Het gezag van de @Gezondheidsraad vervliegt snel

april 21, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Één ding is zeker: niet iedereen komt ongeschonden uit de coronacrisis. Ik ben bang dat dat ook voor de Gezondheidsraad geldt. De Gezondheidsraad is lange tijd een zeer gerespecteerde adviesraad geweest in Den Haag. Maar helaas is in de coronacrisis niet helemaal duidelijk geworden waarop dat respect gebaseerd was. Door de dominante positie van het RIVM en het OMT in de advisering van het kabinet is de Gezondheidsraad vanaf het begin naar de zijlijn verdreven. Bovendien ondervond de Raad de concurrentie van de EMA, de Europese dienst die wel of geen goedkeuring aan vaccins verleent. En op die zijlijn heeft de Raad niet altijd even handig geopereerd. 

Het kabinet verzocht de Gezondheidsraad al vroeg in de crisis om te adviseren over de  de beste vaccinatie-strategie voor het geval het eerste vaccin zou zijn goedgekeurd. Het duurde vele maanden voordat de Gezondheidsraad met een advies kwam. Bij dat advies werd de zwakte van de Gezondheidsraad al meteen duidelijk. De Raad opperde een aantal strategieën en koos vervolgens zonder verdere motivatie voor één van die strategieën: het vaccineren zou erop gericht moeten zijn om zoveel mogelijk mensenlevens te redden. Een hele plausibele strategie maar het snel vaccineren van alle vitale beroepen was ook heel goed te verdedigen geweest. In zijn advies ging de Raad er gemakshalve aan voorbij dat je ook mensenlevens redt door een gedegen sociaal beleid. Het was echt een advies vanuit het ziekenhuis, hetgeen je deze club van verstandige artsen overigens niet meteen kwalijk mag nemen. 

Daarna werd de Gezondheidsraad nogal eens ingeschakeld om tijd te winnen. Zodat de minister een pijnlijke beslissing nog even voor zich uit kon schuiven. Of om het werk van de EMA nog eens over te doen, op voorhand een onbegonnen zaak. Daarbij opereerde de Gezondheidsraad vaak weinig overtuigend. Zo werd geadviseerd om het AstraZeneca-vaccin niet meer te gebruiken voor mensen beneden de 60 jaar. Dat had veel schrikreacties bij mensen boven de grens van 60 tot gevolg. Men had ook kunnen zeggen dat het bij de verdeling van de vaccins het beste zou zijn om AstraZeneca en Pfizer te geven aan mensen boven de 60, en Jansen daaronder. Dat had veel onrust voorkomen. 

Zo dringt zich de vraag op of het kabinet in het afgelopen jaar minder af zou zijn geweest als er geen Gezondheidsraad was geweest? Ook zonder antwoord te geven op die vraag is duidelijk dat bij de ‘oude’ Gezondheidsraad die vraag nooit zou zijn gesteld. Overigens is het wel zo eerlijk om te melden dat de Gezondheidsraad in het afgelopen jaar is opgelopen tegen de dilemma’s waarmee alle adviesorganen te dealen hebben. Te denken valt aan de volgende dilemma’s: 

  • Adviesorganen als de Gezondheidsraad geven advies op basis van de deskundigheid van de leden. Maar het kennen van de feiten en van het veld is niet voldoende om een advies te kunnen geven aan de minister. Elk advies vergt een politieke afweging, een afweging op basis van normen en waarden. En bij adviesorganen heb je plat gezegd niet meer dan de normen en waarden van de leden. Het is zeker in een crisis de vraag of de samenleving op deze persoonlijke afweging van een aantal experts zit te wachten. Ja, de minister kan zich achter een advies verschuilen, als hem dat goed uitkomt. Maar hij kan er even gemakkelijk van afwijken als hij zelf een andere politieke afweging maakt. 
  • Adviesorganen lijken zich niet altijd bewust te zijn van dit dilemma. En dat geldt zeker voor een adviesorgaan dat is samengesteld uit ‘dokters’. Dokters hebben geleerd om de patiënt te vertellen wat goed voor hem of haar is. Ik kan me goed voorstellen dat deze beroepsgroep meer moeite heeft om zich te realiseren dat een advies altijd een afweging is op basis van eigen waarden en normen. 
  • De Gezondheidsraad heeft een structuur die dit probleem alleen maar versterkt. Hoewel we bij een adviesraad gemakkelijk denken aan een raad bestaande uit een voorzitter en een aantal leden, die gezamenlijk alle adviezen formuleren, is dat bij de Gezondheidsraad niet het geval. De Gezondheidsraad bestaat uit een voorzitter, een 20-tal secretarissen en een kaartenbak van deskundigen. Als er een adviesvraag komt nodigt de voorzitter een drietal of een viertal leden uit de kaartenbak uit, om een advies uit te brengen. Hoewel vaak geprobeerd wordt om dat advies nog wat bij te sturen, heeft de commissie uiteindelijk het laatste woord. De wet verplicht de voorzitter om het advies van de commissie naar de Minister te sturen. Je kan je voorstellen dat een permanente adviesraad gaandeweg leert dat expertise op zich onvoldoende is voor een advies en dat er altijd een politieke afweging moet plaatsvinden. Je kan je ook voorstellen dat zo’n ad-hoc-commissie helemaal niet de ervaring kan opdoen om dat dilemma te doorgronden. Nog afgezien van het feit dat de ene commissie andere politieke afwegingen zal maken dan de ander.
  • Tot slot gaat het bij adviezen van de Gezondheidsraad niet alleen om expertise en normatieve afwegingen. Het gaat ook om het besef dat in Den Haag niet alleen inhoudelijke rationaliteit, maar ook politieke rationaliteit een grote rol speelt. Bijvoorbeeld het besef dat een advies van de Raad in de media een heel ander gewicht kan krijgen dan ermee is beoogd (AstraZeneca niet gebruiken onder 60!). Of het besef dat van elk advies elke avond aan de tafel van Op1 gehakt kan worden gemaakt. En juist dan is het werken met ad-hoc-commissies uiterst kwetsbaar. Die mensen hebben bij wijze van spreken niet eens tijd om hun witte jas uit te doen, en denken misschien al snel dat het genoeg is om gelijk te hebben. In Den Haag weet men over het algemeen dat gelijk krijgen belangrijker is. 

Deemoed past ambtelijk Den Haag

april 16, 2021 by  
Filed under artikel, Voorpagina

De Secretarissen-Generaal waarschuwen voor departementale herindeling. Dat hebben ze in een brief aan informatie Herman Tjeenk Willink laten weten. De brief verbaast. Al is die waarschuwing tegen een departementale herindeling heel terecht. 

Het is ene bekend thema bij kabinetsformaties: een andere indeling van de departementen. Nu is er weer een politieke meerderheid voor de heroprichting van het Ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer). De SG’s hebben dat dus liever niet. 

