Zou iemand in de wereld van de ruimtelijke ordening nog wel eens aan Manuel Castells denken? De man die dat heldere onderscheid maakte tussen de ‘space of places’ en de ‘space of flows’. Ik betwijfel het, zeker als ik de nieuwe Nota Ruimte lees. Die nota gaat wel erg veel over plaatsen en plekken: waar moeten nieuwe huizen worden gebouwd en waar mogen de boeren niet meer onbeperkt hun rotzooi laten vervliegen of in de sloot dumpen?
Vanzelfsprekend gaat ruimtelijke ordening ook over dat soort vragen! En natuurlijk gaat het bij ruimtelijke ordening altijd om het afwegen van verschillende ruimteclaims voor dezelfde plek (boeren versus natuur, wonen versus boeren, enzovoort). Maar door het perspectief op de ruimtelijk ordening te verbreden naar plekken én stromen, krijgen we ongetwijfeld een beter zicht op ontwikkelingen die zich in de ruimte voordoen. Daardoor worden ruimteclaims wellicht in nieuw perspectief geplaatst en wordt duidelijk dat ook andere oplossingen denkbaar zijn dan het bestemmen van grond bij het beheersen van ruimtelijke ontwikkelingen.
Hieronder doe ik een eerste poging. Ik verken de ‘space of flows’ en bezie welke vragen die ‘stromen’ oproepen.
Migratie naar de steden
In de laatste decennia groeien de steden bovenmatig. Het resultaat is een verhuisstroom van het platteland naar de steden. Dat mensen van de dorpen naar de steden trekken is niet nieuw. Wel is de snelheid waarmee dat tegenwoordig gaat opvallend. Bovendien liepen tot de jaren 80 en 90 de steden nog leeg. Inmiddels heeft Amsterdam meer inwoners dan ooit te voren. In de klassieke ruimtelijke ordening (die over de space of places gaat) is dan de reactie: ‘Oh, mijn God, er zijn te weinig woningen, waar gaan we die bouwen?’ Je zou je ook de vraag kunnen stellen of we die migratiestromen altijd moeten accomoderen. Of we die enorme concentratie van mensen (en bedrijven) ook moeten willen. Is die concentratie echt nodig voor onze welvaart? En willen we die grotere welvaart (agglomeratievoordeel) als we inmiddels op fundamentele agglomeratienadelen stuiten?
Migratie naar Nederland
Paul Scheffer, en later de door hem geïnitieerde Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, hebben terecht de vraag opgeworpen hoeveel migratie Nederland nog aankan. Als we de migratiestromen niet inperken heeft Nederland op afzienbare tijd 21 miljoen inwoners. Ruimtelijke ordening gaat ook over die vraag. Of misschien wel bij uitstek over die vraag! Maar ik heb het gevoel dat die vraag geheel aan de Nederlandse ruimtelijke ordening voorbijgaat. ‘In het hoogste scenario krijgt Nederland 21 miljoen inwoners, dus moeten we bezien waar die woningen moeten worden bijgebouwd.’ Dat lijkt me toch te simpel.
En het gaat niet alleen om de vraag of Nederland te vol wordt, maar ook over vraag of een stad als Amsterdam te vol wordt. Amsterdam groeit al jaren door een geboorteoverschot en met name door een migratie-overschot vanuit het buitenland. Binnenlands heeft Amsterdam een vertrekoverschot! Omdat de stad volloopt met expats, worden de bestaande bewoners min of meer de stad uitgedrukt.
Laten we bij migratiestromen ook denken aan de grote stroom internationale studenten die de laatste decennia op zoek zijn gegaan naar het Nederlandse onderwijs. Als je beste studenten uit de wereld naar Nederland haalt (‘Als’), dan heeft dat voor sommige vakken zeker meerwaarde. Maar wat heeft het voor meerwaarde om psychologie in het Engels te onderwijzen te krijgen, terwijl de afgestudeerde psychologen zij later in het Nederlands in gesprek gaat met hun cliënten?
Mobiliteit
Velen maken zich zorgen over de toename van de files. Ik constateer die zorg, zonder die zorg meteen te delen. Laten we vaststellen dat het aantal autokilometers dat de gemiddelde Nederlander per jaar aflegt niet stijgt, nee, al jaren redelijk constant is. En dat komt niet door corona. Het probleem van de files ontstaat door de toenemende concentratie van arbeidsplaatsen in de steden. De snelle ontwikkeling van de steden is de oorzaak van veel fileproblemen. Dus niet meer asfalt is hier de oplossing, maar de vraag stellen of al die mensen voor hun werk in de stad moeten zijn. Concreter: waarom zorgen we er niet voor dat veel meer mensen grotendeels thuis werken in de rust van Friesland?
