Dom Hans van der Laan: architectuur is een vak

april 5, 2021 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

We waren toevallig toch in de buurt. Een mooie gelegenheid om nog eens aan te bellen. Jaren geleden bezocht ik de nieuwbouw van de Abdij Sint-Benedictusberg van architect Dom Hans van der Laan. In het gehucht Mamelis bij Vaals. Er was niets veranderd, zoals er in kloosters vaak in decennia niets verandert. Maar ook aan mijn mening was niets veranderd en aan mijn gevoel al evenmin.

Dom Hans van der Laan was architect en abt van het klooster in Mamelis in de tweede helft van de vorige eeuw. Maar hij was ook de grondlegger van de ‘Bossche School’ in de architectuur. Jan de Jong is een andere bekende naam uit deze school. Ik heb geen architect, ik ben geen bouwkundige. Ik kan me wel voorstellen dat bouwkundigen veel moeite hebben om het werk van Dom Hans van der Laan te plaatsen. De Bossche School bouwde veel kerken en kloosters, maar ook veel huizen, vooral in het Zuiden van het land. Wie de school opzoekt op internet struikelt over het woord ‘traditioneel’. Maar als ik mijn gevoel moet omschrijven als ik de kapel in Mamelis betreed, heb ik niets aan het woord ‘traditioneel’. Dit gaat veel dieper.

Dom Hans van der Laan heeft een groot deel van zijn leven gewijd aan een zoektocht naar het plastisch getal. In mijn eigen woorden: een zoektocht naar de oervorm van de architectuur. Of beter: naar de oerverhoudingen in de architectuur. Het plastisch getal wordt wel omschreven als ‘het evenwichtig samengaan der maten, zowel in de delen als in het geheel van het gebouw’. Van der Laan vroeg zich af: wat zijn de natuurlijke, vanzelfsprekende verhoudingen van een zaal, van een deur, van een raam. Hoe breed moeten de muren tussen de ramen zijn. Hoeveel ramen in een kerk voelen ‘natuurlijk’ aan. 

Er zijn prachtige boeken over de ideale verhoudingen geschreven. Er zijn prachtige boeken over de kapel van Dom Hans van der Laan in Mamelis geschreven. Soms lijken het ondoorgrondelijke formules. Maar als je in die kapel staat, in die gewijde ruimte, dan voel je dat die maten kloppen. Dat elke verhouding klopt. Dat die 5 ramen langs de smalle kant van de kapel alleen maar beantwoord kunnen worden door 12 even grote ramen aan de lange kant van de kapel. Hier voel je wat goede architectuur is. Geen grote woorden, geen vage spinsels, maar gewoon gevoel. 

Als je die kapel in Mamelis beleeft dringt het besef tot je door: architectuur is een vak. Bij een architect hoort de eerste vraag niet te zijn tot welke stroming hij of zij behoort, maar of hij of zij het vak verstaat. Uiteindelijk is niet relevant of hij of zij een traditionalist, een modernist of een post-modernist is. Voorop staat de vraag hij of zij een goede architect is. Iemand die mensen geborgenheid kan bieden door uit te gaan van de juiste verhoudingen. Daarna komt de vraag naar de stroming die de architect zou (willen) vertegenwoordigen.

Maar moeten we Dom Van der Laan dan als een traditionalist zien, omdat de Bossche School op internet als een school van traditionalistische architecten wordt omschreven? Als ik me opgenomen voel in de ruimte van de kapel in Mamelis zijn termen als Romaans en modern voor mij meer terzake. Die combinatie is niet verrassend omdat in beide stromingen het zoeken naar de essentie centraal stond. Versieringen komen je in Romaanse kerken en in modernistische woonhuizen weinig tegen. 

Toch vermoed ik dat Dom Van der Laan deze discussie zinloos zou hebben gevonden. Juist omdat het hem om de essentie van het bouwen ging. Om de onderlinge verhoudingen van de maten. In dat opzicht laat Dom Van der Laan zich niet plaatsen. Hij is vooral tijdloos. En een mooier compliment kan een architect eigenlijk niet krijgen. 

Modernisme, ideologie en architectuur #BernardHulsman

januari 17, 2018 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Het zal al een aantal jaren geleden zijn dat Bernard Hulsman op de achterpagina van het eerste katern van de NRC een serie begon over gebouwen, bruggen en wat dies meer zij die erg op elkaar leken. De boodschap leek te zijn: architecten zijn minder origineel dan ze vaak zelf suggereren. En de foto’s bewezen dat keer op keer. Het is me ontgaan wanneer deze serie is gestopt en waarom. Er zijn wel meer van die series in de krant die wel leest, maar die je niet mist als ze zijn opgehouden. In dit geval vermoed ik dat de auteur zelf ook onvoldoende bevrediging vond in het uitzoeken van nagenoeg identieke foto’s van toch echt verschillende gebouwen.

