Moet het #RIVM wel duiden #corona

maart 3, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Je zal maar voorlichter zijn bij het RIVM. Elke week komen de jongens en meisjes van infectieziektes met hun cijfers. 79 pagina’s. En de media willen weten wat dit betekent. Dus besluit je dat je de cijfers moet duiden. En als je duidt kan je beter eerder te pessimistisch dan te optimistisch zijn. Want stel je voor dat je ernaast zit. Zo hoorden we de laatste weken veel spreken over de Britse variant. Over die variant horen we steeds minder. Momenteel is het RIVM vooral bezorgd over de Zuid-Afrikaanse variant. En de afdeling communicatie van het RIVM ziet in de laatste cijfers zelfs het bewijs voor de derde golf. 

Laten we de cijfers eens zonder angst voor zichzelf laten spreken. En laten we ons dan baseren op cijfers per week. De dagelijkse cijfers zijn veel te vervuild om er conclusies aan te verbinden. 

Meten

  • het aantal ziekenhuisopnamen was in de afgelopen week 1133 (77 minder dan in de week ervoor)
  • het aantal opnamen op de IC was in de afgelopen week 224 (19 minder dan in de week ervoor)
  • het aantal COVID-19-doden bedroeg in de afgelopen week 177 (85 minder dan in de week ervoor)

Dat zijn de harde cijfers. 

Schatten

Daarnaast kennen we het aantal positieve tests in de afgelopen week. Door sommige media worden deze cijfers gebracht als het aantal nieuwe besmettingen. Dat zou alleen waar zijn als alle nieuwe besmettingen ook daadwerkelijk worden getest. Quod non. Iemand wordt pas positief getest als hij/zij besmet is én de behoefte voelt om zich te laten testen. Het gaat hier dus om een steekproef op basis waarvan we het aantal nieuwe besmettingen schatten. 

Helaas: de behoefte om je te laten testen is niet elke week constant. Een groter aantal positieve tests wijst dus op een hoger aantal nieuwe besmettingen en/of op een grotere behoefte onder de bevolking om zich te laten testen. 

Zo zijn in de afgelopen week 31.835 mensen positief getest, tegen 29.803 in de week ervoor. Van alle tests was 8.8% positief tegen 9.7% in de week ervoor. Dit laatste verschil kan erop duiden dat het aantal positieve tests wordt verklaard door een groeiende behoefte bij mensen om zich te laten testen (bijvoorbeeld omdat over Britse varianten en derde golven wordt gesproken). 

Berekenen

Het RIVM berekent wekelijks het aantal besmettelijke mensen, met enige vertraging. Het aantal besmettelijke mensen is sinds 21 december 2020 tot 5 februari gedaald van ongeveer 160.000 naar ruim 90.00. Daarna steeg het aantal besmettelijke mensen weer een week tot vlak onder de 100.000 en daarna daalde het weer een klein beetje (stand 19 februari). Dit cijfer wordt berekend op basis van ziekenhuisopnames per dag. 

Het RIVM berekent wekelijks het reproductiegetal, met enige vertraging. De R ligt op 12 februari op 1.14. Volgens de verwachting van het RIVM is R in de twee daarop volgende weken weer gedaald naar 1. Dit cijfer wordt berekend op basis van aantallen positieve tests per dag (zie ook: De mystiek van het R-getal).

Ook economisch onderzoek bewijst niet wat je moet doen @Herstel_nl @CoenTeulings

februari 28, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Coen Teulings was plotseling bij herstel.nl verdwenen. Het stemt me droef. Ik ken Coen als een uitstekend econoom en als een integer mens. Ik zag hem bij Op1 pleiten voor een andere aanpak van corona. Hij gaf treffend aan hoe groot de individuele én de maatschappelijke schade is als jongeren leerachterstanden oplopen. En niet het onderwijs krijgen dat ze onder normale omstandigheden zouden hebben gekregen. Voor dat pleidooi verdient hij enorme waardering. Het is goed als wetenschappers durven te vertellen welke kosten met het huidige beleid gemoeid zijn. En dat niet alleen naar virologen en epidemiologen wordt geluisterd. 

Maar het liep slecht af met Coen. Marcel Levi kwam vanuit London melden dat hij te weinig solidair was met de ouderen. En de media schreven dat Coen alleen nog maar stamelde. Van dat stamelen heb ik niets gemerkt. Niettemin: de volgende dag had Coen Teulings herstel.nl verlaten. En met hem Bas Jacobs en Barbara Baarsma. Veel uitleg werd niet verschaft. Alleen Jacobs meldde dat herstel.nl te activistisch was geworden. 

Omdat de uitleg ontbrak, moeten we zelf duiden. Ik doe een poging. We weten allemaal dat het debat over corona vanaf het begin is gedomineerd door medici (mensen als Levi). Medici zijn opgeleid om mensen te genezen en om ziektes te voorkomen. Dus ging het debat niet alleen over het virus maar ook over de dreigende overbelasting van de zorg. En die moest worden voorkomen. Dat denken werd zo dominant dat COVID-patiënten voorrang kregen boven andere patiënten. Niets ging boven de bestrijding van COVID-19. 

In dat frame was het vervelend dat er leerachterstanden ontstonden, dat mensen depressief werden, dat er huidhonger en contactarmoede ontstond en dat een belangrijk deel van de economie op instorten stond. Want de bestrijding van COVID-19 was belangrijker. 

Daarom is het zo goed dat wetenschappers als Coen Teulings op de grote maatschappelijke nadelen van het corona-beleid wezen. En dat je de gezondheidswinst van het coronabeleid kan afwegen tegen de economische en maatschappelijke schade van datzelfde beleid. Maar omdat veel journalisten kritiekloos meegaan in het dominante vertoog van aantallen besmettingen en de dreigende overbelasting van de zorg, had Teulings veel uit te leggen. En natuurlijk kreeg hij tegengeworpen dat hij niet solidair was. Ja, dan heb je de strijd al bijna verloren. Exit Teulings. 