En inderdaad: de SG’s hebben een punt. Elke verandering van de indeling van de departementen kost veel tijd en veel geld. Met het gesleep met stoelen en het overplaatsen van ambtenaren ben je zo een jaar kwijt, voordat je aan nieuw beleid kan beginnen. Dat is niet efficiënt. Bovendien: wat bereik je ermee als je de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderbrengt binnen één departement. De eerste twee vormen nu al samen één directoraat-generaal, binnen het ministerie van BZK. Ze  zijn nog nooit zo dicht bij elkaar geweest. Het enige probleem is: dit kabinet heeft geen ambitie en visie als het om de woningmarkt gaat. 

En er is nog een probleem: er is geen afzonderlijke minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Er is zelfs niet eens een staatssecretaris voor. Ollongren doet het er allemaal bij. Als je in Den Haag echt iets te zeggen wil hebben, heb je een eigen minister nodig die op elke vrijdag aanschuift bij de Ministerraad. 

Een klein voorbeeld: in 2010 werd VROM opgeheven en werd milieubeheer ondergebracht bij Verkeer en Waterstaat. Het nieuwe departement voerde al in zijn eerste maanden de 130 km/uur op de snelwegen in. Bij de voorbereiding van dit besluit werd het directoraat-generaal voor Milieu geheel gepasseerd en het milieu geheel genegeerd. Dat was onmogelijk geweest als Milieu nog een eigen minister had gehad. 

Maar voor de rest gaat de argumentatie van de SG’s redelijk mank. Ze vinden een herindeling van departementen vooral niet nodig omdat de departementen onder hun leiding al zo goed samenwerken. Dat lijkt me bezijden de waarheid. Laat duidelijk zijn: ik heb er helemaal geen bezwaar tegen als departementen elkaar bestrijden, ze strijden immers voor verschillende maatschappelijke belangen. Maar het is wereldvreemd om te doen alsof dat niet zo is. 

Maar mijn verbazing betreft vooral de toon van de boodschap. De SG’s steken niet alleen een stokje voor een nieuwe departementale indeling, ze waarschuwen de Kamer ook voor te veel nieuwe wetgeving. Bijvoorbeeld als reactie op de Toeslagen-affaire. Alsof de ambtelijke dienst momenteel goed functioneert en de SG’s het allemaal onder controle hebben. Alsof er geen Toeslagen-affaire is geweest, waarbij niet de minister eindeloos teksten heeft witgelakt, maar zijn ambtenaren. Alsof dat befaamde rapport van de juriste van de Belastingdienst niet door ambtenaren onder de pet is gehouden. Alsof er geen commissie-Van Aartsen is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis bij het toezicht op de uitvoering van de milieuwetgeving. Alsof er geen commissie-Bosman is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis is bij de uitvoering van het beleid. Alsof er niet permanent gedoe is bij de IND. Alsof het ambtelijk allemaal in orde was bij het jarenlange drama van de aardbevingen in Groningen. Alsof topambtenaren niet veel te veel bezig zijn met het uit de wind houden van de eigen minister. Alsof het niet goed zou zijn om de rol van de ambtenaar in de komende jaren opnieuw te definiëren.

Natuurlijk, uiteindelijk zijn de ministers formeel verantwoordelijk. Maar het zou niet verkeerd zijn om de SG’s eens aan te spreken op het functioneren van de ambtelijke dienst. En op zijn minst zou enige deemoed de dames en heren SG’s niet misstaan nu er de laatste jaren zoveel is misgegaan. Of zouden ze zich van dat laatste nog niet bewust zijn?

Vaccineren: het is tijd voor de kapper-strategie

april 13, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

In Engeland gaan de eerste pubs weer open. Er is een goede reden: het aantal besmettingen is in het Verenigd Koninkrijk in de laatste maand drastisch gedaald. Ze hebben daar per dag nog ongeveer 2000 positieve tests (op 65 miljoen inwoners). Hier hebben we er 7000 (op 17 miljoen inwoners). En de oorzaak is een hele simpele: in het VK wordt in hoog tempo gevaccineerd en ons lukt het maar niet om vaart te maken. Het is tenenkrommend.

Wat is de oorzaak van dat trage vaccinatieprogramma? Simpel: we zijn niet in staat om boven onszelf uit te stijgen. Zelfs nu niet. We zijn een tot op het bod gedecentraliseerd land, waar velen weigeren om ook maar één millimeter van hun bevoegdheden conform artikel 12, lid 4 af te staan. En zo kan het gebeuren dat we een perfecte gezondheidszorg hebben en dat we toch niet in staat zijn om die vaccins snel in die bovenarmen te krijgen. Andere landen tuigen meteen een adequate organisatie op, centraal aangestuurd. En die organisatie gaat prikken, tot ze erbij neervalt. Bij ons zijn de huisartsen, die hun griepvaccinatie jaarlijks voortreffelijk uitvoeren, grotendeels buitenspel gezet. Maar er is in feite niets voor in de plaats gekomen. Ja, de GGD, waarop al jaren zoveel is bezuinigd dat het ook een half jaar heeft gevergd voordat ze het testen een beetje op orde hadden. En ik vrees dat het in deze wereld van-op-je-eigen-rechten-staan, niet veel uitmaakt wie minister van Volksgezondheid is. Iemand met meer gezag dan Hugo de Jonge was ook kapot gelopen op dit eilandenrijk. 

In Nederland hebben we niet alleen moeite om macht af te staan (zie die grote en kleine burgemeesters elke week weer sputteren tegen de oekazes uit Den Haag), we hebben ook allemaal een mening. In goede tijden noemen we dat “polderen”. Wim Kok mocht ooit Bill Clinton de voordelen daarvan nog eens uitleggen. Maar polderen is dramatisch als je een samenleving wil vaccineren. Dan verdwijnt elke nieuwe strategie na 2 incidenten weer uit het zicht. De Gezondheidsraad speelt in dit spel een pijnlijke hoofdrol. Aan het einde van 2020 kwamen ze na maanden vergaderen melden dat er voor het vaccineren verschillende strategieën denkbaar waren. Ze waren zelf, zonder enige motivatie voorstander van de strategie waarbij de meeste levensjaren werden gered. Helemaal geen gekke gedachte. Maar daarna kwamen Gommers en Kuipers eisen dat hun verpleegkundigen het heel zwaar hadden en dus ook recht hadden op een prik. Dat gold eerst voor verpleegkundigen die in aanraking kwamen met COVID-patiënten. Deze week gold het plotseling ook voor de andere medewerkers van de ziekenhuizen. Inmiddels is aan de hele vaccinatiestrategie geen touw meer vast te knopen. 

