Van Dissel is niet meer dan “Jaap, waar zijn mijn cijfers”

april 22, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

De persconferentie van Mark Rutte en Hugo de Jonge van deze week was perfect. Ik heb hem meteen helemaal uitgeschreven voor de cursisten van mijn masterclasses over kennis en beleid. 

Wat was namelijk het geval. Het OMT had geadviseerd om te wachten met het versoepelen van de lockdown. En toch besloot het kabinet om te gaan versoepelen. En voor de duidelijkheid: het gaat me er niet om of dat laatste een wijs besluit is geweest. Het gaat me erom dat het kabinet zo wijs was om uiteindelijk zelf de politieke afweging te maken en niet automatisch de politieke afweging van het OMT te volgen. 

Ja, mijn kijk op dit soort zaken is nogal simpel. Het OMT hoort de kennis aan te leveren (hoe ontwikkelt het aantal besmettingen zich, hoe ontwikkelt de ziekenhuisbezetting zich, hoe ontwikkelt de bezetting van de IC’s zich) en de politiek hoort vervolgens (in het licht van die kennis!) de verschillende belangen af te wegen. En moet daar ook eerlijk en open over communiceren. Precies wat Rutte en De Jonge deze week deden. 

Eerder koos het kabinet vaak voor een andere strategie: het verschool zich opzichtig achter het advies van het OMT. Dat is jammer want kennis zegt niet wat je moet doen. Om te weten wat je moet doen is altijd een politieke afweging nodig, en die wordt bij voorkeur door het kabinet en niet door de ‘witte jassen’ gemaakt. Omdat ik niet hou van een kabinet dat zich verschuilt achter ‘wetenschappelijke adviezen’ (= persoonlijke adviezen van wetenschappers), was ik deze week dus aangenaam verrast. 

Dat gold niet voor iedereen. Aura Timen van het RIVM, tevens secretaris van het OMT, kwalificeerde het besluit van het kabinet als een “politiek besluit”. Dat was een hele bijzondere opmerking. Alsof niet elk besluit van het kabinet een politiek besluit is. Maar wellicht bedoelde ze dat een kabinet een goed besluit neemt als het  advies van het OMT wordt gevolgd en een politiek besluit als het om politieke redenen van het advies van het OMT wordt afgeweken. 

Elk besluit over lockdown en versoepelingen is een ‘politiek besluit’. En elk besluit over lockdown en versoepelingen moeten niet door wetenschappers, RIVM of mevrouw Timen worden genomen, maar door de verantwoordelijke politici. Ik dank mevrouw Timen dat ze zo helder heeft verwoord waar ze zelf niet over gaat. 

Het gezag van de @Gezondheidsraad vervliegt snel

april 21, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Één ding is zeker: niet iedereen komt ongeschonden uit de coronacrisis. Ik ben bang dat dat ook voor de Gezondheidsraad geldt. De Gezondheidsraad is lange tijd een zeer gerespecteerde adviesraad geweest in Den Haag. Maar helaas is in de coronacrisis niet helemaal duidelijk geworden waarop dat respect gebaseerd was. Door de dominante positie van het RIVM en het OMT in de advisering van het kabinet is de Gezondheidsraad vanaf het begin naar de zijlijn verdreven. Bovendien ondervond de Raad de concurrentie van de EMA, de Europese dienst die wel of geen goedkeuring aan vaccins verleent. En op die zijlijn heeft de Raad niet altijd even handig geopereerd. 

Het kabinet verzocht de Gezondheidsraad al vroeg in de crisis om te adviseren over de  de beste vaccinatie-strategie voor het geval het eerste vaccin zou zijn goedgekeurd. Het duurde vele maanden voordat de Gezondheidsraad met een advies kwam. Bij dat advies werd de zwakte van de Gezondheidsraad al meteen duidelijk. De Raad opperde een aantal strategieën en koos vervolgens zonder verdere motivatie voor één van die strategieën: het vaccineren zou erop gericht moeten zijn om zoveel mogelijk mensenlevens te redden. Een hele plausibele strategie maar het snel vaccineren van alle vitale beroepen was ook heel goed te verdedigen geweest. In zijn advies ging de Raad er gemakshalve aan voorbij dat je ook mensenlevens redt door een gedegen sociaal beleid. Het was echt een advies vanuit het ziekenhuis, hetgeen je deze club van verstandige artsen overigens niet meteen kwalijk mag nemen. 

Daarna werd de Gezondheidsraad nogal eens ingeschakeld om tijd te winnen. Zodat de minister een pijnlijke beslissing nog even voor zich uit kon schuiven. Of om het werk van de EMA nog eens over te doen, op voorhand een onbegonnen zaak. Daarbij opereerde de Gezondheidsraad vaak weinig overtuigend. Zo werd geadviseerd om het AstraZeneca-vaccin niet meer te gebruiken voor mensen beneden de 60 jaar. Dat had veel schrikreacties bij mensen boven de grens van 60 tot gevolg. Men had ook kunnen zeggen dat het bij de verdeling van de vaccins het beste zou zijn om AstraZeneca en Pfizer te geven aan mensen boven de 60, en Jansen daaronder. Dat had veel onrust voorkomen. 

Zo dringt zich de vraag op of het kabinet in het afgelopen jaar minder af zou zijn geweest als er geen Gezondheidsraad was geweest? Ook zonder antwoord te geven op die vraag is duidelijk dat bij de ‘oude’ Gezondheidsraad die vraag nooit zou zijn gesteld. Overigens is het wel zo eerlijk om te melden dat de Gezondheidsraad in het afgelopen jaar is opgelopen tegen de dilemma’s waarmee alle adviesorganen te dealen hebben. Te denken valt aan de volgende dilemma’s: 

  • Adviesorganen als de Gezondheidsraad geven advies op basis van de deskundigheid van de leden. Maar het kennen van de feiten en van het veld is niet voldoende om een advies te kunnen geven aan de minister. Elk advies vergt een politieke afweging, een afweging op basis van normen en waarden. En bij adviesorganen heb je plat gezegd niet meer dan de normen en waarden van de leden. Het is zeker in een crisis de vraag of de samenleving op deze persoonlijke afweging van een aantal experts zit te wachten. Ja, de minister kan zich achter een advies verschuilen, als hem dat goed uitkomt. Maar hij kan er even gemakkelijk van afwijken als hij zelf een andere politieke afweging maakt. 
  • Adviesorganen lijken zich niet altijd bewust te zijn van dit dilemma. En dat geldt zeker voor een adviesorgaan dat is samengesteld uit ‘dokters’. Dokters hebben geleerd om de patiënt te vertellen wat goed voor hem of haar is. Ik kan me goed voorstellen dat deze beroepsgroep meer moeite heeft om zich te realiseren dat een advies altijd een afweging is op basis van eigen waarden en normen. 
  • De Gezondheidsraad heeft een structuur die dit probleem alleen maar versterkt. Hoewel we bij een adviesraad gemakkelijk denken aan een raad bestaande uit een voorzitter en een aantal leden, die gezamenlijk alle adviezen formuleren, is dat bij de Gezondheidsraad niet het geval. De Gezondheidsraad bestaat uit een voorzitter, een 20-tal secretarissen en een kaartenbak van deskundigen. Als er een adviesvraag komt nodigt de voorzitter een drietal of een viertal leden uit de kaartenbak uit, om een advies uit te brengen. Hoewel vaak geprobeerd wordt om dat advies nog wat bij te sturen, heeft de commissie uiteindelijk het laatste woord. De wet verplicht de voorzitter om het advies van de commissie naar de Minister te sturen. Je kan je voorstellen dat een permanente adviesraad gaandeweg leert dat expertise op zich onvoldoende is voor een advies en dat er altijd een politieke afweging moet plaatsvinden. Je kan je ook voorstellen dat zo’n ad-hoc-commissie helemaal niet de ervaring kan opdoen om dat dilemma te doorgronden. Nog afgezien van het feit dat de ene commissie andere politieke afwegingen zal maken dan de ander.
  • Tot slot gaat het bij adviezen van de Gezondheidsraad niet alleen om expertise en normatieve afwegingen. Het gaat ook om het besef dat in Den Haag niet alleen inhoudelijke rationaliteit, maar ook politieke rationaliteit een grote rol speelt. Bijvoorbeeld het besef dat een advies van de Raad in de media een heel ander gewicht kan krijgen dan ermee is beoogd (AstraZeneca niet gebruiken onder 60!). Of het besef dat van elk advies elke avond aan de tafel van Op1 gehakt kan worden gemaakt. En juist dan is het werken met ad-hoc-commissies uiterst kwetsbaar. Die mensen hebben bij wijze van spreken niet eens tijd om hun witte jas uit te doen, en denken misschien al snel dat het genoeg is om gelijk te hebben. In Den Haag weet men over het algemeen dat gelijk krijgen belangrijker is. 

