeld moet Wallage zeker aanspreken. Al wandelend door de stad Groningen constateert Kok hoe blij de burgers nog steeds zijn met het Verkeerscirculatieplan dat door Max van den Berg en Jacques Wallage in de jaren 70 tegen veel weerstand (vooral van bedrijven en middelstand) is doorgevoerd, nee, is doorgedrukt. De politiek nam indertijd zijn verantwoordelijkheid. Het heeft de stad fundamenteel veranderd. Ten goede.

Het is des te opvallender dat Wallage nu zo’n andere positie inneemt. Ik kan me niet herinneren – ik woonde toen ook in Groningen – dat Max en Jacques indertijd veel pogingen hebben gedaan om de onwillige automobilisten en de klagende middenstand te laten meepraten. Laat staan: hen in het kader van burgerkracht de macht over te dragen. Wallage beargumenteert zijn ommezwaai overigens nogal onduidelijk. Hij beroept zich meermalen op het feit dat ‘de politiek het niet meer alleen kan’. Waarbij hij blijkbaar achteloos het begrip politiek voor zichzelf en de zijnen reserveert. Burgers moeten meedenken met het beleid. Je hebt draagvlak nodig. Hoogopgeleide burgers zijn immers in staat veel beleid te frustreren. Maar daarover gaat het stuk van Annemarie Kok helemaal niet. Kok is helemaal niet tegen transparantie of tegen een gesprek met burgers. Kok stelt zich te weer tegen de neiging van veel politici om zelf geheel plaats te maken voor de burger, wie dat dan ook is. Niet de burgers netjes laten meepraten en uiteindelijk zelf beslissen. Nee, gewoon alles over de schutting gooien bij de burger.

Wallage geeft nog een ander, veel grootser argument. Ik citeer: “De opkomst van populistische partijen in heel Europa moet allereerst worden gelezen als een protest tegen het feit dat de prijs van de globalisering wel erg eenzijdig wordt betaald door mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie.” Maar Jacques, is dat probleem met burgerkracht op te lossen? Het lijkt me dat hier internationale en nationale overheden aan zet zijn om ervoor te zorgen dat de maatschappelijke ongelijkheid niet veel te groot wordt en dat de kansen om mee te doen eerlijker worden verdeeld. Zeg maar: gewone sociaal-democratie en geen geneuzel over burgerkracht.

Persoonlijk blijf ik met veel vragen zitten na het debat over burgerkracht, doe-democratie, zelf-organisatie of hoe we die neiging van veel politici om hun werk aan burgers over te laten ook maar willen noemen.

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn als meer dan tachtig procent van de mensen gewoon gaat stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen? En waarom kan bij gebleken slijtage de representatieve democratie niet worden opgelapt, in plaats van haar met het troebele badwater van de doe-democratie weg te gooien. Als er bijvoorbeeld twijfels zijn over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten, waarom maken we het raadslidmaatschap dan niet aantrekkelijker (in plaats van ook nog eens het wachtgeld af te schaffen, meneer Plasterk)?
  • Zijn burgers bereid om burgerkracht te leveren? Ik citeer nog even Annemarie Kok op basis van veel studies: “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”.
  • Is iedereen in staat om de gevraagde burgerkracht te leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen graag op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Terwijl het vmbo nog steeds de populairste onderwijsvorm is. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen. Kok wijst terecht ook op de kloof tussen de onkundige burger en de professionals die al gauw de leiding overnemen in het debat.
  • Wat doen we met tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal op voorhand eens zijn met elkaar. Dat er sprake is van een win-win-situatie. Alleen het woord al. Maar zoals een verstandige wethouder mij laatste zei: “Wim, voor mij bestaat de burger helemaal niet; ik ken alleen de astmapatiënt die nog ongezonder wordt omdat andere burgers met oude diesels in de binnenstad willen rijden” Ja, wie krijgt dan zijn zin? Politiek is toch de gezaghebbende toedeling van waarden?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Allemaal onderwerpen waarop de samenleving zonder overheid en zonder politiek geen antwoord kan geven. Voor ons allen is het goed om nu iets aan het klimaat te doen, maar mij persoonlijk is het veel aantrekkelijker om te wachten tot een ander wat doet. Zou het kunnen zijn dat je juist van de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?
  • Hoe overheidscentrisch is dat denken over het vergroten van burgerkracht? Heel erg. De teksten van Plasterk over doe-democratie zijn bij uitstek paternalistisch. Ja, ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat “de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht”. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen?
  • Hoe naïef is dat denken over burgerkracht? Plasterk schreef met droge ogen dat we burgers moesten stimuleren om zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Gold dat ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvielen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant feitelijk legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken?
  • Dat brengt ons terug bij die centrale vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten. En dat zouden sociaal-democraten moeten weten.

 

[verschenen in Socialisme & Democratie, 2017, nr 6, pp. 48-50]

[zie ook: ‘De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten’ op deze site]

Zonder overheid geen zelforganisatie

oktober 5, 2014 by  
Filed under artikel

 

Armoede en armoedeval 

De opdracht aan de commissie was tomeloos saai, het eindresultaat staat me nog steeds voor de geest. Ergens halverwege de jaren 90 werd ik voorzitter van een interdepartementale commissie die zich moest buigen over de ‘harmonisatie van het inkomensbegrip bij de inkomensafhankelijke regelingen’. Ik begrijp nog steeds niet helemaal waarom ik aan dat verzoek heb voldaan. Achteraf was ik blij dat ik het had gedaan. Er broeide al snel iets in de commissie. Acht departementen waren vertegenwoordigd, de jonge Coen Teulings zat er namens Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De slimme economen (of is dat een tautologie?) waren in de meerderheid.