Maar Teulings sneuvelde niet alleen omdat de medici nog steeds het COVID-debat domineren. Hij sneuvelde ook omdat hij dacht dat zijn kennis bewees wat wij moeten doen. Dat is dezelfde fout die veel medici maken. Alleen baseren zij zich op andere kennis. Zo hoorde ik onlangs een lid van het OMT voor de radio beweren dat het OMT niet eenzijdig kijkt, maar alle voor- en nadelen in zijn adviezen goed afweegt. Sorry! Het OMT moet niet afwegen. Het OMT moet vertellen hoe het virus zich ontwikkelt en moet vertellen (als ze dat al weten) wat de effecten van bepaalde maatregelen zijn om het virus af te remmen. Ik wil best horen dat virologen vertellen wat het openen van scholen betekent voor de snelheid waarmee het virus rondgaat. Maar ik wil virologen niet horen vertellen dat we om die reden de scholen wel of niet moeten openen. Dat blijft een politieke afweging. En die moet de regering maken, gecontroleerd door de Tweede Kamer. 

En dat was, het spijt me om te zeggen, ook de fout van Teulings, en Baarsma en Jacobs en alle leden van herstel.nl. Ze wisten zeker dat hun kennis aantoonde dat een ander beleid gewenst was. Dat oudjes moesten worden geïsoleerd en jongeren weer moesten studeren. Maar: net zo min als virologisch onderzoek aantoont dat je scholen moet sluiten, toont economisch onderzoek aan dat je scholen moet open houden. 

Wat we nodig hebben is heel veel kennis over alle virologische, economisch, onderwijskundige, maatschappelijke, psychische (etc.) gevolgen van het sluiten van scholen en universiteiten. En politici horen vervolgens een politieke afweging van de voor- en nadelen te maken. 

Ik vermoed dat Teulings te laat heeft beseft dat hij in een politiek in plaats van een wetenschappelijk debat was terechtgekomen. Maar ja, ook economen moeten weten dat wetenschap geen antwoord geeft op politieke vragen. 

Triomf van de stad: de leergang

februari 22, 2021 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

triomf

De leergang

Sinds 2012 organiseren Wim Derksen en Karen Ephraim de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van topdocenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om zoveel mogelijk kanten van de triomf van steden te belichten doen we tijdens de leergang zes verschillende steden aan. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In oktober 2021 start de 13e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2021. Voor aanmelding mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In het onderstaande gaan we nader op de inhoud van de leergang in. We beschrijven de rode raad en ronden af met programma en leervragen.

Inleiding

‘Corona’ vertroebelt ons zicht op de ontwikkeling van de steden. Tot begin 2020 was er alle reden om over ‘de triomf van de stad’ te spreken. De woningprijzen in Amsterdam stegen snel, huizen werden vaak boven de vraagprijs verkocht. Er werd grof geld betaald om in de stad te mogen wonen. Ook veel andere steden ging het voor de wind. 

Die triomf van de stad was een nadrukkelijk gevolg van veranderingen in de economie. De kennis-economie had inmiddels overtuigend gewonnen van de oude industriële economie die de steden enkele decennia ervoor nog een verpauperd aanzien gaf. Door de voortschrijdende globalisering raakte de nationale economie sterk vervlochten met de economieën elders in de wereld. In die mondiale netwerken speelde mobiliteit een grote rol. Die mobiliteit was niet alleen zichtbaar in de enorme toename van het vliegverkeer, maar veranderde ook de aanblik van de steden. Een stad als Amsterdam groeide snel door de toestroom van expats, vaak internationale kenniswerkers. Maar hetzelfde Amsterdam werd ook overspoeld door toeristen, wat gevolgen had voor het voorzieningenniveau en de leefbaarheid in de binnenstad.

Juist op deze twee punten deed corona zich gelden. De instroom van expats én van toeristen droogde in korte tijd op. Het leek er even op dat de tijden van weleer niet meer zouden terug keren. Inmiddels is dat beeld al weer gekanteld. De huizenprijzen in de steden zijn in het laatste jaar alleen nog maar gestegen. De beurs van Amsterdam heeft een deel van de handel in Londen overgenomen. Het aantal internationale bedrijven stijgt nog steeds gestaag. Bedrijven geven zelf aan dat ze ook in de toekomst veel meer digitaal blijven overleggen. Dus het vliegverkeer zou wel eens minder snel op het oude niveau kunnen terugkeren. Ook toeristen zullen nog wel enige jaren terughoudender zijn bij het maken van verre reizen. Maar in het algemeen is toch de verwachting dat ook ‘na’ corona die ‘Triomf van de stad’ weer gewoon zal doorgaan. 

Verstedelijking is de norm

Nog niet zo heel lang geleden stonden de steden er heel anders voor. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds hebben Rotterdam en Den Haag op dit moment minder inwoners dan voor de leegloop in de jaren 60, 70 en 80.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden veel mensen werk kunnen vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Daar zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.

Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.

Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Eerst werden in snel tempo de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Kenniseconomie

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis en opleiding werden steeds bepalender in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Steden groeien weer

Het gevolg is dat steden weer groeien, en soms zelfs weer hard groeien. Toch is de groei van een stad altijd een resultante van vier ontwikkelingen: hoeveel kinderen worden geboren, hoeveel mensen sterven, hoeveel mensen vestigen zich in de stad en hoeveel mensen verlaten de stad. En groeien veel steden in Nederland tegenwoordig omdat ze een geboorteoverschot hebben en een migratieoverschot vanuit het buitenland, terwijl er binnenlands juist een vertrekoverschot is. 

Ook in het migratiegedrag zijn patronen te onderscheiden. Jongeren trekken vaak voor een opleiding naar de stad en zoeken na het afstuderen een woning om een gezin te stichten. In de jaren 70 trokken ze met liefde naar een groeikern waar goede woningen met een tuin te koop waren. Dat gedrag is veranderd. Afgestudeerden blijven liever langer in de stad wonen. En als ze vertrekken is het vaak omdat ze in de stad geen betaalbare woning kunnen vinden. De verpauperde stad is geen push-factor meer, de welvarende stad (de consumer city) is een pull-factor geworden. Maar omdat de stad voor velen te duur is geworden kent de stad voor mensen boven de 30 nog altijd een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. 

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, maar verzwakt ook de positie van  de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen later en minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als we deze gemeenten voor het gemak even over één kam mogen scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. Daarbij staan ze bestuurlijk zwakker dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De Triomf van de stad kent dus ook zijn schaduwzijden. De huizenprijzen zijn in veel steden voor veel mensen al niet meer op te brengen. Daardoor vindt verdringing plaats: alleen de rijken kunnen het zich veroorloven een woning in de stad te kopen. De anderen moeten vaak een woning in de omgeving zoeken. Dat verzwakt de positie van verschillende voormalige groeikernen. En dan hebben we het nog niet gehad over de bevolkingskrimp in de periferie van Nederland die het spiegelbeeld is van de groei van de steden. 