Een dramatisch hoogtepunt bereikten we met het advies van de Gezondheidsraad van deze week om het vaccin van AstraZeneca voortaan alleen aan 60+-ers te geven. Omdat het niet veilig zou zijn voor de mensen onder de 60. Dokters moeten weten dat elk vaccin bijwerkingen kent. Je grijpt niet voor niets in op het immuunsysteem van mensen met die prikken. En niet vaccineren heeft veel grotere nadelen. Het ergste is dat inmiddels veel 60+-ers denken dat ze een groot risico lopen met dat vaccin van AstraZeneca. Huisartsen klagen dat op sommige plaatsen 40% van de opgeroepen 60+-ers wegblijven. Terwijl de Gezondheidsraad simpel alleen had moeten zeggen welke mensen wel een AstraZeneca-vaccin hadden moeten krijgen. En dat advies hadden ze moeten deponeren bij de mensen die prikken en niet bij een afdeling Communicatie die dacht te kunnen schitteren. Ho maar. 

Helaas staat de Gezondheidsraad voor iets groters: we weten het allemaal beter. En het kabinet drijft stuurloos rond op al die ongevraagde meningen. 

Het wordt tijd om elke strategie los te laten. Organiseer waar het maar kan een prikpoli. In sportzalen, in scholen. Zeg maar: in elk stembureau. Prik iedereen die geprikt wil worden. En laat mensen die zeker willen zijn van een prik van te voren een afspraak maken. Alle anderen moeten misschien wat langer wachten. Je kan dat de kappers-strategie noemen: “we knippen ook zonder afspraak”. Zal je zien hoeveel prikken dan elke week worden gezet. 

Dom Hans van der Laan: architectuur is een vak

april 5, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

We waren toevallig toch in de buurt. Een mooie gelegenheid om nog eens aan te bellen. Jaren geleden bezocht ik de nieuwbouw van de Abdij Sint-Benedictusberg van architect Dom Hans van der Laan. In het gehucht Mamelis bij Vaals. Er was niets veranderd, zoals er in kloosters vaak in decennia niets verandert. Maar ook aan mijn mening was niets veranderd en aan mijn gevoel al evenmin.

Dom Hans van der Laan was architect en abt van het klooster in Mamelis in de tweede helft van de vorige eeuw. Maar hij was ook de grondlegger van de ‘Bossche School’ in de architectuur. Jan de Jong is een andere bekende naam uit deze school. Ik heb geen architect, ik ben geen bouwkundige. Ik kan me wel voorstellen dat bouwkundigen veel moeite hebben om het werk van Dom Hans van der Laan te plaatsen. De Bossche School bouwde veel kerken en kloosters, maar ook veel huizen, vooral in het Zuiden van het land. Wie de school opzoekt op internet struikelt over het woord ‘traditioneel’. Maar als ik mijn gevoel moet omschrijven als ik de kapel in Mamelis betreed, heb ik niets aan het woord ‘traditioneel’. Dit gaat veel dieper.

Dom Hans van der Laan heeft een groot deel van zijn leven gewijd aan een zoektocht naar het plastisch getal. In mijn eigen woorden: een zoektocht naar de oervorm van de architectuur. Of beter: naar de oerverhoudingen in de architectuur. Het plastisch getal wordt wel omschreven als ‘het evenwichtig samengaan der maten, zowel in de delen als in het geheel van het gebouw’. Van der Laan vroeg zich af: wat zijn de natuurlijke, vanzelfsprekende verhoudingen van een zaal, van een deur, van een raam. Hoe breed moeten de muren tussen de ramen zijn. Hoeveel ramen in een kerk voelen ‘natuurlijk’ aan. 

Er zijn prachtige boeken over de ideale verhoudingen geschreven. Er zijn prachtige boeken over de kapel van Dom Hans van der Laan in Mamelis geschreven. Soms lijken het ondoorgrondelijke formules. Maar als je in die kapel staat, in die gewijde ruimte, dan voel je dat die maten kloppen. Dat elke verhouding klopt. Dat die 5 ramen langs de smalle kant van de kapel alleen maar beantwoord kunnen worden door 12 even grote ramen aan de lange kant van de kapel. Hier voel je wat goede architectuur is. Geen grote woorden, geen vage spinsels, maar gewoon gevoel. 

Als je die kapel in Mamelis beleeft dringt het besef tot je door: architectuur is een vak. Bij een architect hoort de eerste vraag niet te zijn tot welke stroming hij of zij behoort, maar of hij of zij het vak verstaat. Uiteindelijk is niet relevant of hij of zij een traditionalist, een modernist of een post-modernist is. Voorop staat de vraag hij of zij een goede architect is. Iemand die mensen geborgenheid kan bieden door uit te gaan van de juiste verhoudingen. Daarna komt de vraag naar de stroming die de architect zou (willen) vertegenwoordigen.

Maar moeten we Dom Van der Laan dan als een traditionalist zien, omdat de Bossche School op internet als een school van traditionalistische architecten wordt omschreven? Als ik me opgenomen voel in de ruimte van de kapel in Mamelis zijn termen als Romaans en modern voor mij meer terzake. Die combinatie is niet verrassend omdat in beide stromingen het zoeken naar de essentie centraal stond. Versieringen komen je in Romaanse kerken en in modernistische woonhuizen weinig tegen. 

Toch vermoed ik dat Dom Van der Laan deze discussie zinloos zou hebben gevonden. Juist omdat het hem om de essentie van het bouwen ging. Om de onderlinge verhoudingen van de maten. In dat opzicht laat Dom Van der Laan zich niet plaatsen. Hij is vooral tijdloos. En een mooier compliment kan een architect eigenlijk niet krijgen. 

De geloofwaardigheid van Kaag versus de trouw aan Rutte

april 4, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Als je van politiek houdt en zeker als je aan politiek verslaafd bent, was het Verkennings-debat van afgelopen donderdag een hoogtepunt in een lifetime. Twee weken na de verkiezingen werd Mark Rutte alsnog afgestraft voor al zijn gerommel, geritsel en geheugenverlies. Hij had zijn hand overspeeld door al in een vroeg stadium van de formatie te proberen om Pieter Omtzigt uit te schakelen. En vervolgens loog hij iets te geforceerd over zijn inbreng. Dat Jorritsma en Ollongren in commissie mee-logen maakte het allemaal niet beter. Het was prachtig om te zien dat de hele dierentuin uit zijn kooien brak om die irritante oppasser samen te grazen te nemen.

Er restte aan het einde van de nacht nog een schamele steun. Zijn coalitiepartijen steunden geen motie van wantrouwen tegen Mark Rutte maar ‘slechts’ een motie van afkeuring. Die laatste motie werd door Sigrid Kaag in perspectief geplaatst. Zijn zou zelf in zo’n geval zeker aftreden, maar “ze was een ander mens”. Daarmee was haar standpunt duidelijk: Rutte hoefde nog niet af te treden als demissionair minister-president, maar zijn volgende kabinet kon hij gevoeglijk vergeten. Ruim een dag later sprak Segers onomwonden uit dat hij niet deel zou nemen aan een vierde kabinet-Rutte.