Toerisme
Waren enkele decennia geleden toeristen nog zeer welkom, al enige jaren wordt gesproken over ‘overtoerisme’: er zijn op veel plaatsen in het land te veel toeristen. Uit binnen- en buitenland. Persoonlijk vind ik het in delen van Amsterdam al niet meer te harden. Maar wat doen die stinkende en vervuilende cruiseschepen in Rotterdam? En wat vinden we ervan dat veel Nederlanders én buitenlanders het intussen interessant vinden om een ‘pied à terre’ te hebben in dat snoezige Amsterdam? En dat veel huizen worden aangehouden om aan toeristen te verhuren? Is dat misschien ook de oorzaak van de voor velen onoverkomelijke huizenprijzen in Amsterdam? Ruimtelijke ordening is niet alleen het bouwen van huizen, maar ook het buitensluiten van de verkeerde bewoners. Bij toeristenstromen gaat het ook over de hub-functie van Schiphol. Moeten we het toejuichen dat de helft van de passagiers die in Schiphol aankomt, meteen doorvliegt naar een bestemming buiten Nederland? Kan dat niet anders?
Goederenstromen
De import van goederen is historisch gezien sterk gestegen. De goederenstromen nemen al jaren toe. Maar is dat wat wij willen? Een belangrijk deel van de import wordt direct doorgevoerd. Wellicht onvermijdelijk door de ligging van Nederland. Maar als dat dan toch gebeurt, kunnen we dan economisch niet meer profijt trekken van al die doorvoer door ons land? Bovendien, willen we al die fossiele brandstoffen wel doorvoeren naar de rest van Europa? Waarom moeten we alle nadelen van deze doorvoer accepteren, terwijl we juist eerder en sneller van die fossiele energie af moeten?
Er is met de digitalisering van de economie ook een geheel nieuwe goederenstroom op gang gekomen: binnenlands en vanuit het buitenland stromen de pakjes aan. Zo is er sinds kort een nieuwe pakjes-stroom uit China op gang gekomen. In hoeverre die stroom zich verhoudt tot het streven naar duurzaamheid, dat ook in woord en geschrift door de Nederlandse overheid wordt aangehangen, blijft onduidelijk.
Tegelijkertijd voert Nederland 80% van de eigen landbouwproducten uit naar het buitenland. Door de macht van de landbouwlobby in Nederland en in Europa is nog nooit een goede maatschappelijke kosten- en batenanalyse gemaakt van de landbouw in Nederland. Terwijl er geen brug over een sloot kan worden aangelegd, zonder een door het CPB goedgekeurde mkba, kan de landbouwsector ongestraft Nederland op slot zetten.
Waterstromen
Nederland is voor een belangrijk deel van Europa het waterputje, hier stroomt het water van een aantal belangrijke rivieren in de zee. En die waterstromen worden onvoorspelbaarder en nemen jaarlijks in omvang toe. Dat heeft alles met de klimaatverandering te maken. Natuurlijk moet je je daarop aanpassen (adaptatie), maar wil je die waterstromen werkelijk beheersen dan zal je nadrukkelijk ook op klimaatmitigatie moeten inzetten. Klimaatbeleid is dus ook ruimtelijke ordening. En voor wie dat te ver gaat: ruimtelijke ordening vraagt om een krachtig klimaatbeleid. Overigens zie ik in de Nota Ruimte ook nog weinig van die klimaatadaptatie terechtkomen.
Datastromen
Niet alleen nemen de datastromen jaarlijks enorm toe, dat geldt al helemaal voor de concentratie van datahubs in Nederland. Waar Nederland woekert met de ruimte en met de energie, ontnemen Google en Microsoft je in de Wieringermeer en elders het uitzicht. Zijn we hier weer het slachtoffer van onze koopmansgeest (plat verdienen), terwijl we al zo weinig open ruimte hebben? Ik herinner me dat Facebook is geweerd in Zeewolde, maar waarom is er geen nationaal beleid om deze ontwikkeling tegen te gaan?
Een veel belangrijker vraag is waarom de overheid zo weinig grip heeft op deze datastromen zelf. En waarom we op dit punt zo afhankelijk zijn van Amerikaanse techbedrijven? En moeten we accepteren dat veel informatiestromen tegenwoordig worden bepaald door algoritmes die in hun effect bepaald niet de objectiviteit vergroten. Ja, zelfs dat is ruimtelijke ordening.
Cultuurstromen
De cultuur wordt nog steeds internationaler. Dat heeft grote voordelen. Het is vaak een verrijking van het cultuurleven. Het is een feest om een expositie van Anselm Kiefer in Amsterdam te bezoeken. Of het Attacca String Quartet in Amsterdam te horen. Maar soms aarzel ik toch ook. Heeft het Concertgebouworkest nog steeds een eigen klank die teruggaat naar Willem Mengelberg, of verwatert die identiteit omdat het aantal autochtone Nederlanders in het Concertgebouworkest al jaren gestaag afneemt. En wat voor gevolgen heeft het voor de identiteit van Nederland als iedereen naar Netflix kijkt?