Deemoed past ambtelijk Den Haag

april 16, 2021 by  
Filed under Openbaar bestuur

De Secretarissen-Generaal waarschuwen voor departementale herindeling. Dat hebben ze in een brief aan informatie Herman Tjeenk Willink laten weten. De brief verbaast. Al is die waarschuwing tegen een departementale herindeling heel terecht. 

Het is ene bekend thema bij kabinetsformaties: een andere indeling van de departementen. Nu is er weer een politieke meerderheid voor de heroprichting van het Ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer). De SG’s hebben dat dus liever niet. 

En inderdaad: de SG’s hebben een punt. Elke verandering van de indeling van de departementen kost veel tijd en veel geld. Met het gesleep met stoelen en het overplaatsen van ambtenaren ben je zo een jaar kwijt, voordat je aan nieuw beleid kan beginnen. Dat is niet efficiënt. Bovendien: wat bereik je ermee als je de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderbrengt binnen één departement. De eerste twee vormen nu al samen één directoraat-generaal, binnen het ministerie van BZK. Ze  zijn nog nooit zo dicht bij elkaar geweest. Het enige probleem is: dit kabinet heeft geen ambitie en visie als het om de woningmarkt gaat. 

En er is nog een probleem: er is geen afzonderlijke minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Er is zelfs niet eens een staatssecretaris voor. Ollongren doet het er allemaal bij. Als je in Den Haag echt iets te zeggen wil hebben, heb je een eigen minister nodig die op elke vrijdag aanschuift bij de Ministerraad. 

Een klein voorbeeld: in 2010 werd VROM opgeheven en werd milieubeheer ondergebracht bij Verkeer en Waterstaat. Het nieuwe departement voerde al in zijn eerste maanden de 130 km/uur op de snelwegen in. Bij de voorbereiding van dit besluit werd het directoraat-generaal voor Milieu geheel gepasseerd en het milieu geheel genegeerd. Dat was onmogelijk geweest als Milieu nog een eigen minister had gehad. 

Maar voor de rest gaat de argumentatie van de SG’s redelijk mank. Ze vinden een herindeling van departementen vooral niet nodig omdat de departementen onder hun leiding al zo goed samenwerken. Dat lijkt me bezijden de waarheid. Laat duidelijk zijn: ik heb er helemaal geen bezwaar tegen als departementen elkaar bestrijden, ze strijden immers voor verschillende maatschappelijke belangen. Maar het is wereldvreemd om te doen alsof dat niet zo is. 

Maar mijn verbazing betreft vooral de toon van de boodschap. De SG’s steken niet alleen een stokje voor een nieuwe departementale indeling, ze waarschuwen de Kamer ook voor te veel nieuwe wetgeving. Bijvoorbeeld als reactie op de Toeslagen-affaire. Alsof de ambtelijke dienst momenteel goed functioneert en de SG’s het allemaal onder controle hebben. Alsof er geen Toeslagen-affaire is geweest, waarbij niet de minister eindeloos teksten heeft witgelakt, maar zijn ambtenaren. Alsof dat befaamde rapport van de juriste van de Belastingdienst niet door ambtenaren onder de pet is gehouden. Alsof er geen commissie-Van Aartsen is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis bij het toezicht op de uitvoering van de milieuwetgeving. Alsof er geen commissie-Bosman is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis is bij de uitvoering van het beleid. Alsof er niet permanent gedoe is bij de IND. Alsof het ambtelijk allemaal in orde was bij het jarenlange drama van de aardbevingen in Groningen. Alsof topambtenaren niet veel te veel bezig zijn met het uit de wind houden van de eigen minister. Alsof het niet goed zou zijn om de rol van de ambtenaar in de komende jaren opnieuw te definiëren.

Natuurlijk, uiteindelijk zijn de ministers formeel verantwoordelijk. Maar het zou niet verkeerd zijn om de SG’s eens aan te spreken op het functioneren van de ambtelijke dienst. En op zijn minst zou enige deemoed de dames en heren SG’s niet misstaan nu er de laatste jaren zoveel is misgegaan. Of zouden ze zich van dat laatste nog niet bewust zijn?

Ik heb een boot

april 12, 2021 by  
Filed under Boot

52 weken geleden haalden we onze boot op uit de winterstalling. We brachten hem weer naar zijn prachtige plekje in de jachthaven van De Gaastmar. Ik schreef er een blog over dat van geluk overliep. De blog vond zijn plek in Krill, het blaadje van de vereniging van Noordkapers. Dit weekend maakten we dezelfde trip. En ik zou dezelfde blog kunnen schrijven. Veel niet-zeilers zouden denken: dat heb ik al eerder gelezen. Veel zeilers zouden weer meegenieten van alles wat weer hetzelfde was. Dat uitzicht op het Hegemermar aan het einde van de Waldseinster Rakken. Het invaren van de Yntemasleat. Het aanleggen in jachthaven Pieter Bouwe in De Gaastmar. Het licht, de zon, de glinstering op het water. 

Waarom kunnen zeilers elk jaar weer zo genieten van hetzelfde? Wat maakt dat zeilen zo bijzonder? Ik zal het de niet-zeilers proberen uit te leggen, maar ik vrees dat ik vooral de zeilers zal bereiken. 

Als zeiler ben je buiten. Je bent niet alleen buiten in de natuur, je bent je ook steeds bewust van die natuur. Je bent afhankelijk van de wind en van het weer. Terwijl je thuis nauwelijks weet wat voor weer het is, laat staan waar de wind vandaan komt, op je boot zie je elke wolk en voel je elke windschifting. Zelfs ‘s nachts als je op kooi ligt, hoor je wind zacht ruizen of geniet je van de totale stilte. Of ga je nog even naar buiten om een klapperend lijntje vast te zetten. 

Als zeiler drijf je. Als je vanaf de steiger op de boot stapt, is dat gevoel er meteen weer. Onbewust voel je altijd dat water onder je. Je voelt hoe de romp van de boot op dat water rust. En zacht in de wind ligt te wiegen. Als je de haven uit bent drijft de wind je voort over dat water. Je hoeft er helemaal niets voor te doen. Natuurlijk, we gebruiken vaak de motor, maar ook op motorkracht kan ik genieten van het glijden van de boot. 

