Ruimtelijke ordening met een vraagteken

juni 13, 2021 by  
Filed under Ruimtelijke ordening, Voorpagina

Er is al veel over de teloorgang van de ruimtelijke ordening in Nederland geschreven. Maar niet eerder is dat zo verfijnd gedaan als in Een land waarover is nagedacht van Han Lörzing. 

Laat ik eerst mijn relatie tot Han nader verklaren, voordat ik zijn boek de hemel in ga prijzen. Han solliciteerde in 2002 bij het Ruimtelijk Planbureau als sectordirecteur (hij zou zelf ongetwijfeld onderkoeld hebben gezegd: afdelingshoofd). Hij beschrijft op pag. 169 van zijn boek dat hij anderhalf jaar in één van de torens aan de Utrechtse Baan in Den Haag heeft mogen werken. Het uitzicht was “adembenemend”. En dan beschrijft hij dat sollicitatiegesprek met mij. Het “week nogal af van de normale gang van zaken bij dergelijke gesprekken: driftig heen en weer lopend langs het raam van zijn kamer wezen wij elkaar het ene opvallende gebouw na het andere aan en gaven er ons commentaar op (ik kreeg de baan).” 

Ik kan me dat gesprek nog heel goed herinneren. Het Ruimtelijk Planbureau kwam voort uit de Rijks Planologische Dienst. Bij het merendeel van degenen die naar het planbureau overgingen was de politieke sensitiviteit (of wat daarvoor doorging) veel beter ontwikkeld dan de kennis van stedebouw en planologie. Er waren mij twee mannen voorgedragen als sectordirecteur die er eer in stelden dat ze van ruimtelijke ordening niks wisten, ze waren immers uitverkoren om te managen. Ik verpestte meteen mijn start door beide heren af te wijzen. Aan mij de taak om zelf op zoek te gaan naar betere sectordirecteuren. Het bleek me al snel dat in die sollicitatieronde een groot deskundige als Han Lörzing achteloos terzijde was geschoven. Ik nodigde hem uit voor een gesprek en het was het eerste gesprek dat ik op het planbureau voerde dat ergens over ging. Om met de titel van Han’s boek te spreken: over een land waarover is nagedacht. Vanzelfsprekend was ik dolblij dat ik hem kon benoemen. 

Inderdaad Han was geen manager. En dat maakte me gelukkig. Han wist alles van stedebouw (hij leerde me dat het onzin is om voor de spelling van stedenbouw te kiezen, omdat het niet om de bouw van een stad gaat, maar om de bouw van een stede, één plek). Han wist alles van architectuur, alles van landschappen en alles van ruimtelijke ordening. En dat alles heeft hij nu in dat prachtige boek van hem uitgeschreven. 

Aan het einde van de dag liep ik vaak nog even bij Han binnen. Ons gesprek dat daar bovenaan de Utrechtse Baan was begonnen, werd zes jaar achteloos voortgezet.  En als ik zijn boek lees waan ik me weer op zijn kamer. Wat was er zo bijzonder aan die gesprekken en wat is er zo bijzonder aan het boek van Han Lörzing?

Laat ik voorop stellen dat de man fabelachtig goed schrijft. Je leest zelden een boek waaraan zo’n heldere structuur ten grondslag ligt, terwijl je slechts het gevoel hebt één groot doorgaand verhaal te lezen. En Lörzing beheerst de kunst om met taal te spelen. Onderkoelde humor. Zo reist hij met een bootje naar de Marker Wadden, het nieuwe natuurgebied in het Markermeer. Hij beschrijft hilarisch hoe hij op dat eiland aankomt. En meldt dat “bij een langer verblijf de beelden vertrouwder worden”. Zo ontdekt hij een koffiekeet en vervolgt: “Tenslotte is ook hier de natuur slechts te overleven als je er iets bij kunt drinken.” Die ene zin al.

Zoals gezegd weet de man ook alles van de ruimtelijke ordening in Nederland, mede omdat hij decennialang daarin een actieve rol heeft gespeeld. Maar dat geldt wel voor meer mensen. Maar Lörzing koppelt zijn betrokkenheid aan een heel plezierige distantie. Ruimtelijke ordening in Nederland was niet zelden een sekte, waarin gedweept werd met de standpunten die we allemaal deelden. Lörzing is veel te autonoom om te dwepen en om niet zijn eigen standpunten te kiezen. 

Daarmee is Lörzing meteen een voorbeeld voor al diegenen die de ruimtelijke ordening de komende jaren weer uit het slop moeten trekken. Lörzing geeft inderdaad overtuigend aan dat er weer behoefte is aan een nationale ruimtelijke ordening, zoals ook de Tweede Kamer inmiddels heeft ingezien. Maar het boek van Han Lörzing laat ook vooral zien dat de ruimtelijke ordening alleen kans van slagen heeft als weer eens opnieuw naar de ruimte wordt gekeken. Met betrokkenheid, maar vooral met distantie. 

De ruimtelijke ordening kenmerkte zich lang niet altijd door distantie. Door een glimlach, door een relativering. Ja, ruimtelijke ordening rook vaak naar sociaal-democratie. Het was voor velen een geloofsbelijdenis met veel dogma’s. Het was vaak verboden om die dogma’s van een vraagteken te voorzien. Het mooie van een man als Lörzing is dat hij ruimte geeft door veel vraagtekens te plaatsen. 

De overheid hangt soms te veel aan kennis

juni 3, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag, Voorpagina

Als het gaat over het belang van kennis voor het overheidsbeleid strijden vaak twee discoursen om voorrang.

Het eerste discours is populair in de media: onderzoekers worden door departementen onder druk gezet om hun conclusies aan te passen (WODC) of beleidsmakers winkelen erg selectief in bestaand onderzoek. 

