Het dorp was eigenlijk niet meer dan een straat. Een straat die pas na een weifelend begin een echte straat werd. Niet voor lang. Na een brug liep de straat dood, tussen een paar boerderijen in een weiland. Bij de brug kon je links naar de kerk. Ook na de kerk stokte het dorp eigenlijk meteen.
Rechts bij de brug was een café. Vroeger, toen hij daar als kind met zijn ouders kwam, zat daar een groenteboer. Ze verkochten er ‘boemkool’, ‘salalata’ en ‘nazi-ballen’. Ze hadden erg om die spelfouten moeten lachen. Zoals ze graag om andermans domheid lachten. Dat sterkte hun in de gedachte dat zij beter waren.
In die jaren was het nog bijzonder om een zeilboot te hebben. Zij hadden er drie. Elke zomervakantie voeren ze naar Friesland. Dan lagen ze in het dorp aan de kade, tussen de brug en de kerk. Soms helemaal alleen, soms met een paar andere boten. Friesland was nog onbedorven. Veertig jaar later had het dorp vier jachthavens.
Neerkijken op anderen zou zijn hele leven op de loer blijven liggen. Maar dat dorp en die kade legden de basis voor een levenslange liefde voor boten en varen. Hij zou vele jaren blijven zeilen. In Friesland.
Het zou een jaar of vijf duren voordat hij weer in het dorp kwam. Hij was net student, de middelbare school nauwelijks ontgroeid. De familie van een vriend stalde ‘s zomers hun caravan op het erf van boer Flapper. Net achter de kerk. Die vriend was verliefd op hem. Intuïtief begreep hij dat het beter was om ‘s nachts lang op te blijven. Ze dronken Beerenburg in limonadeglazen. En stonden om 5 uur achter de caravan in de ochtenddauw te pissen, onder het toeziend oog van een koe die al met het grazen was begonnen.
In het weekend kwamen meer vrienden, onder wie het meisje waarop hij heftig verliefd was. Ze hadden verkering, hij vroeg zich af hoe wederkerig de liefde was. Ze sliepen samen in de caravan. Voor beiden was het onbekend terrein. De hele nacht werd gewoeld en gevoeld. Tegen een uur of 10, sprak zij de woorden, die door de afloop van deze jeugdliefde in zijn geheugen werden gebeiteld: ‘Ik wil wel, maar ik durf niet.’ Een paar weken later ging het wel, bijna per ongeluk. Ze maakten het kind weg, dat later nooit meer verwekt zou worden.
Meer dan dertig jaren gingen voorbij. Het dorp leefde al die jaren een sluimerend bestaan in zijn herinnering. Hij was intussen een man met een pak en een das en een dienstauto. Het was komkommertijd, de tijd waarin kranten oppervlakkige rubrieken in het leven roepen omdat er minder nieuws zou zijn. De Volkskrant vroeg hem naar het ‘mooiste plekje’ van Nederland, en of hij daar wilde poseren. Hij dacht meteen aan het dorp.
Ze reden naar Friesland, huurden een sloepje, voeren over het Grote Meer buiten het dorp en twee dagen later stond de foto in de krant, met een uitgebreid interview dat onderweg in de auto was afgenomen. Toen hij thuis kwam had hij tegen zijn vrouw gezegd: ‘Ik wil weer een boot. Of anders een tweede huis.’ Hij had die keuze niet aan haar moeten laten. Ze koos voor een tweede huis.
Toch kwam het dorp weer in zijn leven, alweer tien jaar verder. Het tweede huis had zijn huwelijk kunnen rekken, maar niet kunnen redden. Hij kwam de liefde van zijn leven tegen en in een roes van liefde en opluchting liet hij een nieuwe boot bouwen. Ze maakten met de ‘salesmanager’ van de werf een proefvaart nabij Sneek. Ze dachten nog even dat de proefvaart ‘een dagje uit’ zou zijn. In werkelijkheid stonden ze om één uur ‘s middags alweer op de kade.
Hij stelde voor om ergens een uitsmijter te gaan eten. Hij wist meteen waar. In het dorp. In het café waar vroeger de groenteboer zat, waarop hun sociaal-democratische gezin zo had neergekeken. Binnen een half uur zaten ze op het terras aan het water. Naast de brug. Daar werd besloten om de boot te kopen. Daar ontstond het plan om in het dorp een vaste ligplaats te zoeken voor de nieuwe boot. Het jaar daarop lag de boot op de kop van de steiger, in één van de vier jachthavens van het dorp.
Het was amper een jaar later, die plechtigheid in de kerk, die vooral informeel werd beleefd. Toen ze hun liefde lieten registreren. Een klein gezelschap van vrienden en familie had zich vooraf verzameld in het café. Er werd een foto gemaakt op de brug, diezelfde brug. Bevriende muzikanten marcheerden door het dorp. De gasten dachten nog dat de plaatselijke fanfare bij toeval het jonge echtpaar een aubade bracht. Ze liepen samen achter de muziek aan, naar de kerk, waar ze hun grote liefde naar elkaar uitspraken.
Na de kerk dronken ze op de liefde in het café. Er was veel blijdschap. Haar kinderen spraken lieve woorden. ‘s Avonds aten ze in een restaurant in het volgende dorp. En ‘s nachts sliepen ze gewoon op hun boot. In hun dorp. Maar dat het ‘hun’ dorp was, was alleen een gevoel, want een Fries dorp blijft altijd Fries. Vergeet nooit hoe Grutte Pier op de Zuiderzee de Hollanders de dood injoeg.
Hij had tegen haar gezegd dat ze zelf maar moest beslissen. Of ze hem wilde cremeren of wilde begraven. Als ze hem wilde begraven, vond hij het dorp een mooie plek. Hij hield van de stilte achter de kerk. Omdat hij in die kerk zijn rust had gevonden. Toen hij haar zijn ja-woord gaf.
[Ook gepubliceerd in De Leunstoel, rug 23, nummer 5]