Omdat niemand het formele onderwerp van de commissie kon boeien, ontstond een discussie over voor- en nadelen van inkomensafhankelijke regelingen. En het leuke van zo’n commissie is dat je samen verder komt dan ieder afzonderlijk. Zo trokken we de zware conclusie dat inkomensafhankelijke regelingen meer nadelen dan voordelen hebben. Dat was een schokkend bericht in die tijd (en zou nog steeds een schokkend bericht zijn). Veel politici, en dan met name politici ter linker zijde, denken dat inkomensafhankelijke regelingen een hele kosteneffectieve manier zijn om armoede tegen te gaan en om (arme) burgers tot goede zaken te verleiden. Je geeft het geld alleen aan de mensen die het nodig hebben, mooier kan toch niet. Maar dat blijkt een schijnwereld, vooruitlopend op de rest van het verhaal: een schijnwereld binnen de systeemwereld van het beleid.

Wat zijn dan de nadelen van inkomensafhankelijke regelingen? Ten eerste: je doelgroep laat zich moeilijk omschrijven. Zie bijvoorbeeld de huurtoeslag, die indertijd nog huursubsidie werd genoemd. Door alle betrokkenen werd de huursubsidie vooral gezien als een instrument om de armoede te bestrijden. En omdat de meeste mensen in armoede ook in een huurhuis woonden, was de toeslag aan de hoogte van de huur gekoppeld. Dat gold voor ongeveer 900.000 gezinnen. Tegelijkertijd leefden 300.000 huishoudens in dezelfde armoede in een koophuis. Aan hen ging de ondersteuning voorbij. Beleid baseert zich op categorieën. En categorieën vormen een uitsnede uit de werkelijkheid. Soms komt die uitsnede aardig overeen met de bedoeling, soms minder.

Ten tweede: niet-gebruik. In een democratische rechtsstaat is het geven van subsidie terecht aan allerlei regels gebonden. Ook die regels maken deel uit van de systeemwereld van het beleid. In de leefwereld van de burgers worden die regels niet allemaal begrepen en onderkend. Mede daardoor maakte indertijd 30% van de mensen die formeel recht hadden op huursubsidie, daarvan geen gebruik. Ze vroegen het gewoon niet aan. Ze hadden vroeger eens tevergeefs een minimumpas aangevraagd en met die huursubsidie zou het wel net zo gaan. De systeemwereld van het beleid houdt helemaal geen rekening met niet-gebruik. In die wereld is de burger rationeel, en zal hij toch heus wel zijn geld ophalen. Dus: terwijl 1,2 miljoen huishoudens in armoede leefden, werden met de huursubsidie maar 600.000 gezinnen bereikt.

Ten derde: armoedeval. Er was nog een misschien wel veel groter bezwaar verbonden aan de inkomensafhankelijke regelingen. Elke sector leek zijn eigen inkomensafhankelijke regeling te hebben en niemand lette op het cumulatieve effect. VROM had de huursubsidie, waarvan Ad Melkert op Sociale Zaken en Werkgelegenheid de grootste verdediger was. Op WVC had je de kinderopvang, op OCW de studiefinanciering. En de gemeenten scholden de minima de lokale lasten kwijt. Elke regel verstoorde op zich al de arbeidsmarkt, maar al die regels bij elkaar hadden een verwoestend effect. Als je een uitkering had én de vruchten genoot van een aantal inkomensafhankelijke regelingen was je wel gek om een baan aan te nemen onder 130% van het minimumloon. Omdat de winst van het loon in feite geheel teniet werd gedaan door het inhouden van al die voordeeltjes voor de onderkant. De armoedeval. Ja, dat is nu de armoedeval ten voeten uit. Door al die heel goed bedoelde inkomensafhankelijke regelingen werden werklozen vastgezogen aan hun uitkering.

Er waren nog meer nadelen, maar die zijn hier minder relevant: paternalisme (waarom wel kinderopvang en geen bier en patat?) en verstoring van markten (mensen boven de armoedegrens brachten hun kinderen bij de grootouders). Waar het me hier omgaat is het contrast tussen de systeemwereld van het beleid en de leefwereld van de (arme) burgers. En zelfs in ons onderzoek konden we als Haagse denkers niet helemaal loskomen van die systeemwereld. Want ook wij konden die armoedeval alleen maar vanuit het systeem verklaren en niet bewijzen hoe de armoedeval zich in de praktijk openbaarde. Ik herinner me dat er alleen onderzoek bestond naar de kosten van een baan (kleding bijvoorbeeld), hetgeen de armoedeval alleen maar versterkte.

Systeemwereld

Ze zijn van Habermas, die twee begrippen: systeemwereld en leefwereld. Om mij mag je ook spreken over bestuurlijke werkelijkheid en maatschappelijke werkelijkheid. Maar het begrip systeemwereld is wellicht toch iets scherper: de wereld van beleid brengt zijn eigen systeem aan in de werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt gesegmenteerd (door beleidscategorieën), die werkelijkheid wordt sectoraal beleefd en die werkelijkheid kent zijn eigen regelsystemen, waarin de burger al gemakkelijk verdwaalt.

Je kan ook spreken over de logica van de organisatie versus de logica van de omgeving. Daarmee geef je goed aan dat de drie verschijnselen op zich heel logisch zijn. De overheid kan zelfs niet zonder. Als de overheid beleid wil voeren zal ze in een rechtsstaat helder moeten omschrijven waarop het beleid betrekking heeft en rechten en plichten helder in regelgeving moeten verankeren. Maar bizar is het soms wel.

Mijn vrouw en ik bezitten in Zeeland een huis, waar we vaak zijn. Voor ons een plek in de rust van de polder. Om ons heen staan nog 100 andere vergelijkbare woningen. Twee daarvan zijn van Duitsers die hun woning als ‘vakantiewoning’ gebruiken en het ook als zodanig verhuren. De rest wordt permanent bewoond. Als wij er toevallig in de vakantie zijn, is het doodstil op ons recreatiepark. Nee, toch zijn het geen normale woningen. Voor de overheid zijn het recreatiewoningen, hoewel men op departementen ook spreekt over ‘tweede woningen’. Het gaat zelfs zover dat als ik op het internet mijn postcode opzoek, ik de vermelding krijg ‘logiesfunctie’. Niet vreemd, want ook postcodes horen tot de systeemwereld. Maar hoe in strijd met de maatschappelijke werkelijkheid.