Tot mijn grote verrassing kwam ik de stukjes weer tegen in een fantastisch boek van dezelfde Bernard Hulsman. Apenrotsen en andere nauwe verwanten. Hier waren ze een onderdeel geworden van een prachtige collage over ‘de moderne architectuur’, samen met mooie interviews met de gladiatoren van de Nederlandse architectuur en met andere interessante essays van Hulsman’s hand. Je zou kunnen denken dat het een postmodern rommeltje is geworden en in bepaalde opzichten is dat ook zo. Maar juist dat rommeltje vormt een prachtig geheel en geeft een prachtig beeld van de stand van de architectuur van de laatste eeuw. Ik ken ze niet allemaal, maar ik geen beter boek over dat onderwerp. Hier nergens ingewikkelde theorieën, hier nergens onbegrijpelijke zinnen. Want boeken over architectuur willen nogal eens hoogdravend en onbegrijpelijk zijn. Vaak geschreven door een architect, waarbij mijn conclusie altijd is: “Beperk u voortaan tot het bouwen van huizen, in de hoop dat u dat beter kan.”

Maar het is meer dan een boeiende collage. Hulsman zet namelijk een heldere streep onder het modernisme. Het kan ook geen toeval zijn dat dit boek zo weinig volgens de modernistische orde is opgebouwd. Dat het gewoon een postmodern boek is. Ik vermoed dat Hulsman dit commentaar helemaal niet erg vindt. Het is wel geestig dat de uitgever op de omslag rept over een ‘reis door de wereld van de moderne architectuur’. Alsof alles wat ‘hedendaags’ is ook nog steeds ‘modern’ is. Maar het is juist Bernard Hulsman die afrekent met het modernisme. Die dat afwijzen van puntdaken belachelijk maakt, die zich verbaast over die bouwkunde-opleidingen die jarenlang maar één God hadden, namelijk Le Corbusier. Die met onverholen pret vertelt over de lekkende daken van de modernisten en boos is op het dedain van de meeste modernisten tegenover de uiteindelijke bewoner, die eerder geborgenheid zoekt in plaatsvan glazen wanden en witte muren. Om nog maar niet te spreken over de simpele behoefte aan opbergruimte waarin de hardcore modernist weigert te voorzien. Hulsman maakt er gehakt van. Hij laat niet na om te benadrukken dat Le Corbusier niet alleen een hardcore modernist was, maar ook een hardcore fascist. Hij vertelt met graagte en terecht dat Mies van der Rohe pas naar Amerika is gevlucht, nadat het hem was mislukt om de toparchitect van de nazi’s te worden. Als hij niet was afgewezen, was niet Speer maar Mies de architect van Germania geworden. Ja, Hulsman weet treffend het autoritaire en het totalitaire van de modernisten te benoemen. En af te keuren. En juist daarom kan Hulsman zo neutraal en bijna objectief schrijven over de postmodernisten en bijvoorbeeld over de neo-traditionalisten. Overigens was er ook op Philip Johnson politiek veel aan te merken.

Hulsman is wars van het modernisme. Toch spreekt hij vergoelijkend over het fascisme van Le Corbusier, vanwege dat kapelletje in Ronchamps. Dat verbaast me. Want het lijkt me niet dat tegen één mooie kerk zeer verwerpelijke politieke standpunten mogen worden weggestreept. Eerlijk gezegd lijkt me dat beide dingen weinig met elkaar te maken hebben en daarom verdienen zowel het kapelletje in Ronchamps als de politieke opvattingen van Le Corbusier een zelfstandige beoordeling. Overigens kan ik zelf die verering van Ronchamps nooit helemaal begrijpen. Het kan komen omdat ik Ronchamps in dezelfde vakantie bezocht als de basiliek van Vézelay.

Zeker waar het gaat over modernistische stedebouw, denk voor het gemak even aan de Bijlmer, raakt de beoordeling van het modernisme de relatie tussen politiek en architectuur. Die relatie is evident, maar ook complex. Hulsman zegt er wijze dingen over, maar weigert duidelijke conclusies te trekken. En als hij dat wel doet, zijn ze een tikkeltje teleurstellend. Zo schrijft hij op pagina 297: “Er bestaat geen verband tussen architectuurstijlen en politieke ideologieën.” Nou dat mag op het eerste gezicht waar zijn, maar daarmee is de relatie tussen architectuur en politiek niet afdoende beschreven.

Laten we eerst vaststellen dat regimes bepaalde architecten hebben uitgesloten en ongetwijfeld nog steeds uitsluiten. Laten we ook vaststellen dat architecten hebben geprobeerd bij dubieuze regimes in het gevlei te komen om ruimte te scheppen voor hun eigen originele creaturen. Denk aan Mies van der Rohe en de nazi’s. Maar denk ook aan Rem Koolhaas die scherp door Hulsman wordt ondervraagd over zijn nieuwe onderkomen voor het symbool van de Chinese onderdrukking en lees het onwaarachtige antwoord van Koolhaas.

Laten we daarna vaststellen dat veel architecten ideologisch gedreven zijn. Ik sprak al over de fascist Le Corbusier (die ook een leuk kapelletje bouwde). En wat te denken van de communist Mart Stam, die niet voor een opdracht maar uit overtuiging in Rusland ging werken. Lees het prachtige interview van Hulsman met zijn vrouw Lotte Stam-Beese, die tot haar dood in 1988 in het Russische communisme bleef geloven. En denk eens aan de constructivisten die, toen ze daartoe in Rusland de kans kregen, andere architecten op ideologische gronden het werken onmogelijk maakten.

