De liefde van de muzikant

februari 12, 2017 by  
Filed under artikel, fagot

Vroeger heb ik vaak getwijfeld. Uiteindelijk toch gekozen voor een nette wetenschappelijke baan. Ik schatte in dat ik fagot-leraar zou worden in Winterswijk. Daar is niets op tegen. Maar ik ben gewoon een betere wetenschapper.

Maar nu begin ik toch te twijfelen, of ik wel de goede keuze heb gemaakt. Ik kan inmiddels een beetje vergelijken, omdat ik ben toegelaten tot het Conservatorium van Amsterdam. Loop elke dag met mijn fagot op mijn rug. En het is genieten. Neem de afgelopen 10 dagen.

Op 1 februari een fantastische masterclass van Gustavo Nunez. Gustavo geeft net zo helder les als hij fagot speelt. En zo exact als hij zelf speelt, zo exact probeert hij jou te laten spelen. Heel leerzaam.

Op 4 en 5 februari krijgt ons ensemble 3 voor 2 les van verschillende coaches. Marja Bon dwingt me om mijn solo in het Sextuor van Poulenc dwingender te spelen. Julien Hervé laat ons (nog) beter naar elkaar luisteren. Nog nooit in mijn leven in een ensemble gespeeld dat zo met elkaar bezig is. Op het afsluitende concert gaat het allemaal net ietsje minder.

Op 7 februari heb ik mijn wekelijkse les van Ronald Karten. Een razend muzikale leraar die zelfs ‘Weissenborn’ weet te lezen als het tweede deel van het fagotconcert van Mozart of als zijn favoriete Sonate van Saint Saens. Alles wordt onder zijn handen muziek.

Op dezelfde avond weer voorspeelavond op het conservatorium. Met Jaap Kooi, die altijd tegelijk met je eindigt en met bètablokker. Want eenvoudig is het niet. Het instuderen met de geweldige begeleider die Jaap Kooi is, is al weken een genot. Telemann in e mineur. De Schumann Romances voor de volgende keer.
Na twee dagen komt het betrokken commentaar van Ronald, Jos en Simon. Ze zien vooruitgang. Er is nog hoop.

Op woensdag 8 februari ga ik bij Mette Laugs langs in Arnhem. Voor een lesje adem zonder onderkaak. Op 11 februari volg ik een masterclass van haar in Groningen. Het is fascinerend hoeveel lichaamsdelen ze weet te benoemen die de klank kunnen verhogen en de toonhoogte kunnen veranderen. Ik merk dat ik opnieuw moet beginnen.

Op 11 februari ook een masterclass bij Bram van Sambeek. Hoe een integere muzikant heel goed en heel motiverend les kan geven. We zijn allebei bij Fred Gaasterland begonnen. Bram mocht Fred zeggen, ik zei meneer. En Bram is een grote meneer geworden op de fagot. Ik een contract-student.

En dat is wel het mooiste van deze lange feestweek. Al die muzikanten zijn vooral met de muziek bezig. Niet met hun status. Ze verdienen er bijna niets mee om ons op onze beurt te laten genieten van muziek. Om al hun liefde voor het vak door te geven. Bijzonder, het lijkt alsof wetenschappers veel meer met zichzelf bezig zijn.

Podiumangst

oktober 2, 2016 by  
Filed under artikel, fagot

Volgende week hebben we voorspeelavond, op het conservatorium. Een medeleerlinge vraagt aan Ronald of ze de avond mag openen. Dan is het minder spannend. Ze is nu al zenuwachtig. Ik herken het helemaal. Voor de zomer was mijn eerste voorspeelavond. Toen vielen de zenuwen nog wel mee. Maar bij de tweede avond stond ik te stuiteren op het podium. Weg ademsteun, weg Alexandertechniek. Vreselijk. En toen moest ik mijn toelatingsexamen nog doen.