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van de kenniseconomie en de globalisering, van de Triomf van de stad. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Den Haag gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij. En zelfs Rotterdam vond pas een paar jaar voor corona het pad echt omhoog, ondanks al die eerdere blije berichten vanuit de Coolsingel. Wat bepaalt of een stad het goed doet? Ik noem drie factoren.

Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.

Ten tweede: je stad moet vooral voor hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. De relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger het geval was. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Ze gingen in de nabijheid van de fabrieken wonen. In jargon: het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Ofwel: werken volgt wonen. Er zijn ook wetenschappers die stellig weten dat werken werken volgt. Het gaat in ieder geval om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.

Ten derde: hoe gunstig de voorwaarden voor sommige steden ook zijn, als het vliegwiel van de stedelijke economie niet in beweging is, is het nog steeds moeilijk het in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. Zo heeft  het bestuur van Rotterdam zich veel jaren afgevraagd: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is (gek genoeg) geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

Ondanks al die mooie verhalen, er wonen in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Bestuurders moeten zich dus niet door die triomf van de stad laten verblinden. Misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen. En daarmee zijn de huizen te duur geworden voor de oorspronkelijke bewoners. 

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De westerse expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won ook de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Daarbij moeten we niet vergeten dat de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, vaak een grote dynamiek kennen. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. (De stad als roltrap.) En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

Voor wie is de stad aantrekkelijk

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is: de tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast. 

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren (voor corona) over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Bovendien heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

En toch is ook de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Corona was al een duidelijke winstwaarschuwing. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt ook niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang De Triomf van de stad. In de leergang staan drie leerdoelen centraal

  • kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; 
  • vertalen van deze kennis naar de eigen stad; 
  • ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad. 

Het verhaal van de stad vertaalt zich in de leergang in 6 modules van 2 dagen:

Module 1 – Stedelijke economie: demografie, agglomeratie-effecten in tijden van de kenniseconomie, het belang van face-to-face contacten, het idee van de consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Stedebouw en wonen: wonen en woningmarkt, grond- en vastgoedmarkt, woningcorporaties en wonen in achterstandswijken, mobiliteit en bereikbaarheid, overheid en markt in de stedebouw. 

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, gezondheid, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Immigratie en integratie: toenemende diversiteit en volatiliteit in immigratie, de komst en het vertrek van internationals, non-integratie en criminaliteit, populisme als antwoord, een stad van veel culturen. 

Module 5 – Aantrekkelijk stad: de amenities, wat maakt een stad aantrekkelijk, de toekomst van shoppen, de overdaad aan toerisme, de stad als fietsstad, monumenten en cultuur maken de stad. 

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Welke opties hebben we. En algemener: hoe realiseren we die transitie? Wat is het belang van klimaattafels. 

De PvdA mag nooit blij zijn met 16 zetels

februari 22, 2021 by  
Filed under artikel, Voorpagina

Lilianne Ploumen is met een grote achterstand begonnen. Haar partij kan al jaren in de peilingen de weg naar boven niet meer vinden. Zelf onbekend bij de grote massa omdat ze veel te laat is ingestapt. Toch zal een mooie uitslag me straks niet verbazen. In de campagne verrast ze en overtuigt ze. En bij een mooie uitslag denk ik aan 16 zetels. En die 16 zetels zullen door de PvdA worden omarmd als een mooie uitslag! 

Hoe ver zijn we gezonken? Dat de partij van Drees, Den Uyl en Kok blij zal zijn met 16 zetels! Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het Kiezersonderzoek van de NRC geeft het antwoord:

  • 30% van de Nederlandse is zowel economisch links als cultureel conservatief en wordt op dit moment nauwelijks bediend;
  • de PvdA is een randverschijnsel geworden en trekt bijna alleen nog maar hoogopgeleide progressieve ouderen.

Ja, zie daar het drama van de PvdA. Die 30% is gewoon de oude achterban van de PvdA. Dat zijn de mensen in de ‘volksbuurten’, dat zijn de mensen die een modaal inkomen verdienen. Dat zijn de mensen die vroeger van de PvdA veel verwachten. En die dat geloof zijn kwijtgeraakt. Omdat de PvdA cultureel de aansluiting met hen is kwijtgeraakt. 

Cultureel staat hier voor een breed scala aan opvattingen. Maar denk vooral aan de kosmopolitische hogeropgeleide die de kansenongelijkheid nooit aan de levende lijve heeft ondervonden. Aan de mensen die hun identiteit ontlenen aan dure merken en dure koffie. Aan de mensen die migratie als een verrijking zien, vanwege al die leuke restaurantjes en omdat Polen goedkoper zijn. Aan de mensen die het neo-liberalisme omarmden omdat ze zelf heel goed in staat waren om in dat keuzen-paleis hun juiste keuze te maken. Aan de mensen die zich Europeaan voelen, omdat de musea in Parijs nog mooier zijn en de clubs in Berlijn veel spannender. 

Voor die 30% van de bevolking lag dat anders. Die zagen de kansen voor hun kinderen in het onderwijs dalen omdat de rol van de ouder in het onderwijs steeds belangrijker werd. Die zagen door de komst van migranten hun identiteit ter discussie gesteld. Die zagen door migratie hun kansen op werk en woning kleiner worden. Die zagen in het neo-liberalisme vooral een hardvochtige overheid bij wie je je toeslag echt moet verdienen. Die hadden steeds meer het terechte gevoel dat het verre Brussel veel over ons te zeggen heeft. En die zagen vooral dat de bovenlaag steeds rijker werd. Ja, die kosmopolieten.  

Die 30% heeft de PvdA verlaten. Nadat de PvdA die 30% de PvdA in de kou heeft laten staan. Nee, natuurlijk is de PvdA blijven opkomen voor de mensen die het meeste te lijden hebben onder de kansenongelijkheid. Door zekerheid te willen bieden. Maar dat goedbedoelde paternalisme is niet genoeg om mensen aan je te blijven binden. Mensen willen vooral hun eigen zekerheid definiëren. 

Bovendien maakt de PvdA al decennia de fout om specifieke groepen te benoemen, die op achterstand staan en om die reden blijkbaar voorrang moeten krijgen. Zo is de kandidatenlijst al jaren een mooie foto van de doelgroepen die de PvdA wil bedienen. Maar een partij die inkomens wil nivelleren, die kansenongelijkheid in het onderwijs en op de arbeidsmarkt wil wegnemen, die moet nooit de fout maken de ene kansarme boven de andere te stellen. De PvdA moet iedereen gelijke kansen bieden, ongeacht huidskleur, geloof of sekse. 