Maar de essentie is, dat architectuur en vooral stedebouw voortkomen uit een bepaald wereldbeeld. Daarom kunnen architecten elkaar ook zo goed verketteren. Overigens is dat hun eigen zorg. Het is mij een zorg dat architecten hun wereldbeeld opleggen aan al die mensen die in al die huizen en steden moeten wonen. En dat gold met name voor de modernisten, van wie het dan ook niet verrassend is dat ze vaak bij totalitaire ideologieën uitkwamen. Totalitair in ontwerpen, totalitair in denken en uiteindelijk totalitair in politieke keuzes. Het is allemaal niet zo vreemd.

Maar het gaat hier wel om de leefwereld van anderen. Het gaat om burgers die zich veelal niet konden verweren. Het waren gewone burgers die al lang blij waren met een woning in Bijlmer. Architecten zouden zich om die reden van alle kunstenaars het meest terughoudend moeten opstellen. Maar het tegendeel is het geval.

Stedebouw heeft een oorsprong

mei 17, 2014 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Rotterdam5Vorige maand had ik een afspraak met de buurtpastor van Spangen in Rotterdam. Na een boeiend gesprek over zelforganisatie en de rol van de overheid, reed ik door naar de campus van de Erasmus Universiteit op Woudestein. Van Sparta naar Excelsior voor de voetballiefhebbers. Alle bomen stonden in het frisse lentegroen. Ik reed langs de Mathenesserdijk, verliet Spangen via de Mathenesserbrug en passeerde het Oude Westen via de Mathenesserlaan, ging bij de Nieuwe Binnenweg linksaf, bij de Westersingel rechtsaf, en nog steeds was ik omgeven door een stralende stad. Op de Westzeedijk naar links en na 300 meter stond ik oog in oog met de Rotterdam, de nieuwe Koolhaas op de Wilhelminapier. Ik heb de Rotterdam zien bouwen, vanaf de overkant. Ik vind het in veel opzichten een indrukwekkend gebouw. Ik vrees dat veel mensen het een indrukwekkend gebouw vinden alleen al omdat het van Koolhaas is. Hij heeft inmiddels de status van Cruijff bereikt. Als onze topvoetballer vroeger over de bal struikelde zag bijna iedereen een briljante hakbal en als de topvoetballer tegenwoordig onzin verkoopt, hoort bijna iedereen grote wijsheid. Desalniettemin vind ik de Rotterdam een indrukwekkend gebouw. In architectonisch opzicht.

Stedebouwkundig vind ik het zeer matig. Niet alleen doet Koolhaas hier met Van Berkel een wedstrijd ver plassen, belangrijker is dat door zijn gebouw de Wilhelminapier als nieuwe stad definitief is mislukt. Hier is een architect niet bezig met een stad, maar met een ansichtkaart. Een paar dagen voor mijn autorit had ik gegeten in Hotel New York. We wandelden terug op een mooie avond, die meteen minder mooi werd door de enorme storm die ons omgaf. Guur. Elke geborgenheid ontbrak. Hoe schrijnend is de naam van het hotel. New York. Een stad waar wel hoogbouw samengaat met hoge stedelijkheid. Op de Wilhelminapier is hoogbouw alleen maar hoogbouw. Met veel wind.

Ook al een paar weken geleden wandelde ik met mijn vrouw rond het dorp waar wij in het weekend wonen. Het was koud en het woei hard. Om die reden besloten we onze wandeling af te breken en door het dorp terug te lopen. Vanaf de eerste huizen was de wind weg, de temperatuur 5 graden hoger. Het dorp bood geborgenheid. Zoals al die dorpen daar op Flakkee die onverwachtse geborgenheid geven, na kilometers hardlopen over de dijken en door de polders. En zoals ook die Mathenesserdijk en die Mathenesserlaan de geborgenheid geven die stedebouw moet geven. Zoals bekend schrijf je stedebouw zonder tussen-n, omdat het niet gaat om de bouw van een stad, maar van een stede, van een plek.

Het verbaast me altijd hoe we die kunst van het bouwen van plekken in de 20e eeuw zijn kwijtgeraakt. De kunst van het creëeren van geborgenheid. Hoe we vroeger bijna intuïtief wisten hoe je een dorp moest bouwen, kon laten ontstaan, zoals we intuïtief wisten hoe een stad eruit zou moeten zien. Zonder dat we een Faculteit Bouwkunde hadden. Dirk Sijmons maakte eens een prachtige studie van Zeeuwse dorpen. Hij liet zien wanneer het dorp volgroeid zou zijn, wanneer verder bouwen de zichtassen van het dorp zouden verpesten. Dat je dan beter aan een nieuw dorp kon beginnen.