Als zeiler leef je aan boord volgens vaste patronen. Zeker als je je boot al een paar jaar hebt, is er een vaste rolverdeling. Er wordt nooit gediscussieerd over de vraag wie de boot zal afvaren. Nee, een goede stuurman vertelt vooraf hoe hij zou willen afvaren. Zoals ook de rolverdeling in de sluis altijd hetzelfde is. Ja, soms is de rolverdeling aan boord niet altijd even feministisch, maar aan boord leidt dat niet tot discussie. Hoe helder de rolverdeling is merk je pas als je gasten aan boord hebt. Die willen graag meehelpen. Maar meer handen verstoren het normale werk. 

Als zeiler kom je vaak op dezelfde plekken. Natuurlijk bestaat de behoefte aan nieuw zeilwater, aan nieuwe havens. Natuurlijk vindt er wel eens een avontuur plaats, een man die van boord valt, een hond die te water raakt of een box in een jachthaven die wordt gemist. Maar als we eerlijk zijn: dat avontuur is meer uitzondering dan regel. Het is een avontuur omdat het afwijkt van de vaste routes. Ik verheug me nu al weer op een bezoek aan Balk en op een nacht aan de kade van Waldsein. 

Als zeiler geniet je van de intimiteit. Die boot is natuurlijk maar heel klein. Die boot is ook erg knus, zeker in de kajuit. In die boot heb je je eigen kastjes, je eigen gedoetjes, je eigen gereedschap. En je hebt vooral elkaar. Samen weg van alle drukte van alledag. Samen een boek lezen, samen wijn drinken, samen zeilen. Ja, ik vermoed dat de meeste zeilers een goed huwelijk hebben. Laten we eerlijk wezen: hoe zou je het anders kunnen uithouden op die paar vierkante meters?

Dom Hans van der Laan: architectuur is een vak

april 5, 2021 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

We waren toevallig toch in de buurt. Een mooie gelegenheid om nog eens aan te bellen. Jaren geleden bezocht ik de nieuwbouw van de Abdij Sint-Benedictusberg van architect Dom Hans van der Laan. In het gehucht Mamelis bij Vaals. Er was niets veranderd, zoals er in kloosters vaak in decennia niets verandert. Maar ook aan mijn mening was niets veranderd en aan mijn gevoel al evenmin.

Dom Hans van der Laan was architect en abt van het klooster in Mamelis in de tweede helft van de vorige eeuw. Maar hij was ook de grondlegger van de ‘Bossche School’ in de architectuur. Jan de Jong is een andere bekende naam uit deze school. Ik heb geen architect, ik ben geen bouwkundige. Ik kan me wel voorstellen dat bouwkundigen veel moeite hebben om het werk van Dom Hans van der Laan te plaatsen. De Bossche School bouwde veel kerken en kloosters, maar ook veel huizen, vooral in het Zuiden van het land. Wie de school opzoekt op internet struikelt over het woord ‘traditioneel’. Maar als ik mijn gevoel moet omschrijven als ik de kapel in Mamelis betreed, heb ik niets aan het woord ‘traditioneel’. Dit gaat veel dieper.

Dom Hans van der Laan heeft een groot deel van zijn leven gewijd aan een zoektocht naar het plastisch getal. In mijn eigen woorden: een zoektocht naar de oervorm van de architectuur. Of beter: naar de oerverhoudingen in de architectuur. Het plastisch getal wordt wel omschreven als ‘het evenwichtig samengaan der maten, zowel in de delen als in het geheel van het gebouw’. Van der Laan vroeg zich af: wat zijn de natuurlijke, vanzelfsprekende verhoudingen van een zaal, van een deur, van een raam. Hoe breed moeten de muren tussen de ramen zijn. Hoeveel ramen in een kerk voelen ‘natuurlijk’ aan. 

Er zijn prachtige boeken over de ideale verhoudingen geschreven. Er zijn prachtige boeken over de kapel van Dom Hans van der Laan in Mamelis geschreven. Soms lijken het ondoorgrondelijke formules. Maar als je in die kapel staat, in die gewijde ruimte, dan voel je dat die maten kloppen. Dat elke verhouding klopt. Dat die 5 ramen langs de smalle kant van de kapel alleen maar beantwoord kunnen worden door 12 even grote ramen aan de lange kant van de kapel. Hier voel je wat goede architectuur is. Geen grote woorden, geen vage spinsels, maar gewoon gevoel. 

Als je die kapel in Mamelis beleeft dringt het besef tot je door: architectuur is een vak. Bij een architect hoort de eerste vraag niet te zijn tot welke stroming hij of zij behoort, maar of hij of zij het vak verstaat. Uiteindelijk is niet relevant of hij of zij een traditionalist, een modernist of een post-modernist is. Voorop staat de vraag hij of zij een goede architect is. Iemand die mensen geborgenheid kan bieden door uit te gaan van de juiste verhoudingen. Daarna komt de vraag naar de stroming die de architect zou (willen) vertegenwoordigen.

Maar moeten we Dom Van der Laan dan als een traditionalist zien, omdat de Bossche School op internet als een school van traditionalistische architecten wordt omschreven? Als ik me opgenomen voel in de ruimte van de kapel in Mamelis zijn termen als Romaans en modern voor mij meer terzake. Die combinatie is niet verrassend omdat in beide stromingen het zoeken naar de essentie centraal stond. Versieringen komen je in Romaanse kerken en in modernistische woonhuizen weinig tegen. 

Toch vermoed ik dat Dom Van der Laan deze discussie zinloos zou hebben gevonden. Juist omdat het hem om de essentie van het bouwen ging. Om de onderlinge verhoudingen van de maten. In dat opzicht laat Dom Van der Laan zich niet plaatsen. Hij is vooral tijdloos. En een mooier compliment kan een architect eigenlijk niet krijgen. 

#Milieuvergunningen en gebroddel bij de overheid

april 1, 2021 by  
Filed under Openbaar bestuur

Er is nog een toeslagen-affaire. Maar hij krijgt nog weinig publiciteit. 

Je hoort wel eens van grafiet en Tata Steel, of over het storten van granuliet in een natuurplas bij de Maas of over de opslag van blusschuim in Doetinchem. Je vraagt je misschien wel eens af of het hier slechts om incidenten gaat. Wellicht is er wel een perfect systeem van vergunningverlening en handhaving en zijn de genoemde incidenten slechts de uitzonderingen op de regel. Helaas is dat niet het geval.

Zo blijkt uit een mooi rapport van een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen dat begin maart verscheen. De commissie heeft zelf weinig onderzoek gedaan. De commissie heeft vooral helder op een rij gezet wat insiders allemaal al weten. En dat is schokkend. Vooral omdat inmiddels geheel onduidelijk is wie bij de uitvoering van de milieuwetgeving verantwoordelijk is voor wat. Vroeger waren de provincies en de gemeenten verantwoordelijk. Dat gaf veel ‘fragmentatie’ omdat iedereen het op zijn eigen manier deed. Om die reden werden de ‘omgevingsdiensten’ in het leven geroepen, samenwerkingsverbanden van gemeenten en provincies. Op advies van een commissie-Mans uit 2008. Maar verantwoordelijkheidsverdeling is overal weer anders. Daarom zijn soms de omgevingsdiensten en soms de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor de vergunningverlening in het kader van de milieuwetgeving. En vaak geen van beide.