Daarmee verloor dat beoogde kabinet nu al een meerderheid. En het valt niet te verwachten dat Kaag na de gevraagde tijd voor reflectie tot een ander standpunt komt dan Segers. Beter gezegd: Segers dwingt haar om ook partij te kiezen. Kaag zou al haar geloofwaardigheid verliezen als ze nu alsnog een vierde kabinet-Rutte zou steunen.En ook Hoekstra lijkt onvoldoende warme gevoelens voor Rutte te koesteren. Het einde van Mark Rutte als minister-president is erg nabij. 

Dat hoeft niet te verbazen. Het einde van politieke leiders gaat altijd gepaard met nonchalance en zelfoverschatting. Of persoonlijke gekwetstheid.Tien jaar op een apenrots verandert het gedrag van mensen en vooral hun vermogen om zichzelf nog in het juiste perspectief te zien. Het controleren van het politieke spel verliest zijn terughoudendheid. Het gevoel van onmisbaarheid gaat te veel overheersen. Simpel gezegd: juist door te denken dat hij nu eindelijk alles in zijn greep heeft, verliest de leider zijn greep op de macht. Dat gaat altijd geleidelijk, maar dat geleidelijke proces is niet altijd voor iedereen zichtbaar. En zo kwam het einde van Rutte voor velen misschien toch nog tamelijk onverwachts. 

En nu verkeren we in een impasse. Na de stap van Segers kan Kaag Rutte niet meer aan zijn vierde kabinet helpen. En na hun motie van wantrouwen geldt dat nog sterker voor andere potentiële regeringspartijen als PvdA, GroenLinks en SP. En zoals gezegd: waarom zou Hoekstra Rutte wel helpen terwijl hij al moeite genoeg heeft om Pieter Omtzigt binnenboord te houden.

Tegelijkertijd scharen de paladijnen zich allemaal om Rutte. Zijn eigen fractie heeft haar steun uitgesproken in haar leider, maar laten we niet vergeten dat deze fractie na tien jaar almacht van Rutte geheel bestaat uit mensen die hun loopbaan aan de grote leider te danken hebben.

De impasse laat zich dan ook simpel beschrijven. De meerderheid in de Kamer wil af van Rutte. Omdat ze de overwinning van de VVD bij de verkiezingen respecteren zullen ze opteren voor een andere minister-president van VVD-huize. Rutte en zijn paladijnen zien het liefste dat Rutte op die plek blijft zitten. 

Deze impasse vraagt vooral veel tijd (tenzij Rutte zelf op korte termijn inziet dat de strijd verloren is). Die impasse is pas doorbroken als D66 en ChristenUnie en enkele andere partijen inboeten op hun geloofwaardigheid. Of wanneer de paladijnen van de VVD hun leider langzaam loslaten. Ik gok op dit moment op het laatste. 

#Milieuvergunningen en gebroddel bij de overheid

april 1, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Er is nog een toeslagen-affaire. Maar hij krijgt nog weinig publiciteit. 

Je hoort wel eens van grafiet en Tata Steel, of over het storten van granuliet in een natuurplas bij de Maas of over de opslag van blusschuim in Doetinchem. Je vraagt je misschien wel eens af of het hier slechts om incidenten gaat. Wellicht is er wel een perfect systeem van vergunningverlening en handhaving en zijn de genoemde incidenten slechts de uitzonderingen op de regel. Helaas is dat niet het geval.

Zo blijkt uit een mooi rapport van een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen dat begin maart verscheen. De commissie heeft zelf weinig onderzoek gedaan. De commissie heeft vooral helder op een rij gezet wat insiders allemaal al weten. En dat is schokkend. Vooral omdat inmiddels geheel onduidelijk is wie bij de uitvoering van de milieuwetgeving verantwoordelijk is voor wat. Vroeger waren de provincies en de gemeenten verantwoordelijk. Dat gaf veel ‘fragmentatie’ omdat iedereen het op zijn eigen manier deed. Om die reden werden de ‘omgevingsdiensten’ in het leven geroepen, samenwerkingsverbanden van gemeenten en provincies. Op advies van een commissie-Mans uit 2008. Maar verantwoordelijkheidsverdeling is overal weer anders. Daarom zijn soms de omgevingsdiensten en soms de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor de vergunningverlening in het kader van de milieuwetgeving. En vaak geen van beide.

Natuurlijk kan dit ratjetoe aan verantwoordelijkheden niet zonder gevolgen blijven. Ik citeer uit het rapport Van Aartsen: “De ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport, wd) heeft in haar risicoanalyse voor 2020 aangegeven dat zij de maatschappelijke schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan de meest risicovolle bedrijven door provincies op ongeveer 220 miljoen euro per jaar schat. Schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan andere bedrijven of door gemeenten is niet gekwantificeerd. Gezien het grote aantal bedrijven is het aannemelijk dat het in potentie om een veel grotere jaarlijkse, maatschappelijke schade gaat.” Dit gaat alleen om onjuiste verlening van vergunningen! Ik mag aannemen dat er ook nog heel wat bedrijven zijn die zich niet of niet geheel houden aan de vergunning die ze hebben gekregen. Er is dus heel veel milieu-schade en gezondheidsschade door gebroddel bij de overheid. 

Toezicht bij de overheid 

In feite gaat het hier om falend toezicht. Dat toezicht hapert op twee niveaus: bij het toezicht (door de omgevingsdiensten) op de bedrijven die milieuschade kunnen veroorzaken en bij het toezicht op de vergunningverlener (de omgevingsdiensten). Nu eens toezicht geen onbekend onderwerp bij de overheid. Met name omdat er vaak veel misgaat bij toezicht. Laten we eens verkennen wat er mis kan gaan. 

Het begint ermee dat de toezichthouders onvoldoende weten waarop ze moeten letten. Dat klinkt vreemd, omdat je toch zou verwachten dat de toezichthouder let op granuliet of grafiet. Of op de verleende vergunningen van de omgevingsdiensten. Je zou dus verwachten dat toezicht zich richt op de prestaties: wat stoot een bedrijf uit of welke vergunningen zijn door een omgevingsdienst verleend. Maar het toezicht kan zich ook richten op ‘processen’, bijvoorbeeld op afspraken met bedrijven, of op de financiën van de omgevingsdiensten. En in de praktijk zien we dat vooral bij incidenten het toezicht actief wordt.  

De cruciale vraag is: waarop moet je bij toezicht nu letten: op incidenten, op processen of op prestaties? Mijn stelling luidt dat bij toezicht bij de overheid de meeste aandacht uitgaat naar incidenten en de minste naar prestaties. En dat het net andersom moeten zijn. Je wilt als overheid toch gewoon weten wat dat bedrijf werkelijk uitstoot. En als je de vergunningverlening aan een ‘omgevingsdienst’ uit handen geeft wil je toch gewoon weten of die omgevingsdienst de goede vergunningen verleent. Toezicht moet dus zich primair richten op prestaties, secundair op processen en als dat goed gebeurt zullen incidenten nog slechts sporadisch voorkomen. Bij de overheid is echter vaak sprake van een omgekeerde wereld. 