#Corona, de avondklok en de cijfers

februari 17, 2021 by  
Filed under artikel

Het gaat niet goed met de mentale staat van Nederland. Corona duurt te lang. Dat vergt twee dingen: alle corona-leiders moeten meer rust uitstralen en we moeten ons baseren op de feiten. Daarvan was gisteren geen sprake. 

Rutte riep ons allen op om de avondklok te blijven respecteren terwijl de rechter net had geoordeeld dat die avondklok geen juridische basis had. Van een minister-president verwacht je dat hij zich houdt aan de uitspraken van de rechter. Maar Rutte leeft blijkbaar inmiddels in zo’n staat van onrust, dat deze simpele gedachte niet meer bij hem opkwam. Alsof zonder avondklok de strijd tegen het virus definitief verloren zou zijn. 

Het RIVM brengt vooral chaotische berichten naar buiten. De Britse variant, waarvoor tot voor kort zo werd gewaarschuwd, blijkt nu toch “minder snel om zich heen te grijpen” dan eerder verwacht. Maar er is geen enkele reden voor tevredenheid. Want is er is een mutatie van de Britse variant van het coronavirus in Nederland ontdekt! Één mutatie van een mutatie. En dat is volgens het RIVM “zorgelijk”. Het RIVM meldt dat het virus “in het nauw zit” en (daarom?) nieuwe varianten ontwikkelt. Die nieuwe varianten zouden wel eens minder gevoelig kunnen zijn voor de vaccins. Bovendien is het zicht op het virus “vertroebeld” omdat GGD-locaties door de gladheid waren gesloten. Ook hier vooral alarmerende berichten.

Ik kan me voorstellen dat veel corona-leiders inmiddels door vermoeidheid zijn overmand. Bruno Bruins was het immers al na een week. Maar dat is geen reden om paniek te zaaien. Het is juist een moment om de feiten rustig te laten spreken. 

In dat opzicht is het goed om onderscheid te maken tussen meten, berekenen en voorspellen. En die heb je ook weer in soorten en maten. 

Meten

Zo zijn de dagelijkse ziekenhuisopnames betrouwbaar te registeren. Er zal eens een patiënt worden vergeten in de statistiek, maar je mag toch aannemen dat hiermee weinig fouten worden gemaakt. De trend die deze meetcijfers laat zien, geeft een betrouwbaar beeld van de ontwikkeling in het aantal besmettingen (zij het een aantal dagen later). Dus hoe het ervoor staat met het virus valt zeer goed af te lezen aan het dagelijkse aantal ziekenhuisopnames. 

Het dagelijks gemelde aantal besmettingen is een veel minder betrouwbaar meetcijfer. Zoals we deze week zagen laten mensen zich veel minder testen als het glad is of koud is of slecht weer is etc. Wat de media ‘aantal nieuwe besmettingen noemen’ is dus niet meer dan het ‘aantal dagelijkse positieve tests’. Het aantal positieve tests op een dag is niet meer dan een steekproef van het aantal nieuwe besmettingen op een dag. Het vervelende is dat die steekproef niet a-select is omdat de dagelijkse cijfers erg worden verstoord door de neiging van mensen om zich wel of niet te laten testen. En die neiging is van allerlei factoren afhankelijk. En elke onderzoeker weet dat je op basis van een selecte steekproef geen algemene uitspraken mag doen. 

Berekenen

Het RIVM berekent op basis van deze twee meetcijfers zowel het aantal besmettelijke mensen als het reproductiegetal R. Het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames wordt omgerekend naar het aantal besmettelijke mensen en het aantal dagelijks positieve tests wordt omgerekend naar de R. Die berekeningen kennen niet alleen een andere bron, maar ook een andere methode. Het gevolg is dat het regelmatig voorkomt dat het aantal besmettelijke mensen in de laatste weken afneemt, terwijl de R boven de 1 ligt. In real life kan dat natuurlijk niet. Het wordt nog erger als het RIVM (op basis van 37 gevallen) voor de Britse variant de R gaat berekenen: die berekening is gebaseerd op een selecte steekproef van een selecte steekproef. Bij dit soort berekeningen begint de verwarring. 

Voorspellen

Het RIVM doet ook voorspellingen. Ik onderscheid twee soorten voorspellingen Op basis van extrapolatie (men trekt de trend van de laatste weken door) of basis van modellen. Een extrapolatie komt alleen uit als de trend niet (onvoorzien) ombuigt. Modellen vormen een schematische weergave van de werkelijkheid omdat we de werkelijkheid zelf (exact) niet kennen. En hoe groter de onzekerheid over de werkelijkheid, hoe meer het model op aannames is gebaseerd. Op basis van al die aannames concludeert het RIVM bijvoorbeeld dat R 0,13 zal dalen als we nog maar één bezoeker per dag ontvangen. Of iets dergelijks. Natuurlijk dalen de besmettingscijfers als we minder mensen ontmoeten. De vraag is: hoeveel? Ik geloof niet dat modellen ons daarbij veel verder brengen. Omdat ze op grond van aannames de werkelijkheid schematiseren. 

Conclusie

Het zou de wetenschappers sieren als ze alle betrouwbaarheidsmarges van hun uitspraken zouden aangeven. Het zou ze nog meer sieren als ze zich bepalen tot de dingen die ze echt weten. We weten eigenlijk maar twee dingen echt: het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames met COVID-19 en het aantal positieve tests per dag. En alleen uit het eerste cijfer kan men de ontwikkeling van het virus goed afmeten. 

En dan is het interessant dat het aantal mensen dat wordt opgenomen in een ziekenhuis vanwege COVID-19 sinds de Kerst daalt. In de Kerstweek ging het om 1956 opnames, in de afgelopen week om 1120 opnames. Verder weten we niet zoveel. Er is dus geen reden voor paniek. 

Corona-vrij op het ijs

februari 15, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het vroor, we wilden allemaal schaatsen en we kregen even corona-vrij. Rutte, De Jonge en Bruls vonden het goed. Vooraf werden we via de media nog gewaarschuwd, we zouden allemaal van het ijs worden weggejaagd als we de corona-regels niet zouden naleven. Als er te veel mensen op het ijs zouden zijn. Maar toen ik zaterdag Giethoorn naderde, werd ons slechts verzocht om de auto in de berm te parkeren en de weg vrij te houden. 