Natuurlijk kan dit ratjetoe aan verantwoordelijkheden niet zonder gevolgen blijven. Ik citeer uit het rapport Van Aartsen: “De ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport, wd) heeft in haar risicoanalyse voor 2020 aangegeven dat zij de maatschappelijke schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan de meest risicovolle bedrijven door provincies op ongeveer 220 miljoen euro per jaar schat. Schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan andere bedrijven of door gemeenten is niet gekwantificeerd. Gezien het grote aantal bedrijven is het aannemelijk dat het in potentie om een veel grotere jaarlijkse, maatschappelijke schade gaat.” Dit gaat alleen om onjuiste verlening van vergunningen! Ik mag aannemen dat er ook nog heel wat bedrijven zijn die zich niet of niet geheel houden aan de vergunning die ze hebben gekregen. Er is dus heel veel milieu-schade en gezondheidsschade door gebroddel bij de overheid. 

Toezicht bij de overheid 

In feite gaat het hier om falend toezicht. Dat toezicht hapert op twee niveaus: bij het toezicht (door de omgevingsdiensten) op de bedrijven die milieuschade kunnen veroorzaken en bij het toezicht op de vergunningverlener (de omgevingsdiensten). Nu eens toezicht geen onbekend onderwerp bij de overheid. Met name omdat er vaak veel misgaat bij toezicht. Laten we eens verkennen wat er mis kan gaan. 

Het begint ermee dat de toezichthouders onvoldoende weten waarop ze moeten letten. Dat klinkt vreemd, omdat je toch zou verwachten dat de toezichthouder let op granuliet of grafiet. Of op de verleende vergunningen van de omgevingsdiensten. Je zou dus verwachten dat toezicht zich richt op de prestaties: wat stoot een bedrijf uit of welke vergunningen zijn door een omgevingsdienst verleend. Maar het toezicht kan zich ook richten op ‘processen’, bijvoorbeeld op afspraken met bedrijven, of op de financiën van de omgevingsdiensten. En in de praktijk zien we dat vooral bij incidenten het toezicht actief wordt.  

De cruciale vraag is: waarop moet je bij toezicht nu letten: op incidenten, op processen of op prestaties? Mijn stelling luidt dat bij toezicht bij de overheid de meeste aandacht uitgaat naar incidenten en de minste naar prestaties. En dat het net andersom moeten zijn. Je wilt als overheid toch gewoon weten wat dat bedrijf werkelijk uitstoot. En als je de vergunningverlening aan een ‘omgevingsdienst’ uit handen geeft wil je toch gewoon weten of die omgevingsdienst de goede vergunningen verleent. Toezicht moet dus zich primair richten op prestaties, secundair op processen en als dat goed gebeurt zullen incidenten nog slechts sporadisch voorkomen. Bij de overheid is echter vaak sprake van een omgekeerde wereld. 

Zo krijgen incidenten bij toezicht vaak veel aandacht, omdat juist daar politieke schade wordt gevreesd. Een paar jaar geleden kon ik dat van dichtbij ervaren. Ik zat een commissie voor die het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (RDW etc.) van het toenmalige Ministerie van IenM moest onderzoeken. We stelden vast dat toezicht pas gewicht kreeg als er incidenten waren. Om die simpele reden dat de Minister er vooral geen problemen van moest krijgen. 

Ook toezicht op processen krijgt vaak ten onrechte de voorkeur boven toezicht op prestaties. We maken liever afspraken met bedrijven over kwaliteitsborging en over zelfsturing dan dat we keihard zeggen wat wel en niet mag en daarop ook adequaat handhaven. Van Aartsen stelt vast dat de besturen van omgevingsdiensten toezicht houden op de financiën van de omgevingsdiensten maar niet op hun prestaties. Hij stelt ook vast dat het verticaal toezicht vanuit provincie tekort schiet omdat het gericht is op processen, niet op inhoud (is er een uitvoeringsprogramma, is er een evaluatie van het uitvoeringsprogramma?). Die voorkeur voor toezicht op processen in plaats van toezicht op prestaties is bureaucratisch gezien begrijpelijk: in een bureaucratie is de voorliefde voor afvinken nu eenmaal altijd veel groter dan de behoefte om een oordeel uit te spreken. Maar dat kan niet de werkelijke reden zijn.  

Diepere oorzaken

De vraag is wat gaat er fundamenteel schuil achter die voorkeur voor toezicht op processen boven toezicht op prestaties? Voor deze blog heb ik drie hypotheses.

Ten eerste zijn de verantwoordelijke organisaties waarschijnlijk meer met zichzelf en met het lijfsbehoud van de politiek verantwoordelijken bezig dan van met het behartigen van publieke belangen: namelijk het tegengaan van gezondheidsschade en van schade aan het milieu. Het pijnlijke is dat dit niet alleen geldt binnen het domein van de omgevingsdiensten. Op veel plaatsen in de overheid zijn de ogen meer gericht op de eigen organisatie dan op het dienen van de samenleving. 

Ten tweede vrees ik dat er binnen al die diensten te veel kennis van de processen, zeg maar bestuurskundige kennis, voorhanden is en te weinig vakinhoudelijke kennis. Je moet inhoudelijk goed beslagen ten ijs komen als je bij een bedrijf op bezoek gaat. Het valt mij altijd op dat grote bedrijven nooit op dat soort kennis bezuinigen, terwijl bij de overheid al jaren wordt geklaagd over het weglekken van kennis. En als je te weinig weet, is het eenvoudiger om vast te stellen of er aan kwaliteitsborging wordt gedaan (afvinken!) dan te bewijzen dat er te veel grafiet wordt uitgestoten (oordeel vellen!)

Ten derde: er is bij toezichthouders een grote angst om de principaal te zijn. Ooit kwam er een stroming op in de bestuurskunde die beweerde dat de overheid “ook maar één van de partijen” is. Daarna begonnen het praten over horizontaal toezicht en over zelftoezicht. En vooral over samenwerking en gelijkwaardigheid. Maar wie op voorhand zegt dat hij niet meer is dan de ander, moet er niet meteen op vertrouwen dat hij straks nog iets over die ander te zeggen heeft. Niet voor niets spreekt het rapport van Van Aartsen over “vrijblijvendheid”. Niet voor niets constateert het rapport dat er te weinig aandacht is voor strafrechtelijke handhaving. Niet voor niets geeft het rijk beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften voor de vergunningverlening en is afgesproken dat er achteraf geen toezicht zal zijn. Niet voor niets mag de Inspectie voor Infrastructuur en Milieu de provincie alleen maar adviseren bij de verlening van vergunningen van grote bedrijven. Niets voor niets bleek het ‘horizontaal toezicht’ vanuit de gemeenten “nagenoeg afwezig” te zijn.  

Op dat moment proef je ook bij de commissie Van Aartsen de opkomende wanhoop. Om daaraan uiting te geven merkt de commissie op dat een adequaat stelsel van checks and balances ontbreekt. Dat klinkt prachtig, maar dat is nu juist niet de kern waar het bij toezicht om moet draaien. Omdat we een gezond leefmilieu willen, mag niet elk bedrijf uitstoten wat hij wil. Daarom heb je als bedrijf voor bepaalde activiteiten een vergunning nodig. Maar omdat we niet in een ideale wereld leven heb je toezichthouders nodig die controleren of de bedrijven zich aan de grenzen van de vergunning houden. En je hebt toezichthouders nodig om te controleren of er geen vergunningen in strijd met de wet worden verleend. Toezicht houdt in dat bij overtreding wordt opgetreden. Of de omgevingsdienst wordt op de vingers getikt of het bedrijf wordt stilgelegd. De uitdrukking checks and balances bevredigt hier dan ook niet. Bij toezicht horen principaal en agent elkaar principieel juist niet in evenwicht te houden. De overheid stelt grenzen aan bedrijven en niet omgekeerd. Het bestuur stelt grenzen aan omgevingsdiensten en niet omgekeerd. 