Een breder perspectief
Castells definieerde ruimte in termen van ‘places’ en van ‘flows’. Ik constateerde dat het debat over de ruimtelijke ordening in Nederland nog vooral plaats vindt in termen van ‘places’. Ruimtelijke ordening gaat vooral over tegenstrijdige ruimteclaims voor bepaalde plekken. Overigens hebben we er een handje van om het debat over die claims te depolitiseren en vaak weg te moffelen achter ruimtelijke concepten en zondagswoorden als ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘omgevingskwaliteit.’ In ieder geval missen we een helder perspectief op de ‘space of flows’.
In bovenstaande heb ik verkend hoe de ruimtelijke ordening eruit zou zien als we meer oog zouden hebben voor die stromen. Er vallen me daarbij voorlopig drie dingen op.
Ten eerste lijkt het debat over de stromen politieker dan het debat over de plaatsen, zeker zoals dat vaak wordt gevoerd. Ook omdat zich fundamentelere vragen aandienen dan de vraag waar die woningen moeten worden gebouwd en waar welke boeren moeten worden uitgekocht.
Ten tweede komen in een analyse van de stromen de achterliggende mechanismen veel beter in beeld. Zo wordt duidelijker waarom er meer behoefte is aan huizen op bepaalde plekken. En maken internationale migratiestromen duidelijk waarom er überhaupt meer behoefte is aan huizen in Nederland. Zoals ook het toegenomen toerisme, de toenemende goederentreinen en de exploderende datastromen duidelijk maken waarom de druk op de plaatsen in de ruimte zo is toegenomen.
Ten derde leidt daarmee een analyse gebaseerd op stromen veel eerder tot de vraag wanneer Nederland vol is of wanneer Amsterdam vol is. Zoals stromen ook de vraag oproepen wat de identiteit van Nederland, van onze steden, van ons platteland en van onze cultuur is en welke identiteit we wel of niet willen behouden. Ik realiseer me terdege dat het begrip ‘vol’ en het begrip ‘identiteit’ een nare bijsmaak kunnen krijgen als ze geclaimd worden door lieden die Nederland ‘wit’ willen houden en burgerlijk en behouden. Daarbij voel ik me in het geheel niet thuis.
Ik bedoel dan ook heel iets anders. Ik doel op agglomeratienadelen die de agglomeratievoordelen gaan overschaduwen, ik doel op concentraties in steden waardoor huizen onverkoopbaar worden voor het ‘brede maatschappelijke midden’, ik doel op te grote concentraties van de agro-industrie waardoor en de natuur en het landschap te zeer te lijden hebben, ik doel op de concentraties van toeristenstromen en goederenstromen die nauwelijks bijdragen aan de brede welvaart, ik doel op de toenemende waterstromen waardoor het gebied dat in Nederland nog veilig is, langzaam afkalft.
Nederland is een ontzettend rijk land, maar Nederland is ook een ontzettend klein land. Ruimtelijke ordening kan niet alleen gaan over de vraag ‘op welke plek ruimte komt voor welke functie’. Ruimtelijke ordening hoort in Nederland ook bij uitstek te gaan over de vraag waarvoor we wel en waarvoor we geen ruimte meer willen vrijmaken. En juist die vraag dient zich eerder aan als je de ruimtelijke ordening benadert vanuit de ‘flows’ in plaats vanuit de ‘places’. Met dank aan Manuel Castells.
[Abonneer je via de homepage op mijn blogs, als je op de hoogte wilt worden gehouden.]
Wim, dank voor dit stukje ruimtelijk inzicht. Ik was gisteren bij het theatercollege van Harm Edens (best indrukwekkend) en vraag me naar aanleiding daarvan af of je niet ook een paragraafje aan klimaat had kunnen/moeten wijden. Misschien niet direct een flow, maar toch.
Dat heb ik toch gedaan in de sfeer van de waterstromen?
Inderdaad. Inhoudelijk dacht ik ook aan de vraag of er nog wel onder zeeniveau gebouwd zou moeten worden (of zelfs vanaf +5m of zo), dan wel of er niet veel meer nagedacht moet worden over drijvend bouwen.
In dit interessante betoog mis ik één stroom: de stroom uit huizen. De gemiddelde woningbezetting is van 5 begin 20ste eeuw gezakt naar 2,2 per woning (nog steeds dalend, in Amsterdam is het nog minder), terwijl de woningen alsmaar groter worden. Dat vreet ruimte, alleen al om de bestaande bevolking te huisvesten.
Mooie gedachte, natuurlijk relevant, maar of we dit ook als een stroom moeten zien, weet ik nog even niet.