Het tweede discours is populair op departementen: kennis is goed en bereikt het beleid helaas onvoldoende. Het is het discours van de kenniscoördinatoren, kennismakelaars en kennisdirecties binnen departementen. Het is het verhaal van de mensen die keihard moeten werken om het onderzoek van planbureaus, van universiteiten en van andere kennisinstellingen bekend te maken binnen het departement. Het is ook het verhaal van de mensen die zinnige (kennis)vragen proberen te formuleren voor planbureaus en al die andere onderzoekers die direct of indirect voor departementen werken. 

Beide verhalen kloppen of hebben op zijn minst een kern van waarheid in zich. Toch heb ik de laatste tijd gemerkt dat er ook nog een ander verhaal te vertellen is. Een derde discours. 

Sinds 2017 was ik betrokken bij het debat over kennis in het aardbevingsbeleid in Groningen. Daar leerde ik dat we nog maar heel weinig weten over de aardbevingen in Groningen. Dat het dus ook heel moeilijk is om in dat kader voorspellingen te doen. Dat is lastig als de overheid voor een managementstijl heeft gekozen die bij voorkeur is gebaseerd op technologische modellen. Laat ik het scherper verwoorden: de overheid heeft in Groningen al jaren de neiging om zich aan deze gebrekkig modellen vast te klampen. En het heeft er alle schijn van dat de overheid dit doet om geen politieke keuzes te hoeven maken. 

Het Groningse debat hebben we dit voorjaar afgesloten. Het eindrapport kan hieronder worden gedownload. We hebben tot slot de Groningse casus met andere casus vergeleken. Onder andere met COVID-19. Ook hier zagen we een overheid die zich vastklampte aan de modellen van het RIVM en daarmee moeilijke politieke keuzes vooral uit de weg wilde gaan. We moeten achteraf vaststellen hoe goed die modellen van het RIVM werkelijk waren. Maar op voorhand ben ik bang dat we straks moeten concluderen dat het RIVM niet in staat was om de gevolgen van maatregelen voor het reproductiegetal R adequaat te voorspellen. Omdat menselijk gedrag zich nog veel moeilijker laat voorspellen dan de reis van een virus. 

Ook bij Schiphol zie je een overheid die vasthoudt aan modellen en berekeningen omdat ze het gesprek met de samenleving niet aan wil gaan of aan durft te gaan. Overigens laat Schiphol ook heel goed zien dat het uit de weg gaan van politieke keuzes (bijvoorbeeld voor beperkte of voor onbeperkte groei van Schiphol) niet betekent dat die keuze niet impliciet wordt gemaakt. 

Deze conclusies staan nogal haaks op het interne discours: kennis is goed en bereikt het beleid onvoldoende. Eerder lijkt in de genoemde casus het tegenovergestelde waar. Namelijk: de overheid klampt zich vast aan kennis, terwijl lang niet altijd duidelijk is hoe valide en betrouwbaar die kennis werkelijk is. 

Tien jaar geleden schreef ik een boek onder de titel ‘Kennis en beleid verbinden’. Dat is typisch een titel uit het tweede discours. De derde druk van dat boek zal dan ook niet meer verschijnen. Wel een nieuw boek over de relatie tussen kennis en beleid. Met nog steeds de achterliggende gedachte dat beleid beter kan worden door het goed te onderbouwen met kennis. Maar dan wel met valide en betrouwbare kennis, zeg maar goede kennis en niet met gebrekkige kennis. 

Je maakt het beleid niet zonder meer beter door meer kennis aan te slepen. Je maakt het beleid beter door te weten welke kennis voorradig is en te weten hoe waardevol die kennis is. Daarnaast wordt het beleid ermee geholpen als beide partijen weten wat het kardinale onderscheid is tussen kennis en beleid: het streven naar een beter begrip van de status quo versus het streven naar een mogelijke verandering van de status quo. En daarbij helpt het als wetenschappers en beleidsmakers binnen hun eigen domein behulpzaam is. 

Hoe effectief was de lockdown #COVID-19

mei 19, 2021 by  
Filed under Corona

Het gaat goed met de corona-cijfers. Het aantal besmettingen neemt snel af. De bezetting van de ziekenhuizen en van de IC’s loopt snelt terug. Maar waar ligt dat aan?

In het verre verleden heb ik me in de bestuurskunde wel eens met effectiviteit-onderzoek beziggehouden. Het was verschrikkelijk. Als je al kon vaststellen dat doelen waren bereikt, dan was bijna nooit te bewijzen dat dat kwam door het gevoerde beleid. En als het doel niet was bereikt, was er altijd wel een slimme beleidsmaker die riep dat de situatie zonder beleid nog veel slechter was geweest. Het fundamentele probleem bleef: die nare causaliteit laat zich zo moeilijk bewijzen. 

Dus: wat veroorzaakt de snel dalende corona-cijfers? Er zijn drie opties. De maatregelen, de vaccins of de lente. Of toch iets anders? 

Hoe zouden we de effectiviteit van de maatregelen kunnen vaststellen? Je kan synchronisch kijken of diachronisch kijken. In het eerste geval vergelijk je landen met elkaar die voor een verschillende aanpak hebben gekozen. Helaas hebben alle overheden bijna overal dezelfde maatregelen hebben genomen (lockdown in gradaties). Je kan dus moeilijk vaststellen wat er zou zijn gebeurd als men andere maatregelen had genomen (of helemaal geen maatregelen had genomen). En als er wel verschillen in maatregelen zijn, zijn de culturele verschillen tussen de landen vaak zo groot, dat er nog geen uitspraak over de effectiviteit van de maatregel zelf kan worden gedaan. 

Resteert de diachronische benadering: kunnen we bijvoorbeeld in Nederland vaststellen dat de maatregelen na verloop van tijd effect hadden? In 2020 was dat effect zeer zichtbaar. We gingen een paar maanden in een intelligente lockdown en de besmettingscijfers liepen snel terug. Maar dezelfde en strengere maatregelen in het najaar van 2020 en in de winter van 2021 bleken nauwelijks effect te hebben. Waarom was het verloop vorig jaar zo anders dan dit jaar? Ik heb vier mogelijke verklaringen.