Ik heb wel hoop. Het kan geen toeval zijn dat deze faculteit na de brand niet alleen gekozen heeft voor de geborgenheid van een oud gebouw, maar ook die kille modernistische plek in de polder waar de oude Van der Broek en Bakema stond, heeft verlaten. Het was kenmerkend dat de minister zijn beloofde 30 miljoen aanvankelijk voor dit pand niet ter beschikking wilde stellen. Dit zou geen vernieuwing zijn. Terwijl dit gebouw nu juist onder andere door de toevoegingen van Winy Maas een voorbeeld werd van wat hedendaagse architectuur altijd zou moeten zijn: hedendaagse elementen toevoegen aan wat er is. Dat is in mijn beleving goede architectuur, en goede stedebouw. Iets nieuws toevoegen, iets eigentijds toevoegen, zonder de arrogantie te hebben om alles opnieuw te willen doen. Om alles wat in de loop der eeuwen is bedacht overboord te gooien. Daarom heb ik ook een hekel aan het begrip neo-traditionalisme. Alsof voortbouwen op de traditie een aparte stijl is. Alsof dat niet de plicht is van elke architect en elke stedebouwkundige. Bovendien heeft het spreken over neo-traditionalisme het gevaar in zich dat men alleen maar terugkijkt, nabouwt wat ooit is geweest. Terwijl alleen vooruitgang ons verder brengt.

Het valt me overigens op dat neo-traditionalisme eerder een stijlfiguur is voor de architectuur dan voor de stedebouw. Juist daarom is het zo goed dat Rutte en Abrahamse hun boek Atlas van de verstedelijking in Nederland hebben geschreven. Hier, in deze faculteit. Ik weet niet hoe jullie studieprogramma er tegenwoordig uit ziet. Ik heb wel eens begrepen dat in het eerste jaar bij de modernisten werd begonnen. Het onderwijzersmodernisme. Le Corbusier, Koolhaas, als de nieuwe goden van ons bestaan. Ik ontken hun grootheid niet. Maar wat zou het goed zijn als die grootheden voortaan worden geplaatst in de traditie van de stedebouw en de architectuur. En dat niet alleen het kapelletje in Ronchamps en de Nederlandse ambassade in Berlijn verplichte kost zijn in het eerste jaar, maar ook het boek van Rutte en Abrahams. En laten we dan niet vergeten dat dat kapelletje alleen omdat het solitair op een heuvel staat weinig kwaad kon doen aan de omgeving en dat de Berlijnse Ambassade een groot succes werd omdat de het stadsbestuur stringente traditionele regels stelde aan het herstel van de stad.

Dank u wel

 

[Uitgesproken bij de uitreiking van het eerste exemplaar van de Atlas van de verstedelijking in Nederland van Rutte en Abrahamse, vrijdag 23 mei 2014, faculteit Bouwkunde TU Delft]

De crisis en de omslag in de architectuur

december 29, 2013 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Als er één beroepsgroep het moeilijk heeft gehad in de economische crisis van de laatste jaren zijn het wel de architecten. De bouw kreeg harde klappen. Grote architectenbureaus gingen failliet (Van Egeraat bijvoorbeeld). Veel bureaus werden gehalveerd of zelfs gedecimeerd. En de crisis is nog niet voorbij. De economische groei mag uit de rode cijfers zijn, de woningverkopen mogen weer aantrekken, maar de nieuwbouw zal nog jaren last hebben van de penibele financiële positie van de gemeentelijke grondbedrijven. En van het nieuwe stringente toezicht op de banken. 

Toch gloort er iets. Er gloort een omslag in de Nederlandse architectuur. Toevallig heb ik twee jaarboeken van ‘Architectuur in Nederland’ naast me op mijn bureau liggen. Het meest recente van 2012/2013 en één van drie jaar geleden (2009/2010). Het verbouwde Rijks museum staat op de omslag van het nieuwste jaarboek. Een (modernistisch) moloch van Koen van Velsen op het omslag van het drie jaar oude jaarboek. Het is typerend voor de omslag die het Jaarboek in de laatste jaren heeft doorgemaakt. En wellicht voor de omslag die de Nederlandse architectuur aan het maken is.

Het Jaarboek van 2012/2013 kent een nieuwe redactie. De redactie presenteert zich in de inleiding op een heldere wijze. De redacteuren zijn niet alleen pragmatisch (geen grote verhalen, maar een zoektocht naar de architectuur ‘die de praktijk van 2012 illustreert’). Ze zijn niet op zoek naar iconen, maar naar ‘de verhouding tussen de architectonische opbrengsten, de beschikbare middelen en de opgave’. Ik lees termen als ‘bruikbaarheid’, ‘navigatie’ en ‘solide’. En vooral: het gaat niet om de eerbiedwaardigheid van een monument, maar om ‘de vanzelfsprekende kracht van het ontwerp in de verhouding met het aanwezige stedelijke materiaal’. Ze verafschuwen architectuur als ‘het huidje doen’, en hebben vooral oog voor de context. Architectuur en stedebouw liggen weer in elkaars verlengde. En het gaat niet meer om de  vraag van een risicoloze projectontwikkelaar of van een monomane wethouder, maar om de vraag van de echte klant.

