Verbouwing website

juli 13, 2021 by  
Filed under Voorpagina

Mijn website wordt momenteel verbouwd. Excuus als er soms wat materiaal van de steigers valt. Na de verbouwing keert de rust terug en is alles beter.

Vanwaar 14 augustus, kabinet #COVID-19

juli 11, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het kabinet heeft zich in de nesten gewerkt. Het OMT maande nog voorzichtig te zijn, maar twee weken geleden gingen alle remmen los. Vreugde alom. We gingen van de ene op de andere dag terug naar het ‘oude normaal’. Alle anderhalve meters waren vergeten, er werd weer gezoend en handen werden niet meer gewassen. Binnen een week liep het aantal positieve tests op tot boven de 10.000 per dag. En toen moesten de maatregelen toch weer worden aangescherpt. Rutte en De Jonge straalden uit dat hun geen enkele blaam trof en dat ze toch gewoon hadden gehandeld conform de adviezen van het OMT. Dat laatste was in ieder geval niet waar. Maar trof het kabinet wel blaam?

Het kabinet zegt al vanaf het begin van de coronacrisis twee doelen na te streven: het beschermen van de kwetsbaren en het voorkomen van overbelasting van de zorg. In dat licht was er twee weken geleden alle reden om de maatregelen te versoepelen. Het aantal ziekenhuisopnames was geminimaliseerd, de IC-bezetting was laag en de instroom in de ziekenhuizen én de instroom op de IC vertoonde nog steeds een duidelijk dalende lijn. Bovendien was er al maanden geen sprake meer van oversterfte door COVID-19. Eerlijk gezegd: ik vond het een wijs besluit. Althans vanuit mijn optiek. 

Maar vanuit de optiek van het kabinet was het een voorbarig besluit. Om één simpele reden: het kabinet weet niet goed op welke cijfers het wil sturen. Gaat het om de bescherming van de kwetsbaren, gaat het om het tegengaan van de overbelasting van de zorg, gaat het om de economie, om het onderwijs, om de cultuur, om de samenleving? Nee, het gaat nu plotseling weer om het aantal positieve tests dat per dag is afgenomen. Ja, natuurlijk een besmetting kan uiteindelijk leiden tot een IC-opname. Maar die kans is inmiddels wel heel erg klein nu het vooral gaat om jongeren tussen 15 en 25. Nee, er is geen 100% zekerheid. Zoals je in het verkeer ook nooit 100% zekerheid hebt dat je er levend uitkomt. En zoals er elke week in Nederland bijna 3000 mensen sterven, onder wie ook jongeren. Een mens heeft met risico’s te leven, een regering moet met risico’s kunnen omgaan. 

Ik geef toe: als ik politicus was had ik de druk vanuit de publieke opinie wellicht ook niet kunnen weerstaan. En was ik ook weer achter dat katheder gekropen om die mooie door ambtenaren geformuleerde volzinnen voor te dragen. Maar in feite heeft het kabinet maar één argument: we weten niet zeker hoe de instroom in de ziekenhuizen zich binnenkort ontwikkelt. Want die 10.000 besmettingen zijn geen argument om de festivals weer af te blazen. Alleen de kans op een toename van de belasting van de zorg kan hier als argument gelden. 

De nieuwe maatregelen gelden voorlopig tot 14 augustus. Maar wat is op dat moment het ijkpunt? De instroom in de zorg of het aantal nieuwe besmettingen? Stel dat we dan nog steeds zitten met 10.000 nieuwe besmettingen per dag. En stel dat de instroom in de zorg nog steeds even laag is. Dan kunnen alle maatregelen weer worden ingetrokken. Terwijl de situatie niet anders is dan op dit moment. 

Ik had het nog kunnen begrijpen als het kabinet het oude normaal voor twee weken on hold had gezet. Over twee weken is geheel duidelijk wat deze nieuwe golf aan besmettingen onder feestvierende jongeren betekent voor de belasting van de zorg. Het kabinet zou er intussen voor moeten zorgen dat er in die twee weken meer wordt gevaccineerd dan ooit tevoren.  Als de instroom in de zorg over twee weken niet substantieel is toegenomen kunnen alle teugels weer vieren. 

Maar 14 augustus slaat nergens op. Het is wel prettig als je in een crisis een kabinet hebt dat een beetje logisch denkt. En geen kabinet dat met veel winden lijkt mee te waaien. 

Overheid, waar is je kennis @AdviesraadWTI

juli 1, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag, Voorpagina

“Kennislacunes brengen de overheid in de problemen. […] Het lukt niet goed om ervoor te zorgen dat het overheidsbeleid goed geïnformeerd is door kennis. Nederland mist zo mogelijkheden voor effectiever beleid en een betere publieke dienstverlening.” 

Het zijn harde woorden van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) in het recente rapport Rijk aan kennis, naar een herwaardering van kennis en expertise in beleid en politiek (februari 2021). Ik ben blij met dit advies van dit belangrijke adviesorgaan. Maar het is tegelijkertijd een te gemakkelijk advies. 

Ik ben blij: eindelijk weer eens een rapport waarin helder wordt uitgelegd waarom kennis belangrijk is voor de overheid. Namelijk, je moet eerst het probleem doorgronden wat je op wilt lossen. En daarna moet je weten welk vaccin tegen het probleem werkt. Ik ben blij dat de AWTI schrijft dat de departementen onvoldoende inhoudelijke expertise hebben, dat er binnen de departementen steeds minder aandacht is voor kennis, dat het te weinig lukt om een brug te slaan tussen kennis en beleid en dat er binnen de departementen te weinig tijd is voor kennistaken. 

Ik ben blij met het advies van de AWTI om de kennisbasis van departementen te versterken en om de inhoudelijke experts meer te koesteren. Maar toch is het een te gemakkelijk advies. Op een vijftal punten. 