Ten eerste: in het voorjaar van 2020 hielden we ons allemaal aan de maatregelen en dat is daarna snel anders geworden. Zou dat verklaren waarom de eerste golf na een paar maanden weer over was en dat we na september 2020 eindeloos zijn blijven doormodderen? Je kan ook zeggen: uit angst waren we in het voorjaar van 2020 allemaal heel voorzichtig en die angst is daarna geleidelijk verdwenen. Dan zien we dus een effect van angst en niet van maatregelen. 

Ten tweede: in de tweede en derde golf staken nieuwe varianten de kop op. Zo zou de Britse variant veel besmettelijker zijn. Maar later hoorden we daar nog maar weinig van. Maar het kan ook goed zijn dat de Britse variant veel ernstiger had huisgehouden als de maatregelen niet zo krachtig waren geweest. Daar herkennen we de beleidsmaker die beweert dat het effect van zijn maatregelen dan wel niet zichtbaar is, maar dat het zonder hem allemaal nog veel erger was geweest. Zeker in dit geval valt dat niet te bewijzen. 

Ten derde: het is de lente die het virus overwint. Zoals het griepvirus in zomerslaap gaat, zo zou ook het coronavirus tegen de zomer uitdoven. Dat betekent dat niet de maatregelen voor de dalende cijfers hebben gezorgd, maar het warmere weer (hoewel daarvan veel dagen veel minder te merken is dan vorig jaar). Toch kunnen de maatregelen er in de winter wel voor hebben gezorgd dat de pandemie niet geheel uit de hand is gelopen. 

Ten vierde: het vaccin. Toen sommige landen al veel verder waren met vaccineren was een vergelijking tussen landen wel heel zinvol. En zo zagen we dat in Engeland de besmettingen al snel afnamen terwijl we hier nog sprake was van een toename. Omdat de maatregelen in beide landen even streng waren, kon er maar één reden zijn: dat in Engeland al veel meer mensen waren gevaccineerd dan hier. De snelle afname van het aantal besmettingen dat we in de laatste weken in Nederland zien, zagen ze in Engeland een maandje eerder. 

Wat is nu effectief tegen het coronavirus? Ten eerste het vaccin. Ten tweede de lente. Ten derde wellicht een angstige bevolking. En voor de rest: zonder maatregelen was het misschien nog erger was geweest. Maar de causaliteit lijkt me moeilijk bewijsbaar. 

Niet alleen de @NAMbv zit fout

mei 8, 2021 by  
Filed under Aardbevingen Groningen

Er is weer gedoe in Groningen. De directeur van de NAM heeft gezegd dat nog maar 50 woningen hoeven te worden versterkt omdat de gaswinning binnenkort stopt. Terwijl de overheid nog steeds 26.000 woningen wil versterken. 

Ik heb het te doen met al die Groningers die ongetwijfeld denken dat de overheid haar beloften weer niet gaat nakomen. Want als de NAM straks weigert te betalen, moet je nog maar zien of de overheid wel zin heeft om de portemonnee te trekken. 

Ik ben verbaasd over de NAM, die ongetwijfeld veel geld uitgeeft aan communicatie-adviseurs, maar die altijd weer in staat is om net de verkeerde toon te kiezen op het verkeerde moment.

Maar voor jammerende Kamerleden in media is geen enkele reden. Want de NAM maakt gewoon gebruik van hetzelfde wrakke model waarop de overheid zich al jaren baseert. 

Laten we eerst vaststellen hoe de overheid bepaalt welke woningen moeten worden versterkt. Daartoe draait de NAM een model, het zogenaamde HRA-model. Ja, de overheid baseert al jaren haar beleid op een model van de NAM! Dat model voorspelt hoeveel woningen zodanig moeten worden versterkt dat de inwoners maar eens in de 100.000 jaar door vallend puin worden gedood. Die 100.000 jaar-kans op overlijden gebruikt de overheid ook bij allerlei andere risico’s, bijvoorbeeld bij overstromingen. 

Het bijzondere aan het HRA-model is dat elke run weer geheel andere uitkomsten heeft. In die uitkomsten is zelfs voor de echte deskundigen geen enkele logica te ontdekken. Er is een simpele reden voor deze onbetrouwbaarheid van het model: we weten gewoon veel te weinig van wat er in Groningen onder de grond gebeurt. Over de hele wereld is veel kennis verzameld in de loop der jaren over normale (tectonische) aardbevingen, maar dit soort, door de mens veroorzaakte, aardbevingen komen maar heel zelden voor. En als je niet weet wat er onder de grond met de bevingen gebeurt, kan je ook niet voorspellen wat er boven de grond met de huizen zal gebeuren. 

Wat ik hier vertel is niet nieuw. Het is allemaal al lang bekend. We weten ook dat de run van vorig jaar tot de voorspelling leidde dat enkele honderden panden (waaronder nogal wat boerenschuren) zouden moeten worden versterkt om de veiligheid van de Groningers te waarborgen. En waarom wordt er dan toch over 26.000 woningen gesproken? De reden is alweer simpel. De overheid heef besloten dat alle panden die ooit een keer uit het model kwamen met het predicaat  ‘(licht) verhoogd risico’) toe te voegen aan de lijst van te versterken panden. Je kan het een burger ook niet uitleggen dat hij vorig jaar nog wel een verhoogd risico in zijn woning liep, maar dit jaar niet meer, zonder dat er aan de woning ook maar iets is veranderd. Bovendien zou ik als Groninger het model gewoon niet meer geloven. Overigens heeft de overheid voor het gemak ook nog duizenden andere panden aan de lijst toegevoegd, omdat die toevallig in dezelfde straat stonden of er identiek uitzagen. Dus zo werd de lijst met te versterken panden na elke run van het HRA-model weer langer. 