Vervolgens worden dertig voorbeeldige projecten gepresenteerd, met, zoals gezegd, de verbouwing van het Rijks als blikvanger. Ik heb die dertig projecten aan mijn oog voorbij laten gaan en heb geprobeerd elk project met één of twee woorden te vangen. Ik geef toe: het is een subjectieve weergave van een overigens even subjectief proces. Maar ik was wel verrast toen ik aan het einde van het Jaarboek was gekomen. Zo had ik het volgende opgeschreven:

traditie: Amsterdamse school; geborgenheid; warmte; vorm en kil; vernieuwbouw; klooster; zakelijk; traditie; van Groosman naar de menselijke maat; variatie in gevelwand, herstel, van kunststof naar hout; baksteen; Dom van der Laan; robuust; bijna onzichtbaar opgenomen in bestaande gevelwand; onbehandeld larikshout; kil beton; natuur domineert; voormalige kantine; piepschuim; rijk; passend; logische route; iets lelijks in Nieuwegein; goddelijk Rijks; niet meer dan een badkuip; gestileerde schoonheid; charme; zichtlijnen, monumentaal baksteen; basaal, archetype.

Ze staan er nog tussen: de kille, zakelijke gebouwen. Maar voor de rest zijn het zeker  niet de adjectieven voor een modernistische folder die elke verwijzing naar het verleden afdoet als ‘niet-eigentijds’. Er lijkt veel veranderd.

Tien jaar geleden ging het architectuurdebat nog over Super Dutch, over modernisme, over conceptuele architectuur en je mocht nog ongestraft ‘fuck the context’ zeggen. Oké, er waren ook een paar ‘tuinkabouters’ van wie Rob Krier de bekendste was. Een enkeling schreef een boekje over het ‘neo-traditionalisme’. Maar over hen werd met dedain gesproken. Brandevoort was om te lachen, Sjoerd Soeters was een doorgeslagen postmodernist. Het waren allemaal  randverschijnselen, het was geen echte architectuur. De zoektocht naar de traditie was populistisch of zelfs fascistisch. Elke fatsoenlijke architect, elke architect die mee wilde tellen, wist dat wij allen maar één geestelijk vader hadden: Le Corbusier. [Lees het prachtige boek van Bernard Hulsman en Luuk Kramer: Double Dutch.]

Ik wil het gezellig houden: ik zal niet zeggen dat de neo-traditionalisten door de crisis hebben gewonnen. Dat is ook niet waar, hoewel er geen nieuwbouwwijk meer wordt gebouwd zonder die variatie in de gevelwand (waar tegelijkertijd dezelfde casco’s soms wel erg pijnlijk doorheen schijnen). Maar de meeste projecten uit het laatste Jaarboek sluiten wel heel boeiend aan bij of de traditie of de context, en meestal bij beide. Daarbij gaat het niet om ‘terugbouwen maar om verderbouwen op de geschiedenis’ in de woorden van Hans Kollhoff (in een interview dat in het Jaarboek staat afgedrukt). Heeft de architectuur daarmee in de laatste jaren ongemerkt een enorme slag gemaakt?

In dat opzicht is de geschiedenis van het ‘nieuwe’ gebouw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft ook zo illustratief voor wat zich de laatste jaren in snel tempo heeft afgespeeld. Zoals bekend brandde de faculteit in 2008 tot op de grond af. Het gebouw van Van den Broek en Bakema was onherstelbaar verwoest. Een prijsvraag werd uitgeschreven voor nieuwbouw. Eén van de prijswinnaars was architect Gijs Raggers. Hij won volgens het (oude) Jaarboek van 2009/2010 “met een uiterst eenvoudig maar krachtig ontwerp.” Het was een combinatie van de Lijnbaan van Van den Broek en Bakema in Rotterdam en de toren van Oud op het Congresgebouw in Den Haag. Wat spijtig voegde de redactie eraan toe dat het nieuwe  gebouw waarschijnlijk geen werkelijkheid zou worden en dat een tijdelijk gebouw permanent in gebruik zou blijven. Overigens was dit tijdelijke onderkomen ook één van de voorbeeldprojecten van hetzelfde Jaarboek. Maar daarbij ging – kenmerkend voor die tijd – de meeste aandacht uit naar de trap van MVRDV en niet naar het duurzame gebruik van een stijlvol gebouw binnen de stedelijke bebouwing van Delft. Het tijdelijke onderkomen zou even later inderdaad het definitieve onderkomen worden van Bouwkunde in Delft.

Historisch is het verhaal dat minister Ronald Plasterk aanvankelijk geen bijdrage wilde leveren aan dit opkalefateren van een oud gebouw. Hij had, naar ik meen, 30 miljoen in het vooruitzicht gesteld voor een nieuw icoon. Het belang van het statement van vernieuwbouw werd door de minister en zijn ambtenaren aanvankelijk niet onderkend. Ik weet niet zeker of zij daarin alleen stonden. Ik betwijfel zelfs of alle bewoners van het nieuwe gebouw van Bouwkunde inmiddels voldoende beseffen wat hen is overkomen. Hun verhuizing valt immers geheel in lijn met de transformatie van het Jaarboek: van Koen van Velsen naar de restauratie van het Rijks. Van een modernistisch monument naar verderbouwen op de geschiedenis. En let wel dat niet alleen het modernistische gebouw van Van den Broek en Bakema is vervangen door een prachtig bakstenen gebouw uit de eerste helft van de 20e eeuw, maar dat de Delftse architecten zich ook met graagte hebben teruggetrokken uit de schraalheid en de guurheid van de modernistische stedebouw. Ja, hier dient de architectuur vooral de geborgenheid van de mens, in plaats van het ego van de architect. Zouden ze in het Delftse onderwijs nog altijd beginnen met het kapelletje van Le Corbusier in Ronchamps, de woning van Mies van der Rohe in Barcelona en de stoelen van Rietveld? Of zou ook het ‘onderwijzersmodernisme’ met de bijna symbolische brand van de faculteit ten onder zijn gegaan?

