Groenlinks-Partij van de Arbeid. De fusie gaat door. Er is een aanzet voor een nieuw beginselprogramma, onder de titel ‘Tijd voor solidariteit’. Het is goed dat ze een poging doen om een nieuw beginselprogramma te schrijven.Maar ze zijn er nog niet. De tekst is te lief, straalt te weinig urgentie uit en zelfreflectie lijkt te ontbreken. Terwijl alleen zelfreflectie de linkse beweging verder kan brengen.
Toen ik de aanzet voor een nieuw beginselprogramma voor het eerst las zag ik in gedachten vooral veel ballonnen, veel juichende mensen op een verkiezingsavond. Allemaal warme woorden die partijgenoten misschien raken, maar die te dun zijn om de samenleving te veranderen.
Let op, zo begint het programma: ‘De kern van onze politiek is de overtuiging dat we onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Pas als het goed gaat met ieder van ons, gaat het goed met de samenleving. Solidariteit is een voorwaarde om onze idealen te kunnen realiseren. Want samen staan we sterk.’
Dit zijn geen warme woorden, dit zijn onechte woorden. Dat laat onverlet dat er in de aanzet ook veel raken woorden staan. Maar waarom begint men met deze nietszeggendheid? En het is de niet de enige keer dat ik jeuk krijg. Overal waar wordt geschreven dat we ‘elkaar moeten ontmoeten’ vraag ik me af: hoezo? Ik ben niet links om allerlei mensen te moeten ontmoeten. Ik ben links opdat we allemaal in vrijheid kunnen leven.
Natuurlijk, het is een eerste aanzet. Zo moet je het ook beoordelen. Als het de definitieve tekst was geweest, had ik gezegd: het is een samenraapsel, van ideeën en inzichten. Geschreven door leuke mensen die om beurten een goed idee mochten inbrengen. Maar de samenhang en met name de bodem ontbreekt.
Is ‘solidariteit’ als centraal begrip dan geen stevige bodem? Nee, in ieder geval niet als je het begrip niet uitwerkt en problematiseert. Persoonlijk wil ik helemaal niet solidair zijn met boeren die de natuur kapot maken en met populisten die de democratie om zeep helpen. En waarom solidariteit en niet gelijkwaardigheid of vrijheid? Ook die twee andere begrippen worden genoemd, maar niet afgewogen. Zolang je dat niet doet, zijn het vooral veel blijde gedachten, maar geen beginselprogramma.
En dan plotseling word ik wel blij als ik op pagina 21 lees: ‘Politiek is het vertellen van andere verhalen, het stellen van nieuwe vragen en veranderen van het beeld wat rechtvaardig is.’ Maar het volgende moment vraag ik me af: wat doet die zin daar? Het had het uitgangspunt van het nieuwe programma moeten zijn. Maar ik lees vooral veel bekende verhalen en de nieuwe vragen die aan bod komen, worden nauwelijks van een antwoord voorzien.
Soms denk je: dit programma had ook in de jaren 70 geschreven kunnen zijn. Afgezien van de plichtmatige klimaatcrisis die om de zoveel woorden lijkt te zijn ingevoegd en een paar woorden over algoritmes. Het woord populisme komt in ieder geval niet voor. Het lijkt alsof iemand zegt: het is niet zo moeilijk, we hebben altijd gelijk gehad. Dus als we hetzelfde opschrijven, hebben we weer gelijk.
Het goede van de aanzet tot een beginselprogramma is dat er wel degelijk nieuwe problemen worden genoemd. Maar wat betekenen die problemen? Ik noem er een paar.
Er wordt geschreven over de macht van de hoogopgeleiden. Op zich is er niks mis mee dat mensen hoog zijn opgeleid. Ik neem aan dat deze aanzet ook voor 100% door hoogopgeleiden is geschreven. In de Kamer zaten relatief altijd veel hoogopgeleiden. Maar die werden toen nog wel herkend als de vertegenwoordigers van de laagopgeleiden! Het heeft alles te maken met ons streven naar meritocratie (waarin we ook nog eens maar zeer matig slagen). Het gevoel heeft postgevat dat al die hoogopgeleiden terecht zo’n hoog inkomen hebben en terecht overal de macht hebben. En daarmee zijn heel veel mensen in de steek gelaten.
Ik zou in een beginselprogramma ook nooit meer schrijven over de noodzaak van gelijkwaardigheid, alsof het alleen maar van belang is dat mensen gelijke kansen krijgen. Nee, iedereen moet het recht hebben op een waardig leven, ook als je kwaliteiten ontbeert die in deze samenleving zo goed worden betaald. Dus een linkse partij zou zich meer zorgen moeten maken om Emmen dan om Amsterdam.