Hoe verder

De commissie Van Aartsen mag trots zijn op haar rapport. De commissie heeft het aangedurfd om een schokkend rapport te schrijven. Ik vind het schokkend om te lezen hoeveel er fout gaat. Ik vind de wirwar aan verantwoordelijkheden en bevoegdheden, wat we vaak de ‘governance’ noemen, tenenkrommend. Maar het meest schokkend is dat de conclusies van de commissie-Mans uit 2008 ongeveer identiek zijn aan de conclusies van dit rapport uit 2021. 

Juist tegen die achtergrond vind ik de aanbevelingen van de commissie te vriendelijk. Er staan 10 aanbevelingen, maar erg concreet en fundamenteel zijn die aanbevelingen niet. Het zijn eigenlijk vooral 10 wensen, wensen die onvoldoende uitstralen dat het zo niet langer kan. Ik vrees ook dat velen deze wensen zullen delen, waarna het debat over wat er echt moet gebeuren weer snel zal verzanden in eindeloos gepraat. Die kans is toch al groot omdat in het binnenlands bestuur bij elke verandering minstens 10 kalkoenen meepraten over de komende Kerst. 

Bovendien zou ik eerst wel eens antwoord willen hebben op enkele fundamentelere vragen. Bijvoorbeeld:  (1) Wanneer zegt iemand dat al die hulpconstructies in het binnenlands bestuur uiteindelijk altijd tot de conclusie leiden dat niemand meer weet wie echt verantwoordelijk is? (2) Waarom moet het aantal omgevingsdiensten kleiner worden, maar zouden de provincies hun taken niet gewoon kunnen overnemen? (3) Waarom accepteren we dat het Rijk hier eigenlijk niks te zeggen heeft, terwijl we zo graag willen dat bedrijven zich overal aan de nationale wetten houden? (4) Waarom heeft de bestuurskunde dit zoveelste echec met uitvoeringsorganisaties niet weten te voorkomen? (5) Ten slotte: waarom zijn er zoveel bestuurders en directeuren van omgevingsdiensten die op grond van een politiek-bestuurlijke afweging besluiten om de grenzen van de wet te overschrijden? En zouden ze zich daarbij afvragen of ze daarmee het vertrouwen van de burger beschamen? 

Die laatste vraag maakt meteen duidelijk dat we het toezicht niet meteen weer op orde hebben. Ik vrees dat de overheid bij haar toezicht kampt met een cultureel probleem. Een vergelijkbaar cultureel probleem dat pijnlijk bloot kwam te liggen bij de toeslagen-affaire. Die cultuur verander je niet door het aantal omgevingsdiensten een beetje te verminderen of ze wat meer geld te geven. 

Wie zou de #PvdA missen als ze nu werd opgeheven

maart 20, 2021 by  
Filed under Politiek

Ik ben lid van die partij, van de PvdA. Die schamele 9 zetels raken mij dus. Alle reden om te proberen om deze dramatische uitslag te verklaren. De slechte uitslag van de PvdA lag ten eerste aan de partij, ten tweede aan het moment en ten derde weer aan de partij. 

Lodewijk Asscher deed vanaf 2017 een dappere poging om een nieuw verhaal voor de PvdA te verwoorden. De partij zou mensen weer ‘zekerheid’ moeten bieden. Of dat verhaal tot een andere uitslag zou hebben geleid, valt te betwijfelen (zie verder). Maar Lodewijk heeft nooit de kans gekregen om bij de verkiezingen zijn gelijk te bewijzen. Hij struikelde over de aloude zuurgraad binnen de PvdA. Hij werd intern onthoofd. [Dat alleen al zou een hele goede reden zijn om de partij te verlaten.] Lilianne Ploumen moest Lodewijk onverhoeds vervangen. Ze deed het helemaal niet slecht. Maar uiteindelijk had ze te weinig tijd om er nog iets van te maken. Bovendien heeft ze niet het intellectuele gewicht dat je van een PvdA-leider mag verwachten. 

De verkiezingen stonden in het teken van corona. En dus in het teken van leiderschap. D66 en de VVD hadden dat goed gezien, hoewel Mark Rutte in de campagne zonder corona al snel begon af te bladderen. De PvdA was geen leider geweest in de coronacrisis en trok die rol ook niet naar zich toe. Zo ging de leiderschapsbonus aan de PvdA voorbij. Bovendien waren de kiezers vooral moe, moe van het virus. Mensen wilden weer zon en warmte en buitenlucht en vooral andere mensen omarmen. Dan moet je niet aankomen met een ‘nieuw plan’. Mensen hadden even geen zin in grote plannen, ook niet voor een beter klimaat zoals Jesse Klaver pijnlijk moest ervaren. 

Maar het waren niet alleen de ongelukkige voorgeschiedenis én het moment die de PvdA weer op 9 zetels deden uitkomen. Belangrijker is dat de PvdA al jaren niet meer weet waarvoor zij op aarde is. Eigenlijk was de PvdA al jaren alleen maar de vluchtheuvel voor alle tegenstanders van rechts. En de PvdA was die vluchtheuvel omdat de partij in staat was iedereen te doen geloven dat zij als enige die vluchtheuvel kon zijn. Door te zeggen dat zij de grootste progressieve partij van Nederland was, werd dat vanzelf waar. Ja, het was een verrukkelijke selffulfilling prophecy. Als je Lubbers, Balkenende of Rutte wilde voorkomen, kon je maar het beste op de PvdA stemmen. Zo werd het geloof dat de PvdA de grootste partij op links was, altijd weer bevestigd. Maar het stoelde uiteindelijk alleen maar op een geloof. 

Het valt niet te ontkennen dat de PvdA altijd zwaargewichten had om de kar te trekken: Kok, Bos en Samsom. En voordat de kiezer doorhad dat Cohen geen zwaargewicht was, waren ook de verkiezingen van 2010 al weer succesvol verlopen. Lange tijd waren ook veel intellectuelen actief binnen de PvdA. Om die zelfde reden: omdat de PvdA de grootste progressieve partij van Nederland was. 

Maar coherent werd de ideologie van de PvdA sinds de komst van Nieuw Links eigenlijk nooit meer. Het ideeëngoed van NieuwLinks was nogal leeg. Kok, Bos en Samsom bogen vooral mee met de neo-liberale tijdgeest en daarna verloor Asscher op dramatische wijze de verkiezingen, omdat de kiezers zich eindelijk begonnen af te vragen waar de PvdA nu eindelijk voor stond. En omdat de selffulfilling prophecy was uitgewerkt na het tamelijk onsmakelijke robbertje vechten tussen Samsom en Asscher om de macht in de PvdA. Plotseling bleek de partij geen kleren meer aan te hebben. En wie dacht dat het in 2021 allemaal wel weer beter zou zijn, had niet begrepen dat de PvdA al decennia boven zijn stand leefde. Ook zonder corona en zonder een nacht van de lange messen waardoor Asscher werd gevloerd, had de PvdA amper meer zetels gekregen. 