Ik had het eerder ook gehad, maar lang niet zo erg. Ooit speelden we met Bellitoni Shostakowitch 8. Met die prachtige fagotsolo. Met die twee hele hoge noten. De dirigent nam het tempo lekker hoog en op het eerste concert liet ik slechts twee donkere krakken horen, niks geen hoge noot. Ik vervloekte mezelf. Ik was te zenuwachtig geweest. En dan te bedenken dat ik dat concert nog tweemaal moest herhalen.

Bij toeval mocht ik de volgende middag een zaal met onderzoekers toespreken. Geen idee wat het onderwerp was. Ik weet wel dat ik dat optreden gebruikte om in het openbaar weer rustig mijn verhaal te kunnen doen. Zoals ik die solo in Shostakowitch 8 zou moeten spelen. Ik wist dat ik geen moeite had om in het openbaar te spreken. Na al die jaren college geven. En na al die congreszalen. Maar waarom slaan de zenuwen dan wel toe bij een concert van amateurs en niet bij een speech in een grote zaal?

Ik heb me dat rondom mijn toelatingsexamen weer langdurig afgevraagd. Al heb ik het voorzichtige gevoel dat ik de ergste zenuwen inmiddels de baas ben. Maar dat moet je nooit te snel zeggen. En zeker niet hardop.

Jaap van Zweden zei het in een documentaire dit voorjaar heel duidelijk: als je goed gestudeerd hebt, hoef je nooit meer zenuwachtig te zijn. Het kan zeker een verklaring zijn. Ik beheers de onderwerpen van mijn speeches beter dan mijn fagot. Dat geeft wel hoop voor de toekomst. Heel hard studeren en de zenuwen zullen vanzelf minder worden. Er is ook een andere oplossing: speel eens een compositie waar je technisch echt boven staat. Niet iets groots, maar gewoon iets lulligs. Toch kan ik me een citaat van Brian Pollard herinneren die de theorie van Jaap van Zweden nogal ondermijnt. Brian vertelde dat hij vreselijk bang was voor het Vader Jacob-thema uit Mahler 1. Omdat iedereen elke fout meteen zou horen. Technisch moet dat voor de grote Pollard toch geen enkel probleem zijn geweest.

Een andere verklaring heb ik opgedaan uit het boek Podiumangst van Liesbeth Citroen en Martine van der Loo. Als je praat in het openbaar kan jezelf je tempo bepalen en, met name, je eigen rusten inbouwen. Voor een moeilijk woord kan je de tijd nemen. Maar in de muziek is het tempo voorgeschreven en speel je bovendien vaak samen met anderen. Die solo in Shostakowitch 8 komt er onherroepelijk aan. En de dirigent bepaalt het verschrikkelijke tempo waarin je dat ding moet spelen. Samenspelen met één pianist is vanzelfsprekend eenvoudiger. Zo weet je bij Jaap Kooi van het Conservatorium in Amsterdam dat hij je altijd volgt, ook al sla een pagina over. Maar die wetenschap is niet genoeg. Want je weet dat je die pagina niet mag overslaan.

Het zoeken naar perfectie dat zo eigen is aan de professionele wereld, biedt zicht op een derde verklaring. Ik weet het: ik ben amateur en blijf altijd amateur. Maar ik heb nu wel als contractstudent de beste fagottisten als leraar en ik vertoef tussen allemaal studenten die ooit dat niveau willen halen. En wie geen fouten mag maken, wordt eerder zenuwachtig. Zo wordt ons steeds verteld: als je op het proefspel de partij niet foutloos kan spelen, ben je al afgewezen. De druk op foutloos spelen is dus enorm. En foutloos spelen is niet de kracht van de amateur. Maar ik moet niet zeuren. Anders had ik me daar maar niet moeten laten inschrijven. Nee, ik zeur niet. Ik geniet dagelijks.