Ten eerste wordt het advies nauwelijks onderbouwd. Het rapport lijkt vooral te zijn gebaseerd op ‘van horen zeggen’. En op enkele voorbeelden. Zo wordt gewezen op de gebrekkige kennisbenutting in de aanpak van de COVID-19 crisis. “Er is sprake van een trage reactie op kennis en onderbenutting van expertise”, zo schrijft de AWTI. Als ik dat lees, heb ik geloof ik iets gemist. Vanaf de eerste dag was er een OMT, vanaf de eerste dag gaf Jaap van Dissel briefings in het Catshuis en in de Tweede Kamer en vanaf de eerste dag waren honderden wetenschappers bij het RIVM bezig om het kabinetsbeleid te ondersteunen. Dat is geen gebrekkige en trage kennisbenutting, dat leek eerder op een overreactie. Ik denk dat er vooral twee andere dingen zijn misgegaan. Het kabinet leunde te veel op virologische kennis en op medische kennis in het algemeen en leek te weinig aandacht te hebben voor economische en sociaal-wetenschappelijke kennis. En: het kabinet leek zich de wet te laten voorschrijven door de wetenschappers en nam te weinig ruimte voor een eigen politieke afweging. 

Ten tweede laat COVID-19 heel mooi zien dat de kennis over het virus, zeker in het begin, nog maar heel minimaal was. Dat staat haaks op de suggestie van de AWTI dat beleid in alle gevallen effectiever wordt naarmate er meer kennis wordt aangedragen. Het AWTI lijkt een blinde vlek te hebben voor al die situaties waarin nauwelijks kennis voor handen is voor een overheid die beleid wil voeren. Zo baseert de overheid zich in Groningen al jaren krampachtig op voorspellingen van de NAM over de kans op nieuwe aardbevingen, terwijl we nauwelijks weten wat er in de Groningse ondergrond aan de hand is. Dat is geen kwestie van te weinig kennisbenutting, dat is een kwestie van overbenutting van hele magere kennis. En wat weten we eigenlijk van de reactie van burgers op overheidsmaatregelen (avondklok)? Natuurlijk zijn er goede voorbeelden van het tegendeel (te weinig benutting van goede kennis), maar ook heel vaak zien we politici als het politiek ingewikkeld wordt zich verschuilen achter onderzoek, hoe zwak dat onderzoek soms ook is. 

Ten derde stelt de AWTI voor om kennis meer ‘gestructureerd’ te benutten in het beleidsproces. De Raad schrijft: “De wijze waarop kennisbenutting in beleid nu tot stand komt, is nog te weinig gestructureerd. Een gestructureerde aanpak omvat instrumenten en stappen in het beleidsproces die leiden tot meer kennisbenutting en een goed gebruik van kennis. […] In de huidige situatie ontbreekt met name systematische aandacht voor enkele belangrijke tussenstappen van kennis naar beleid.” Daarbij baseert de Raad zich op een wel heel naïef en rationeel model van beleidsvorming. Zeg maar: er is een probleem, we doen onderzoek naar dat probleem, we kijken welke handelingsperspectieven er zijn en de politiek kiest voor welk handelingsperspectief we gaan. Ja, zo leggen we het ook wel eens uit aan eerstejaars studenten bestuurskunde. Maar we zeggen er dan wel meteen bij dat veel politieke besluiten op een heel andere manier tot stand komen. Vaak is de kennis er namelijk al lang, is de oplossing ook al lang bekend, maar durven de politici het nog niet aan omdat er te weinig draagvlak is in de samenleving. Om die reden talmen we zo tergend lang met een verstandig klimaatbeleid! 

Een gestructureerde aanpak is nooit weg, maar we willen toch geen nieuwe kennismanagementsystemen en andere bureaucratie om te weten welke kennis we in huis hebben? Nee, het is veel belangrijker om die cultuur op te ruimen waarin alleen nog maar oog is voor processen en voor het overeind houden van de minister en waarin over de inhoud nog maar nauwelijks wordt gesproken (vaak omdat de betrokkenen van de inhoud geen weet hebben). En daarbij is het helemaal niet erg dat mensen na 7 jaar eens naar elders verhuizen. Want als je werkelijk geïnteresseerd bent moet je je in een half jaar toch een nieuw beleidsveld eigen kunnen maken. Het echte probleem is dat de meeste leden van die 7-jaars-carroussel niet meer inhoudelijk geïnteresseerd zijn. 

Ten vierde wekt het rapport van de AWTI de onjuiste indruk dat op departementen kennis is ingeruild voor politieke sensitiviteit. Laat duidelijk zijn dat je voor goed beleid beide nodig hebt. Je moet gelijk hebben en je moet gelijk krijgen. Maar als je de COVID-crisis goed bekijkt valt niet alleen op dat op VWS de inhoudelijke expertise ontbrak, maar ook een echt gevoel voor politiek. Mondkapjes bestellen bij Sywert van Lienden om de minister te beschermen tegen aanvallen via social media, getuigt maar van een hele beperkte politieke sensitiviteit. En al helemaal niet van een gedegen gevoel voor de democratische rechtsstaat. Was er op departementen maar werkelijk sprake van echte politieke sensitiviteit!

Maar misschien ligt mijn belangrijkste bezwaar bij het rapport wel bij de kern: wat is namelijk ‘kennis’? Zoals goede wetenschappers betaamt geeft de De AWTI een definitie. Maar deze definitie haalt zoveel overhoop én gooit zoveel op één hoop, dat de bruikbaarheid omgekeerd evenredig is met het aantal gebruikte woorden. De definitie wordt in het eigen advies dan ook niet gebruikt. In de tekst lijkt kennis eerder synoniem met ‘wetenschap’ en vooral met wetenschappelijk onderzoek. Terwijl iemand kennis nu juist heeft op grond van wetenschappelijk onderzoek (en generaliseerbare praktijkervaringen). Als je ergens kennis van hebt, stelt die kennis je in staat om de feiten beter te duiden en te begrijpen. Jaap van Dissel toonde steeds weer een groot vermogen om de nieuwe feiten voor ons te duiden. En dat vermogen noem ik graag kennis. 