Er was eens een minister, Sybilla Dekker, die dit onderscheid uit de systeemwereld tussen eerste en tweede woningen maar onzin vond. Ze wilde van het onderscheid af. Ze had natuurlijk helemaal gelijk. In kwaliteit is er tegenwoordig helemaal geen verschil meer tussen eerste en tweede woningen. Beter gezegd: onze huizen in Zeeland zijn beter dan het gemiddelde huis in het oude dorp. Maar de beleidswereld wilde er niet aan. Ik heb in die tijd vele bizarre argumenten gehoord waarom het niet zou kunnen. Bijvoorbeeld omdat: de huizen niet voldoen aan de regels van het Bouwbesluit. Als men ergens niet permanent woont mag de trap steiler zijn. Mijn tante van 93 had er tot haar dood geen moeite mee. Onze huizen waren ook gebonden aan een bepaalde maximale inhoud. Maar huizen elders zijn veel kleiner. Bouwkundig is het onderscheid tussen eerste en tweede woningen inmiddels volledig achterhaald. Bijvoorbeeld omdat recreatiewoningen vaak zijn gelegen in de buurt van een natuurgebied. Je zou zeggen dat permanente bewoning te schadelijk is voor de natuur, maar dat is vaak niet het argument. Het juiste argument is: omdat de woning zo mooi gelegen is, moeten meer mensen ervan gebruik kunnen maken. De woning moet worden verhuurd. En dat bereik je blijkbaar door de eigenaar te verbieden er het hele jaar te zitten. Bijvoorbeeld omdat de woningen in waarde zouden stijgen als ze voortaan wel permanent bewoond mogen worden. En ook dat zou onrechtvaardig zijn.

Intussen worden tweede woningen op veel plekken in het land permanent bewoond. Tot grote tevredenheid van de bewoners. De tijd van de tochtige en muffe ‘zomerhuisjes’ ligt al weer ver achter ons. Een recreatiewoning is altijd een vreemde categorie geweest, maar de samenleving is inmiddels zo veranderd dat het een schijnwoord is geworden. Het verwijst niet meer naar de leefwereld, maar leeft slechts voort in de systeemwereld van het beleid. Vandaar ook de wonderlijke argumentatie om het onderscheid tussen eerste en tweede woningen formeel niet op te heffen.

Ook de regels horen bij de logica van de organisatie. En wetten zijn niet alleen een instrument van de overheid, maar juist ook een waarborg voor de burger. Een waarborg tegen willekeur. Het is de verdienste van de democratische rechtsstaat dat niet de uitvoerder bepaalt of iemand voor subsidie in aanmerking komt, maar dat de wetgever bepaalt welke beleidscategorieën voor die subsidie in aanmerking komen. En gelijke gevallen worden gelijk behandeld. Alleen zijn burgers zo ongelijk in hun vermogens om met de staat om te gaan. Bureaucratische vaardigheden zijn vaak onmisbaar om duidelijk te maken dat je een gelijk geval bent. Hierbij doet zich een boeiende paradox voor. Om het systeem rechtvaardiger te maken zien we vaak een verdere differentiëring van regels en categorieën. Maar hoe meer differentiatie, hoe groter de onzekerheid en hoe groter de beleidsvrijheid voor de uitvoerend ambtenaar. En het is de vraag hoe rechtvaardig een systeem is dat burgers afhankelijk maakt van de toevallige ambtenaar die als hun ‘case-manager’ is aangewezen.

Tenslotte: ook sectoraal hoort bij de logica van de organisatie. Het is ondenkbaar om dit land integraal, vanuit één departement te besturen. Zo heeft het voorstel van mijn commissie om alle inkomensafhankelijke regelingen te integreren in de belasting het ook niet gehaald. De regering is in al die jaren niet verder gekomen dan het besluit om de huurtoeslag door de Belastingdienst te laten uitvoeren. De gevolgen zijn bekend. Maar het was natuurlijk ook niet de bedoeling van mijn commissie om al die verschillende regelingen door de Belastingdienst te laten uitvoeren. Het was onze bedoeling dat er een generiek armoedebeleid kwam, los van de voorzieningen en los van de nadelen die aan al die inkomensafhankelijke regelingen waren verbonden.

Overigens heeft een sectorale benadering, ja zelfs verkokering, ook een functie. Door de verschillende belangen in verschillende departementen onder te brengen, is de kans groter dat ze beter worden gearticuleerd. Voordat VROM en Verkeer en Waterstaat waren gefuseerd was het ondenkbaar geweest dat DG Milieu niet betrokken zou zijn geweest bij de verhoging van de maximale snelheid op snelwegen tot 130 km/uur. Na de fusie bleek het mogelijk. Ik ken de bezwaren en ik begrijp de bezwaren tegen verkokering. Maar als verkokering vooral een weerspiegeling is van de tegengestelde belangen die in de samenleving bestaan, is er niks op tegen en heeft het zelfs meerwaarde.

De onvermijdelijke systeemwereld heeft wel nare gevolgen

De systeemwereld heeft dus iets ‘logisch’, het is onvermijdelijk dat er een ‘bestuurlijke werkelijkheid’ ontstaat naast de ‘maatschappelijke werkelijkheid’. Maar daarom hoeven we de gevolgen nog niet te ontkennen. En we zouden ook meer kunnen doen om de negatieve gevolgen van de kloof te verkleinen.