Daarover zal lang zijn vergaderd. En het was een wijs besluit. De politie ging de strijd met schaatsend Nederland niet aan. Waar eerder veel parkeerplaatsen bij bossen en stranden werden afgesloten, werd de schaatser geen strobreed in de weg gelegd. Het was ook op een drama afgelopen. Wij wilden maar één ding, wij wilden schaatsen. Zeker na dat jaar waarin zo weinig mocht. De politie hadden het nooit gered tegenover die overmacht van hongerige schaatsers. We hadden ze massaal in een wak geduwd. Maar gelukkig was er helemaal geen politie te zien. En werden alle corona-regels met schaatsen getreden. We hadden echt even corona-vrij. 

De regering, de burgemeesters konden niet anders. Toch kan deze vrijheid op het ijs nog een vervelend staartje krijgen. Het land snakt immers naar vrijheid. En waarom zouden we volgend weekend, als de lente zich aankondigt, niet ook naar de bossen en de stranden mogen. Wie heeft er ooit bewezen dat vluchtig contact op afstand in de buitenlucht het virus echt kansen geeft? En zo ja, waarom mochten die schaatsers vorige week dan wel? 

Het wordt echt vervelend voor de regering als over een week dat massale schaatsen nergens valt terug te vinden in de besmettingscijfers. Want: als corona-regels massaal worden overtreden, moet het aantal besmettingen onvermijdelijk oplopen. Tenzij die corona-regels niet deugen. Ik ben benieuwd of Jaap van Dissel op zijn volgende briefing durft te melden dat het schaatsen niet heeft geleid tot meer besmettingen. En dat een aantal corona-regels derhalve overbodig zijn. 

Ook in Rutteland bestaan risico’s #corona

februari 10, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In de Watersnoodramp van 1953 vonden 1836 mensen de dood. Binnen 24 uur. Dat de dijken in het Zuid-Westen van het land ontoereikend waren, was al jaren bekend. Een ingenieur van Rijkswaterstaat, Johan van Veen, had er voortdurend voor gewaarschuwd. Er was niks aan gedaan. Men had wel wat anders aan zijn hoofd na de oorlog. Nederland moest opnieuw worden opgebouwd. En de mensen waren nog stil van wat hen in die oorlog was overkomen. 

De Watersnoodramp was een drama. Er is in Zeeland en op de Zuidhollandse eilanden lang gerouwd. Nog steeds kan er daar moeilijk over worden gepraat. Maar toch was het een natuurramp zoals we die sinds mensenheugenis gewend waren. Zo ver de overgeleverde geschiedenis reikt, waren er watersnoodrampen. Elke keer werden de dijken weer gedicht, werd het land weer opgebouwd. En de zekerheid van een nieuwe ramp behoorde tot het collectieve geheugen. 

Juist dat maakt onze tijd uniek. Wij denken dat we risico’s kunnen uitbannen. En dat verklaart ook onze bijzondere reactie op COVID-19. Hier en elders in de wereld. Die reactie is gebaseerd op drie stelregels. 

  1. We denken dat we alles weten
  2. We denken dat we alles kunnen controleren
  3. We vergeten ons af te vragen wat voor leven we willen

Ik zal eerst de redenering verder onderbouwen en daarna zal ik aangeven dat we precies door deze redenering vastlopen in COVID.

We weten heel veel. Onze kennis is de afgelopen vijftig jaar enorm toegenomen. Onze weersvoorspellingen zijn geweldig verbeterd. Het is bijna saai dat de meteorologen met grote zekerheid kunnen voorspellen dat deze winterse periode na het weekend snel zal afvlakken. Saai, omdat het gewoon zal uitkomen. Met alle meteorologische voorspellingen kunnen we de waterstanden voor weken later bijna exact voorspellen. 

Omdat we zoveel weten, weten wie hoe hoog de dijken moeten zijn om slechts eenmaal in de 10.000 jaar te worden overspoeld. We weten welke krachten de dijken moeten kunnen weerstaan. We weten zelfs welke betekenis droogte heeft voor de kracht van de dijken. 

En omdat we dit allemaal weten en omdat we daardoor risico’s kunnen uitbannen, wordt politiek: management. Door goed te managen neemt de overheid de risico’s van ons weg. Kunnen wij vrij zijn en het leven leiden dat we willen. Leven we allemaal lang en gelukkig in Rutteland. 

Inmiddels heeft COVID-19 ons geleerd dat de redenering fundamenteel faalt. Omdat we niet alles weten en omdat de overheid niet alles kan controleren. 

Het afgelopen jaar is één stralend voorbeeld van niet-weten. Ik zal niet alle voorbeelden herhalen. Eentje dan. We hebben een avondklok (die zich met een hond heel aangenaam laat omzeilen) omdat een Britse variant ons toch al beperkte leven heeft overgenomen. Deze Britse variant vraagt om nog meer voorzorg, omdat zijn (effectieve) reproductiegetal wel eens tussen 1,3 en 1,5 zou kunnen liggen. Het RIVM berekende twee weken geleden dat de R van de Britse variant 1,3 zou bedragen (op basis van 39 casus). Vandaag meldt het RIVM dat de R van de Britse variant momenteel 1,13 bedraagt. Het kan komen door de lockdown, maar het RIVM kan het effect van de laatste maatregelen niet vaststellen. Het is waarschijnlijk dat we gewoon niet weten hoe hoog die R van de Britse variant is. Al met al: we weten het niet, of op zijn minst maar heel weinig. Want bij een R van 1,5 moeten we allemaal in de schuilkelder en bij 1,13 kunnen we bijna weer naar de kroeg. 

Het afgelopen jaar is één stralend voorbeeld van niet kunnen controleren. Ja, in het voorjaar toen waren we allemaal braaf. Niet omdat de overheid zei dat we dat moesten zijn. Nee, omdat we collectief bang waren. Toen werd er thuisgewerkt, toen waren de wegen leeg. Toen kochten we vouchers bij ons favoriete restaurant, om hen door de winter te helpen. Toen lieten we onze boodschappen thuis bezorgen. Na de zomer is alles anders. Ja, we dragen mondkapjes, als symbool voor onze welwillendheid. Maar de wegen vertonen weer files, omdat iedereen weer naar zijn werk gaat, uitgezonderd de dienaren van de staat. We halen ons eten af bij ons favoriete restaurant, alleen omdat het niet open mag van Rutte. We sporten weer buiten en die regel dat je maar één persoon mag ontvangen geldt vanzelfsprekend niet voor verjaardagen, Kerst, Oud en Nieuw, Drie Koningen, voorjaarsvakantie en al die momenten die we nooit alleen waren. 