Als we het daarover eens zouden kunnen zijn (quod non) weten we dat departementen niet zelf onderzoek hoeven te doen, om wel veel kennis in huis te kunnen hebben. Als ze maar experts hebben (expertise) om op basis van bestaand onderzoek de feiten te kunnen duiden. En als ze maar experts hebben die weten welk onderzoek voorhanden is. 

Van dat onderscheid tussen onderzoek en kennis kunnen departementen veel leren. (En wellicht ook de AWTI. ) Want als departementen moeite hebben om de feiten te duiden is immers altijd de eerste reflex: we zetten een onderzoek uit. Terwijl ze alleen maar iemand hoeven te vinden die wel de kennis heeft om te begrijpen wat er aan de hand is. Die het vermogen heeft om de feiten echt te duiden. 

Ruimtelijke ordening met een vraagteken

juni 13, 2021 by  
Filed under Ruimtelijke ordening, Voorpagina

Er is al veel over de teloorgang van de ruimtelijke ordening in Nederland geschreven. Maar niet eerder is dat zo verfijnd gedaan als in Een land waarover is nagedacht van Han Lörzing. 

Laat ik eerst mijn relatie tot Han nader verklaren, voordat ik zijn boek de hemel in ga prijzen. Han solliciteerde in 2002 bij het Ruimtelijk Planbureau als sectordirecteur (hij zou zelf ongetwijfeld onderkoeld hebben gezegd: afdelingshoofd). Hij beschrijft op pag. 169 van zijn boek dat hij anderhalf jaar in één van de torens aan de Utrechtse Baan in Den Haag heeft mogen werken. Het uitzicht was “adembenemend”. En dan beschrijft hij dat sollicitatiegesprek met mij. Het “week nogal af van de normale gang van zaken bij dergelijke gesprekken: driftig heen en weer lopend langs het raam van zijn kamer wezen wij elkaar het ene opvallende gebouw na het andere aan en gaven er ons commentaar op (ik kreeg de baan).” 

Ik kan me dat gesprek nog heel goed herinneren. Het Ruimtelijk Planbureau kwam voort uit de Rijks Planologische Dienst. Bij het merendeel van degenen die naar het planbureau overgingen was de politieke sensitiviteit (of wat daarvoor doorging) veel beter ontwikkeld dan de kennis van stedebouw en planologie. Er waren mij twee mannen voorgedragen als sectordirecteur die er eer in stelden dat ze van ruimtelijke ordening niks wisten, ze waren immers uitverkoren om te managen. Ik verpestte meteen mijn start door beide heren af te wijzen. Aan mij de taak om zelf op zoek te gaan naar betere sectordirecteuren. Het bleek me al snel dat in die sollicitatieronde een groot deskundige als Han Lörzing achteloos terzijde was geschoven. Ik nodigde hem uit voor een gesprek en het was het eerste gesprek dat ik op het planbureau voerde dat ergens over ging. Om met de titel van Han’s boek te spreken: over een land waarover is nagedacht. Vanzelfsprekend was ik dolblij dat ik hem kon benoemen. 

Inderdaad Han was geen manager. En dat maakte me gelukkig. Han wist alles van stedebouw (hij leerde me dat het onzin is om voor de spelling van stedenbouw te kiezen, omdat het niet om de bouw van een stad gaat, maar om de bouw van een stede, één plek). Han wist alles van architectuur, alles van landschappen en alles van ruimtelijke ordening. En dat alles heeft hij nu in dat prachtige boek van hem uitgeschreven. 

Aan het einde van de dag liep ik vaak nog even bij Han binnen. Ons gesprek dat daar bovenaan de Utrechtse Baan was begonnen, werd zes jaar achteloos voortgezet.  En als ik zijn boek lees waan ik me weer op zijn kamer. Wat was er zo bijzonder aan die gesprekken en wat is er zo bijzonder aan het boek van Han Lörzing?

Laat ik voorop stellen dat de man fabelachtig goed schrijft. Je leest zelden een boek waaraan zo’n heldere structuur ten grondslag ligt, terwijl je slechts het gevoel hebt één groot doorgaand verhaal te lezen. En Lörzing beheerst de kunst om met taal te spelen. Onderkoelde humor. Zo reist hij met een bootje naar de Marker Wadden, het nieuwe natuurgebied in het Markermeer. Hij beschrijft hilarisch hoe hij op dat eiland aankomt. En meldt dat “bij een langer verblijf de beelden vertrouwder worden”. Zo ontdekt hij een koffiekeet en vervolgt: “Tenslotte is ook hier de natuur slechts te overleven als je er iets bij kunt drinken.” Die ene zin al.

Zoals gezegd weet de man ook alles van de ruimtelijke ordening in Nederland, mede omdat hij decennialang daarin een actieve rol heeft gespeeld. Maar dat geldt wel voor meer mensen. Maar Lörzing koppelt zijn betrokkenheid aan een heel plezierige distantie. Ruimtelijke ordening in Nederland was niet zelden een sekte, waarin gedweept werd met de standpunten die we allemaal deelden. Lörzing is veel te autonoom om te dwepen en om niet zijn eigen standpunten te kiezen. 

Daarmee is Lörzing meteen een voorbeeld voor al diegenen die de ruimtelijke ordening de komende jaren weer uit het slop moeten trekken. Lörzing geeft inderdaad overtuigend aan dat er weer behoefte is aan een nationale ruimtelijke ordening, zoals ook de Tweede Kamer inmiddels heeft ingezien. Maar het boek van Han Lörzing laat ook vooral zien dat de ruimtelijke ordening alleen kans van slagen heeft als weer eens opnieuw naar de ruimte wordt gekeken. Met betrokkenheid, maar vooral met distantie. 