Al bouwend poetst Rotterdam zijn monumenten weg

oktober 26, 2013 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Rotterdam blijft fascineren. Die stad is nooit af. Ik heb er lang gewoond en kom er nog graag. En telkens wordt mijn blik weer getrokken door al die bouwputten. Door de energie en de durf waarmee in deze stad nieuwe plannen worden gesmeed. Hoe mooi is het dat daarbij ruim baan wordt gemaakt voor de grote architecten uit de eigen stad. Van de Broek en Bakema ontwierpen hier na de oorlog hun roemruchte Lijnbaan, Maaskant en Van Tijen het Groothandelsgebouw, en al die andere hoopgevende modernistische gebouwen. Wim Quist tekende de nieuwe schouwburg, het Maritiem Museum, het Nedlloyd-gebouw aan de Maas en het Robeco-gebouw aan de Blaak. Hoogstad bouwde het hoofdkantoor van Unilever en een woontoren aan het Weena. Adriaan Geuze ontwierp het Schouwburgplein (sorry, niet erg geslaagd) en de nieuwe markt. Eric van Egeraat bouwde aan InHolland. Rem Koolhaas bouwt nu De Rotterdam op de Wilhelminapier, het nieuwe stadskantoor en straks misschien Forum. En MVRDV metselt al een tijdje aan de nieuwe Markthal bij station Blaak.

Die geest van vernieuwing hoort bij de stad. Sinds de oorlog wordt er geheid in de stad. En sinds de oorlog staan Rotterdammers bij hun bouwputten te kijken. Waar in Amsterdam op bouwwerken wordt gescholden, is een bouwput in Rotterdam het symbool van hoop. Hoop op afronding van de stad. Tegelijkertijd weten we dat die hoop ijdel is. Omdat de stad nooit af zal zijn. Niet in het minst omdat de bouwwoede ook sans rancune ten koste gaat van gebouwen die in het recente verleden het resultaat van diezelfde bouwwoede waren.

Zo was de komst van de Hogesnelheidslijn reden om het oude station te vervangen. Vóór het station moest bovendien de smalle verkeerstunnel worden verbreed. En onder de grond vindt Randstadrail zijn aansluiting op het metronet. Rotterdam Centraal stond dus jaren symbool voor Rotterdam: bouwput, bouwput en nog eens bouwput. Hier wordt een stad gebouwd.

Maar hier wordt ook een stad afgebroken. We zouden namelijk bijna vergeten dat het oude Rotterdam Centraal een prachtig monument was van architect Sybold van Ravesteyn. Het station was een voorbeeld van de wederopbouw. De lichtheid van de grote stationshal, de lichtheid – in ander opzicht – van de perronoverkapping, het had allemaal een grote schoonheid. Natuurlijk, er was inmiddels veel mis aan dat station. Het was te klein, en het is zeker te klein als de HSL ooit een succes gaat worden. Het kon de nieuwe vervoerstromen niet meer aan. Ook het metrostation was te klein en te benauwd. Er was dus alle reden om iets nieuws te bouwen. Iets nieuws dat indrukwekkend is, dat prachtig is, dat meteen het mooiste station van Nederland is. Ja dit keer van een architectenbureau dat niet uit Rotterdam komt: Benthem Crouwel.

Het blijft een pleister op de wonde. De sloop van het prachtige station van Van Ravesteyn doet me nog steeds pijn. Die sloop heeft ook iets Rotterdams in een minder positieve zin: aan het bouwen gaat vaak ondoordacht slopen vooraf. Bouwen staat in Rotterdam vaak gelijk aan ‘helemaal opnieuw beginnen’. En helaas staat Rotterdam hier model voor veel andere steden in Nederland. We hebben weinig geduld met onze steden. De tijd dat we eeuwenlang bouwden aan onze grachtengordels ligt ver lang achter ons. Ook de tijd van het Plan Berlage is echt voorbij. Tegenwoordig straalt stedebouw vooral veel ongeduld uit. We hebben nauwelijks een plan en zijn soepel in onze argumenten.

En ook die manier van werken leidt tot veel schoonheid. Organische groei leidt nu eenmaal vaak tot interessante plekken, ook als er nauwelijks een plan onder ligt. Maar een echte stad wordt wel gekenmerkt door een combinatie van oud én nieuw, door een verzameling van bouwstijlen. Dus het is niet de zucht naar iets nieuws dat me tegenstaat, maar de behoefte om het oude te vernietigen. Denk ook aan de Zwarte Madonna in Den Haag, een bijzonder project van Carel Weeber, dat na vijftien jaar al weer plaats moest maken voor een ander project. Oké, de Zwarte Madonna paste niet in de rijkdom die Den Haag op die plek wilde uitstralen. Maar het was wel een onderdeel van de identiteit van de stad.