Zo krijgen incidenten bij toezicht vaak veel aandacht, omdat juist daar politieke schade wordt gevreesd. Een paar jaar geleden kon ik dat van dichtbij ervaren. Ik zat een commissie voor die het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (RDW etc.) van het toenmalige Ministerie van IenM moest onderzoeken. We stelden vast dat toezicht pas gewicht kreeg als er incidenten waren. Om die simpele reden dat de Minister er vooral geen problemen van moest krijgen. 

Ook toezicht op processen krijgt vaak ten onrechte de voorkeur boven toezicht op prestaties. We maken liever afspraken met bedrijven over kwaliteitsborging en over zelfsturing dan dat we keihard zeggen wat wel en niet mag en daarop ook adequaat handhaven. Van Aartsen stelt vast dat de besturen van omgevingsdiensten toezicht houden op de financiën van de omgevingsdiensten maar niet op hun prestaties. Hij stelt ook vast dat het verticaal toezicht vanuit provincie tekort schiet omdat het gericht is op processen, niet op inhoud (is er een uitvoeringsprogramma, is er een evaluatie van het uitvoeringsprogramma?). Die voorkeur voor toezicht op processen in plaats van toezicht op prestaties is bureaucratisch gezien begrijpelijk: in een bureaucratie is de voorliefde voor afvinken nu eenmaal altijd veel groter dan de behoefte om een oordeel uit te spreken. Maar dat kan niet de werkelijke reden zijn.  

Diepere oorzaken

De vraag is wat gaat er fundamenteel schuil achter die voorkeur voor toezicht op processen boven toezicht op prestaties? Voor deze blog heb ik drie hypotheses.

Ten eerste zijn de verantwoordelijke organisaties waarschijnlijk meer met zichzelf en met het lijfsbehoud van de politiek verantwoordelijken bezig dan van met het behartigen van publieke belangen: namelijk het tegengaan van gezondheidsschade en van schade aan het milieu. Het pijnlijke is dat dit niet alleen geldt binnen het domein van de omgevingsdiensten. Op veel plaatsen in de overheid zijn de ogen meer gericht op de eigen organisatie dan op het dienen van de samenleving. 

Ten tweede vrees ik dat er binnen al die diensten te veel kennis van de processen, zeg maar bestuurskundige kennis, voorhanden is en te weinig vakinhoudelijke kennis. Je moet inhoudelijk goed beslagen ten ijs komen als je bij een bedrijf op bezoek gaat. Het valt mij altijd op dat grote bedrijven nooit op dat soort kennis bezuinigen, terwijl bij de overheid al jaren wordt geklaagd over het weglekken van kennis. En als je te weinig weet, is het eenvoudiger om vast te stellen of er aan kwaliteitsborging wordt gedaan (afvinken!) dan te bewijzen dat er te veel grafiet wordt uitgestoten (oordeel vellen!)

Ten derde: er is bij toezichthouders een grote angst om de principaal te zijn. Ooit kwam er een stroming op in de bestuurskunde die beweerde dat de overheid “ook maar één van de partijen” is. Daarna begonnen het praten over horizontaal toezicht en over zelftoezicht. En vooral over samenwerking en gelijkwaardigheid. Maar wie op voorhand zegt dat hij niet meer is dan de ander, moet er niet meteen op vertrouwen dat hij straks nog iets over die ander te zeggen heeft. Niet voor niets spreekt het rapport van Van Aartsen over “vrijblijvendheid”. Niet voor niets constateert het rapport dat er te weinig aandacht is voor strafrechtelijke handhaving. Niet voor niets geeft het rijk beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften voor de vergunningverlening en is afgesproken dat er achteraf geen toezicht zal zijn. Niet voor niets mag de Inspectie voor Infrastructuur en Milieu de provincie alleen maar adviseren bij de verlening van vergunningen van grote bedrijven. Niets voor niets bleek het ‘horizontaal toezicht’ vanuit de gemeenten “nagenoeg afwezig” te zijn.  

Op dat moment proef je ook bij de commissie Van Aartsen de opkomende wanhoop. Om daaraan uiting te geven merkt de commissie op dat een adequaat stelsel van checks and balances ontbreekt. Dat klinkt prachtig, maar dat is nu juist niet de kern waar het bij toezicht om moet draaien. Omdat we een gezond leefmilieu willen, mag niet elk bedrijf uitstoten wat hij wil. Daarom heb je als bedrijf voor bepaalde activiteiten een vergunning nodig. Maar omdat we niet in een ideale wereld leven heb je toezichthouders nodig die controleren of de bedrijven zich aan de grenzen van de vergunning houden. En je hebt toezichthouders nodig om te controleren of er geen vergunningen in strijd met de wet worden verleend. Toezicht houdt in dat bij overtreding wordt opgetreden. Of de omgevingsdienst wordt op de vingers getikt of het bedrijf wordt stilgelegd. De uitdrukking checks and balances bevredigt hier dan ook niet. Bij toezicht horen principaal en agent elkaar principieel juist niet in evenwicht te houden. De overheid stelt grenzen aan bedrijven en niet omgekeerd. Het bestuur stelt grenzen aan omgevingsdiensten en niet omgekeerd. 

Hoe verder

De commissie Van Aartsen mag trots zijn op haar rapport. De commissie heeft het aangedurfd om een schokkend rapport te schrijven. Ik vind het schokkend om te lezen hoeveel er fout gaat. Ik vind de wirwar aan verantwoordelijkheden en bevoegdheden, wat we vaak de ‘governance’ noemen, tenenkrommend. Maar het meest schokkend is dat de conclusies van de commissie-Mans uit 2008 ongeveer identiek zijn aan de conclusies van dit rapport uit 2021. 

Juist tegen die achtergrond vind ik de aanbevelingen van de commissie te vriendelijk. Er staan 10 aanbevelingen, maar erg concreet en fundamenteel zijn die aanbevelingen niet. Het zijn eigenlijk vooral 10 wensen, wensen die onvoldoende uitstralen dat het zo niet langer kan. Ik vrees ook dat velen deze wensen zullen delen, waarna het debat over wat er echt moet gebeuren weer snel zal verzanden in eindeloos gepraat. Die kans is toch al groot omdat in het binnenlands bestuur bij elke verandering minstens 10 kalkoenen meepraten over de komende Kerst. 