De ruimtelijke ordening kenmerkte zich lang niet altijd door distantie. Door een glimlach, door een relativering. Ja, ruimtelijke ordening rook vaak naar sociaal-democratie. Het was voor velen een geloofsbelijdenis met veel dogma’s. Het was vaak verboden om die dogma’s van een vraagteken te voorzien. Het mooie van een man als Lörzing is dat hij ruimte geeft door veel vraagtekens te plaatsen. 

De overheid hangt soms te veel aan kennis

juni 3, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag, Voorpagina

Als het gaat over het belang van kennis voor het overheidsbeleid strijden vaak twee discoursen om voorrang.

Het eerste discours is populair in de media: onderzoekers worden door departementen onder druk gezet om hun conclusies aan te passen (WODC) of beleidsmakers winkelen erg selectief in bestaand onderzoek. 

Het tweede discours is populair op departementen: kennis is goed en bereikt het beleid helaas onvoldoende. Het is het discours van de kenniscoördinatoren, kennismakelaars en kennisdirecties binnen departementen. Het is het verhaal van de mensen die keihard moeten werken om het onderzoek van planbureaus, van universiteiten en van andere kennisinstellingen bekend te maken binnen het departement. Het is ook het verhaal van de mensen die zinnige (kennis)vragen proberen te formuleren voor planbureaus en al die andere onderzoekers die direct of indirect voor departementen werken. 

Beide verhalen kloppen of hebben op zijn minst een kern van waarheid in zich. Toch heb ik de laatste tijd gemerkt dat er ook nog een ander verhaal te vertellen is. Een derde discours. 

Sinds 2017 was ik betrokken bij het debat over kennis in het aardbevingsbeleid in Groningen. Daar leerde ik dat we nog maar heel weinig weten over de aardbevingen in Groningen. Dat het dus ook heel moeilijk is om in dat kader voorspellingen te doen. Dat is lastig als de overheid voor een managementstijl heeft gekozen die bij voorkeur is gebaseerd op technologische modellen. Laat ik het scherper verwoorden: de overheid heeft in Groningen al jaren de neiging om zich aan deze gebrekkig modellen vast te klampen. En het heeft er alle schijn van dat de overheid dit doet om geen politieke keuzes te hoeven maken. 

Het Groningse debat hebben we dit voorjaar afgesloten. Het eindrapport kan hieronder worden gedownload. We hebben tot slot de Groningse casus met andere casus vergeleken. Onder andere met COVID-19. Ook hier zagen we een overheid die zich vastklampte aan de modellen van het RIVM en daarmee moeilijke politieke keuzes vooral uit de weg wilde gaan. We moeten achteraf vaststellen hoe goed die modellen van het RIVM werkelijk waren. Maar op voorhand ben ik bang dat we straks moeten concluderen dat het RIVM niet in staat was om de gevolgen van maatregelen voor het reproductiegetal R adequaat te voorspellen. Omdat menselijk gedrag zich nog veel moeilijker laat voorspellen dan de reis van een virus. 

Ook bij Schiphol zie je een overheid die vasthoudt aan modellen en berekeningen omdat ze het gesprek met de samenleving niet aan wil gaan of aan durft te gaan. Overigens laat Schiphol ook heel goed zien dat het uit de weg gaan van politieke keuzes (bijvoorbeeld voor beperkte of voor onbeperkte groei van Schiphol) niet betekent dat die keuze niet impliciet wordt gemaakt. 

Deze conclusies staan nogal haaks op het interne discours: kennis is goed en bereikt het beleid onvoldoende. Eerder lijkt in de genoemde casus het tegenovergestelde waar. Namelijk: de overheid klampt zich vast aan kennis, terwijl lang niet altijd duidelijk is hoe valide en betrouwbaar die kennis werkelijk is. 

Tien jaar geleden schreef ik een boek onder de titel ‘Kennis en beleid verbinden’. Dat is typisch een titel uit het tweede discours. De derde druk van dat boek zal dan ook niet meer verschijnen. Wel een nieuw boek over de relatie tussen kennis en beleid. Met nog steeds de achterliggende gedachte dat beleid beter kan worden door het goed te onderbouwen met kennis. Maar dan wel met valide en betrouwbare kennis, zeg maar goede kennis en niet met gebrekkige kennis. 

Je maakt het beleid niet zonder meer beter door meer kennis aan te slepen. Je maakt het beleid beter door te weten welke kennis voorradig is en te weten hoe waardevol die kennis is. Daarnaast wordt het beleid ermee geholpen als beide partijen weten wat het kardinale onderscheid is tussen kennis en beleid: het streven naar een beter begrip van de status quo versus het streven naar een mogelijke verandering van de status quo. En daarbij helpt het als wetenschappers en beleidsmakers binnen hun eigen domein behulpzaam is. 

Hoe effectief was de lockdown #COVID-19

mei 19, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het gaat goed met de corona-cijfers. Het aantal besmettingen neemt snel af. De bezetting van de ziekenhuizen en van de IC’s loopt snelt terug. Maar waar ligt dat aan?

In het verre verleden heb ik me in de bestuurskunde wel eens met effectiviteit-onderzoek beziggehouden. Het was verschrikkelijk. Als je al kon vaststellen dat doelen waren bereikt, dan was bijna nooit te bewijzen dat dat kwam door het gevoerde beleid. En als het doel niet was bereikt, was er altijd wel een slimme beleidsmaker die riep dat de situatie zonder beleid nog veel slechter was geweest. Het fundamentele probleem bleef: die nare causaliteit laat zich zo moeilijk bewijzen. 

Dus: wat veroorzaakt de snel dalende corona-cijfers? Er zijn drie opties. De maatregelen, de vaccins of de lente. Of toch iets anders? 