Nu de keizer geen kleren meer draagt, blijkt dat de SP een veel betere pleitbezorger is van de strijd tegen de ongelijkheid dan de PvdA. Niet voor niets is net een SP-er gekozen tot voorzitter van de FNV. GroenLinks blijkt een veel betere pleitbezorger van de strijd tegen de klimaatverandering en de verloedering van het milieu. En D66 is een veel betere pleitbezorger van een democratisch Nederland dat zijn ogen opent naar de wereld en naar Europa. Nee, als de PvdA niet meer automatisch de grootste is op links, blijkt dat alle linkse thema’s bij andere partijen beter zijn belegd. 

Omdat de PvdA zelf dacht dat zij tot in eeuwigheid de dominante partij op links zou zijn, is er intern ook nooit een succesvolle poging gedaan om al die linkse thema’s weer echt met elkaar te verbinden. En is geheel vergeten om nog eens goed te heroverwegen wat ‘links-zijn’ in deze tijd werkelijk betekent. Een echt progressieve volkspartij had zich in ieder geval meer aangetrokken van de volkse achterban die de PvdA al jaren geleden heeft verlaten. Zo lukte het de PvdA ook nooit om een helder en overtuigend migratiestandpunt te verwoorden. Zoals we wel hebben gehoord waarom DENK de PvdA heeft verlaten, maar ons nooit is verteld waarom DENK binnen de PvdA kon ontstaan.  

Vier jaar geleden konden we nog denken dat die 9 zetels van de PvdA een gevolg waren van een toevallige samenloop van dramatische omstandigheden. Nu weten we beter. Die 9 zetels vertegenwoordigen de resterende achterban van de PvdA: een aantal hoogopgeleide ouderen. Is er dan nog toekomst? De PvdA zal bovenal de gedachte moeten loslaten dat zij van nature de dominante partij op links is. De partij zou kunnen proberen om een nieuw verbindend verhaal te schrijven. Maar ik zie geen mensen in de partij die daartoe in staat zijn. Hoe droevig ook was het verkiezingsprogramma dit jaar: een verzamelbak van dingen die we ooit links hebben genoemd. De partij zou kunnen fuseren met GroenLinks en met de SP. Ik vrees dat het gereformeerde karakter van de drie partijen te sterk is om tot een succesvolle fusie te kunnen komen. De PvdA kan zichzelf ook opheffen. Ik vrees dat weinigen de partij bij een volgende verkiezingen in dat geval zullen missen. 

[Op Twitter reageert iemand dat zij de PvdA zal missen, zoals ze de V&D nog steeds mist. Ook als die opmerking serieus is bedoeld, is daarmee het probleem van de PvdA pijnlijk treffend beschreven.]

#Corona, de avondklok en de cijfers

februari 17, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het gaat niet goed met de mentale staat van Nederland. Corona duurt te lang. Dat vergt twee dingen: alle corona-leiders moeten meer rust uitstralen en we moeten ons baseren op de feiten. Daarvan was gisteren geen sprake. 

Rutte riep ons allen op om de avondklok te blijven respecteren terwijl de rechter net had geoordeeld dat die avondklok geen juridische basis had. Van een minister-president verwacht je dat hij zich houdt aan de uitspraken van de rechter. Maar Rutte leeft blijkbaar inmiddels in zo’n staat van onrust, dat deze simpele gedachte niet meer bij hem opkwam. Alsof zonder avondklok de strijd tegen het virus definitief verloren zou zijn. 

Het RIVM brengt vooral chaotische berichten naar buiten. De Britse variant, waarvoor tot voor kort zo werd gewaarschuwd, blijkt nu toch “minder snel om zich heen te grijpen” dan eerder verwacht. Maar er is geen enkele reden voor tevredenheid. Want is er is een mutatie van de Britse variant van het coronavirus in Nederland ontdekt! Één mutatie van een mutatie. En dat is volgens het RIVM “zorgelijk”. Het RIVM meldt dat het virus “in het nauw zit” en (daarom?) nieuwe varianten ontwikkelt. Die nieuwe varianten zouden wel eens minder gevoelig kunnen zijn voor de vaccins. Bovendien is het zicht op het virus “vertroebeld” omdat GGD-locaties door de gladheid waren gesloten. Ook hier vooral alarmerende berichten.

Ik kan me voorstellen dat veel corona-leiders inmiddels door vermoeidheid zijn overmand. Bruno Bruins was het immers al na een week. Maar dat is geen reden om paniek te zaaien. Het is juist een moment om de feiten rustig te laten spreken. 

In dat opzicht is het goed om onderscheid te maken tussen meten, berekenen en voorspellen. En die heb je ook weer in soorten en maten. 

Meten

Zo zijn de dagelijkse ziekenhuisopnames betrouwbaar te registeren. Er zal eens een patiënt worden vergeten in de statistiek, maar je mag toch aannemen dat hiermee weinig fouten worden gemaakt. De trend die deze meetcijfers laat zien, geeft een betrouwbaar beeld van de ontwikkeling in het aantal besmettingen (zij het een aantal dagen later). Dus hoe het ervoor staat met het virus valt zeer goed af te lezen aan het dagelijkse aantal ziekenhuisopnames. 

Het dagelijks gemelde aantal besmettingen is een veel minder betrouwbaar meetcijfer. Zoals we deze week zagen laten mensen zich veel minder testen als het glad is of koud is of slecht weer is etc. Wat de media ‘aantal nieuwe besmettingen noemen’ is dus niet meer dan het ‘aantal dagelijkse positieve tests’. Het aantal positieve tests op een dag is niet meer dan een steekproef van het aantal nieuwe besmettingen op een dag. Het vervelende is dat die steekproef niet a-select is omdat de dagelijkse cijfers erg worden verstoord door de neiging van mensen om zich wel of niet te laten testen. En die neiging is van allerlei factoren afhankelijk. En elke onderzoeker weet dat je op basis van een selecte steekproef geen algemene uitspraken mag doen. 

Berekenen

Het RIVM berekent op basis van deze twee meetcijfers zowel het aantal besmettelijke mensen als het reproductiegetal R. Het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames wordt omgerekend naar het aantal besmettelijke mensen en het aantal dagelijks positieve tests wordt omgerekend naar de R. Die berekeningen kennen niet alleen een andere bron, maar ook een andere methode. Het gevolg is dat het regelmatig voorkomt dat het aantal besmettelijke mensen in de laatste weken afneemt, terwijl de R boven de 1 ligt. In real life kan dat natuurlijk niet. Het wordt nog erger als het RIVM (op basis van 37 gevallen) voor de Britse variant de R gaat berekenen: die berekening is gebaseerd op een selecte steekproef van een selecte steekproef. Bij dit soort berekeningen begint de verwarring. 

Voorspellen

Het RIVM doet ook voorspellingen. Ik onderscheid twee soorten voorspellingen Op basis van extrapolatie (men trekt de trend van de laatste weken door) of basis van modellen. Een extrapolatie komt alleen uit als de trend niet (onvoorzien) ombuigt. Modellen vormen een schematische weergave van de werkelijkheid omdat we de werkelijkheid zelf (exact) niet kennen. En hoe groter de onzekerheid over de werkelijkheid, hoe meer het model op aannames is gebaseerd. Op basis van al die aannames concludeert het RIVM bijvoorbeeld dat R 0,13 zal dalen als we nog maar één bezoeker per dag ontvangen. Of iets dergelijks. Natuurlijk dalen de besmettingscijfers als we minder mensen ontmoeten. De vraag is: hoeveel? Ik geloof niet dat modellen ons daarbij veel verder brengen. Omdat ze op grond van aannames de werkelijkheid schematiseren. 