Tegelijkertijd gaf het model de laatste jaren steeds minder panden het predicaat van ‘(licht) verhoogd risico’, omdat het einde van de gaswinning inmiddels in zicht is. Het is dan ook logisch dat TNO (dat al jaren bezig was om een nieuw HRA-model te ontwikkelen, maar uiteindelijk een identiek model gebruikt) nu heeft berekend dat er nog maar 50 woningen moeten worden versterkt. Let wel: ook TNO weet in essentie niet wat er onder de grond in Groningen gebeurt.

Wie is hier nu consequenter, de NAM of de overheid? Ze baseren zich allebei op hetzelfde (onbetrouwbare) model. En als dat model aangeeft dat er op dit moment nog maar 50 woningen moeten worden versterkt om de veiligheid van de Groningers te garanderen, zegt de NAM: er moeten nog 50 woningen worden versterkt. De overheid zegt dat die 50 woningen moeten worden versterkt, maar dat het om politieke redenen goed is om toch maar alle woningen te versterken waarvan de inwoners volgens het gehanteerde model ooit een risico liepen. Dat was politiek misschien onvermijdelijk, maar het is onzinnig als je in het model zegt te geloven. 

Natuurlijk hebben de NAM en de overheid allebei ongelijk. Ten eerste is dat HRA-model een zeer onbetrouwbaar model, omdat we gewoon onvoldoende weten van die aardbevingen in Groningen. En omdat het model zo onbetrouwbaar is, is de versterking nooit echt van de grond gekomen. Want als de uitkomsten van de ene run waren uitgediscussieerd, kon het debat over de volgende voorspellingen al weer beginnen. Ten tweede zit er nog een andere bizarre fout in dat model. In het HRA-model wordt er namelijk vanuit gegaan dat alle panden in Groningen in goede staat verkeren. Terwijl in Groningen door de jarenlange bevingen nu eenmaal bijna alle huizen niet in goede staat verkeren, en vaak in slechte staat. Die versterking gericht op de toekomst is in de praktijk dan ook vooral herstel van schade uit het verleden. En om die reden moet die versterking van die 26.000 woningen natuurlijk gewoon doorgaan. En hebben Groningers recht op hun boosheid.

Maar Kamerleden die de NAM nu allerlei verwijten maken, hebben kilo’s boter op hun hoofd. Omdat regering en parlement ervoor verantwoordelijk zijn dat zij zo lang hebben vastgehouden aan dat wrakke HRA-model. En omdat er van de versterking nog steeds niks is terechtgekomen, omdat de overheid aan dat model heeft vastgehouden. 

De rituelen van 4 mei vragen om doordenking

mei 5, 2021 by  
Filed under Politiek

De Dodenherdenking is terecht heilig. Toch raakte de Dodenherdenking dit jaar me niet meer. Alleen André van Duin sprak me aan. Maar de rest was vooral dichtgetimmerd. We horen al jaren dezelfde bezweringsformules, die na jarenlange discussies inmiddels in beton lijken gegoten. We horen al jaren hoe dapper het verzet in de oorlog is geweest. We spreken het woord “vrijheid” vele malen gedragen uit. En we herdenken ook de doden die na de oorlog voor het vaderland of in het kader van internationale vredesoperaties zijn omgekomen. En als we joden zeggen, moeten we in één adem Sinti’s en Roma’s zeggen. Niet omdat die drie groepen iets met elkaar te maken hebben, maar omdat we achteraf hebben bepaald dat ze evenveel hebben geleden. En zijn vermoord. 

Ik ben het met elk woord dat tijdens de Dodenherdenking op de Dam wordt uitgesproken eens, volmondig eens. Maar tegelijkertijd zijn die woorden voor mij langzamerhand dode rituelen geworden. En dan helpt het niet meer als een kleinkind over haar grootvader praat of als een nieuw kind een gedicht uitspreekt dat doordrenkt is van de oude rituelen. 

Mag je ooit zeggen dat rituelen kunnen afsterven? Langzaam hun indringende betekenis verliezen? Ik weet het niet, maar die vraag moet wel een keer worden gesteld. 

Moeten wij dan niet meer herdenken? Natuurlijk moeten wij herdenken! De vraag is alleen wat we willen herdenken. Laat me eerst zeggen wat er bij mij wringt. 

Bij mij wringt dat we na de Politionele Acties (onze laatste koloniale oorlog) ook de slachtoffers van die oorlog zijn gaan herdenken. Daar is veel voor te zeggen, maar het herdenken wordt zinledig als we niet tegelijkertijd durven te zeggen dat die slachtoffers toch echt aan de verkeerde kant van de geschiedenis stonden. Wie de oorlogsslachtoffers herdenkt van de Tweede Wereldoorlog herdenkt hun bijdrage aan onze vrijheid. De Politionele Acties waren bedoeld om de Indonesiërs hun vrijheid te onthouden.

Bij mij wringt dat 4 mei een geheel blank feestje is. We bieden niemand die een dictatuur is ontvlucht de kans om zijn vrijheid te herdenken. We bieden niemand die hier in vrijheid leeft de kans om te verwoorden dat zijn vrijheid toch ook door discriminatie wordt getekend. We bieden al die migranten niet de gelegenheid om onze gezamenlijkheid te herdenken. 

Bij mij wringt dat we alleen lijken terug te kijken, terwijl de vrijheid die in de oorlog is bevochten, nooit vanzelfsprekend is geworden. Bij mij wringt dat we altijd zo tevreden zijn met onze vrijheid, zonder dat we durven te zeggen wat ons daar zo aan bevalt. En wat niet.

Terwijl er genoeg is om te gedenken. Het trof me dat André van Duin zo roerend sprak over het homomonument. Hij had erbij mogen zeggen dat homo’s hier nog steeds niet dezelfde vrijheid hebben die anderen genieten. En met hen de lesbiennes, de biseksuelen, de transgenders en andere mensen die zich door hun seksuele geaardheid niet gewaardeerd en erkend voelen. Zoals nog veel mensen om hun geloof of hun ras worden gediscrimineerd. Er is dan ook alle reden om artikel 1 van de Grondwet te gedenken. Vrijheid gedenken en de onvolkomenheden benoemen. 