Hoe zouden we de effectiviteit van de maatregelen kunnen vaststellen? Je kan synchronisch kijken of diachronisch kijken. In het eerste geval vergelijk je landen met elkaar die voor een verschillende aanpak hebben gekozen. Helaas hebben alle overheden bijna overal dezelfde maatregelen hebben genomen (lockdown in gradaties). Je kan dus moeilijk vaststellen wat er zou zijn gebeurd als men andere maatregelen had genomen (of helemaal geen maatregelen had genomen). En als er wel verschillen in maatregelen zijn, zijn de culturele verschillen tussen de landen vaak zo groot, dat er nog geen uitspraak over de effectiviteit van de maatregel zelf kan worden gedaan. 

Resteert de diachronische benadering: kunnen we bijvoorbeeld in Nederland vaststellen dat de maatregelen na verloop van tijd effect hadden? In 2020 was dat effect zeer zichtbaar. We gingen een paar maanden in een intelligente lockdown en de besmettingscijfers liepen snel terug. Maar dezelfde en strengere maatregelen in het najaar van 2020 en in de winter van 2021 bleken nauwelijks effect te hebben. Waarom was het verloop vorig jaar zo anders dan dit jaar? Ik heb vier mogelijke verklaringen.

Ten eerste: in het voorjaar van 2020 hielden we ons allemaal aan de maatregelen en dat is daarna snel anders geworden. Zou dat verklaren waarom de eerste golf na een paar maanden weer over was en dat we na september 2020 eindeloos zijn blijven doormodderen? Je kan ook zeggen: uit angst waren we in het voorjaar van 2020 allemaal heel voorzichtig en die angst is daarna geleidelijk verdwenen. Dan zien we dus een effect van angst en niet van maatregelen. 

Ten tweede: in de tweede en derde golf staken nieuwe varianten de kop op. Zo zou de Britse variant veel besmettelijker zijn. Maar later hoorden we daar nog maar weinig van. Maar het kan ook goed zijn dat de Britse variant veel ernstiger had huisgehouden als de maatregelen niet zo krachtig waren geweest. Daar herkennen we de beleidsmaker die beweert dat het effect van zijn maatregelen dan wel niet zichtbaar is, maar dat het zonder hem allemaal nog veel erger was geweest. Zeker in dit geval valt dat niet te bewijzen. 

Ten derde: het is de lente die het virus overwint. Zoals het griepvirus in zomerslaap gaat, zo zou ook het coronavirus tegen de zomer uitdoven. Dat betekent dat niet de maatregelen voor de dalende cijfers hebben gezorgd, maar het warmere weer (hoewel daarvan veel dagen veel minder te merken is dan vorig jaar). Toch kunnen de maatregelen er in de winter wel voor hebben gezorgd dat de pandemie niet geheel uit de hand is gelopen. 

Ten vierde: het vaccin. Toen sommige landen al veel verder waren met vaccineren was een vergelijking tussen landen wel heel zinvol. En zo zagen we dat in Engeland de besmettingen al snel afnamen terwijl we hier nog sprake was van een toename. Omdat de maatregelen in beide landen even streng waren, kon er maar één reden zijn: dat in Engeland al veel meer mensen waren gevaccineerd dan hier. De snelle afname van het aantal besmettingen dat we in de laatste weken in Nederland zien, zagen ze in Engeland een maandje eerder. 

Wat is nu effectief tegen het coronavirus? Ten eerste het vaccin. Ten tweede de lente. Ten derde wellicht een angstige bevolking. En voor de rest: zonder maatregelen was het misschien nog erger was geweest. Maar de causaliteit lijkt me moeilijk bewijsbaar. 

Niet alleen de @NAMbv zit fout

mei 8, 2021 by  
Filed under Aardbevingen Groningen

Er is weer gedoe in Groningen. De directeur van de NAM heeft gezegd dat nog maar 50 woningen hoeven te worden versterkt omdat de gaswinning binnenkort stopt. Terwijl de overheid nog steeds 26.000 woningen wil versterken. 

Ik heb het te doen met al die Groningers die ongetwijfeld denken dat de overheid haar beloften weer niet gaat nakomen. Want als de NAM straks weigert te betalen, moet je nog maar zien of de overheid wel zin heeft om de portemonnee te trekken. 

Ik ben verbaasd over de NAM, die ongetwijfeld veel geld uitgeeft aan communicatie-adviseurs, maar die altijd weer in staat is om net de verkeerde toon te kiezen op het verkeerde moment.

Maar voor jammerende Kamerleden in media is geen enkele reden. Want de NAM maakt gewoon gebruik van hetzelfde wrakke model waarop de overheid zich al jaren baseert. 

Laten we eerst vaststellen hoe de overheid bepaalt welke woningen moeten worden versterkt. Daartoe draait de NAM een model, het zogenaamde HRA-model. Ja, de overheid baseert al jaren haar beleid op een model van de NAM! Dat model voorspelt hoeveel woningen zodanig moeten worden versterkt dat de inwoners maar eens in de 100.000 jaar door vallend puin worden gedood. Die 100.000 jaar-kans op overlijden gebruikt de overheid ook bij allerlei andere risico’s, bijvoorbeeld bij overstromingen. 

Het bijzondere aan het HRA-model is dat elke run weer geheel andere uitkomsten heeft. In die uitkomsten is zelfs voor de echte deskundigen geen enkele logica te ontdekken. Er is een simpele reden voor deze onbetrouwbaarheid van het model: we weten gewoon veel te weinig van wat er in Groningen onder de grond gebeurt. Over de hele wereld is veel kennis verzameld in de loop der jaren over normale (tectonische) aardbevingen, maar dit soort, door de mens veroorzaakte, aardbevingen komen maar heel zelden voor. En als je niet weet wat er onder de grond met de bevingen gebeurt, kan je ook niet voorspellen wat er boven de grond met de huizen zal gebeuren. 