Inkomensafhankelijke regelingen zijn allemaal goedbedoeld: kansen geven, armoede bestrijden op een kosteneffectieve manier. Wie wil dat niet? En toch zien we dat de nadelen groter zijn dan de voordelen. Nog veel erger: elke kabinetsformatie worden er weer nieuwe inkomensafhankelijke regelingen bedacht. Op papier lijkt het zo eerlijk en zo rechtvaardig. Zo sociaal en sterk. Het is ook opvallend dat er wel veel bezwaren tegen het sociale leenstelsel zijn ingebracht vanwege de mogelijk preventieve werking, maar niet tegen de verstorende werking van het systeem op de arbeidsmarkt. Volgens het plan krijgen studenten geen studiefinanciering meer, maar gaan ze geld lenen dat ze na hun afstuderen moeten terugbetalen afhankelijk van de hoogte van hun inkomen. Velen zijn bang dat daarmee een dam wordt opgeworpen voor kansarmen, die zoveel schulden niet aandurven. En ik hoor niemand over het verstorend effect van het terugbetalen van de lening voor de arbeidsmarkt. Het nieuwe stelsel beloont immers het niet-maken van carrière. Precies wat inkomensafhankelijke regelingen altijd doen.

De systeemwereld van het beleid verstoort dus onze leefwereld en lang niet altijd in de richting die is beoogd. Herman van Gunsteren sprak in dit verband lang geleden al over de ongekende samenleving. Door een systeemwereld in te richtingen denken we dat we de leefwereld van burgers kennen. Maar dat is maar de vraag. We kennen vooral onze systeemwereld. En als we proberen te meten of het beleid in de leefwereld effect heeft, meten we ook heel vaak de effecten die het beleid binnen de systeemwereld heeft. Ik geef twee voorbeelden.

Politici zijn dol op ‘inkomensplaatjes’. Het CPB rekent door wat de maatregelen van het (nieuwe) kabinet betekenen voor de inkomens van ‘de mensen’. Modaal gaat er 0,2% op vooruit, de AOW-ers gaan er zelfs 0,4% op vooruit. Iedereen begint te beseffen dat dit soort cijfers interessant zijn voor de politieke retoriek, maar in feite natuurlijk niks zeggen. Wat zijn AOW-ers? Zijn dat mensen die alleen maar AOW ontvangen of zijn het alle mensen die AOW ontvangen, dus ook de babyboomers met hun aardige vermogens (40% van de gepensioneerden heeft momenteel een vermogen van minimaal € 2 ton). De verschillen binnen de categorie zijn gewoon te groot, waardoor die enkele percentages geen enkele zeggingskracht hebben. Om die reden schetst het CPB tegenwoordig een ‘puntenwolk’. Er worden soorten AOW-ers onderscheiden, vele soorten. Dat is een interessante verbetering, maar nog steeds gaat het om categorieën binnen de systeemwereld.

Het tweede voorbeeld is simpeler, maar misschien nog sprekender. Ik had eens een gesprek met de directeur van het CPB. We spraken over inflatie en in welke mate in de inflatiecijfers de kwaliteitsverbetering van de producten wordt meegenomen (denk aan de laptop die elk jaar beter is, maar bijna altijd evenveel kost). Het ironische antwoord van de directeur: er is niks aan de hand als wij dezelfde definitie hanteren als het CBS, want wij voorspellen niet de toekomst, ‘wij voorspellen alleen wat het CBS volgend jaar zal vinden’.

In werkelijkheid heeft de overheid natuurlijk veel last van die ongekende samenleving, van het niet voldoende kennen van de samenleving. Wie de samenleving onvoldoende kent, kan moeilijk effectief zijn. Het cynische is wel dat de overheid ook moeilijk achteraf kan vaststellen hoe ineffectief het beleid is geweest, omdat de samenleving zo slecht wordt gekend.

De maatman

Dat is de ene kant van de medaille: de overheid zit zo vast in zijn eigen systeemwereld dat de samenleving maar slecht wordt gekend. De andere kant: op hun beurt begrijpen burgers soms nauwelijks waar de overheid mee bezig is. Een hele goede vriendin van me zit gedeeltelijk in de WIA, wat vroeger de WAO was. In het begin van 2014 kreeg ze een brief van het UWV. Dat ze in 2008 € 6.000 te veel had ontvangen. Dat ze het moest terugbetalen. Als ze binnen twee weken betaalde, hoefde ze maar € 3.000 over te maken. Ze maakte de afweging dat € 3.000 veel geld is. Dus eerst maar betalen en daarna vragen waarom ze eigenlijk moest betalen. Een bevredigend antwoord op die laatste vraag heeft ze nooit ontvangen. Of men kon de papieren niet meteen vinden, of men wist het ook niet. Op de vraag wie dan besloten had dat er een tekort was van € 6.000, kwam in ieder geval geen antwoord. De discussie eindigde na maanden in het toezenden van vele papieren, die voor een academisch gevormde vrouw niet te begrijpen waren. Het symbool van de systeemwereld van het UWV is de ‘maatman’. Iedereen die in de WIA ‘zit’ heeft een maatman, een maat voor alle dingen. Geen idee wat het is? Ik ook niet.

Wie een overheid wil, krijgt een systeemwereld. Het is onvermijdelijk. Maar het is goed om aandacht te hebben voor de nadelen. Ik besef: dat is bijna beledigend voor al die gemotiveerde medewerkers die oprecht de publieke zaak willen dienen. Dat is helemaal niet mijn bedoeling. Ik heb juist veel respect voor hen. Maar door de hardnekkigheid van de systeemwereld kunnen beleidsmedewerkers wel erg in de fout gaan. Onlangs maakte ik nog een leergang voor beleidsmedewerkers van een departement mee waarin de docent zich aan het einde van de dag enigszins wanhopig afvroeg of zijn cursisten voor elk denkbaar probleem van de burgers een oplossing wilden bedenken. Of ze zich nooit afvroegen of die burgers die problemen misschien zelf beter zouden kunnen oplossen. En of ze wel zeker wisten dat de burgers de hen toegedichte problemen ook werkelijk hadden.

Eenzelfde gevoel bekruipt me als beleidsmedewerkers over ‘beleidsknoppen’ gaan praten. Aan welke knop kan ik draaien om het probleem op te lossen? Alsof de hele wereld een systeem is, dat met knoppen vanuit een departement valt te bedienen. Het vervelende is dat de systeemwereld van het beleid inderdaad zo is te bedienen. Maar of daarmee de leefwereld van de burgers ook wordt bereikt, is maar zeer de vraag.