Mijn vierde verklaring ligt in het verlengde van de vorige. In mijn vak, de sociale wetenschappen, zijn goed en fout onbruikbare begrippen. Het ene artikel is interessanter, informatiever of eleganter dan het andere. En elk onderzoek kent zijn fouten. Ook waardevrij onderzoek bestaat niet. Daarom kan je in mijn vak lang discussiëren over de waarde van een boek of van een artikel. In de muziek en zeker op het conservatorium ligt dat anders. Natuurlijk kan je ook discussiëren over de interpretatie van Yo Yo Ma of van Danielle Gatti. Maar op het conservatorium zijn de meeste studenten geen Yo Yo Ma of Danielle Gatti. En zullen dat ook nooit worden. Daar is het volstrekt helder of er wel of geen fout wordt gemaakt. En daar kan je aardig zenuwachtig van worden.

Maar misschien is de belangrijkste verklaring wel een andere: muziek is persoonlijk, muziek raakt je. Ook al weet je die gevoelens door een gebrek aan techniek niet over te brengen. In ieder geval ben ik veel naakter als ik met een fagot op een podium sta dan met een microfoon. Ik probeer mijn eigen gevoelens in de muziek te laten doorklinken. En als dat mislukt, blijven er alleen maar noten over. Terwijl woorden genoeg zijn voor een goede speech, zijn noten voor een goed concert onvoldoende.

[column voor De Fagot]

Loopgek of fagotverliefd

januari 12, 2016 by  
Filed under artikel, fagot

Ik had drie hobby’s. Schrijven, hardlopen en fagotspelen. In deze volgorde. Ik heb drie hobby’s. Fagotspelen, schrijven en hardlopen. Ja, de volgorde is veranderd. Maar hoeveel is er eigenlijk echt veranderd?

Vroeger liep ik 5 keer per week. In mijn topweken 8 uur in totaal. Intervaltrainingen en lange duurlopen. En nog een dubbele spinning ertussendoor. Allemaal om voorbereid te zijn op de volgende marathon. Rotterdam, Berlijn, New York. Of nog liever: de volgende ultraloop. De Zestig van Texel, de K78 in Davos.

Tegenwoordig studeer ik elke dag fagot. Meer dan een uur . Want volgens mijn leraar Ronald kan je het met één uur per dag alleen maar ‘bijhouden’. Het echte studeren begint daarna. Met orkestrepetities en concerten kom ik zeker weer aan 8 uur per week. En wat zo aangenaam is: ik doe eigenlijk nog steeds hetzelfde.

Fagot spelen heeft veel met muzikaliteit te maken, met aanleg, maar ook onwaarschijnlijk veel met uithoudingsvermogen. Het klinkt plat, maar ik kan er niks anders van maken. Die mond en die vingers moeten worden getraind. Hoe vaker je studeert, hoe eenvoudiger het wordt. Hoge noten? Gewoon veel studeren! Zachtjes aanzetten? Gewoon veel studeren! Veel uren maken. Een marathon lopen? Gewoon veel uren maken! Kunnen versnellen? Gewoon veel uren maken! Die embouchure gedraagt zich net als je voeten. Pijnlijk simpel, pijnlijk platvloers. Je wordt een betere fagottist door veel uren te maken. Een goede  fagottist word je alleen als je al die uren maakt, én aanleg hebt.

En net als bij het lopen gaat het bij de fagot niet alleen om de duur , maar vooral om de kwaliteit van de training. Alleen maar eindeloos duurlopen heeft weinig zin. Het gaat om de variatie. Om een combinatie van intervaltrainingen, snelheidstrainingen, fartlek en duurlopen. En krachttraining en spinning. En wanneer word je een betere fagottist? Als je heel exact en geconcentreerd studeert. Niet een beetje blazen, maar precies weten waar de fouten zitten en waar je je kan verbeteren. Dus precies hetzelfde. Alleen de hartslagmeter ontbreekt.

Er zijn ook op een ander niveau grote gelijkenissen tussen hardlopen en fagotspelen. Als je de straat op gaat, voel je binnen drie passen of het een goede training wordt. De voeten zijn soepel, ze zijn bereid je vandaag een mooie dag te bezorgen. Hoe vergelijkbaar is het met de fagot. Je maakt je riet nat, je kraait op het riet, je zet het op je Es en je blaast. Gatver, wat een vreselijke klank! Of: Ooh, wat heerlijk! En als een uur fagot blazen begint met ‘Gatver’, dan wordt het een zwaar uur. En als het begint met ‘Ooh’, dan kan de dag niet meer stuk. Ja, net zoals met die eerste stappen op straat.