Bovendien zou ik eerst wel eens antwoord willen hebben op enkele fundamentelere vragen. Bijvoorbeeld:  (1) Wanneer zegt iemand dat al die hulpconstructies in het binnenlands bestuur uiteindelijk altijd tot de conclusie leiden dat niemand meer weet wie echt verantwoordelijk is? (2) Waarom moet het aantal omgevingsdiensten kleiner worden, maar zouden de provincies hun taken niet gewoon kunnen overnemen? (3) Waarom accepteren we dat het Rijk hier eigenlijk niks te zeggen heeft, terwijl we zo graag willen dat bedrijven zich overal aan de nationale wetten houden? (4) Waarom heeft de bestuurskunde dit zoveelste echec met uitvoeringsorganisaties niet weten te voorkomen? (5) Ten slotte: waarom zijn er zoveel bestuurders en directeuren van omgevingsdiensten die op grond van een politiek-bestuurlijke afweging besluiten om de grenzen van de wet te overschrijden? En zouden ze zich daarbij afvragen of ze daarmee het vertrouwen van de burger beschamen? 

Die laatste vraag maakt meteen duidelijk dat we het toezicht niet meteen weer op orde hebben. Ik vrees dat de overheid bij haar toezicht kampt met een cultureel probleem. Een vergelijkbaar cultureel probleem dat pijnlijk bloot kwam te liggen bij de toeslagen-affaire. Die cultuur verander je niet door het aantal omgevingsdiensten een beetje te verminderen of ze wat meer geld te geven. 

Wie zou de #PvdA missen als ze nu werd opgeheven

maart 20, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Ik ben lid van die partij, van de PvdA. Die schamele 9 zetels raken mij dus. Alle reden om te proberen om deze dramatische uitslag te verklaren. De slechte uitslag van de PvdA lag ten eerste aan de partij, ten tweede aan het moment en ten derde weer aan de partij. 

Lodewijk Asscher deed vanaf 2017 een dappere poging om een nieuw verhaal voor de PvdA te verwoorden. De partij zou mensen weer ‘zekerheid’ moeten bieden. Of dat verhaal tot een andere uitslag zou hebben geleid, valt te betwijfelen (zie verder). Maar Lodewijk heeft nooit de kans gekregen om bij de verkiezingen zijn gelijk te bewijzen. Hij struikelde over de aloude zuurgraad binnen de PvdA. Hij werd intern onthoofd. [Dat alleen al zou een hele goede reden zijn om de partij te verlaten.] Lilianne Ploumen moest Lodewijk onverhoeds vervangen. Ze deed het helemaal niet slecht. Maar uiteindelijk had ze te weinig tijd om er nog iets van te maken. Bovendien heeft ze niet het intellectuele gewicht dat je van een PvdA-leider mag verwachten. 

De verkiezingen stonden in het teken van corona. En dus in het teken van leiderschap. D66 en de VVD hadden dat goed gezien, hoewel Mark Rutte in de campagne zonder corona al snel begon af te bladderen. De PvdA was geen leider geweest in de coronacrisis en trok die rol ook niet naar zich toe. Zo ging de leiderschapsbonus aan de PvdA voorbij. Bovendien waren de kiezers vooral moe, moe van het virus. Mensen wilden weer zon en warmte en buitenlucht en vooral andere mensen omarmen. Dan moet je niet aankomen met een ‘nieuw plan’. Mensen hadden even geen zin in grote plannen, ook niet voor een beter klimaat zoals Jesse Klaver pijnlijk moest ervaren. 

Maar het waren niet alleen de ongelukkige voorgeschiedenis én het moment die de PvdA weer op 9 zetels deden uitkomen. Belangrijker is dat de PvdA al jaren niet meer weet waarvoor zij op aarde is. Eigenlijk was de PvdA al jaren alleen maar de vluchtheuvel voor alle tegenstanders van rechts. En de PvdA was die vluchtheuvel omdat de partij in staat was iedereen te doen geloven dat zij als enige die vluchtheuvel kon zijn. Door te zeggen dat zij de grootste progressieve partij van Nederland was, werd dat vanzelf waar. Ja, het was een verrukkelijke selffulfilling prophecy. Als je Lubbers, Balkenende of Rutte wilde voorkomen, kon je maar het beste op de PvdA stemmen. Zo werd het geloof dat de PvdA de grootste partij op links was, altijd weer bevestigd. Maar het stoelde uiteindelijk alleen maar op een geloof. 

Het valt niet te ontkennen dat de PvdA altijd zwaargewichten had om de kar te trekken: Kok, Bos en Samsom. En voordat de kiezer doorhad dat Cohen geen zwaargewicht was, waren ook de verkiezingen van 2010 al weer succesvol verlopen. Lange tijd waren ook veel intellectuelen actief binnen de PvdA. Om die zelfde reden: omdat de PvdA de grootste progressieve partij van Nederland was. 

Maar coherent werd de ideologie van de PvdA sinds de komst van Nieuw Links eigenlijk nooit meer. Het ideeëngoed van NieuwLinks was nogal leeg. Kok, Bos en Samsom bogen vooral mee met de neo-liberale tijdgeest en daarna verloor Asscher op dramatische wijze de verkiezingen, omdat de kiezers zich eindelijk begonnen af te vragen waar de PvdA nu eindelijk voor stond. En omdat de selffulfilling prophecy was uitgewerkt na het tamelijk onsmakelijke robbertje vechten tussen Samsom en Asscher om de macht in de PvdA. Plotseling bleek de partij geen kleren meer aan te hebben. En wie dacht dat het in 2021 allemaal wel weer beter zou zijn, had niet begrepen dat de PvdA al decennia boven zijn stand leefde. Ook zonder corona en zonder een nacht van de lange messen waardoor Asscher werd gevloerd, had de PvdA amper meer zetels gekregen. 

Nu de keizer geen kleren meer draagt, blijkt dat de SP een veel betere pleitbezorger is van de strijd tegen de ongelijkheid dan de PvdA. Niet voor niets is net een SP-er gekozen tot voorzitter van de FNV. GroenLinks blijkt een veel betere pleitbezorger van de strijd tegen de klimaatverandering en de verloedering van het milieu. En D66 is een veel betere pleitbezorger van een democratisch Nederland dat zijn ogen opent naar de wereld en naar Europa. Nee, als de PvdA niet meer automatisch de grootste is op links, blijkt dat alle linkse thema’s bij andere partijen beter zijn belegd. 

Omdat de PvdA zelf dacht dat zij tot in eeuwigheid de dominante partij op links zou zijn, is er intern ook nooit een succesvolle poging gedaan om al die linkse thema’s weer echt met elkaar te verbinden. En is geheel vergeten om nog eens goed te heroverwegen wat ‘links-zijn’ in deze tijd werkelijk betekent. Een echt progressieve volkspartij had zich in ieder geval meer aangetrokken van de volkse achterban die de PvdA al jaren geleden heeft verlaten. Zo lukte het de PvdA ook nooit om een helder en overtuigend migratiestandpunt te verwoorden. Zoals we wel hebben gehoord waarom DENK de PvdA heeft verlaten, maar ons nooit is verteld waarom DENK binnen de PvdA kon ontstaan.  