Zonder overheid geen zelforganisatie

‘Van systemen naar mensen’. Onder deze vlag wordt er gewerkt aan de decentralisatie van de jeugdzorg, de AWBZ en de participatiewet. Wat een prachtige illustratie van het bovenstaande verhaal. Maar het logo zegt meer. Ten eerste: de beleidsmakers zijn zich erg bewust van de kloof tussen de systeemwereld en de leefwereld van mensen. Ten tweede: ze willen die kloof overbruggen. Ten derde: ze hebben geen benul hoe groot de kloof is. Ten vierde: ze beseffen onvoldoende dat een zekere afstand tussen beide wereld onvermijdelijk is en zelfs gewenst. Eerlijk gezegd hoef ik de overheid niet op mijn verjaardag.

Natuurlijk, het is erg positief dat de overheid zich bewust is van het onderscheid tussen de twee werelden, de systeemwereld en de leefwereld. Maar het heeft geen zin om te doen alsof we wel zonder kunnen. In dit verband is de discussie over ‘zelforganisatie’ heel boeiend. Het is een woord wat je even moet proeven. Je moet even doen alsof je nog nooit in Den Haag bent geweest. Je bent bestuurslid van je hardloopclub of je bent voorzitter van de weekendcommissie van je orkest. En dan hoor je voor het eerst in je leven het woord ‘zelforganisatie’. De maatschappij organiseert zichzelf. Maar het woord ‘zelf’ heeft alleen betekenis in het licht van een ander. ‘Wij hoeven het niet te doen, ze doen het zelf’. ‘Gemeente, we willen het zelf doen.’ Zonder overheid is er geen zelf, en is er geen zelforganisatie. Dan organiseren burgers zich gewoon.

Toch is het goed dat beleidsmakers oog krijgen voor ‘zelforganisatie’, voor de wijze waarop mensen zich organiseren in hun eigen leefwereld. Die aandacht is overigens niet altijd zonder eigen belang. Zelforganisatie wordt namelijk nog wel eens verengd tot die situaties waarin de bevolking taken op zich neemt die voorheen de verantwoordelijkheid van de overheid waren. Zo kom je in bijna elke presentatie over zelforganisatie ‘de Nieuwe Leeszaal’ uit Rotterdam-West tegen. Een leeszaal die is opgezet door particulieren (zelforganisatie), nadat de overheid de wijkbibliotheek had gesloten. Is het uit een soort van schuldgevoel dat deze vormen van zelforganisatie vooral door overheidsdienaren worden bejubeld? Doet zich een vergelijkbaar fenomeen voor bij het bejubelen van de ‘energieke samenleving’ door beleidsmakers die zien dat de overheid zelf op tal van terreinen te weinig voortgang boekt?

Ik word helemaal huiverig als diezelfde overheid, die publieke taken laat liggen dan wel heeft afgestoten, vormen van zelforganisatie wil gaan initiëren. Justus Uitermark stelde mijn cursisten eens de vraag waarom de overheid denkt zelforganisatie te kunnen organiseren, als zij zelf al niet eens in staat is om de publieke taak te behartigen waarvoor die zelforganisatie verantwoordelijk zou moeten worden. Een moeilijke vraag. Om te beantwoorden. Is zelforganisatie door anderen te organiseren? Of is dat nu juist een contradictio in terminis?

Maar er gaat een nog ingewikkelder vraag achter schuil. Willen we dat de overheid de organisatie van de leefwereld ter hand neemt? Je kan zeggen: die systeemwereld van de overheid beïnvloedt permanent de leefwereld van burgers. Dat klopt. Habermas sprak ooit over de kolonisering van de leefwereld. Maar hier gaat het toch wel een stap verder. Mag de samenleving niet zelf besluiten wat haar te doen staat als de overheid om legitieme redenen besluit om bepaald publieke taken niet meer te uit te voeren?

Achterin de klas

Het schijnt dat Sander Dekker als staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onlangs zelfs een week lang achterin de klas is gaan zitten. De klas dacht de hele week dat die aardige krullebol een stagiaire was. Hij zat er niet voor het eerst. Hij en zijn collega Jet Bussemaker doen heel veel moeite om te zien hoe hun beleid in de praktijk uitpakt. Dat is zeer te loven. Ze willen daarbij niet alleen afhankelijk zijn van de koepels en de bonden die het middenveld tussen school en departement bevolken. Ze willen in de leefwereld van de klas zien hoe de maatregelen uitpakken. En wat er in het algemeen schort aan het onderwijs.

De bewindspersonen zoeken de leefwereld van de klas op. Maar wat gaan ze met hun ervaringen doen? Leiden die tot nieuwe beleidsmaatregelen? Vertalen ze hun ervaringen uit de leefwereld weer naar hun eigen systeemwereld? Of concluderen ze dat die maatregelen uit de systeemwereld al jaren dezelfde doelen beogen, en dat die doelen ondanks al die beleidsmaatregelen blijkbaar nooit helemaal zijn bereikt? De bewindspersonen van OCW zijn toch niet zo wereldvreemd dat ze achter in de klas vooral zitten te bedenken aan welke beleidsknoppen ze bij thuiskomst moeten gaan draaien?

Toch is de systeemwereld je wereld als beleidsmaker. Als je er vies van wordt om aan beleidsknoppen te draaien, moet je een andere baan gaan zoeken. Wel kan je beginnen met heel goed te analyseren wat de dominante factoren zijn in die leefwereld van de klas. Ik denk dat Jet en Sander goed zullen zien dat het onderwijs primair niet door de verantwoordingsbureaucratie van de Inspectie maar door de betrokkenheid van de docenten een succes kan worden. Professionele en betrokken leerkrachten trekken het onderwijs. Collegialiteit en vertrouwen zijn daarbij belangrijk. De oprukkende systeemwereld in het onderwijs lijkt deze basiswaarden eerder aan te tasten dan te ondersteunen. Misschien is daarom het losdraaien van de beleidsknoppen in het onderwijsveld (systeemterm) wel het beste antwoord.