Nog erger: hardlopen en fagotspelen, beide zijn verslavend. Als je maar vaak genoeg traint voor een marathon: op een gegeven moment wil je niets anders meer. Je wilt wel elke dag trainen, en je wilt wel elke maand een marathon lopen. De indeling van elke dag staat in het teken van het trainen. Alles moet ervoor wijken. Ja, hetzelfde begin ik bij mijn lieve fagot, mijn fantastische Heckel, te ervaren. Ik moet hem elke dag even aanraken, elke dag even voelen, elke dag vooral even horen. De klank van de middel-F. Die losse klank, alsof hij los in zijn trainingsbroekje hangt. Er is wel een klein verschil. Als je elke dag zou willen hardlopen, gaat er iets kapot. Je moet wekelijks echt een rustdag inlassen. Mijn Heckel houdt niet van rustdagen. Ik hoor het, ik voel het als ik een dag niet heb gespeeld.

Bij verslaving hoort ook ‘te ver’ gaan. Bij verslaving horen blessures. Hoeveel hardlopers zijn niet geblesseerd. En hoeveel fysiotherapeuten zijn er niet nodig om musici steeds weer op te lappen. Op dit moment heb ik last van mijn rechterteen bij het hardlopen en van mijn linker elleboog bij het fagotspelen. En van beide, van hardlopen en van muziek maken, gaat mijn rug vastzitten.

Tot slot: de marathon en het concert. Veel amateurs zijn kapot na één marathon. De voorbereiding voor de volgende marathon vergt minimaal een half jaar. De gelijkenis met amateurmusici is treffend. Die geven in de regel ook maar een paar concerten per jaar. En hebben de tussentijd nodig om een volgend programma in te studeren. Inderdaad, beroepsmusici geven veel vaker concerten. Maar ultralopers lopen ook met gemak elke week een marathon, als het moet als training.

Ja, eigenlijk is het verbluffend, al die overeenkomsten. Er resteert een boeiende vraag: is het mogelijk om zowel verslaafd te zijn aan het fagotspelen als aan het hardlopen? Of moet je echt een keuze maken? Of ligt het in mijn karakter besloten dat ik die keuze moet maken? Zoals het ook in mijn karakter ligt besloten om dan meteen weer verslaafd te worden. Van ‘loopgek’ naar ‘fagotverliefd’.

John Eliot Gardiner over Johann Sebastian Bach

augustus 13, 2015 by  
Filed under artikel, fagot

Twee bijzondere mensen, John Eliot Gardiner en Johann Sebastian Bach. Als de één een boek schrijft over de ander verwacht je veel. De verwachtingen komen niet uit. Hoewel Bach het onderwerp van het boek is, is het te veel Gardiner en te weinig Bach. Dat is het gevoel dat overheerst na lezing van het vuistdikke Bach, muziek als een wenk van de hemel van John Eliot Gardiner, die meer bekend staat als vermaard dirigent, met name van barokmuziek. Laat ik proberen mijn gevoel scherper onder woorden te brengen aan de hand van drie vragen.

De eerste vraag: geeft het boek een goed overzicht van Bach? Van zijn werk, van zijn leven, van zijn hemel. Antwoord: nee. Daarvoor is het boek veel te veel gefocust op de cantates, op de twee grote passies en op de Hohe Messe. De orgelwerken ontbreken geheel, van alle werken voor klavecimbel wordt slechts een enkele, naar het schijnt bij toeval, genoemd. En zelfs het Weihnachtsoratorium wordt slechts summier genoemd. Veel feiten (dat de Markus-Passion verloren is gegaan, bijvoorbeeld) worden terloops gemeld, waardoor je het ongemakkelijke gevoel overhoudt dat ook heel veel feiten terloops niet zijn gemeld (hoeveel passies heeft Bach eigenlijk geschreven?). Ik weet dat er niet zoveel bekend is over de grote Bach en dat we graag meer hadden willen weten. Maar desondanks hoort een boek met een dergelijke titel een systematischer overzicht te geven van wat we wél over Johann Sebastian Bach weten.