Wat ik hier vertel is niet nieuw. Het is allemaal al lang bekend. We weten ook dat de run van vorig jaar tot de voorspelling leidde dat enkele honderden panden (waaronder nogal wat boerenschuren) zouden moeten worden versterkt om de veiligheid van de Groningers te waarborgen. En waarom wordt er dan toch over 26.000 woningen gesproken? De reden is alweer simpel. De overheid heef besloten dat alle panden die ooit een keer uit het model kwamen met het predicaat  ‘(licht) verhoogd risico’) toe te voegen aan de lijst van te versterken panden. Je kan het een burger ook niet uitleggen dat hij vorig jaar nog wel een verhoogd risico in zijn woning liep, maar dit jaar niet meer, zonder dat er aan de woning ook maar iets is veranderd. Bovendien zou ik als Groninger het model gewoon niet meer geloven. Overigens heeft de overheid voor het gemak ook nog duizenden andere panden aan de lijst toegevoegd, omdat die toevallig in dezelfde straat stonden of er identiek uitzagen. Dus zo werd de lijst met te versterken panden na elke run van het HRA-model weer langer. 

Tegelijkertijd gaf het model de laatste jaren steeds minder panden het predicaat van ‘(licht) verhoogd risico’, omdat het einde van de gaswinning inmiddels in zicht is. Het is dan ook logisch dat TNO (dat al jaren bezig was om een nieuw HRA-model te ontwikkelen, maar uiteindelijk een identiek model gebruikt) nu heeft berekend dat er nog maar 50 woningen moeten worden versterkt. Let wel: ook TNO weet in essentie niet wat er onder de grond in Groningen gebeurt.

Wie is hier nu consequenter, de NAM of de overheid? Ze baseren zich allebei op hetzelfde (onbetrouwbare) model. En als dat model aangeeft dat er op dit moment nog maar 50 woningen moeten worden versterkt om de veiligheid van de Groningers te garanderen, zegt de NAM: er moeten nog 50 woningen worden versterkt. De overheid zegt dat die 50 woningen moeten worden versterkt, maar dat het om politieke redenen goed is om toch maar alle woningen te versterken waarvan de inwoners volgens het gehanteerde model ooit een risico liepen. Dat was politiek misschien onvermijdelijk, maar het is onzinnig als je in het model zegt te geloven. 

Natuurlijk hebben de NAM en de overheid allebei ongelijk. Ten eerste is dat HRA-model een zeer onbetrouwbaar model, omdat we gewoon onvoldoende weten van die aardbevingen in Groningen. En omdat het model zo onbetrouwbaar is, is de versterking nooit echt van de grond gekomen. Want als de uitkomsten van de ene run waren uitgediscussieerd, kon het debat over de volgende voorspellingen al weer beginnen. Ten tweede zit er nog een andere bizarre fout in dat model. In het HRA-model wordt er namelijk vanuit gegaan dat alle panden in Groningen in goede staat verkeren. Terwijl in Groningen door de jarenlange bevingen nu eenmaal bijna alle huizen niet in goede staat verkeren, en vaak in slechte staat. Die versterking gericht op de toekomst is in de praktijk dan ook vooral herstel van schade uit het verleden. En om die reden moet die versterking van die 26.000 woningen natuurlijk gewoon doorgaan. En hebben Groningers recht op hun boosheid.

Maar Kamerleden die de NAM nu allerlei verwijten maken, hebben kilo’s boter op hun hoofd. Omdat regering en parlement ervoor verantwoordelijk zijn dat zij zo lang hebben vastgehouden aan dat wrakke HRA-model. En omdat er van de versterking nog steeds niks is terechtgekomen, omdat de overheid aan dat model heeft vastgehouden. 

De rituelen van 4 mei vragen om doordenking

mei 5, 2021 by  
Filed under Politiek

De Dodenherdenking is terecht heilig. Toch raakte de Dodenherdenking dit jaar me niet meer. Alleen André van Duin sprak me aan. Maar de rest was vooral dichtgetimmerd. We horen al jaren dezelfde bezweringsformules, die na jarenlange discussies inmiddels in beton lijken gegoten. We horen al jaren hoe dapper het verzet in de oorlog is geweest. We spreken het woord “vrijheid” vele malen gedragen uit. En we herdenken ook de doden die na de oorlog voor het vaderland of in het kader van internationale vredesoperaties zijn omgekomen. En als we joden zeggen, moeten we in één adem Sinti’s en Roma’s zeggen. Niet omdat die drie groepen iets met elkaar te maken hebben, maar omdat we achteraf hebben bepaald dat ze evenveel hebben geleden. En zijn vermoord. 

Ik ben het met elk woord dat tijdens de Dodenherdenking op de Dam wordt uitgesproken eens, volmondig eens. Maar tegelijkertijd zijn die woorden voor mij langzamerhand dode rituelen geworden. En dan helpt het niet meer als een kleinkind over haar grootvader praat of als een nieuw kind een gedicht uitspreekt dat doordrenkt is van de oude rituelen. 

Mag je ooit zeggen dat rituelen kunnen afsterven? Langzaam hun indringende betekenis verliezen? Ik weet het niet, maar die vraag moet wel een keer worden gesteld. 

Moeten wij dan niet meer herdenken? Natuurlijk moeten wij herdenken! De vraag is alleen wat we willen herdenken. Laat me eerst zeggen wat er bij mij wringt. 

Bij mij wringt dat we na de Politionele Acties (onze laatste koloniale oorlog) ook de slachtoffers van die oorlog zijn gaan herdenken. Daar is veel voor te zeggen, maar het herdenken wordt zinledig als we niet tegelijkertijd durven te zeggen dat die slachtoffers toch echt aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden. Wie de oorlogsslachtoffers herdenkt van de Tweede Wereldoorlog herdenkt hun bijdrage aan onze vrijheid. De Politionele Acties waren bedoeld om de Indonesiërs hun vrijheid te onthouden.