Andere cultuur

Het dilemma van de systeemwereld en de leefwereld kan per definitie niet worden opgelost. Daarvoor is het een dilemma. Maar beide werelden kunnen wel meer in evenwicht met elkaar worden gebracht. Zowel het opgaan in de systeemwereld (denken dat je vanuit een departement het onderwijs kan fine tunen), als het vereenzelvigen met de leefwereld (achter in de klas gaan zitten) bieden geen oplossing. De systeemwereld moet meer recht doen aan de leefwereld van de klas. Voor mijzelf zou ik enkele voorzichtige conclusies trekken:

  • beleidsmakers zien nogal eens te veel problemen en willen te vaak die problemen voor anderen oplossen;
  • beleidsmakers (politici en ambtenaren) hebben te vaak de neiging om het beleid vanwege allerlei legitieme principes verder te differentiëren naar categorieën, terwijl generiek beleid vaak veel minder nadelen heeft (niet voor niets is er na elke tien jaar weer dringend behoefte aan een vereenvoudiging van het belastingstelsel);
  • beleidsmakers moeten zich veel meer bewust zijn van het feit dat hun eigen termen soms maar moeizaam passen op de werkelijkheid van de burgers;
  • in het algemeen zou prudentie een heel goed uitgangspunt zijn: prudentie met de burger en prudentie met de professional, bijvoorbeeld;
  • de ongekendheid van de leefwereld vraagt vaak om een andere manier van leren; daarover gaat het volgende hoofdstuk.

Al deze richtingen wijzen niet in de richting van een andere structuur van het departement [in dat verband valt nog even te denken aan de vaak moeizame pogingen om tot één loket te komen voor bedrijven of tot één loket voor die ene vraag van de burger (dakkapel)]. Ze wijzen vooral in de richting van een andere cultuur. Een nog grotere opgave dus.

Buurtmoestuinen veranderen de samenleving niet

mei 2, 2014 by  
Filed under De Stad

Je hoort het tegenwoordig gelukkig minder vaak: “Iedereen heeft zijn eigen waarheid”. Ik vond dat nooit zo’n prettige uitdrukking. Ik begrijp heel goed dat iedereen de werkelijkheid met zijn eigen bril beziet, maar als iedereen zijn eigen waarheid zou hebben, is alles waar en heeft een gesprek over die werkelijkheid nog maar weinig zin. Veel erger: ook onderzoek doen naar de sociale werkelijkheid met al zijn waarborgen van betrouwbaarheid en validiteit, zou geen zin meer hebben, omdat elke kritiek kan worden weerlegd met het argument: “Dit is jouw waarheid”.

Dat gevoel bekroop me bij het lezen van het boek van Mariska van den Berg over nieuwe collectieven in het publiek domein onder de titel Stedelingen veranderen de stad. Ik heb zelden zo’n goed geschreven en goed gedocumenteerd boek gelezen, dat zoveel onwaarheid bevat. Of misschien moet ik zeggen: zoveel hoop en zoveel geloof dat de wereld er anders uitziet dan in werkelijkheid het geval is. En dat is jammer, want het onderwerp is ontzettend interessant. En ook jammer omdat het boek verder zo boeiend is.

Het begint al in de eerste zin. Van den Berg ziet een hausse aan initiatieven waarmee stedelingen naar eigen inzicht invulling geven aan het openbaar gebied in de stad. Maar is dat werkelijk geval? Is er sprake van een hausse? Of is dat wensdenken? Na een boeiend essay volgen 18 voorbeelden, waarvan verschillende uit het buitenland. Het gaat hier van buurtmoestuinen naar pogingen om de Binckhorst in Den Haag te veranderen. De verhaaltjes eindigen niet zelden een beetje treurig: het project is inmiddels opgeheven of heeft het anderszins erg moeilijk.

Ik neem het Mariska van den Berg helemaal niet kwalijk dat ze erin gelooft en in blijft geloven. Ik waardeer het ook dat ze na een aantal pagina’s opmerkt dat ze niet ‘neutraal’ in het onderwerp staat, ‘om uiting te kunnen geven aan haar betrokkenheid’. Bovendien doet ze zelf mee aan een van de beschreven projecten. Dat ze niet neutraal is, was overigens al gebleken. Zo komt gentrificatie niet voort uit maatschappelijke initiatieven, maar is alleen actievoeren tegen gentrificatie een voorbeeld van maatschappelijk initiatief. Ze pleit ook voor de inrichting van de stedelijke ruimte ‘vrij van commerciële belangen’. Het moet om de mensen zelf gaan en niet om de hoogste bieder, die waarschijnlijk toch ook wel een mens zal zijn geweest. We moeten werken aan de openbare ruimte buiten de ‘professionele kaders om’. Argument: in het beleid krijgt de economische waarde van het vastgoed steevast voorrang op de gebruikswaarde van de stad en menselijke behoeften. In de wereld van Van den Berg gaat het daartegen altijd om ‘buurtbewoners, kunstenaar, ontwerpers en activisten’. Ik ben een groot voorstander van maatschappelijke initiatieven, maar ben blij dat de overheid zich ook nog met de stedelijke ruimte bemoeit, als die vier categorieën het enige alternatief zouden zijn.

Ik heb nog een derde bezwaar, voordat ik overga op al die interessante maatschappelijke initiatieven: het ontstaan van geveltuintjes (letterlijk genoemd) staat hier model voor een ‘samenleving die op een punt is gekomen waarop ze zichzelf opnieuw moet uitvinden’. Het einde van de verzorgingsstaat en de komst van de participatiesamenleving, alles wordt erbij gehaald. En dat is gewoon jammer.