Zo mag om mij op 4 mei ook best gezegd worden dat er een kabinet is afgetreden omdat de overheid structureel heeft gediscrimineerd. Iets wat in dit land nooit had mogen gebeuren. Wat is er op tegen als Rutte op 4 mei nog eens uitspreekt waarom zijn kabinet is teruggetreden. Dat zou helend zijn. En waarom zouden we op 4 mei niet mogen uitspreken dat de regering met de avondklok over het randje is gegaan. Of zijn burgers toen geen rechten ontnomen die onvoorwaardelijk horen te zijn? Geen ordinair politiek debat, maar op zijn minst worden enkele fundamentele vragen gesteld.

Wat mij betreft zetten we 4 mei voortaan helemaal in het teken van vrijheid. En dan ook echt en niet als bijzin. Vrijheid betekent dat we allemaal vrij zijn. Vrijheid betekent dat we trots mogen zijn op onze democratie. Vrijheid betekent dat we moeten benoemen wanneer de vrijheid niet voor iedereen geldt. Vrijheid vergt altijd onderhoud. En vraagt altijd actualisatie, op ieder moment. Dat betekent niet dat we de lijnen met het verleden zouden moeten doorknippen. Het betekent wel dat we de rituelen weer tot leven moeten brengen om de vrijheid van alle Nederlandsers steeds weer inhoud te geven. 

Wie de samenleving wil veranderen moet niet leuk willen zijn #PvdA

mei 3, 2021 by  
Filed under Politiek

De Wiardi Beckman Stichting organiseert een on-line-debat over de vraag: “Is het leuk bij de PvdA?” Mijn antwoord: naarmate het leuker wordt bij de PvdA, stelt zij minder voor. De PvdA was jarenlang niet leuk omdat ze ertoe deed en omdat ze ertoe deed was het daar jarenlang niet leuk. 

Alleen al die vraag: is het leuk bij de PvdA? Waarom zou het daar “leuk” moeten zijn? Die vraag werd vroeger nooit gesteld. De PvdA was een grote beweging, die ertoe deed. De PvdA was een club mensen, onder wie de zuurgraad soms zo hoog was dat je een milieuvergunning nodig had. De PvdA had congressen die soms niet meer in de hand te houden waren. Dan werd het koningshuis afgeschaft of de NAVO, ondanks alle bezweringsformules van het partijbestuur en nog hoger. Dan werd Joop den Uyl door de afdeling Doniawerstal tot de orde geroepen en werd hem verweten dat zijn oppositie niets voorstelde. Dat was niet leuk voor Joop den Uyl.
De PvdA was ook een politieke partij waarin te veel mensen zich afvroegen wat ze moesten zeggen om erbij te horen, waardoor een politiek debat nooit een echt debat werd. Dat was niet leuk als je gezellig wilde debatteren. De PvdA stond jaren gelijk aan: “macht”. Hoe verwerf ik de macht en vooral: hoe behoud ik de macht? De PvdA was de partij die altijd onevenredig veel wethouders wist binnen te slepen, omdat ze bij de PvdA het spel beheersten. 

Ja, ik heb me er vaak aan geërgerd. Ik had persoonlijk liever een ‘Machtsfreie Kommunikation”. Maar natuurlijk wist ik ook dat je macht moet verwerven, als je de samenleving wilt veranderen. En niet aardig moet zijn, laat staan leuk. 

In 1970 maakte ik mijn eerste congres van de PvdA mee, in de Martinihal in Groningen. Ik mocht turven hoe het gewest Groningen stemde, in de hoop dat dat turven ertoe zou leiden dat Hans Kombrink zijn doctoraalscriptie zou afronden. Hetgeen niet gebeurde. Hetgeen ook niet erg was. Het was de tijd van NieuwLinks, de tijd van Andre van der Louw. Er moest strijd worden geleverd tegen de oude garde. De macht werd even niet meer ingezet om de samenleving te veranderen, maar vooral om de macht over te nemen in de partij. Enige jaren later bracht de Partijraad het Tweede kabinet Den Uyl om zeep. Ja, dat waren nog eens tijden. 

Tussen 2003 en 2008 was ik lid van het Presidium van de PvdA. Wij zaten het congres voor, wij zaten het Politiek Forum voor. En we deden alsof het congres er nog steeds toe deed. Maar we hadden het vooral druk met het bieden van een platform aan Wouter Bos en aan andere leden van de politieke elite. Wij waren er om het congres vooral rustig te houden. Het mocht vooral niet op hol slaan. Dat was natuurlijk al het begin van het einde. Ik geef het met spijt toe.

En nu gaan we praten over de vraag of het “leuk” is in de PvdA. Sorry, dit is het einde van de partij. Wie de samenleving wil veranderen, moet niet leuk willen zijn. 

Foute bestuurscultuur: ja, hoe wij behandeld worden

april 24, 2021 by  
Filed under Politiek

We hadden het over de toeslagen-affaire. We spraken er schande van hoe mensen door de Belastingdienst waren behandeld. Hoe de Belastingdienst discrimineerde. Hoe de Belastingdienst de wet aan zijn laars lapte. De bestuurscultuur kwam hoog op de agenda. 

Maar in Den Haag moet je altijd goed opletten. Want plotseling ging het niet meer over de slachtoffers van de toeslagen-affaire, maar over de informatie-voorziening aan de Kamer. Over macht en tegenmacht en over de leugens van Rutte. Het ging plotseling  niet meer over de vraag hoe burgers door de overheid worden behandeld, maar of de verhouding tussen Kamer en kabinet niet uit het lood was geslagen. Tjeenk Willink werd erbij gehaald, en die had de oplossing al vooraf bedacht: een summier regeerakkoord. Had ik iets gemist? Zouden de gedupeerde ouders voortaan wel hun kinderopvangtoeslag krijgen op basis van een summier regeerakkoord? Dat noemen we ook wel het herdefiniëren van het probleem. 