Bovendien horen we oog te hebben voor de monumenten die vroegere bestuurders hebben nagelaten. Het station van Van Ravesteyn was een monument. Ik geef toe, het oogde de laatste decennia steeds kleiner, met al dat bouwgeweld in de directe omgeving. Maar toch was het nog steeds van grote schoonheid. Ook het Groot Handelsgebouw van Hugh Maaskant en Wim van Tijen dat ernaast staat, is zijn grootsheid verloren na de komst van Nationale Nederlanden en al die andere prachtige pieken aan het Weena. En wordt nu nog pijnlijker weggedrukt door het nieuwe station. Maar ondanks alles: het hoort daar te staan. Voor de identiteit van de stad én omdat het zo typisch een monument is van de vorige generatie.

En nog iets: het is bijna niemand opgevallen maar in het bouwgeweld in Rotterdam is ook een hele vroege ‘Koolhaas’ ten onder gegaan; een leuke overkapping van het busstation, mooi aansluitend bij de vorm van het station. Ik worstel bij aankomst in Rotterdam dan ook altijd met die ene vraag: waarom wordt in Amsterdam terecht alles gedaan om het station van Pierre Cuypers bij de stationsuitbreiding te laten staan, terwijl in Rotterdam anderhalf monument achteloos is weggepoetst?

Mijn plek in de stad: heimwee naar Rotterdam

oktober 16, 2013 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Mijn plek in de stad bestaat niet meer. En mijn stad is mijn stad niet meer. Laat ik met het laatste beginnen. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat die in hun leven al meerdere steden hebben bewoond, velen delen die ervaring, maar mijn huidige woonplaats is nooit ‘mijn stad’ geworden. Achtereenvolgens heb ik gewoond in Meppel, Groningen, Leiden, Rotterdam en Den Haag, maar Rotterdam springt er ver boven uit. Als ik er kom, kom ik thuis, in mijn stad. Daarmee is niets ten nadele van de andere steden gezegd. In Den Haag woon ik objectief gezien geweldig; dicht bij de duinen, dicht bij het station, dicht bij snelwegen, mooi huis, mooie tuin (gesloten bouwblok!). Maar mijn gevoel ligt nog steeds in Rotterdam. En de stad waar ik woon, is mijn stad dus niet meer.

Mensen die nimmer in Rotterdam hebben gewoond, kunnen zich mijn liefde voor Rotterdam soms maar moeilijk voorstellen. Zij menen dat Rotterdam een kale en kille stad is met weinig beschutting. Anderen weten dat Rotterdam een arme stad is met relatief veel werkloosheid. Maar ik ken de dynamiek van die stad. Ik weet hoe die stad 24 uur per dag leeft, en ik weet hoe rauw de Rotterdamse dynamiek kan zijn. Hoe onopgesmukt de cultuur en de kunst. Dat veel grote architectenbureaus  in Rotterdam zijn gevestigd. En ik ken de daadkracht van de stad. Hoe het bestuur en de bewoners van Rotterdam zonder te versagen proberen de stad te vernieuwen en de uitstraling van een werkelijk grote stad te geven. Dit uit zich in een eindeloze rij plannen, die ook bijna allemaal worden gerealiseerd. In de tijd dat ik in Rotterdam woonde, zijn de Boompjes ontwikkeld, met het Nedlloyd-gebouw van Quist; is het Weena ontwikkeld, met de kantoren van onder anderen Bonnema en Hoogstad; is het museumkwartier ontwikkeld, met het prachtige architectuurinstituut van Jo Coenen en de uitbreiding van het Boymans van Hubert-Jan Henket, is het Schouwburgplein door Quist, Van Velzen en Geuze omgetoverd en zijn de eerste plannen ontwikkeld voor de Kop van Zuid. Ik geef het toe: vaak vallen met name de economische resultaten tegen. De Boompjes zijn nooit een levende boulevard geworden ondanks het prachtige paviljoen van Mecanoo. Hetzelfde moet van het Weena worden gezegd, waar de dependance van het Boymans al snel weer werd gesloten. Op het Weena wordt niet geflaneerd, niet gewinkeld; er wordt alleen (snel) verplaatst. Ook de Kop van Zuid heeft nog niet de economische impuls gegeven aan Rotterdam die de stad zo node mist. De ‘Koopgoot’ vormt in dit verband een positieve uitzondering. Niet getreurd: Rotterdam zal nieuwe plannen blijven maken tot de stad niet meer ‘de verkeerde lijstjes aanvoert’, zoals oud-burgemeester Ivo Opstelten altijd zei.