Hoe boeiend is dan ook het contrast met het derde deel van het boek, na het essay en na de voorbeeldprojecten, waar Van den Berg een aantal interessante denkers interviewt. In haar vragen betreedt Van den Berg een heel andere werkelijkheid. Zo zegt ze zelf: “De initiatieven die ik onderzocht zijn marginale speldenprikjes in het bestaande stedelijk weefsel”. Al blijven het proefmoestuintjes van stedebouw van onderop. Met name het laatste interview met Sadik Harchaoui is niet alleen interessant, maar vooral onthullend. Van den Berg noemt het advies van de RMO, waarvan Harchaoui voorzitter is, zelfs bedreigend waar de RMO ervoor pleit om de inhoudelijke zeggenschap van de burgers te koppelen aan financiële verantwoordelijkheid. Van den Berg wilde net voorstellen dat de overheid al die maatschappelijke initiatieven veel meer van een solide financiële basis zou moeten voorzien.

Ik voel me vrij om met mijn eigen ‘waarheid’ af te ronden.

  • Ik juich dit soort maatschappelijke initiatieven enorm toe. Ze zijn van groot belang voor het welbevinden van de burgers. En hoe meer burgers bijdragen aan het publiek domein hoe interessanter de lokale democratie wordt. Ik deel dus de mening van Mariska van den Berg dat bottom-up initiatieven serieus moeten worden genomen en dat de lokale overheid er (veel meer) ruimte aan moet bieden.
  • Ik ben blij me elke poging om de gesloten overheidscultuur uit te dagen en met elke poging om nieuwe invulling te geven aan het begrip lokale democratie.
  • Ook als het om een hausse zou gaan, blijven het ingrepen op micro-niveau. Bij ingrepen op macro-niveau zal de strijd om belangen die stedebouw en ruimtelijke ordening zo kenmerkt, altijd weer opduiken. Ik ben blij als er een overheid is die een bepalende rol speelt bij het beslechten van die strijd. Ik vrees dat anders vastgoedwaarde en commerciële belangen geheel doorslaggevend zullen zijn.
  • In dat opzicht is het zo jammer dat de ruimtelijke ordening (en de stedebouw) het geld en de weg lijken kwijt te zijn. Natuurlijk heeft de transitie van een op maakbaarheid en modernisme gebaseerde ruimtelijke ordening tijd nodig. Maar het wordt wel tijd om de nieuwe ruimtelijke ordening eens echt in de steigers te zetten: een ruimtelijke ordening die veel meer aansluit bij de initiatieven van burgers en tegelijkertijd anticipeert op de nieuwe maatschappelijke vraagstukken.

 

De toekomst van de stad – advies van de RLi

mei 1, 2014 by  
Filed under De Stad

De Raad voor de Leefomgeving en infrastructuur heeft een kloek rapport afgeleverd over de toekomst van de stad. Er ligt een uitgebreide studie aan ten grondslag. Veel literatuur is geraadpleegd, vele deskundigen zijn gesproken. Het siert de RLi dat zoveel werk is gemaakt van dit belangrijke onderwerp. Het rapport valt in twee delen uiteen: het advies en de analyse. Eerst iets over de analyse.

In de analyse worden vier opgaven voor de stad onderscheiden: het versterken en verbinden van economie en kennis, het vergroten van de connectiviteit van de steden, de transformatie van de gebouwde omgeving en de verbetering van openbare ruimte en publiek domein. Daarnaast wordt een paragraaf gewijd aan het onderwerp zelforganisatie. Dat is een tamelijk bekend lijstje. Het is het lijstje van ‘de triomf van de stad’. Steden doen het steeds beter door een concentratie van kennis en economie. Maar toch is het lijstje opgaven ook verrassend. Ik mis de schaduwzijde van de ‘triomf van de stad’ namelijk geheel. Niets over Amsterdam-buiten-de-ring, niets over Rotterdam-Zuid, niets over Heerlen of Enschede. Terwijl de triomf van de stad niet alleen aan bepaalde steden voorbij gaat, maar ook aan hele bevolkingsgroepen. Misschien nog opvallender is het ontbreken van elke gedachte over duurzaamheid, energieneutraliteit, luchtkwaliteit en dergelijke. En ten slotte ontbreekt de notie dat veel steden nog aanzienlijk zullen groeien in de komende decennia. Terwijl het hier toch gaat over ‘de toekomst van de stad’. Ik geef toe: dat onderwerp is ook wel heel breed.

Hoe belangrijk de onderliggende analyse ook is, het gaat bij een adviesorgaan uiteindelijk om het advies. Ik vat het advies kort samen.

De RLi ziet veel kansen voor ‘zelforganisatie’: maatschappelijke initiatieven. De overheid moet meer belemmeringen voor dergelijke initiatieven wegnemen. De maatschappelijke verschillen die het gevolg van zelforganisatie kunnen zijn moeten deels worden geaccepteerd (waar de buurtbibliotheek komt is immers afhankelijk van het maatschappelijke initiatief).

Daarnaast moet de complementariteit tussen en binnen stedelijke regio’s door nationale en lokale overheden worden versterkt. Het Rijk moet om die reden het topsectorenbeleid een ruimtelijk accent geven en de steden moeten meer investeren in hun eigen identiteit en kracht en waar nodig lenen van de buren. Vooral nieuwe infrastructuur moet de complementariteit van de steden vergroten.

Vervolgens moet de overheid zich meer richten op de transformatie van het bestaande. De tijden van grote nieuwbouw liggen achter ons. Gemeenten moeten hun grondposities afwaarderen. Dat dit voor jaren ten koste zal gaan van de gemeentelijke begroting wordt daarbij niet vermeld.

En ten slotte is een goed bestuur van de stad een vereiste, dat zowel robuust als veerkrachtig is. Overigens kunnen we dat laatste iedereen toewensen. Goed bestuur houdt onder andere in dat wordt ingezet op goede samenwerkingsrelaties. ‘Regionaal samenwerkende gemeenten zijn de dragers van de toekomst’. Gemeenten kunnen op dit punt al veel, maar het instellen van een regiofonds kan een extra stimulans zijn. Het gaat hier niet alleen om de schaal van het stadsgewest (centrumgemeente en randgemeenten), maar ook om de schaal van Rotterdam-Den Haag en Amsterdam-Utrecht. Samenwerking tussen Amsterdam en Eindhoven is een stap te ver.