Dit nieuwe probleem was overigens een stuk minder groot. Ik kan me dan ook goed voorstellen dat ‘Den Haag’ liever over de dikte van regeerakkoorden spreekt, dan over de relatie tussen de overheid en de burger. Bovendien: is er echt zoveel mis aan de relatie tussen Kamer en kabinet? De relatie zou niet transparant zijn. Maar was al niet veel langer bekend dat transparantie niet tot de gereedschapskist van een politicus behoort? Onderhandelen doe je niet door al je kaarten meteen op tafel te leggen. En als je goed onderhandelt ontkom je soms niet aan een leugentje om best wil. Je moet in Den Haag niet alleen gelijk hebben, maar ook gelijk krijgen. En je krijgt alleen gelijk door aan inhoudelijke rationaliteit een grote dosis politieke rationaliteit te koppelen. Ja, wie niet accepteert dat politici slim en handig zijn, moet ook niet klagen als politici niets voor elkaar krijgen. 

En nog iets: natuurlijk heeft het kabinet veel te veel pagina’s witgelakt, en heeft de Kamer veel te lang op de juiste informatie moeten wachten. Dat was niet goed. Maar inmiddels zijn de rollen al aardig omgedraaid. Het gaat al zo ver dat het kabinet nu zelfs de eigen notulen openbaar moet maken. Er komt geen nieuw kabinet zonder instemming van Pieter Omtzigt. En ik denk niet dat voorlopig veel ministers het aandurven om pagina’s wit te lakken. Oké, het was niet fraai wat het kabinet allemaal deed in de richting van de Kamer, maar die tijd lijkt toch echt voorbij. 

Het fundamentele probleem ligt dan ook niet in de relatie tussen de Kamer en het kabinet. Het fundamentele probleem zit hem in de relatie tussen overheid en burger. Ik maak daarbij geen onderscheid tussen rijk en gemeenten. Sinds het neo-liberale denken de overheid in zijn greep heeft gekregen, is de burger vooral klant geworden. Een klant die alleen bij de overheid kan kopen. De gevolgen zijn na 20 jaar schrikbarend. 

Als je een bijstandsuitkering wilt hebben, denkt de overheid je binnenste buiten te mogen keren. Een volstrekt onduidelijk ‘Inlichtingenbureau’ (zie De Volkskrant van vrijdag) verzamelt geheel buiten de wet om alle gegevens over je. Als de overheid meent dat je te veel geld hebt ontvangen, wordt je daarvoor genadeloos gestraft. 

Als je een kindertoeslag wilt hebben, wordt je op grond van je achternaam tot fraudeur bestempeld, om je vervolgens naar je toeslag te laten fluiten. 

Als je toevallig in Groningen woont waar de overheid met de NAM veel geld heeft verdiend aan de gaswinning, moet je jaren wachten om schade aan je woning vergoed te krijgen en wordt je woning waarschijnlijk nooit meer versterkt, ondanks alle beloften van achtereenvolgende ministers. 

Als je toevallig de overheid als klant hebt, krijg je je geld pas na maanden en maanden zeuren en alleen als je helemaal voldoet aan haar bureaucratische regels. Stel je voor dat ik een brood koop bij de bakker en zonder betalen de winkel uitloop omdat de bakker geen e-factuur bij mij heeft ingediend en bovendien het verkeerde ordernummer heeft doorgegeven. Ja, zo gaat het bij de overheid wel. 

Als je kind psychische zorg nodig heeft beslist daarover de gemeente, in plaats van een deskundige psycholoog of arts. De gemeente vraagt daarbij rustig inzage in patiëntendossiers die toch echt onder het medisch beroepsgeheim vallen. 

Ja, er zijn uitzonderingen. Als je een zware klant bent, wordt de overheid plotseling een stuk soepeler. Zo verlenen provincies zo ruimhartig milieuvergunningen aan grote bedrijven dat de maatschappelijk schade jaarlijks € 220 miljoen bedraagt. En ja, die schade moeten wij als simpele klanten samen dragen. 

Nee, het is geen toeval dat elk departement en elke gemeente tegenwoordig spreekt over bedrijfsvoering en over concernmanagers. Zij zien zichzelf als bedrijf en de burger als klant. De markt gaat voor alles. Alleen is er helaas geen marktwerking, omdat de overheid het monopolie heeft. 

Als we over een verkeerde bestuurscultuur spreken, laten we het dan hierover hebben. 

Van Dissel is niet meer dan “Jaap, waar zijn mijn cijfers”

april 22, 2021 by  
Filed under Corona

De persconferentie van Mark Rutte en Hugo de Jonge van deze week was perfect. Ik heb hem meteen helemaal uitgeschreven voor de cursisten van mijn masterclasses over kennis en beleid. 

Wat was namelijk het geval. Het OMT had geadviseerd om te wachten met het versoepelen van de lockdown. En toch besloot het kabinet om te gaan versoepelen. En voor de duidelijkheid: het gaat me er niet om of dat laatste een wijs besluit is geweest. Het gaat me erom dat het kabinet zo wijs was om uiteindelijk zelf de politieke afweging te maken en niet automatisch de politieke afweging van het OMT te volgen. 

Ja, mijn kijk op dit soort zaken is nogal simpel. Het OMT hoort de kennis aan te leveren (hoe ontwikkelt het aantal besmettingen zich, hoe ontwikkelt de ziekenhuisbezetting zich, hoe ontwikkelt de bezetting van de IC’s zich) en de politiek hoort vervolgens (in het licht van die kennis!) de verschillende belangen af te wegen. En moet daar ook eerlijk en open over communiceren. Precies wat Rutte en De Jonge deze week deden. 