Wie denkt dat hij alles weet, denkt ook dat hij risico’s kan uitsluiten. Door ons allen te controleren. Maar Rutte weet niet alles en controleert niet alles. En daarom wringt het nu zo zeer bij die laatste stelregel: we vergeten ons af te vragen wat voor leven we willen. En of we het leven willen leiden dat we nu gedwongen worden te leiden. Daarom missen we het politieke debat. 

Nee, ik ben geen Wappie. Nee, ik ga niet relschoppen, hoe mooi dat woord ook is. Maar ik vind wel dat we een politiek debat verdienen nu de redenering doodloopt. Het sluiten van scholen, van universiteiten, van concertzalen, van de Kuip en van de Arena, van de Elfstedentocht en van kroegen en restaurants is geen management-vraag, maar een politieke vraag. 

Duurzame architecten of stuitend geklets

februari 3, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

De Architect bestaat 50 jaar. Reden om een Manifest uit te brengen, dat geen manifest is. Een groot aantal architecten wordt geïnterviewd over duurzaamheid en gelijkheid. En het wordt weer bewezen: laat architecten ontwerpen en laat ze nooit vertellen wat ze bedoelen. Als er al een touw aan is vast te knopen, ontstijgt het zelden het niveau van een cliché. Ik lees over architecten die hemel en aarde met elkaar willen verbinden. Volgens mij wil de SGP dat ook. Ik lees over architecten die samen staan voor innovative, connective, responsible en mixed. Ik lees architecten die een gesprek willen aangaan met de buitenwereld om “buitenstaanders mee te nemen in onze keuzen”. Ik lees over architecten die het vooral interessant vinden om “vanuit contradicties” aan een project te werken. Ik lees veel architecten die erg hechten aan de identiteit van de plek, terwijl de link tussen hun ontwerp en die identiteit alleen voor weinigen is te doorgronden. Ik lees heel veel architecten die alles in samenspraak willen doen met de gebruikers, maar ik zie nergens voorbeelden van grondgebonden woningbouw met een lekkere tuin. 

Als ik het verstandige nawoord van Harm Tilman lees, vraag ik me af hoe hij zich voelde toen alle interviews waren uitgewerkt. Was hij verrijkt, of verarmd. Of op zijn minst in verwarring achter gelaten? Ik geef toe: ik was niks wijzer geworden. Maar ik zie wel een levensgroot probleem: als ontwerpers niet daadwerkelijk gaan bijdragen aan een duurzame leefomgeving, gaan we het met ons klimaat nooit redden. Praten over duurzaamheid is niet voldoende. 

Overigens hebben ook de ontwerpers van deze bundel zelf aan de verwarring bijgedragen door niet alleen duurzaamheid, maar ook gelijkheid als doel aan architecten mee te geven. Ik ben niet tegen gelijkheid. Maar ik weet dat er van goede doelen niets terecht komt als we ze eindeloos met andere goede doelen verbinden en wanneer het doel op zich al zo vaag is dat iedereen kan doen wat hij toch al deed. 

Ooit maakte ik een minister van Milieu mee die streefde naar goede balans tussen people, planet en profit. Gelul natuurlijk. Want iedereen heeft een andere opvatting over wat een “goede” balans is.  Brundtland had het goed gezien. Duurzaamheid betekent dat je de aarde zodanig aan het nageslacht doorgeeft dat het dezelfde kansen heeft als ons. En ook dat geeft al een waaier aan problemen en doelen. De opwarming van de aarde stoppen is immers een heel ander doel dan behoud van biodiversiteit, hoezeer de ene de andere ook beïnvloedt. 

Dus, architecten, laten we het simpel en concreet houden. Hoe zorgt u ervoor dat de opwarming van de aarde een halt wordt toegeroepen? In uw omgeving wordt wel eens gesproken over gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde. Misschien moeten we dan beginnen bij de gebruikswaarde. Het gebouw moet bij gebruik dus niet meer energie kosten dan het oplevert. Er zijn nog steeds niet erg veel gebouwen die aan deze vereiste voldoen. Maar ook de bouw van uw gebouw moet CO2-neutraal zijn. Dat vergt veel omdat bijvoorbeeld het gebruik van beton leidt tot een enorme uitstoot van CO2Dan moet u dus bijvoorbeeld denken aan hout. En dat betekent bijvoorbeeld dat u de echte hoogbouw even moet vergeten. Want zo hoog kan je met hout de lucht niet in. Overigens hoef je niet altijd een heel nieuw gebouw neer te zetten. Renovatie van het bestaande biedt vaak veel betere kansen. Niet meteen alles weer tegen de vlakte gooien, maar bij voorkeur het bestaande verbeteren. Allemaal CO2-neutraal. 

Ik heb alle architecten in het genoemde Manifest over duurzaamheid horen spreken, maar ik heb niet één architect horen beloven dat zijn gebouwen voortaan CO2-neutraal zouden worden opgeleverd en CO2-neutraal zouden zijn in gebruik. Een enkeling merkte nog voorzichtig op dat de overheid misschien meer regels zou moeten stellen. Inderdaad, met cliché’s houden we de opwarming van de aarde niet tegen. 

Ook het begrip ‘toekomstwaarde’ is onder architecten en stedebouwers een bekend begrip. Ook die toekomst van gebouwen moet CO2-neutraal zijn. Maar hoe organiseren we dat, nu het op voorhand helemaal geen vanzelfsprekendheid is dat nieuwe gebouwen eeuwen blijven staan. Ik zie daarentegen veel tijdelijke en toevallige architectuur, die na enkele decennia al weer moet worden afgebroken. Daarvoor kunnen goede redenen zijn (tijdelijk, toevallig). Maar waarom zou het nieuwe ontwerp niet even tijdelijk en toevallig zijn, wanneer de architect zijn eigen permanentie schromelijk overschat? 

En dan komen we tot slot bij de belevingswaarde van een nieuw gebouw. Terecht merkt een enkele architect in het Manifest op, dat hoog scoren bij allerlei architectenjury’s niet het doel van architectuur moet zijn. Tegelijkertijd moet je ook niet alleen maar bouwen voor de smaak van de massa. Architectuur moet meerwaarde hebben, moet verwondering oproepen. Maar als die verwondering omslaat in verbazing of verbijstering, is de kans niet zo groot dat het gebouw op termijn plotseling geliefd zal zijn. De toekomstwaarde kan wel eens heel gering zijn, als de belevingswaarde op het moment van opleveren alleen door de deskundigen wordt gewaardeerd. En een geringe toekomstwaarde gaat heel waarschijnlijk veel CO2 kosten. 