Rest de vraag: wat moeten we ervan vinden? Nogmaals, het is goed dat de RLi dit grote onderwerp ter hand heeft genomen. Het is ook goed dat adviesorganen nieuwe kennis voor het beleid duiden en van richting voorzien. Ik zie ook dat, zoals gezegd, de analyse wat beperkt was en dat die inperking (of moet ik zeggen: verschraling) zich in de aanbevelingen nadrukkelijk voortzet. Zeker als we bedenken dat dit advies niet alleen in Den Haag zal worden gelezen, maar ook in de steden. De steden moeten meer samenwerken en meer ruimte geven aan zelforganisatie. Ik vrees dat dat de belangrijkste conclusies zijn die na lezing van de soms wat wollige teksten zullen overblijven.

Daarnaast zijn beide aanbevelingen niet overtuigend onderbouwd. Ten aanzien van de samenwerking wordt verwezen naar een begrip dat je tegenwoordig in elk debat wel een paar keer tegenkomt: borrowed size. Simpel: de Nederlandse steden zijn qua schaal en dichtheid te klein om met London en Parijs te kunnen concurreren. In de Randstad wonen wel ongeveer evenveel mensen, maar ze wonen te gefragmenteerd. Volgens economen kost dat de Randstad 18% aan functies, wat dat ook mag betekenen. Ik geloof dat graag, hoewel ik me altijd wel verbaas over de hoge positie van Nederland als land op tal van economische lijstjes. Zou het ook kunnen zijn dat de concurrentie tussen onze steden Nederland internationaal groot maakt of dat andere dingen dan schaal en dichtheid een misschien wel even grote rol spelen?

Bovendien: ik begrijp dat hele begrip borrowed size nog steeds niet helemaal. Moet ik nu begrijpen dat Den Haag internationaal te klein is (overigens niet te klein om al meer dan 80 internationale organisaties naar binnen te halen!) en om die reden meer van de Rotterdamse schaal zou moeten profiteren? En hoe moet ik me dat profiteren dan voorstellen? Ik weet dat het in de stedelijke economie gaat om agglomeratievoordelen. De stad heeft meer te bieden dan het platteland omdat de dichtheid een groter afzetgebied garandeert en een grotere en interessantere arbeidsmarkt; en omdat dichtheid leidt tot meer contacten en contacten leiden tot innovaties. Maar als de mensen uit Rotterdam nauwelijks in Den Haag werken en omgekeerd al helemaal niet het geval is, nemen de agglomeratievoordelen niet toe als we doen alsof die twee steden voortaan één stad zijn.

Het doet men denken aan het wilde plan om de universiteiten van Rotterdam, Delft en Leiden samen te voegen. Dan zouden we inderdaad enorm stijgen op de internationale lijstjes. Maar het onderzoek en het onderwijs zouden er op zich geen snars beter van worden. Tenzij we de dichtheid zouden vergroten door afdelingen van de ene universiteit met afdelingen van de andere samen te voegen. Helaas voeg je de steden Rotterdam en Den Haag niet zo gemakkelijk samen.

De arbeidsmarkten van Rotterdam en Den Haag kunnen elkaar alleen versterken als we de verbindingen, infrastructuur én vervoer, verbeteren. Pas op dat moment wordt het aantrekkelijker om van de ene naar de andere stad te forensen. En wordt de overlap tussen de arbeidsmarkten van beide steden groter. En kan Den Haag dus meer van de Rotterdamse beroepsbevolking profiteren en omgekeerd. Conclusie: regionale samenwerking kan nooit kwaad, bijvoorbeeld om de verbindingen te verbeteren. Maar samenwerking op zich zal weinig effect hebben, als onduidelijk is welke instrumenten voor agglomeratievorming daarmee voorhanden komen.

Ook bij het begrip zelforganisatie valt nog wel iets meer op te merken. Zo maakt het mij wat argwanend dat alle studies over zelforganisatie beginnen of eindigen met die ene buurtbibliotheek in Rotterdam-West. Een prachtig initiatief, maar hoe vaak komt het nu werkelijk voor dat de samenleving taken op zich neemt die door de overheid zijn afgestoten? In Den Haag zijn 6 van de 18 bibliotheekfilialen gesloten. Ik geloof niet dat er ook maar ergens een nieuwe bibliotheek door buurtbewoners is ingericht. Bovendien kom ik zelforganisatie te veel tegen in de Haagse Vogelwijk en te weinig in Transvaal, waar zelforganisatie veel eerder staat voor eigen richting.

Daarnaast wordt het hoog tijd voor een vertoog-analyse van het woord ‘zelforganisatie’. Is het iets wat burgers graag willen of is het juist iets wat de overheid de laatste jaren voorstaat, omdat er fors moet worden bezuinigd? Of wordt zelforganisatie vooral toegejuicht door wat progressievere ambtenaren die onder een rechtse minister of wethouder een paar pilaartjes van de verzorgingsstaat moeten afbreken? Of is het een nieuw en verfrissend inzicht dat een stad niet door een het stadsbestuur wordt gemaakt? En hoe waar is die laatste gedachte? Inderdaad, ik word een beetje kriegel van al die pleidooien voor zelforganisatie.

Tot slot proef ik een zekere tegenstrijdigheid in het rapport. Bij de regionale samenwerking lijkt de RLi de betekenis van de overheidssturing nogal te overschatten, alsof alleen het oprichten van een Metropoolregio Rotterdam-Den Haag al tot agglomeratievoordelen zal leiden. Tegelijkertijd wordt in het hoofdstuk over de zelforganisatie juist gepleit om aan te sluiten bij maatschappelijke initiatieven. Een systeemoplossing met weinig perspectief versus aansluiten bij de leefwereld van de burgers. Een opvallende combi.