Eerder koos het kabinet vaak voor een andere strategie: het verschool zich opzichtig achter het advies van het OMT. Dat is jammer want kennis zegt niet wat je moet doen. Om te weten wat je moet doen is altijd een politieke afweging nodig, en die wordt bij voorkeur door het kabinet en niet door de ‘witte jassen’ gemaakt. Omdat ik niet hou van een kabinet dat zich verschuilt achter ‘wetenschappelijke adviezen’ (= persoonlijke adviezen van wetenschappers), was ik deze week dus aangenaam verrast. 

Dat gold niet voor iedereen. Aura Timen van het RIVM, tevens secretaris van het OMT, kwalificeerde het besluit van het kabinet als een “politiek besluit”. Dat was een hele bijzondere opmerking. Alsof niet elk besluit van het kabinet een politiek besluit is. Maar wellicht bedoelde ze dat een kabinet een goed besluit neemt als het  advies van het OMT wordt gevolgd en een politiek besluit als het om politieke redenen van het advies van het OMT wordt afgeweken. 

Elk besluit over lockdown en versoepelingen is een ‘politiek besluit’. En elk besluit over lockdown en versoepelingen moeten niet door wetenschappers, RIVM of mevrouw Timen worden genomen, maar door de verantwoordelijke politici. Ik dank mevrouw Timen dat ze zo helder heeft verwoord waar ze zelf niet over gaat. 

Het gezag van de @Gezondheidsraad vervliegt snel

april 21, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Één ding is zeker: niet iedereen komt ongeschonden uit de coronacrisis. Ik ben bang dat dat ook voor de Gezondheidsraad geldt. De Gezondheidsraad is lange tijd een zeer gerespecteerde adviesraad geweest in Den Haag. Maar helaas is in de coronacrisis niet helemaal duidelijk geworden waarop dat respect gebaseerd was. Door de dominante positie van het RIVM en het OMT in de advisering van het kabinet is de Gezondheidsraad vanaf het begin naar de zijlijn verdreven. Bovendien ondervond de Raad de concurrentie van de EMA, de Europese dienst die wel of geen goedkeuring aan vaccins verleent. En op die zijlijn heeft de Raad niet altijd even handig geopereerd. 

Het kabinet verzocht de Gezondheidsraad al vroeg in de crisis om te adviseren over de  de beste vaccinatie-strategie voor het geval het eerste vaccin zou zijn goedgekeurd. Het duurde vele maanden voordat de Gezondheidsraad met een advies kwam. Bij dat advies werd de zwakte van de Gezondheidsraad al meteen duidelijk. De Raad opperde een aantal strategieën en koos vervolgens zonder verdere motivatie voor één van die strategieën: het vaccineren zou erop gericht moeten zijn om zoveel mogelijk mensenlevens te redden. Een hele plausibele strategie maar het snel vaccineren van alle vitale beroepen was ook heel goed te verdedigen geweest. In zijn advies ging de Raad er gemakshalve aan voorbij dat je ook mensenlevens redt door een gedegen sociaal beleid. Het was echt een advies vanuit het ziekenhuis, hetgeen je deze club van verstandige artsen overigens niet meteen kwalijk mag nemen. 

Daarna werd de Gezondheidsraad nogal eens ingeschakeld om tijd te winnen. Zodat de minister een pijnlijke beslissing nog even voor zich uit kon schuiven. Of om het werk van de EMA nog eens over te doen, op voorhand een onbegonnen zaak. Daarbij opereerde de Gezondheidsraad vaak weinig overtuigend. Zo werd geadviseerd om het AstraZeneca-vaccin niet meer te gebruiken voor mensen beneden de 60 jaar. Dat had veel schrikreacties bij mensen boven de grens van 60 tot gevolg. Men had ook kunnen zeggen dat het bij de verdeling van de vaccins het beste zou zijn om AstraZeneca en Pfizer te geven aan mensen boven de 60, en Jansen daaronder. Dat had veel onrust voorkomen. 

Zo dringt zich de vraag op of het kabinet in het afgelopen jaar minder af zou zijn geweest als er geen Gezondheidsraad was geweest? Ook zonder antwoord te geven op die vraag is duidelijk dat bij de ‘oude’ Gezondheidsraad die vraag nooit zou zijn gesteld. Overigens is het wel zo eerlijk om te melden dat de Gezondheidsraad in het afgelopen jaar is opgelopen tegen de dilemma’s waarmee alle adviesorganen te dealen hebben. Te denken valt aan de volgende dilemma’s: 