De aanzet voor een beginselprogramma ruikt naar Den Uyl. Het verdelen van kennis, macht en inkomen, aangevuld met het woord klimaat. Maar Den Uyl won de verkiezingen in de Schilderswijk in Den Haag. Op Frans Timmermans, en dat gaat niet om hem persoonlijk, stemden in 2023 alleen maar mensen die ‘cultureel progressief’ waren. Degenen die zich ‘economisch links’ noemden, waren weggelopen naar elders. De grote vraag is dan ook: waarom doet de linkse beweging er niet meer toe als het gaat om de economie? Op die vraag zal je toch echt eerst een antwoord moeten hebben, voordat je weer een beginselprogramma schrijft met dezelfde woorden.
De aanzet wijdt een paar woorden aan het niet-functioneren van publieke voorzieningen. Maar het probleem is veel groter. Welke problemen heeft de overheid in de afgelopen decennia opgelost? Welke vernieuwing heeft daar plaatsgevonden? Sorry, het is niet alleen de vermarkting van de publieke zaak, die voor veel ellende heeft gezorgd. De overheid lijkt ook vastgelopen te zijn in zijn eigen regels en randvoorwaarden. Ik weet het, het helpt niet dat de politiek ook een karikatuur van zichzelf is geworden. Maar ik vrees dat de problemen bij de overheid daarmee niet kunnen worden afgedaan. En wat is een beginselprogramma waard dat veel aandacht schenkt aan het belang van het collectief, als het collectief niet meer levert?
Ik schreef al dat het woord populisme niet voorkomt in de aanzet. Alsof het niet bestaat. Terwijl je pas over een goed beginselprogramma kan nadenken, als je begrijpt waarom het populisme wereldwijd zo om zich heen grijpt. Alsof je het probleem kan wegdenken, omdat het er niet hoort te zijn. Meer beschaving, meer dedain zijn niet het antwoord op populisme. Kunnen we iets leren van de democratische kandidaat voor het burgemeesterschap van New York? Hebben we politici nodig die echt antwoord geven op de vragen van burgers, in plaats van antwoorden te geven op hun eigen vragen? De vraag is dus: wat hebben we laten liggen, wat is de voedingsbodem voor het populisme geweest? Het is belangrijker die vraag te beantwoorden dan slechts schande te spreken.
De algoritmes van de tech-jongens worden genoemd. Met de suggestie dat ze grote gevolgen kunnen hebben voor onze democratie. Maar in de aanzet staat nog geen begin van een antwoord op deze omwenteling. Wat is democratie zonder een gedeelde waarheid? Politici hebben vaker een loopje genomen met de waarheid, maar vroeger waren ze daarop nog wel aan te spreken. Het liegen is tegenwoordig onbeschaamd, omdat de leugens via de sociale media als waarheid tot ons komen.
Tot slot: de veel genoemde klimaatcrisis. De echte crisis is op dit moment niet de klimaatverandering en de opwarming van de aarde. De echte crisis is de desinteresse van het publiek in alles wat met klimaat te maken heeft. We hebben een minister van Klimaat die inmiddels alle instrumenten uit handen is geslagen. Het lijkt niemand iets te deren. ‘Ach, dat gezeur over klimaat.’ Kan links zich dit aanwrijven, dat klimaat geheel van de politieke agenda is verdwenen? Heeft links een oplossing voor dit probleem? De oude woorden lijken niet meer te werken.
Al met al is de aanzet tot het beginselprogramma te gemakkelijk. Er zijn te weinig nieuwe verhalen en er zijn te weinig antwoorden op nieuwe vragen. De zelftevredenheid lijkt te groot en de zelfreflectie te gering. Ik hoop dat het nieuwe verkiezingsprogramma meer durf laat zien. Want met meer van hetzelfde zal rechts niet worden verslagen.
[Abonneer je via de homepage op mijn blogs, als je op de hoogte wilt worden gehouden.]
Leuk dat je de moeite neemt kritisch stuk te schrijven Denk nu bij het lezen wat zou Steven ervan vinden? Groet, Jerk
Een commentaar waarin ik mij zeer in kan vinden!
Messcherp! Onder de oppervlakte en oppervlakkigheid van “Tijd voor solidariteit” schuilt de kern van waar de linkse samenwerking ‘loslaat’ en losstaat van de harde realiteit: de afwaardering van de (sociaaldemocratische, strijdbare) ideologie ten gunste van “idealen” die nobel en nastrevenswaardig zijn maar zonder duiding van maatschappelijke context en politiek handelingsperspectief vrome wensen blijven.