Vier jaar geleden konden we nog denken dat die 9 zetels van de PvdA een gevolg waren van een toevallige samenloop van dramatische omstandigheden. Nu weten we beter. Die 9 zetels vertegenwoordigen de resterende achterban van de PvdA: een aantal hoogopgeleide ouderen. Is er dan nog toekomst? De PvdA zal bovenal de gedachte moeten loslaten dat zij van nature de dominante partij op links is. De partij zou kunnen proberen om een nieuw verbindend verhaal te schrijven. Maar ik zie geen mensen in de partij die daartoe in staat zijn. Hoe droevig ook was het verkiezingsprogramma dit jaar: een verzamelbak van dingen die we ooit links hebben genoemd. De partij zou kunnen fuseren met GroenLinks en met de SP. Ik vrees dat het gereformeerde karakter van de drie partijen te sterk is om tot een succesvolle fusie te kunnen komen. De PvdA kan zichzelf ook opheffen. Ik vrees dat weinigen de partij bij een volgende verkiezingen in dat geval zullen missen. 

[Op Twitter reageert iemand dat zij de PvdA zal missen, zoals ze de V&D nog steeds mist. Ook als die opmerking serieus is bedoeld, is daarmee het probleem van de PvdA pijnlijk treffend beschreven.]

Binnenkort gaat #COVID-19 als een nachtkaars uit

maart 15, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Vroeger kinderen de bof en de mazelen. Bij de bof kreeg je een dikke wang en als je geluk had twee dikke wangen. Bij de mazelen kreeg je vlekjes. Je kreeg de bof en de mazelen omdat je besmet was. En ja hoor: die besmetting vond meestal plaats in de winter en meestal op school. Als je echt ziek was werd je bed in de woonkamer gezet. Eigenlijk was het heel gezellig. Na een week moest je weer naar school om het virus door te geven aan de kinderen die nog niet besmet waren. 

Ja soms was het vroeger bijna idyllisch. Natuurlijk, er overleden ook mensen aan de bof. Vooral volwassenen die in hun jeugd niet besmet waren geraakt. Dat was verdrietig. Maar in de krant las je er nooit iets over. Er was nog geen pagina 5 van de Volkrant om de laatste besmettingscijfers uit te pluizen. Kinderen waren nog niet schuldig aan “de derde golf”. 

Vanmorgen was het weer raak. Het aantal besmettingen neemt weer toe! 18% meer besmettingen dan vorige week. Zoals bekend weten we alleen iets over het aantal positieve tests dat dagelijks is afgenomen. Elke dag laten zich ongeveer 60.000 mensen testen en daarvan blijken er zo’n 5.000 positief te zijn. Die 60.000 vormen geen a-selecte steekproef. Als het aantal positieve tests toeneemt, mogen we dus niet zonder meer concluderen dat het virus op weg is naar een “derde golf”. Zo verdubbelde in korte tijd het aantal mensen dat zich liet testen. Even een (fictief) voorbeeld: drie weken geleden werden 30.000 mensen per dag getest, van wie er 4.000 positief bleken te zijn. Vorige week waren dat er 60.000, van wie er 5.000 positief waren. Conclusie: blijkbaar hebben meer mensen zich laten testen (om redenen waarnaar geen onderzoek is gedaan) en hebben we dus meer besmette mensen in onze teststraten gevangen. 

Maar intussen neemt het percentage positieve tests niet meer af, terwijl het aantal positieve tests nog wel toeneemt. Dat zou inderdaad kunnen duiden op een hogere besmettingsgraad onder de bevolking. Maar dan is het aardig om te zien hoe oud de mensen zijn die positief testen. De meerderheid is jonger dan 38! Terwijl in het afgelopen jaar de modale viruslijder tussen de 50 en 54 jaar was. Je kan het ook zien als je de cijfers verder analyseert: er wordt heel veel positief getest door jongeren, en zelfs kinderen. En dan breekt plotseling het besef door: de scholen zijn weer open! De kinderen krijgen de COVID, zoals wij vroeger de bof en de mazelen kregen. Bovendien neemt het aantal positieve tests onder de oudste leeftijdscategorieën snel af. En ook dat valt te begrijpen: we zijn met vaccineren bij de oudjes begonnen! Door het openen van de scholen stijgt het aantal besmettingen en door het vaccineren daalt het aantal doden.

In navolging van Mark Rutte zouden we blij kunnen zijn met al die relatief ongevaarlijke besmettingen onder de jeugd. Want ook zij helpen mee aan die gewenste groepsimmuniteit. Groepsimmuniteit bereik je simpel gezegd door twee dingen te doen: ouderen vaccineren en kinderen met elkaar te laten spelen. 

Vanwaar dan toch die angst voor de “derde golf”? De bezetting in de ziekenhuizen en op de IC’s is al weken stabiel. Op een niveau dat zich niet laat vergelijken met de cijfers van een jaar geleden. Het aantal doden ligt inmiddels onder het langjarig gemiddelde. Is het dan weer waar? Lijdt de mens weer het meeste door het lijden dat hij vreest?

Maar dat is hier niet de enige paradox. Want de angst zit op dit moment vooral bij de politiek en bij de media. Want als ik op de snelweg zit, zijn de filemeldingen weer helemaal terug. Als ik ‘s avonds na 21:00 op de snelweg zit, rijd ik daar tot mijn verrassing met vele anderen. Als ik in mijn park sport, struikel ik over de loopgroepen. Ja de kroegen zijn nog dicht en de ambtenaren werken nog thuis. Misschien zou het goed zijn als die laatste groep eens buiten komt kijken. 

Ik voorspel: binnen 3 maanden is het coronaspel als een nachtkaars uitgegaan. En worden al die teststraten weer geruisloos afgebroken. 

Moet het #RIVM wel duiden #corona

maart 3, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Je zal maar voorlichter zijn bij het RIVM. Elke week komen de jongens en meisjes van infectieziektes met hun cijfers. 79 pagina’s. En de media willen weten wat dit betekent. Dus besluit je dat je de cijfers moet duiden. En als je duidt kan je beter eerder te pessimistisch dan te optimistisch zijn. Want stel je voor dat je ernaast zit. Zo hoorden we de laatste weken veel spreken over de Britse variant. Over die variant horen we steeds minder. Momenteel is het RIVM vooral bezorgd over de Zuid-Afrikaanse variant. En de afdeling communicatie van het RIVM ziet in de laatste cijfers zelfs het bewijs voor de derde golf. 

Laten we de cijfers eens zonder angst voor zichzelf laten spreken. En laten we ons dan baseren op cijfers per week. De dagelijkse cijfers zijn veel te vervuild om er conclusies aan te verbinden. 