Vraag 2: betrekt het boek enkele heldere (en wellicht nieuwe) stellingen over Bach? Nee, hoogstens de stelling dat Bach geweldig is. Het boek is ook te warrig in zijn redenering om tot heldere conclusies te kunnen leiden. Het is goed geschreven en uitstekend vertaald (door Frits van der Waa), maar de lijn ontbreekt nogal eens. De auteur lijkt te worden gekweld door een tekort aan zelfkritiek. Een kritische redacteur had op zijn minst meer lijn moeten brengen in de tekst. Niet dat Gardiner niet aan allerlei interessante vragen raakt. Maar het vervelende is dat hij zo weinig antwoorden geeft. Bijvoorbeeld: in hoeverre is de tekst van de cantates bepalend voor de inhoud van de muziek? Of kan Bach zonder gevaar de ene tekst door de andere vervangen, zoals hij in werkelijkheid nogal eens heeft gedaan? Gardiner benoemt deze vraag verschillende keren, maar hij komt nooit tot een antwoord. Eerder draagt hij steeds weer nieuwe argumenten en met nieuwe voorbeelden aan.

Om het wat cru te zeggen: het boek biedt dus geen overzicht en het biedt geen nieuwe inzichten. Misschien had die redacteur Gardiner een derde vraag moeten voorleggen: zou je in staat zijn om jouw interpretaties van Bach’s cantates en passies te verwoorden? Het huidige boek komt veel dichter bij deze vraag dan bij de twee voorgaande. Eigenlijk moet je het boek ook lezen terwijl je de partituren ernaast hebt liggen en Spotify of Youtube in de aanslag. Te laat begreep ik dat ik het boek vooral zo moest lezen. Als een college van Gardiner over zijn eigen uitvoeringen van Bach. Maar ook als ik dat deed bekroop me een gevoel van twijfel: ik vrees dat Gardiner zijn geweldige interpretaties veel beter kan overbrengen als dirigent dan als schrijver. Of bezondig ik me nu al aan de foute gedachte dat musici zich moeten beperken tot het maken van muziek en dat ze het schrijven maar moeten overlaten aan de musicologen…?

Moet je voor een column fagot kunnen spelen

juni 26, 2015 by  
Filed under fagot

De laatste twee jaar heb ik hier onbevangen wat stukjes geschreven. Als amateur-fagottist. Ik schreef zelfs een keer over mijn uitstapje naar de cello, alsof dat allemaal zo maar kon. En veel erger nog: ik was met de cello begonnen vanuit de gedachte dat ik op mijn laatste embouchure liep en dat mijn jaren als fagottist binnenkort geteld waren.

Hoe anders is de situatie nu. Ik heb mijn baan opgegeven, heb me aangemeld voor eens studie musicologie aan de UvA en heb al weer sinds een half jaar intensief les van Ronald Karten. Elke dag hard studeren om volgend jaar als contactstudent te worden toegelaten aan het Conservatorium van Amsterdam. En om daaraan te wennen, krijg ik les op het conservatorium. Ronald neemt me mee naar de voorspeelavond en dreigt al met de rietenavond. Ik heb het gevoel dat mijn spel er baat bij heeft. Maar hoe meer ik leer, hoe groter het besef dat ik nog nergens ben.

Dat laatste heeft twee oorzaken. Kom een keer naar de voorspeelavond op het CvA en je weet wat ik bedoel. Jonge mensen die fantastisch fagot spelen (Fagerlund!), docenten die hele mooie commentaren hebben (Jos: het gaat niet om de noten, maar om de sfeer achter de noten). Of kom wat te vroeg op les en je hoort hoe een fagot ook kan klinken. Je hoort hoe Ronald aan Suzanne vraagt om die ene noot in Sheherazade iets korter te spelen en Suzanne speelt die ene noot iets korter. Alsof ze alles op dat ding kan.