In veel interviews kwam ik de verzuchting tegen dat de rol van architecten in de bouw steeds verder wordt teruggedrongen. Na de kredietcrisis zou het budget voor architecten zijn gehalveerd. Niet tijdelijk, maar structureel. Er wordt over geklaagd. Over vastgoed en kapitaal. Maar misschien is het goed om deze ontwikkeling nader te analyseren. Zouden de architecten zich zelf uit de markt hebben geprijsd? En wat zijn daarvan de oorzaken. Zijn die alleen extern. Of vormen de architecten zelf de aanleiding voor deze ontwikkeling? 

Architecten willen meer dan hoeder zijn van de esthetiek. Dat lijkt me terecht. Maar laten ze dan snel werk maken van werkelijke duurzame gebouwen. Bouw CO2-neutraal gebouwen, die in hun gebruik CO2-neutraal zijn en die eeuwigdurend CO2-neutraal zullen zijn. 

Waarover moet de parlementaire enquête #corona gaan?

februari 2, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het is wat voorbarig, maar toch lijkt het einde van de pandemie in zicht. Als het vaccineren eindelijk op tempo komt, zal de druk op de zorg snel afnemen. En zal er steeds minder reden zijn voor zware maatregelen. Daarna zal het nog wel even duren voordat de parlementaire enquête start. Toch is het verleidelijk om daar even op vooruit te lopen. 

Ik hoop dat die parlementaire enquête niet gaat over de reactie van het kabinet op 11 maart of op 10 augustus. Het is te gemakkelijk om het kabinet te verwijten dat het soms te laat was (in maart en in augustus) en soms te hard ingreep (avondklok én tegen demonstraties). Het was immers een bizar jaar. Er was aanvankelijk weinig bekend over het virus en toch moest snel actie worden ondernomen. Een pandemie van deze orde hadden we nog nooit meegemaakt. Er werd erg veel van het kabinet gevraagd. En van de ambtenaren en van de lagere overheden. Dan is het niet vreemd dat niet elk besluit de rust weerspiegelde die je van de overheid in normale tijden mag verwachten. 

Nee, laat die parlementaire enquête zich vooral richten op twee fundamentele vragen. Ten eerste: waarom hebben het kabinet (en de Kamer) het niet aangedurfd om de grote politieke vragen te stellen die gesteld hadden moeten worden en waarom zijn ze blijven steken in een technocratisch discours? Ten tweede: waarom was het kabinet zo slecht voorbereid op de pandemie, terwijl veel deskundigen al jaren voor een dergelijke pandemie hadden gewaarschuwd? 

Het discours rondom corona heeft vanaf het begin in het teken gestaan van de medische kennis over het virus. Elke dag kregen we om 14:00 van het RIVM de laatste cijfers door. Over hoeveel mensen de laatste 24 uur besmet waren! Omdat maar weinig mensen werden getest, was die update overigens verre van volledig. Helaas werden we over het welbevinden van mensen nauwelijks geïnformeerd.  

Vervolgens verschoof alras het doel van het regeringsbeleid. Heel even werd nog gesproken over het bereiken van groepsimmuniteit, door iedereen ‘gecontroleerd’ te laten besmetten. Maar daarna ging het alleen nog maar om het voorkomen van een overbelasting van de zorg. En ook dit doel werd spoedig verengd tot het voorkomen van een overbelasting van de IC’s. De verpleegtehuizen werden in dat debat even vergeten. Dat heel veel mensen aan corona op de IC overleden paste ook niet geheel in het discours, net zo min als het feit dat heel veel mensen buiten de IC overleden. Er werd snel geregeld dat het aantal IC-bedden werd uitgebreid. En vanaf dat moment werd het hele corona-beleid gestuurd door de bezetting van de IC’s. 

Het viel op dat op de IC’s ook nog ruimte moest overblijven voor andere patiënten. Dat inmiddels de reguliere zorg al enorm was afgeschaald, leidde niet tot de gewenste politieke discussie. Waarom kregen corona-patiënten hier voorrang? Terwijl inmiddels toch duidelijk was dat het virus vooral grip kreeg op ouderen en met name op ouderen met onderliggend lijden. Waarom kregen zij voorrang op al die andere ernstig zieken? We waren dus verzeild in een technocratisch discours en niet eens meer in een medisch discours. 

Het is duidelijk dat in dat discours geen ruimte was voor veel fundamentelere vragen. Alle maatregelen die het kabinet immers nam, hadden grote gevolgen voor de samenleving. Horeca gesloten, sport gesloten, cultuur gesloten, onderwijs gesloten. Allemaal maatregelen die heel veel negatieve gevolgen hadden voor de betrokkenen. Ik geef toe dat de problematiek zo complex is dat ze zich niet laat vertalen in een maatschappelijke kosten-baten-analyse. Maar dat de afweging niet expliciet werd gemaakt, kan niet verhullen dat er wel een afweging werd gemaakt. Ten gunste van de IC-bezetting. 

Het is ook opvallend dat de oppositie in de Kamer zich bijna geheel liet meesleuren in het technocratische discours (“Waarom zijn er niet meer IC-bedden!”) en naliet om de fundamentele politieke vragen op te werpen. Was men bang voor bange kiezers, die gered wilden worden van dat enge virus? Of was men bang dat dit debat uiteindelijk over de dood zou gaan. Om het maar eens zwaar aan te zetten. Maar daar gaat het uiteindelijk wel over. Het was de Denker des Vaderlands, Marlie Huijer die als één van de weinigen het thema leven-en-dood wel durfde aan te snijden. En ervoor waarschuwde dat we blijkbaar moeilijk kunnen accepteren dat mensen nog dood gaan. En dat mensen ook ergens aan dood moeten gaan. 

