Jan Brokken interviewde in de jaren 80 schrijvers over de ‘techniek van het schrijven’. Ik herinner me al die verhalen over routines en rituelen. Schrijvers die alleen schreven tussen 8 en 12 uur ‘s morgens, en ‘s middags de krant lazen en hun post beantwoordden. Het leek alsof schrijvers bedolven werden door brieven van verlegen middelbare scholieren en kwijlende oude dames. Dat soort routines heb ik mezelf nooit opgelegd bij het schrijven van mijn roman ‘IJzersterk’. Mijn enige routine is dat ik altijd aan de keukentafel schrijf. En dat ik niet schrijf als mijn hond me dwingt om samen uit te gaan.
Ik schrijf snel. Het zal met mijn gedrevenheid te maken hebben. Als jonge wetenschapper was dat al zo, en gaandeweg mijn carrière werd dat erger. Vroeger zes pagina’s per dag, later werden dat er 10 tot 12. Dus toen ik had bedacht dat mijn roman ongeveer 400 pagina’s zou beslaan - het was niet meer dan een slag in de lucht - meende ik dat het boek na 100 dagen wel klaar zou zijn. Dat noteerde ik op 19 november 2023. In werkelijkheid rondde ik het manuscript af op 24 november 2025. Omdat ik in die twee jaar vooral opnieuw begon.
De eerste versie van de roman van 344 pagina’s vergde amper tweeënhalve maand. Eerlijkheidshalve zeg ik erbij dat ik in mijn leven nog nooit zo hard heb gewerkt. Na die eerste versie was ik totaal leeggezogen. Mijn lichaam deed overal pijn, mijn oren suisden als nooit tevoren. Een tweede versie volgde al snel. Hele hoofdstukken werden omgegooid, nieuwe hoofdstukken werden toegevoegd. Zo was de vierde versie 100 pagina’s langer dan de eerste. Maar toen ontstond het gevoel dat het allemaal strakker moest, dat te veel zinnen te weinig toevoegden. Zo telde de zevende versie nog maar 357 pagina’s. Toch bekroop me toen weer het gevoel dat ik te rigoureus had geschrapt. Zo telde de tiende versie alweer 398 pagina’s. In de opmaak van de uitgever telt deze versie 375 pagina’s.
Het lijkt alsof ik alleen maar rondjes draaide en nooit verder kwam. Toch was het tegendeel het geval. In het begin worstelde ik vooral met de structuur van het boek. Wetenschapper Just Ansen wilde jubileumboeken schrijven om een burn-out voor te zijn. Maar het bedrijf dat hem de eerste opdracht gaf, was zo saai, dat hij besloot om een roman over het jubileum van dat bedrijf te schrijven. Een roman waarin hij zelf de hoofdpersoon is als schrijver van het jubileumboek. Deze roman van Just Ansen ontrolt zich in de delen 1, 2 en 3 van mijn roman. In de Epiloog kijkt Just Ansen terug op zijn roman. En raakt hij in een heftig gesprek verwikkeld met zijn vrouw, die constateert dat ze beiden blijkbaar een heel ander beeld hebben van hun relatie. Het duurde enige tijd voordat de meelezers deze structuur herkenden.
De verhaallijn kende een ander probleem. Het is de kunst om een verhaal niet te snel ‘weg te geven’. Terwijl de schrijver wellicht al vanaf het begin weet hoe zijn roman gaat eindigen, mag de lezer dat pas op de laatste pagina ontdekken. Daarom was ik blij dat mijn vrouw vertelde dat ze erg verrast werd door ‘de clou van het verhaal.’ Terwijl ik dat hele boek had geschreven met die clou in mijn achterhoofd.
Een vergelijkbaar probleem doet zich voor met de personages die zich vanzelfsprekend ontwikkelen in de loop van zo’n roman. De directeur van de firma Visser is mij bijvoorbeeld aan het einde van het boek veel sympathieker dan aan het begin. Daarom is het verstandig om bij het redigeren altijd weer van vooraf aan te beginnen. Zo voorkom je dat je een personage anders schildert dan hij of zij op dat moment moet zijn.
Ach ja, dan is het eigenlijk aangenaam simpel om spellingsfouten te corrigeren of niet-lopende zinnen een beetje beter te laten lopen. Ook daarmee kan je eindeloos bezig blijven. Voor elke zin is een mooiere te verzinnen. Het redigeren houdt pas op als het manuscript bij de uitgever wordt ingeleverd. Misschien is dat wel de belangrijkste functie van een uitgever: het schrijfproces een halt toeroepen.
Nieuwsgierig? Lees dat boek! [Je kan het boek bestellen via deze link.