Maar ook mijn eigen lessen vergroten het besef ‘liefhebber’ te zijn en nog lang geen fagottist. Als liefhebber probeerde ik vooral ‘mooi’ te spelen, maar hoe kan je mooi willen spelen als één op de drie tertsen een tussen-noot laten horen? Of als elke As en elke A en elke Bes en elke B kraakt…? Of elk sprong naar de hoge A een sprong in het duister is? Of wanneer je nu pas merkt dat de onderkant van je heerlijke oude fagot toch wel heel erg lekt? Of als Ronald er fijntjes op wijst dat je ritme in de verte overeenkomt met wat daar ongeveer staat (mijn woorden)? Wat heb ik in godsnaam al die jaren gedaan…?

Ja, en als je dan ook nog ziek wordt en medicijnen slikt die niet bevordelijk zijn voor je embouchure, zit je op een avond in je eigen amateurorkestje te vloeken dat je er niks meer van kan. Dat het nooit wat zal worden met jou. Dat je ermee gaat stoppen, als het niet snel beter wordt. En natuurlijk geef je het riet de schuld. Rieten hebben altijd de schuld. Na een vakantie heeft altijd het riet moeite om erin weer in te komen, en niet jij. Maar je weet beter. Je weet dat goed fagot spelen gewoon ontzettend moeilijk is. En dat je morgen weer hard aan de slag moet met die tertsen, met die krakende noten en die rammelende ritmiek.

Maar toch blijft er iets knagen: waarom durf ik eigenlijk hier elke keer een column te vullen? Of hoef je voor een column alleen te kunnen schrijven?

[Voor De Fagot, tijdschrift voor fagottisten]

Bij muziek heb je geen discussie over beter

mei 31, 2015 by  
Filed under fagot

Elizabeth Schwarzkopf heeft de toon gezet. De befaamde sopraan was al op hoge leeftijd toen ze nog masterclasses gaf aan jonge zangers. Erg zachtzinnig ging het er bij haar niet aan toe. Als iemand niet aan haar hoge eisen voldeed, kon haar commentaar vernietigend en zelfs vernederend zijn. De masterclasses werden later op de tv uitgezonden en gingen daarmee deel uitmaken van ons collectieve geheugen. Vanaf dat moment waren masterclasses voor sommigen bij voorbaat berucht.

Hoe anders kan het ook. In het kader van de Operadagen Rotterdam gaven Henk Neven en Hans Eijsackers vorige week  een masterclass aan liedduo’s: zangers en hun eigen begeleiders. De masters gaven vooral vertrouwen. Hoe eerlijk ze soms ook waren (een pianist heeft “too much…uh… prikkeldraad” in zijn spel). Maar elk commentaar begon met waardering, met de positieve kanten. En wat een ander als ‘fout’ zou betitelen, werd door de masters vaak als ‘een andere interpretatie’ neergezet. Alle positieve opmerkingen verschaften de ruimte om echt aan het werk te gaan. Om de zangers en de duo’s te helpen. En de effecten waren ernaar. Natuurlijk waren alle duo’s bij hun eerste presentatie gespannen en musiceerden ze ongetwijfeld onder hun niveau. Maar de progressie in een uur was gewoon opvallend.

Waar letten die masters op? Op de interpretatie van de tekst, vanzelfsprekend, op de inbeelding van de tekst, op het interacteren met het publiek en op het onderlinge samenspel. En natuurlijk: hoe kan je het beste klank maken. Een jonge Duitse bariton werd goedkeurden op zijn opkomende buik geklopt. En eigenlijk waren ze alleen maar scherp en direct als de musicus zich niet voorbereidde op zijn of haar eerste noot. Je kan pas beginnen als je weet wat je gaat vertellen.

