We brengen de "Noordlicht" altijd ergens in oktober naar de winterstalling. Omdat de mast achterblijft in de haven van Gaastmeer, moeten we op de motor naar de loods in Woudsend. Het is een tochtje van niks, niet meer dan een uur. Het is vaak helder weer, een lage zon schijnt over het water. We zijn weemoedig gestemd. Het doet pijn om afscheid van de "Noordlicht" te nemen. Vandaag begint het aftellen tot het voorjaar.
Om ons verdriet te vergeten gaan we van Woudsend regelrecht naar de Veluwe, waar we in de bossen wandelen en na een copieus diner wankelend het bed opzoeken. Alsof je haar kan vergeten, door veel verschillende wijnen achter elkaar te drinken. Nee, de pijnlijke waarheid is dat we haar in die koude loods hebben achtergelaten.
Ik denk wel eens dat juist ons schuldgevoel ons ertoe brengt om de boot in het najaar, op die weemoedige dag, niet netjes achter te laten. Daardoor kwam het meermalen voor dat we de laatste restanten uit de kombuis vergaten mee te nemen. Onder het motto: hoe minder afscheid je neemt, hoe minder pijn je voelt.
Dat moest een keer misgaan. Vorig jaar lagen er nog zoveel etensresten in de boot, dat die ene muis ons wel moest vinden. In het voorjaar vielen ze direct in het oog: de muizenkeutels. Een oude dweil was aangevroten, een binnenvoering van een regenjas was weggeknaagd, het wc-papier was versnipperd. We hadden een muis! Oh, mijn God, ik ben bang voor muizen.
We zetten een val. En elke keer dat we op de boot kwamen was er niet de hoop, maar de angst dat de muis dood in zijn val zou zitten. Ik kan niet tegen levende muizen en niet tegen dode dieren. Een vriend mocht een dag mee zeilen, op voorwaarde dat hij als eerste zou controleren of de muis al dood was. Maar er was geen muis. De val was leeg. Ik dronk voortaan elke avond extra Beerenburg (nee, ik heb geen drankprobleem) om snel in slaap te vallen en de muis te vergeten. De angst ging pas na weken liggen.
Intussen was de muis nog steeds niet gevonden. We hoopten dat hij het schip inmiddels had verlaten. En dat we de muis nooit meer zouden zien. Dat was slechts gedeeltelijk waar. Toen ik maanden later de roosters in de kuip ging schoonmaken, zag ik een zwart hoopje liggen. Ik dacht eerst aan modder, tot ik uit die modder twee tandjes zag oplichten. Dat waren de resten van onze muis. De angst maakte snel plaats voor het diepe geluk dat hij nu echt was verdwenen.
Tegenwoordig maken we de kombuis helemaal schoon voordat we copieus gaan doen op de Veluwe. Maar daarmee komt het besef dat het voor dit jaar is afgelopen, wel harder binnen. En dat doet extra pijn.
[Verscheen eerder in 'Krill", Nummer 38, jaargang 17, mei 2026]