De tweede vraag voor de parlementaire enquête betreft de uitvoering van het beleid: waarom waren wij zo slecht voorbereid op deze pandemie, terwijl er al jaren voor was gewaarschuwd? Zo stapelden de problemen zich al snel op. Al meteen waren er veel te weinig beschermingsmaterialen, ook in de ziekenhuizen. Ook was meteen duidelijk dat we veel te weinig testcapaciteit hadden. Pas op 1 december, zo’n 8 maanden na het begin van de pandemie, kon iedereen die dat wenste (of die getest moest worden), daadwerkelijk worden getest op het virus. Toen de eerste golf voorbij was, en iedereen weer blij om zich heen keek, greep het virus weer zijn kans. Dat lukte wonderwel omdat het Bron- en contactonderzoek al weer na enkele weken overbelast was. En toen het eerste vaccin zich aandiende waren we volstrekt niet klaar om mensen daadwerkelijk te gaan vaccineren. In Europa was Nederland op Bulgarije na, de langzaamste met het opstarten van het vaccinatieprogramma. Terwijl de ervaringen in Israel, waar heel snel heel veel mensen werden gevaccineerd, lieten zien dat vaccineren het beste middel is om de zorg te ontlasten. Al deze technische problemen ontstonden omdat niemand was voorbereid. En omdat de inrichting van de zorg geen centralistische aanpak verdroeg en omdat op de GGD’s, waarvan nu alles werd verwacht, jarenlang fors was bezuinigd. 

Eigenlijk mag het een wonder heten dat de overheid zo snel een groot pakket klaar had liggen voor alle ondernemers die ten onder dreigden te gaan. Ook daarover was van te voren nooit nagedacht. Maar gelukkig lieten de goede stand van land’s financiën en de lage stand van de rente een ruimhartig pakket toe. 

Het ongrijpbare charisma van Hans van Mierlo #D66

februari 1, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

In 2015 kreeg Hubert Smeets het verzoek om een biografie over Hans van Mierlo te schrijven. Met inzage in zijn privé-archief. Smeets rondde in 2020 zijn werk af. Hubert Smeets kan goed schrijven. Als journalist schrijft hij ook erg leesbaar. En het werd een kloek boek. Toch roept die omvang meteen vragen op. Noopt het beschrijven van het politieke leven van Van Mierlo werkelijk 600 pagina’s? 

Natuurlijk, Van Mierlo heeft tussen 1967 en 1998 een opvallende rol gespeeld in de Nederlandse politiek. Maar moeten je ook die 30 jaar Nederlandse politiek uitgebreid beschrijven, om aan Van Mierlo recht te doen? Dat is toch al veel vaker gebeurd. Daardoor krijgt het beschrijven van de context van het politieke leven van Van Mierlo iets overbodigs. Dan resteren er twee vragen. Ten eerste: hoeveel nieuws komen we over Van Mierlo zelf te weten? Ten tweede, en in het verlengde daarvan: doemt uit het boek een politicus op die zo’n dik boek rechtvaardigt?

Ik realiseer me dat het antwoord op beide vragen wordt gekleurd door het beeld dat je al van de politicus Van Mierlo had. Mensen die hun hele leven met Van Mierlo hebben gedweept, beleven wellicht veel plezier aan het lezen van het boek. Persoonlijk heb ik me nooit in het kamp van de dwepers opgehouden. Eigenlijk raakte Van Mierlo mij nooit echt, als ik hem al begreep. Voor mij stonden ook anderen meer symbool voor de jaren 60 dan deze tikje elitaire Brabantse regentenzoon. Als refo uit Drenthe kon ik me ook moeilijk verplaatsen in deze katholiek die bij de Jezuïeten was opgegroeid. Ik zag zijn progressiviteit maar ik miste de oprechte aandacht voor de mensen die het zoveel minder hebben. (Een verwijt dat je D66 ook als partij nog steeds kan maken.) Ik zag een politiek dier die ervan genoot om congressen toe te spreken, ijdelheid was hem niet vreemd. Ik zag ook een onzekere man die snel gekwetst was in de politieke strijd, binnen en buiten zijn partij. 

Verandert mijn beeld van “Hafmo” zoals Van Mierlo in die beginjaren werd genoemd, door het gedegen boek van Hubert Smeets? Nee. Smeets noemt Van Mierlo filosofisch, visionair, charismatisch, en idealistisch. Maar is iemand die overal een paradox ziet en vaak twijfelt meteen een filosoof, of alleen maar sympathiek? Is iemand die die paar kroonjuwelen van D66 heeft verwoord meteen visionair? Of is Van Mierlo juist een voorbeeld van de inhoudelijke leegte van de ‘revolte’ van de jaren 60? Is iemand die “De grenzen aan de groei” onderschreef meteen idealistisch? 

Eigenlijk blijft vooral dat charisma over. Die stem, die ogen, ja ook dat succes bij vrouwen. Ik kan me voorstellen dat Van Mierlo voor veel mensen charismatisch is geweest. Maar het is wel een ongrijpbaar charisma. Want wat heeft Van Mierlo feitelijk eigenlijk nagelaten? Het is de verdienste van Smeets dat hij eindeloos heeft gespeurd naar de successen van Van Mierlo in de Nederlandse politiek. En er eigenlijk maar weinig heeft gevonden.

Ja, Van Mierlo was de eerste lijsttrekker van D’66. Hij won meteen 7 zetels, voor die tijd een ongelooflijk succes. Maar bij de volgende verkiezingen kon hij D66 nog net dat kabinet-Den Uyl binnenloodsen, voordat hij door zijn eigen partij werd afgeserveerd. In de jaren 80 kwam hij terug toen de partij op sterven na dood was. Hij wist weer grote winst te boeken bij de volgende verkiezingen. Hij was de man die wellicht in zijn eentje de paarse coalitie er door wist te drukken. Maar velen vragen zich tegenwoordig af of je daar nog trots op mag zijn. Na Paars kwam het CDA weer even gemakkelijk aan de macht. Bovendien kreeg het populisme door het pragmatische Paars een belangrijke ruggesteun. Zelf werd Van Mierlo een tamelijk kleurloze minister van Buitenlandse Zaken. En daarna kon hij weer vertrekken. Ten slotte: de Progressieve Volkspartij waarvoor Van Mierlo lang heeft geijverd, is er nooit gekomen. 

Van Mierlo was vooral: charisma. Hij heeft met dat charisma vier verkiezingen gewonnen en één verkiezing verloren. Maar uiteindelijk heeft hij heel weinig nagelaten. Daarmee is ook meteen een antwoord gegeven op die tweede vraag. Rechtvaardigt de politicus Van Mierlo zo’n dikke biografie? Voor mensen die vielen voor zijn charisma kan de biografie ongetwijfeld niet dik genoeg zijn. Maar voor mensen die de man niet bewust hebben meegemaakt, doet zo’n dikke biografie over een politicus die eigenlijk niets heeft nagelaten, wel een beetje onwezenlijk aan. En dat gevoel zal de komende decennia alleen maar erger worden.

« Vorige paginaVolgende pagina »