Conclusie

Het zou de wetenschappers sieren als ze alle betrouwbaarheidsmarges van hun uitspraken zouden aangeven. Het zou ze nog meer sieren als ze zich bepalen tot de dingen die ze echt weten. We weten eigenlijk maar twee dingen echt: het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames met COVID-19 en het aantal positieve tests per dag. En alleen uit het eerste cijfer kan men de ontwikkeling van het virus goed afmeten. 

En dan is het interessant dat het aantal mensen dat wordt opgenomen in een ziekenhuis vanwege COVID-19 sinds de Kerst daalt. In de Kerstweek ging het om 1956 opnames, in de afgelopen week om 1120 opnames. Verder weten we niet zoveel. Er is dus geen reden voor paniek. 

Ook in Rutteland bestaan risico’s #corona

februari 10, 2021 by  
Filed under Openbaar bestuur

In de Watersnoodramp van 1953 vonden 1836 mensen de dood. Binnen 24 uur. Dat de dijken in het Zuid-Westen van het land ontoereikend waren, was al jaren bekend. Een ingenieur van Rijkswaterstaat, Johan van Veen, had er voortdurend voor gewaarschuwd. Er was niks aan gedaan. Men had wel wat anders aan zijn hoofd na de oorlog. Nederland moest opnieuw worden opgebouwd. En de mensen waren nog stil van wat hen in die oorlog was overkomen. 

De Watersnoodramp was een drama. Er is in Zeeland en op de Zuidhollandse eilanden lang gerouwd. Nog steeds kan er daar moeilijk over worden gepraat. Maar toch was het een natuurramp zoals we die sinds mensenheugenis gewend waren. Zo ver de overgeleverde geschiedenis reikt, waren er watersnoodrampen. Elke keer werden de dijken weer gedicht, werd het land weer opgebouwd. En de zekerheid van een nieuwe ramp behoorde tot het collectieve geheugen. 

Juist dat maakt onze tijd uniek. Wij denken dat we risico’s kunnen uitbannen. En dat verklaart ook onze bijzondere reactie op COVID-19. Hier en elders in de wereld. Die reactie is gebaseerd op drie stelregels. 

  1. We denken dat we alles weten
  2. We denken dat we alles kunnen controleren
  3. We vergeten ons af te vragen wat voor leven we willen

Ik zal eerst de redenering verder onderbouwen en daarna zal ik aangeven dat we precies door deze redenering vastlopen in COVID.

We weten heel veel. Onze kennis is de afgelopen vijftig jaar enorm toegenomen. Onze weersvoorspellingen zijn geweldig verbeterd. Het is bijna saai dat de meteorologen met grote zekerheid kunnen voorspellen dat deze winterse periode na het weekend snel zal afvlakken. Saai, omdat het gewoon zal uitkomen. Met alle meteorologische voorspellingen kunnen we de waterstanden voor weken later bijna exact voorspellen. 

Omdat we zoveel weten, weten wie hoe hoog de dijken moeten zijn om slechts eenmaal in de 10.000 jaar te worden overspoeld. We weten welke krachten de dijken moeten kunnen weerstaan. We weten zelfs welke betekenis droogte heeft voor de kracht van de dijken. 

En omdat we dit allemaal weten en omdat we daardoor risico’s kunnen uitbannen, wordt politiek: management. Door goed te managen neemt de overheid de risico’s van ons weg. Kunnen wij vrij zijn en het leven leiden dat we willen. Leven we allemaal lang en gelukkig in Rutteland. 

Inmiddels heeft COVID-19 ons geleerd dat de redenering fundamenteel faalt. Omdat we niet alles weten en omdat de overheid niet alles kan controleren. 

Het afgelopen jaar is één stralend voorbeeld van niet-weten. Ik zal niet alle voorbeelden herhalen. Eentje dan. We hebben een avondklok (die zich met een hond heel aangenaam laat omzeilen) omdat een Britse variant ons toch al beperkte leven heeft overgenomen. Deze Britse variant vraagt om nog meer voorzorg, omdat zijn (effectieve) reproductiegetal wel eens tussen 1,3 en 1,5 zou kunnen liggen. Het RIVM berekende twee weken geleden dat de R van de Britse variant 1,3 zou bedragen (op basis van 39 casus). Vandaag meldt het RIVM dat de R van de Britse variant momenteel 1,13 bedraagt. Het kan komen door de lockdown, maar het RIVM kan het effect van de laatste maatregelen niet vaststellen. Het is waarschijnlijk dat we gewoon niet weten hoe hoog die R van de Britse variant is. Al met al: we weten het niet, of op zijn minst maar heel weinig. Want bij een R van 1,5 moeten we allemaal in de schuilkelder en bij 1,13 kunnen we bijna weer naar de kroeg. 

Het afgelopen jaar is één stralend voorbeeld van niet kunnen controleren. Ja, in het voorjaar toen waren we allemaal braaf. Niet omdat de overheid zei dat we dat moesten zijn. Nee, omdat we collectief bang waren. Toen werd er thuisgewerkt, toen waren de wegen leeg. Toen kochten we vouchers bij ons favoriete restaurant, om hen door de winter te helpen. Toen lieten we onze boodschappen thuis bezorgen. Na de zomer is alles anders. Ja, we dragen mondkapjes, als symbool voor onze welwillendheid. Maar de wegen vertonen weer files, omdat iedereen weer naar zijn werk gaat, uitgezonderd de dienaren van de staat. We halen ons eten af bij ons favoriete restaurant, alleen omdat het niet open mag van Rutte. We sporten weer buiten en die regel dat je maar één persoon mag ontvangen geldt vanzelfsprekend niet voor verjaardagen, Kerst, Oud en Nieuw, Drie Koningen, voorjaarsvakantie en al die momenten die we nooit alleen waren. 

Wie denkt dat hij alles weet, denkt ook dat hij risico’s kan uitsluiten. Door ons allen te controleren. Maar Rutte weet niet alles en controleert niet alles. En daarom wringt het nu zo zeer bij die laatste stelregel: we vergeten ons af te vragen wat voor leven we willen. En of we het leven willen leiden dat we nu gedwongen worden te leiden. Daarom missen we het politieke debat. 

Nee, ik ben geen Wappie. Nee, ik ga niet relschoppen, hoe mooi dat woord ook is. Maar ik vind wel dat we een politiek debat verdienen nu de redenering doodloopt. Het sluiten van scholen, van universiteiten, van concertzalen, van de Kuip en van de Arena, van de Elfstedentocht en van kroegen en restaurants is geen management-vraag, maar een politieke vraag. 

Zonder #cultuur is het leven schraal

januari 11, 2021 by  
Filed under Politiek

De overheid trok zich terug, de markt moest het doen. Het ging voortaan over verdienmodellen en verdienvermogen, over cultureel ondernemerschap, over kennis over marktstimulering, over zelfstandigheid en vooral over geld verdienen. Dat is de ontwikkeling die de culturele sector in de laatste decennia heeft doorgemaakt. Halbe Zijlstra stond als staatssecretaris model voor deze omslag. Omdat hij het onomwonden zei. Omdat hij niets had met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur. En schijnbaar ook niets met de hoge cultuur op zich. 

Ik geef toe: het was ook wel verfrissend. De reacties uit de cultuursector getuigden daarvan. Alsof het aanmatigend was van Halbe Zijlstra om zich uit te spreken over cultuurpolitiek. Alsof alleen de cultuursector mocht bepalen op hoeveel subsidie zij zelf recht had. Alsof alleen niet-bezuinigen een uiting van beschaving was. Onzin natuurlijk. In een beschaafde democratie maken we samen uit wie wat krijgt. 