Meten

  • het aantal ziekenhuisopnamen was in de afgelopen week 1133 (77 minder dan in de week ervoor)
  • het aantal opnamen op de IC was in de afgelopen week 224 (19 minder dan in de week ervoor)
  • het aantal COVID-19-doden bedroeg in de afgelopen week 177 (85 minder dan in de week ervoor)

Dat zijn de harde cijfers. 

Schatten

Daarnaast kennen we het aantal positieve tests in de afgelopen week. Door sommige media worden deze cijfers gebracht als het aantal nieuwe besmettingen. Dat zou alleen waar zijn als alle nieuwe besmettingen ook daadwerkelijk worden getest. Quod non. Iemand wordt pas positief getest als hij/zij besmet is én de behoefte voelt om zich te laten testen. Het gaat hier dus om een steekproef op basis waarvan we het aantal nieuwe besmettingen schatten. 

Helaas: de behoefte om je te laten testen is niet elke week constant. Een groter aantal positieve tests wijst dus op een hoger aantal nieuwe besmettingen en/of op een grotere behoefte onder de bevolking om zich te laten testen. 

Zo zijn in de afgelopen week 31.835 mensen positief getest, tegen 29.803 in de week ervoor. Van alle tests was 8.8% positief tegen 9.7% in de week ervoor. Dit laatste verschil kan erop duiden dat het aantal positieve tests wordt verklaard door een groeiende behoefte bij mensen om zich te laten testen (bijvoorbeeld omdat over Britse varianten en derde golven wordt gesproken). 

Berekenen

Het RIVM berekent wekelijks het aantal besmettelijke mensen, met enige vertraging. Het aantal besmettelijke mensen is sinds 21 december 2020 tot 5 februari gedaald van ongeveer 160.000 naar ruim 90.00. Daarna steeg het aantal besmettelijke mensen weer een week tot vlak onder de 100.000 en daarna daalde het weer een klein beetje (stand 19 februari). Dit cijfer wordt berekend op basis van ziekenhuisopnames per dag. 

Het RIVM berekent wekelijks het reproductiegetal, met enige vertraging. De R ligt op 12 februari op 1.14. Volgens de verwachting van het RIVM is R in de twee daarop volgende weken weer gedaald naar 1. Dit cijfer wordt berekend op basis van aantallen positieve tests per dag (zie ook: De mystiek van het R-getal).

Ook economisch onderzoek bewijst niet wat je moet doen @Herstel_nl @CoenTeulings

februari 28, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Coen Teulings was plotseling bij herstel.nl verdwenen. Het stemt me droef. Ik ken Coen als een uitstekend econoom en als een integer mens. Ik zag hem bij Op1 pleiten voor een andere aanpak van corona. Hij gaf treffend aan hoe groot de individuele én de maatschappelijke schade is als jongeren leerachterstanden oplopen. En niet het onderwijs krijgen dat ze onder normale omstandigheden zouden hebben gekregen. Voor dat pleidooi verdient hij enorme waardering. Het is goed als wetenschappers durven te vertellen welke kosten met het huidige beleid gemoeid zijn. En dat niet alleen naar virologen en epidemiologen wordt geluisterd. 

Maar het liep slecht af met Coen. Marcel Levi kwam vanuit London melden dat hij te weinig solidair was met de ouderen. En de media schreven dat Coen alleen nog maar stamelde. Van dat stamelen heb ik niets gemerkt. Niettemin: de volgende dag had Coen Teulings herstel.nl verlaten. En met hem Bas Jacobs en Barbara Baarsma. Veel uitleg werd niet verschaft. Alleen Jacobs meldde dat herstel.nl te activistisch was geworden. 

Omdat de uitleg ontbrak, moeten we zelf duiden. Ik doe een poging. We weten allemaal dat het debat over corona vanaf het begin is gedomineerd door medici (mensen als Levi). Medici zijn opgeleid om mensen te genezen en om ziektes te voorkomen. Dus ging het debat niet alleen over het virus maar ook over de dreigende overbelasting van de zorg. En die moest worden voorkomen. Dat denken werd zo dominant dat COVID-patiënten voorrang kregen boven andere patiënten. Niets ging boven de bestrijding van COVID-19. 

In dat frame was het vervelend dat er leerachterstanden ontstonden, dat mensen depressief werden, dat er huidhonger en contactarmoede ontstond en dat een belangrijk deel van de economie op instorten stond. Want de bestrijding van COVID-19 was belangrijker. 

Daarom is het zo goed dat wetenschappers als Coen Teulings op de grote maatschappelijke nadelen van het corona-beleid wezen. En dat je de gezondheidswinst van het coronabeleid kan afwegen tegen de economische en maatschappelijke schade van datzelfde beleid. Maar omdat veel journalisten kritiekloos meegaan in het dominante vertoog van aantallen besmettingen en de dreigende overbelasting van de zorg, had Teulings veel uit te leggen. En natuurlijk kreeg hij tegengeworpen dat hij niet solidair was. Ja, dan heb je de strijd al bijna verloren. Exit Teulings. 

Maar Teulings sneuvelde niet alleen omdat de medici nog steeds het COVID-debat domineren. Hij sneuvelde ook omdat hij dacht dat zijn kennis bewees wat wij moeten doen. Dat is dezelfde fout die veel medici maken. Alleen baseren zij zich op andere kennis. Zo hoorde ik onlangs een lid van het OMT voor de radio beweren dat het OMT niet eenzijdig kijkt, maar alle voor- en nadelen in zijn adviezen goed afweegt. Sorry! Het OMT moet niet afwegen. Het OMT moet vertellen hoe het virus zich ontwikkelt en moet vertellen (als ze dat al weten) wat de effecten van bepaalde maatregelen zijn om het virus af te remmen. Ik wil best horen dat virologen vertellen wat het openen van scholen betekent voor de snelheid waarmee het virus rondgaat. Maar ik wil virologen niet horen vertellen dat we om die reden de scholen wel of niet moeten openen. Dat blijft een politieke afweging. En die moet de regering maken, gecontroleerd door de Tweede Kamer. 

En dat was, het spijt me om te zeggen, ook de fout van Teulings, en Baarsma en Jacobs en alle leden van herstel.nl. Ze wisten zeker dat hun kennis aantoonde dat een ander beleid gewenst was. Dat oudjes moesten worden geïsoleerd en jongeren weer moesten studeren. Maar: net zo min als virologisch onderzoek aantoont dat je scholen moet sluiten, toont economisch onderzoek aan dat je scholen moet open houden. 

Wat we nodig hebben is heel veel kennis over alle virologische, economisch, onderwijskundige, maatschappelijke, psychische (etc.) gevolgen van het sluiten van scholen en universiteiten. En politici horen vervolgens een politieke afweging van de voor- en nadelen te maken. 

Ik vermoed dat Teulings te laat heeft beseft dat hij in een politiek in plaats van een wetenschappelijk debat was terechtgekomen. Maar ja, ook economen moeten weten dat wetenschap geen antwoord geeft op politieke vragen. 

Volgende pagina »