  • Adviesorganen als de Gezondheidsraad geven advies op basis van de deskundigheid van de leden. Maar het kennen van de feiten en van het veld is niet voldoende om een advies te kunnen geven aan de minister. Elk advies vergt een politieke afweging, een afweging op basis van normen en waarden. En bij adviesorganen heb je plat gezegd niet meer dan de normen en waarden van de leden. Het is zeker in een crisis de vraag of de samenleving op deze persoonlijke afweging van een aantal experts zit te wachten. Ja, de minister kan zich achter een advies verschuilen, als hem dat goed uitkomt. Maar hij kan er even gemakkelijk van afwijken als hij zelf een andere politieke afweging maakt. 
  • Adviesorganen lijken zich niet altijd bewust te zijn van dit dilemma. En dat geldt zeker voor een adviesorgaan dat is samengesteld uit ‘dokters’. Dokters hebben geleerd om de patiënt te vertellen wat goed voor hem of haar is. Ik kan me goed voorstellen dat deze beroepsgroep meer moeite heeft om zich te realiseren dat een advies altijd een afweging is op basis van eigen waarden en normen. 
  • De Gezondheidsraad heeft een structuur die dit probleem alleen maar versterkt. Hoewel we bij een adviesraad gemakkelijk denken aan een raad bestaande uit een voorzitter en een aantal leden, die gezamenlijk alle adviezen formuleren, is dat bij de Gezondheidsraad niet het geval. De Gezondheidsraad bestaat uit een voorzitter, een 20-tal secretarissen en een kaartenbak van deskundigen. Als er een adviesvraag komt nodigt de voorzitter een drietal of een viertal leden uit de kaartenbak uit, om een advies uit te brengen. Hoewel vaak geprobeerd wordt om dat advies nog wat bij te sturen, heeft de commissie uiteindelijk het laatste woord. De wet verplicht de voorzitter om het advies van de commissie naar de Minister te sturen. Je kan je voorstellen dat een permanente adviesraad gaandeweg leert dat expertise op zich onvoldoende is voor een advies en dat er altijd een politieke afweging moet plaatsvinden. Je kan je ook voorstellen dat zo’n ad-hoc-commissie helemaal niet de ervaring kan opdoen om dat dilemma te doorgronden. Nog afgezien van het feit dat de ene commissie andere politieke afwegingen zal maken dan de ander.
  • Tot slot gaat het bij adviezen van de Gezondheidsraad niet alleen om expertise en normatieve afwegingen. Het gaat ook om het besef dat in Den Haag niet alleen inhoudelijke rationaliteit, maar ook politieke rationaliteit een grote rol speelt. Bijvoorbeeld het besef dat een advies van de Raad in de media een heel ander gewicht kan krijgen dan ermee is beoogd (AstraZeneca niet gebruiken onder 60!). Of het besef dat van elk advies elke avond aan de tafel van Op1 gehakt kan worden gemaakt. En juist dan is het werken met ad-hoc-commissies uiterst kwetsbaar. Die mensen hebben bij wijze van spreken niet eens tijd om hun witte jas uit te doen, en denken misschien al snel dat het genoeg is om gelijk te hebben. In Den Haag weet men over het algemeen dat gelijk krijgen belangrijker is. 

Deemoed past ambtelijk Den Haag

april 16, 2021 by  
Filed under Openbaar bestuur

De Secretarissen-Generaal waarschuwen voor departementale herindeling. Dat hebben ze in een brief aan informatie Herman Tjeenk Willink laten weten. De brief verbaast. Al is die waarschuwing tegen een departementale herindeling heel terecht. 

Het is ene bekend thema bij kabinetsformaties: een andere indeling van de departementen. Nu is er weer een politieke meerderheid voor de heroprichting van het Ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer). De SG’s hebben dat dus liever niet. 

En inderdaad: de SG’s hebben een punt. Elke verandering van de indeling van de departementen kost veel tijd en veel geld. Met het gesleep met stoelen en het overplaatsen van ambtenaren ben je zo een jaar kwijt, voordat je aan nieuw beleid kan beginnen. Dat is niet efficiënt. Bovendien: wat bereik je ermee als je de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderbrengt binnen één departement. De eerste twee vormen nu al samen één directoraat-generaal, binnen het ministerie van BZK. Ze  zijn nog nooit zo dicht bij elkaar geweest. Het enige probleem is: dit kabinet heeft geen ambitie en visie als het om de woningmarkt gaat. 

En er is nog een probleem: er is geen afzonderlijke minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Er is zelfs niet eens een staatssecretaris voor. Ollongren doet het er allemaal bij. Als je in Den Haag echt iets te zeggen wil hebben, heb je een eigen minister nodig die op elke vrijdag aanschuift bij de Ministerraad. 

Een klein voorbeeld: in 2010 werd VROM opgeheven en werd milieubeheer ondergebracht bij Verkeer en Waterstaat. Het nieuwe departement voerde al in zijn eerste maanden de 130 km/uur op de snelwegen in. Bij de voorbereiding van dit besluit werd het directoraat-generaal voor Milieu geheel gepasseerd en het milieu geheel genegeerd. Dat was onmogelijk geweest als Milieu nog een eigen minister had gehad. 

Maar voor de rest gaat de argumentatie van de SG’s redelijk mank. Ze vinden een herindeling van departementen vooral niet nodig omdat de departementen onder hun leiding al zo goed samenwerken. Dat lijkt me bezijden de waarheid. Laat duidelijk zijn: ik heb er helemaal geen bezwaar tegen als departementen elkaar bestrijden, ze strijden immers voor verschillende maatschappelijke belangen. Maar het is wereldvreemd om te doen alsof dat niet zo is. 

Maar mijn verbazing betreft vooral de toon van de boodschap. De SG’s steken niet alleen een stokje voor een nieuwe departementale indeling, ze waarschuwen de Kamer ook voor te veel nieuwe wetgeving. Bijvoorbeeld als reactie op de Toeslagen-affaire. Alsof de ambtelijke dienst momenteel goed functioneert en de SG’s het allemaal onder controle hebben. Alsof er geen Toeslagen-affaire is geweest, waarbij niet de minister eindeloos teksten heeft witgelakt, maar zijn ambtenaren. Alsof dat befaamde rapport van de juriste van de Belastingdienst niet door ambtenaren onder de pet is gehouden. Alsof er geen commissie-Van Aartsen is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis bij het toezicht op de uitvoering van de milieuwetgeving. Alsof er geen commissie-Bosman is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis is bij de uitvoering van het beleid. Alsof er niet permanent gedoe is bij de IND. Alsof het ambtelijk allemaal in orde was bij het jarenlange drama van de aardbevingen in Groningen. Alsof topambtenaren niet veel te veel bezig zijn met het uit de wind houden van de eigen minister. Alsof het niet goed zou zijn om de rol van de ambtenaar in de komende jaren opnieuw te definiëren.

Natuurlijk, uiteindelijk zijn de ministers formeel verantwoordelijk. Maar het zou niet verkeerd zijn om de SG’s eens aan te spreken op het functioneren van de ambtelijke dienst. En op zijn minst zou enige deemoed de dames en heren SG’s niet misstaan nu er de laatste jaren zoveel is misgegaan. Of zouden ze zich van dat laatste nog niet bewust zijn?

Volgende pagina »