Dat er minder geld was voor de culturele sector was misschien ook nog wel te billijken. Echt kwalijk was het dat Halbe Zijlstra het onderscheid tussen tandpasta en cultuur niet leek te zien. Cultuur moest je verkopen. En als er niets werd verkocht was er blijkbaar geen behoefte aan. Waarom zou de overheid cultuur subsidiëren waarvoor de cultuurliefhebbers onvoldoende geld over hadden? Noodgedwongen werd dat economische denken door de culturele sector overgenomen. Vanaf Zijlstra werd de culturele sector bij uitstek als een economische sector gezien. 

Zo werd het publieksbereik steeds belangrijker. Niet om meer mensen te laten genieten, maar vooral om meer kaartjes te verkopen. Kunstenaars werden culturele ondernemers, die nieuwe verdienmodellen beproefden. Culturele instellingen werden bedrijven die vooral moesten bezuinigen. Logischerwijs nam het gewicht van de managers, die verstand hadden van marktstimulering en van het vergroten van de veerkracht van het eigen bedrijf toe. Ten koste van de makers om wie het in deze sector uitsluitend is te doen. Nergens horen managers zo ondergeschikt en ondersteunend te zijn als in de culturele sector. Het tegendeel leek steeds meer het geval. 

Niet alleen het handelen maar ook het debat veranderde (definitief). Om te bewijzen dat de overheid de culturele sector niet helemaal in de steek mocht laten, werd steeds meer over de ‘waarde’ van cultuur gesproken. En daarbij ging het niet om de intrinsieke waarde van cultuur, maar plat gezegd om de economische waarde. Door cultuur verbetert het vestigingsklimaat van steden voor bedrijven. Door festivals stijgt de omzet van kroegen en restaurants. Door blockbusters stijgt de hotelbezetting. Cultuur levert geld op, dat niet in toegangskaartjes wordt verdisconteerd. En dat is toch een goed argument voor de overheid om financieel bij te springen? 

Arme kunst, de kunst had geen waarde meer van zichzelf, geen intrinsieke waarde meer, maar alleen nog maar economische waarde. En waar die economische waarde ontbrak, konden de makers ophoepelen. 

En toen kwam corona. We mochten elkaar niet meer ontmoeten, de musea sloten hun deuren en concerten en theatervoorstellingen werden stilgelegd. Godzijdank sprong de overheid bij zodat de hele sector niet meteen omviel. Maar die steun gold niet voor al die zzp-ers die al jaren moesten sappelen omdat er in de cultuursector veel te weinig geld was overgebleven na de kaalslag van Halbe. Die steun gold ook niet voor al die jonge talenten die net hun opleiding hadden afgerond en zich nog niet hadden gevestigd. Zij werden spoedig gedwongen om met ander werk in hun bestaan te voorzien. Waarmee veel talent verloren ging. Gaandeweg werden wel tal van dappere pogingen ondernomen om het publiek via internet te bereiken. Musea vergrootten hun digitale aanbod en orkesten en theatergezelschappen ontdekten de mogelijkheden van streaming. Maar het was niet genoeg. Het was een doekje voor het bloeden. 

Hoe triest de aanleiding ook was, hoe triest het moment, eigenlijk was het een heel bijzonder moment. Plotseling konden we vaststellen hoe schraal het leven is zonder cultuur. Iedereen kon plotseling zien dat cultuur niet alleen een economische waarde heeft. Dat cultuur een waarde op zichzelf heeft. Cultuur zorgt voor een verrijking van het leven. En zonder die verrijking is het leven schraal. Dat besef is de winst van corona. 

Acht jaar na Halbe Zijlstra leert corona ons dat we volledig zijn doorgeslagen met dat neo-liberale denken, dat iedereen aanzet om ondernemer te worden en dat elke manager doet bazelen over verdienmodellen. Natuurlijk is het goed als de cultuurmakers op zoek gaan naar hun publiek, en naar nieuw publiek. Maar ook als dat grote publiek er gewoon niet is, kan kunst uiterst zinvol zijn. Het is onzin om te stellen dat er geen plaats is voor kunst waar geen markt voor is. Cultuur is een wezenlijk onderdeel van onze samenleving. Het verrijkt het leven, het zet aan tot nadenken en het reflecteert wat er ten diepste in de samenleving gaande is. Cultuur verwijst naar onze roots, het bepaalt onze samenleving en is daarmee een basisbehoefte. Wat zou het mooi zijn als we met zijn allen, overheid én samenleving weer trots zouden zijn op cultuur, in plaats van steeds maar weer aan bezuinigingen te moeten denken en aan de mogelijkheden om de cultuur te vermarkten. Dat vreselijke woord. 

Die tegenstelling tussen overheid en markt is hier ook vals. Als de cultuur niet voldoende wordt betaald uit de kaartverkoop, moeten de gemeenschap op een andere manier de cultuur betalen. Het gaat om het onderscheid tussen een gemeenschap die rijk aan cultuur is en daardoor wordt verrijkt of een gemeenschap die verschraald door een tekort aan cultuur. En daarom moet de kunsten uit gemeenschapsgelden worden betaald als de kaartjes onvoldoende geld opleveren. 

Ook in dat opzicht heeft het afgelopen corona-jaar ons veel geleerd. Want plotseling was de overheid wel bereid om bij te passen toen de culturele sector op omvallen stond. De cultuur werd eindelijk niet meer beoordeeld op zijn verdienmodellen en zijn publieksbereik en zijn publieksdifferentiatie, maar vanwege haar eigen authentieke betekenis. Omdat een samenleving niet zonder cultuur kan. Dat is de tweede winst geweest van deze bizarre episode. Het is dus niet meer dan normaal dat de gemeenschap bijpast als er van de kaartjes niet meer valt te leven. Waarom is dat geen permanente afspraak? Dat de gemeenschap gewoon altijd bijspringt als er te weinig kaartjes worden verkocht.

Natuurlijk moeten we trots zijn op de zelfstandigheid van de culturele sector. Cultuur gedijt in autonomie. En niet onder de vleugels van een overheid. Maar we hebben wel een overheid om te garanderen dat die cultuur in alle tijden gedijt. Waarom is er bijvoorbeeld geen gegarandeerd basisinkomen voor de makers van de kunst? Ik spreek niet over een (permanent) basisinkomen. Maar wel over een permanente garantie dat er altijd voldoende inkomsten zijn, ook als er onvoldoende kaartjes worden verkocht. Dus bijvoorbeeld ook als avant garde cultuur nog maar door weinig mensen wordt begrepen. Of wanneer een museum eens iets anders dan een blockbuster wil presenteren. Of als talenten nog onvoldoende kansen krijgen om hun kunnen te tonen.

Wie zou daarvoor in aanmerking moeten komen? Mensen die zijn opgeleid in de kunsten en zich ook inzetten voor de kunsten. De makers dus. Ik stel voor dat de managers zich anders moeten bedruipen. En natuurlijk is de gemeenschap verantwoordelijk voor de basisinfrastructuur waarbinnen de makers hun prachtige werk kunnen doen. 

Ja zeker! Het idee is nog helemaal niet uitgewerkt. Het vraagt nog enige doordenking, om het eufemistisch uit te drukken. Maar laten we bij het doordenken blijven proberen om de cultuur niet economisch maar intrinsiek te waarderen. Cultuur is geen tandpasta. 

« Vorige paginaVolgende pagina »