Bij mij wringt dat 4 mei een geheel blank feestje is. We bieden niemand die een dictatuur is ontvlucht de kans om zijn vrijheid te herdenken. We bieden niemand die hier in vrijheid leeft de kans om te verwoorden dat zijn vrijheid toch ook door discriminatie wordt getekend. We bieden al die migranten niet de gelegenheid om onze gezamenlijkheid te herdenken. 

Bij mij wringt dat we alleen lijken terug te kijken, terwijl de vrijheid die in de oorlog is bevochten, nooit vanzelfsprekend is geworden. Bij mij wringt dat we altijd zo tevreden zijn met onze vrijheid, zonder dat we durven te zeggen wat ons daar zo aan bevalt. En wat niet.

Terwijl er genoeg is om te gedenken. Het trof me dat André van Duin zo roerend sprak over het homomonument. Hij had erbij mogen zeggen dat homo’s hier nog steeds niet dezelfde vrijheid hebben die anderen genieten. En met hen de lesbiennes, de biseksuelen, de transgenders en andere mensen die zich door hun seksuele geaardheid niet gewaardeerd en erkend voelen. Zoals nog veel mensen om hun geloof of hun ras worden gediscrimineerd. Er is dan ook alle reden om artikel 1 van de Grondwet te gedenken. Vrijheid gedenken en de onvolkomenheden benoemen. 

Zo mag om mij op 4 mei ook best gezegd worden dat er een kabinet is afgetreden omdat de overheid structureel heeft gediscrimineerd. Iets wat in dit land nooit had mogen gebeuren. Wat is er op tegen als Rutte op 4 mei nog eens uitspreekt waarom zijn kabinet is teruggetreden. Dat zou helend zijn. En waarom zouden we op 4 mei niet mogen uitspreken dat de regering met de avondklok over het randje is gegaan. Of zijn burgers toen geen rechten ontnomen die onvoorwaardelijk horen te zijn? Geen ordinair politiek debat, maar op zijn minst worden enkele fundamentele vragen gesteld.

Wat mij betreft zetten we 4 mei voortaan helemaal in het teken van vrijheid. En dan ook echt en niet als bijzin. Vrijheid betekent dat we allemaal vrij zijn. Vrijheid betekent dat we trots mogen zijn op onze democratie. Vrijheid betekent dat we moeten benoemen wanneer de vrijheid niet voor iedereen geldt. Vrijheid vergt altijd onderhoud. En vraagt altijd actualisatie, op ieder moment. Dat betekent niet dat we de lijnen met het verleden zouden moeten doorknippen. Het betekent wel dat we de rituelen weer tot leven moeten brengen om de vrijheid van alle Nederlandsers steeds weer inhoud te geven. 

Wie de samenleving wil veranderen moet niet leuk willen zijn #PvdA

mei 3, 2021 by  
Filed under Politiek

De Wiardi Beckman Stichting organiseert een on-line-debat over de vraag: “Is het leuk bij de PvdA?” Mijn antwoord: naarmate het leuker wordt bij de PvdA, stelt zij minder voor. De PvdA was jarenlang niet leuk omdat ze ertoe deed en omdat ze ertoe deed was het daar jarenlang niet leuk. 

Alleen al die vraag: is het leuk bij de PvdA? Waarom zou het daar “leuk” moeten zijn? Die vraag werd vroeger nooit gesteld. De PvdA was een grote beweging, die ertoe deed. De PvdA was een club mensen, onder wie de zuurgraad soms zo hoog was dat je een milieuvergunning nodig had. De PvdA had congressen die soms niet meer in de hand te houden waren. Dan werd het koningshuis afgeschaft of de NAVO, ondanks alle bezweringsformules van het partijbestuur en nog hoger. Dan werd Joop den Uyl door de afdeling Doniawerstal tot de orde geroepen en werd hem verweten dat zijn oppositie niets voorstelde. Dat was niet leuk voor Joop den Uyl.
De PvdA was ook een politieke partij waarin te veel mensen zich afvroegen wat ze moesten zeggen om erbij te horen, waardoor een politiek debat nooit een echt debat werd. Dat was niet leuk als je gezellig wilde debatteren. De PvdA stond jaren gelijk aan: “macht”. Hoe verwerf ik de macht en vooral: hoe behoud ik de macht? De PvdA was de partij die altijd onevenredig veel wethouders wist binnen te slepen, omdat ze bij de PvdA het spel beheersten. 

Ja, ik heb me er vaak aan geërgerd. Ik had persoonlijk liever een ‘Machtsfreie Kommunikation”. Maar natuurlijk wist ik ook dat je macht moet verwerven, als je de samenleving wilt veranderen. En niet aardig moet zijn, laat staan leuk. 

In 1970 maakte ik mijn eerste congres van de PvdA mee, in de Martinihal in Groningen. Ik mocht turven hoe het gewest Groningen stemde, in de hoop dat dat turven ertoe zou leiden dat Hans Kombrink zijn doctoraalscriptie zou afronden. Hetgeen niet gebeurde. Hetgeen ook niet erg was. Het was de tijd van NieuwLinks, de tijd van Andre van der Louw. Er moest strijd worden geleverd tegen de oude garde. De macht werd even niet meer ingezet om de samenleving te veranderen, maar vooral om de macht over te nemen in de partij. Enige jaren later bracht de Partijraad het Tweede kabinet Den Uyl om zeep. Ja, dat waren nog eens tijden. 

Tussen 2003 en 2008 was ik lid van het Presidium van de PvdA. Wij zaten het congres voor, wij zaten het Politiek Forum voor. En we deden alsof het congres er nog steeds toe deed. Maar we hadden het vooral druk met het bieden van een platform aan Wouter Bos en aan andere leden van de politieke elite. Wij waren er om het congres vooral rustig te houden. Het mocht vooral niet op hol slaan. Dat was natuurlijk al het begin van het einde. Ik geef het met spijt toe.