En mijn plek in mijn stad bestaat niet meer. Mijn lievelingsplek in Rotterdam bevond zich op de oevers van de Maas. Op het hoekje van het oorlogsmonument, dat een aantal jaren in de zomer tot strand werd omgetoverd. Ook de Spido heeft daar een tijdje zijn afvaarten gehad. Wie hier in zuidwestelijke richting kijkt, ziet de prachtige brug van Van Berkel, in de volksmond: ‘de Zwaan’, afsteken tegen de lucht. Het blijft een indrukwekkend ontwerp, het is een fenomenaal logo voor de stad. Het getuigde van grote wijsheid van de gemeenteraad om indertijd een meerprijs van 30 miljoen gulden voor de brug te betalen om dit ontwerp mogelijk te maken. De twee zwarte ‘wachters’ van Wiel Arets hebben de brug in mijn beleving nog mooier gemaakt. Overigens schijnt dit, zelfs in Rotterdam, een afwijkend standpunt te zijn. Toch ontneemt de brug me het uitzicht dat ik vroeger op deze plek had. Zonder Erasmusbrug was het uitzicht vrij. En de overkant was veel verder weg. De Nieuwe Maas stroomde voor je voeten in de richting van de zee. En heel vaak vervloeiden lucht en water aan de horizon. In het ochtendlicht was het prachtig, maar ook in de herfst en in de winter als het een beetje mistig was. Of die keer, het zal in 1986 zijn geweest, toen de rivier eindeloze brokken ijs meevoerde. Het zachte geklots van de rivier aan je voeten maakte altijd deel uit van het uitzicht. En altijd was het licht weer anders. Hoe mooi die Erasmusbrug ook is, hij heeft mij dit uitzicht ontnomen. En dat niet alleen. De waarschuwing van publicist Herman Moscoviter is uitgekomen. De brug heeft de rivier klein gemaakt. Door de hoogte van de brug is de rivier gedegradeerd tot een klein stroompje. De overkant is akelig dichtbij, de mist lijkt voor eeuwig opgetrokken. Rivier en lucht vervloeien niet meer aan de einder. En de rivier stroomt niet meer naar de zee. De rivier stroomt voor goed onder een brug door.

De #architect is geen kunstenaar

september 17, 2013 by  
Filed under Architectuur/stedebouw

Hoe mooi kan het toeval zijn. Terwijl ik net een paar interessante studies over de Nederlandse groeikernen heb gelezen, stuit ik op een prachtige citaat van Aldo Rossi: ‘Architectuur verschilt fundamenteel van iedere kunst en wetenschap omdat ze concreet vorm geeft aan de maatschappij, en hiermee ten nauwste verweven is.’ Zie pagina 13 van zijn klassieker ‘De architectuur van de stad’.

Het was de blijdschap van de jaren 60. Rossi was zich ervan bewust dat architecten het resultaat van hun creativiteit niet zien verwelken in de depots van een museum. Hun werk zou hoe dan ook invloed hebben op de samenleving. Hoe mensen wonen, werken en leven, ligt in de handen van de architect. Het is het enige kunstwerk waarvan de mens werkelijk deel uitmaakt.

Maar de medaille heeft ook een schaduwzijde. Naarmate de architect meer zijn eigen weg kiest, heeft de burger minder te zeggen. En naarmate de architect origineler is in zijn ontwerp, des te minder ruimte is er voor de historie van de plek en de historische bouwprincipes.

Dat is precies wat er gebeurt in de groeikernen. Vanaf de tijd van Rossi zijn er hele nieuwe steden in Nederland verrezen, waar ooit een klein dorpje stond of waar ooit slechts het water kabbelde. Zoetermeer, Spijkenisse, Purmerend, Hoofddorp, Nieuwegein, Lelystad, Almere. Iedereen kent ze. En ze vechten allemaal tegen hun niet brandschone imago. Hier hebben de architecten van Rossi hun steden gebouwd. Ze deden dat volgens een recent boek van Pantus inderdaad ‘strikt authentiek’. Dat ‘strikt authentiek’ betekent overigens wel dat heftig de eigen modes zijn gevolgd. Eerst op veel plaatsen de Bijlmerflats van het functionalisme, later overal de ‘nieuwe truttigheid’ en de bloemkoolwijken. Altijd met de beste bedoelingen voor de bewoners, maar zonder de bewoners een woord te vragen. Woningnood doet de rest.

Stedebouwkundig zijn de groeikernen daarom razend interessant. Nergens zijn de bouwstijlen zo onverdund te bewonderen. Maar ook nergens is er zo’n ratjetoe aan stijlen ontstaan, omdat de stedebouwkundige modes elkaar zo snel opvolgden. En nergens is de eenvormigheid ook zo groot en lijken alle winkelcentra schijnbaar zo op elkaar. De reden is hard en simpel: de architect is niet dienstbaar geweest aan de plek, aan de historie en daarmee aan de bewoners. Alle stedebouwkundige principes van onze eeuwenoude steden lijken overboord te zijn gegooid. En in dat opzicht zijn ze wel uniek. Nergens lijkt het modernisme zo te hebben toegeslagen als in Nederland. Calvinisten als we zijn, moest de kelk van het modernisme tot op de bodem worden leeggedronken.

Rossi heeft gelijk. De architect is de enige kunstenaar die concreet vormgeeft aan de maatschappij. Je kan het ook omdraaien. De architect is de enige kunstenaar die zich dienstbaar dient op te stellen.

 

[Verschijnt als blog op de website van Bouwend Nederland]