En nu gaan we praten over de vraag of het “leuk” is in de PvdA. Sorry, dit is het einde van de partij. Wie de samenleving wil veranderen, moet niet leuk willen zijn. 

Foute bestuurscultuur: ja, hoe wij behandeld worden

april 24, 2021 by  
Filed under Politiek

We hadden het over de toeslagen-affaire. We spraken er schande van hoe mensen door de Belastingdienst waren behandeld. Hoe de Belastingdienst discrimineerde. Hoe de Belastingdienst de wet aan zijn laars lapte. De bestuurscultuur kwam hoog op de agenda. 

Maar in Den Haag moet je altijd goed opletten. Want plotseling ging het niet meer over de slachtoffers van de toeslagen-affaire, maar over de informatie-voorziening aan de Kamer. Over macht en tegenmacht en over de leugens van Rutte. Het ging plotseling  niet meer over de vraag hoe burgers door de overheid worden behandeld, maar of de verhouding tussen Kamer en kabinet niet uit het lood was geslagen. Tjeenk Willink werd erbij gehaald, en die had de oplossing al vooraf bedacht: een summier regeerakkoord. Had ik iets gemist? Zouden de gedupeerde ouders voortaan wel hun kinderopvangtoeslag krijgen op basis van een summier regeerakkoord? Dat noemen we ook wel het herdefiniëren van het probleem. 

Dit nieuwe probleem was overigens een stuk minder groot. Ik kan me dan ook goed voorstellen dat ‘Den Haag’ liever over de dikte van regeerakkoorden spreekt, dan over de relatie tussen de overheid en de burger. Bovendien: is er echt zoveel mis aan de relatie tussen Kamer en kabinet? De relatie zou niet transparant zijn. Maar was al niet veel langer bekend dat transparantie niet tot de gereedschapskist van een politicus behoort? Onderhandelen doe je niet door al je kaarten meteen op tafel te leggen. En als je goed onderhandelt ontkom je soms niet aan een leugentje om best wil. Je moet in Den Haag niet alleen gelijk hebben, maar ook gelijk krijgen. En je krijgt alleen gelijk door aan inhoudelijke rationaliteit een grote dosis politieke rationaliteit te koppelen. Ja, wie niet accepteert dat politici slim en handig zijn, moet ook niet klagen als politici niets voor elkaar krijgen. 

En nog iets: natuurlijk heeft het kabinet veel te veel pagina’s witgelakt, en heeft de Kamer veel te lang op de juiste informatie moeten wachten. Dat was niet goed. Maar inmiddels zijn de rollen al aardig omgedraaid. Het gaat al zo ver dat het kabinet nu zelfs de eigen notulen openbaar moet maken. Er komt geen nieuw kabinet zonder instemming van Pieter Omtzigt. En ik denk niet dat voorlopig veel ministers het aandurven om pagina’s wit te lakken. Oké, het was niet fraai wat het kabinet allemaal deed in de richting van de Kamer, maar die tijd lijkt toch echt voorbij. 

Het fundamentele probleem ligt dan ook niet in de relatie tussen de Kamer en het kabinet. Het fundamentele probleem zit hem in de relatie tussen overheid en burger. Ik maak daarbij geen onderscheid tussen rijk en gemeenten. Sinds het neo-liberale denken de overheid in zijn greep heeft gekregen, is de burger vooral klant geworden. Een klant die alleen bij de overheid kan kopen. De gevolgen zijn na 20 jaar schrikbarend. 

Als je een bijstandsuitkering wilt hebben, denkt de overheid je binnenste buiten te mogen keren. Een volstrekt onduidelijk ‘Inlichtingenbureau’ (zie De Volkskrant van vrijdag) verzamelt geheel buiten de wet om alle gegevens over je. Als de overheid meent dat je te veel geld hebt ontvangen, wordt je daarvoor genadeloos gestraft. 

Als je een kindertoeslag wilt hebben, wordt je op grond van je achternaam tot fraudeur bestempeld, om je vervolgens naar je toeslag te laten fluiten. 

Als je toevallig in Groningen woont waar de overheid met de NAM veel geld heeft verdiend aan de gaswinning, moet je jaren wachten om schade aan je woning vergoed te krijgen en wordt je woning waarschijnlijk nooit meer versterkt, ondanks alle beloften van achtereenvolgende ministers. 

Als je toevallig de overheid als klant hebt, krijg je je geld pas na maanden en maanden zeuren en alleen als je helemaal voldoet aan haar bureaucratische regels. Stel je voor dat ik een brood koop bij de bakker en zonder betalen de winkel uitloop omdat de bakker geen e-factuur bij mij heeft ingediend en bovendien het verkeerde ordernummer heeft doorgegeven. Ja, zo gaat het bij de overheid wel. 

Als je kind psychische zorg nodig heeft beslist daarover de gemeente, in plaats van een deskundige psycholoog of arts. De gemeente vraagt daarbij rustig inzage in patiëntendossiers die toch echt onder het medisch beroepsgeheim vallen. 

Ja, er zijn uitzonderingen. Als je een zware klant bent, wordt de overheid plotseling een stuk soepeler. Zo verlenen provincies zo ruimhartig milieuvergunningen aan grote bedrijven dat de maatschappelijk schade jaarlijks € 220 miljoen bedraagt. En ja, die schade moeten wij als simpele klanten samen dragen. 

Nee, het is geen toeval dat elk departement en elke gemeente tegenwoordig spreekt over bedrijfsvoering en over concernmanagers. Zij zien zichzelf als bedrijf en de burger als klant. De markt gaat voor alles. Alleen is er helaas geen marktwerking, omdat de overheid het monopolie heeft. 

Als we over een verkeerde bestuurscultuur spreken, laten we het dan hierover hebben. 

Volgende pagina »