Ja, dit was ‘leren’. Hier werd veel ‘geleerd’. Met enige droefheid dacht ik ondertussen aan mijn collegezaal met honderd keuzevakkers. Daar sta ik alleen op het podium. En zijn de leerlingen in het beste geval toehoorder. Bij een masterclass staan de leerling en de master samen op het podium. En is de leerling in gespannen afwachting van het oordeel van de master. Bij mij zijn de studenten vooral benieuwd naar het tentamen. Ja, op de universiteit leiden we vooral op tot het maken van een tentamen.

Maar er is een nog groter verschil tussen mijn bestuurskunde-studenten en deze liedduo’s. Wanneer heeft een bestuurskunde-student iets geleerd? Als hij een boek kan navertellen? Als hij vier argumenten voor en vier argumenten tegen de representatieve democratie kan opnoemen (dus een paar dagen kan onthouden)? Of wanneer hij het openbaar bestuur beter begrijpt? Maar hoe meten we dat laatste? Moeten we hem vragen een advies uit te brengen over een bepaalde casus? Maar wat is een goed advies? Wat is goed bestuur?

Hoe anders leek het hier, bij de die masterclass. De masters, de deelnemers, de hele zaal, iedereen hoorde de progressie. Hoorde dat de liedduo’s in korte tijd beter waren geworden. Soms was hun expressiviteit toegenomen, soms was hun voordracht intenser, soms klonken de stemmen dieper of stralender, soms was er meer samenspel. Maar in ieder geval waren ze gewoon beter dan een half uur eerder. Blijkbaar is ‘beter’ in dit vak een soort ‘objectief’ gegeven. In dat opzicht zal ook Elisabeth Schwarzkopf indertijd wel gelijk hebben gehad.

Onder dat ‘beter’ ligt een simpel begrip: ‘beheersing’. Alleen door je instrument, je stem beter te beheersen ben je in staat tot een betere uitvoering te komen. Deze blog heeft dan ook een simpele conclusie: wie een goede muzikant wil worden, moet gewoon heel hard studeren. Daar wordt ie ‘beter’ van. En natuurlijk: bij hele goede masters in de leer gaan. Zeg maar: het type Henk Neven en Hans Eijsackers.

Waarom amateurmusici altijd amateurs zullen blijven

december 22, 2014 by  
Filed under fagot

Je hebt amateurmusici en je hebt beroepsmusici. Er is één groot verschil: zij zijn veel beter.

In mijn huidige orkest is het geen onderwerp van gesprek. Ons niveau is dan ook zo onderhoudend, dat niemand zich met een beroepsorkest wil vergelijken. Maar dat geldt niet voor alle amateur-orkesten waarin ik heb gespeeld. In momenten van overmoed vergeleken we ons zelf graag met een provinciaal beroepsorkest. Natuurlijk, zij waren technisch wel beter, maar ons enthousiasme compenseerde dat tekort. Ja, zeker na een geslaagd concert waren we door alle adrenaline soms zo gelukkig met onszelf dat we meenden dat een serieuze vergelijking op zijn plaats was. Natuurlijk, het was een misvatting, maar wel een hardnekkige. Beroepsmusici zijn gewoon veel beter, ook als ze er geen zin in hebben, ook als ze ruzie hebben met hun dirigent, ook als ze in een slechte zaal spelen. Ja altijd. Die enkele keer dat ik mijn eigen orkest vanuit de zaal hoorde, omdat ik geen tijd had gehad voor alle repetities, werd me dat snel duidelijk. Het orkest speelde heel goed voor een amateur-orkest, maar het hoogst bereikbare was toch zonder fouten spelen. Alle noten onder elkaar. En dat lukte vaak niet meer dan tien maten.

En laat ik eerlijk zijn, ook in mijn huidige orkest drukken we affiches als we een concert gaan geven. Niet om onze familie en onze vrienden te bereiken, maar omdat we denken dat we ook onbekenden een hele mooie avond kunnen bezorgen. We hebben toch heel hard gestudeerd? Gelukkig zijn we uiteindelijk altijd te lui om veel affiches op te hangen. Blijkbaar beseffen we diep in ons hart dat familie en vrienden efficiënter op een andere manier kunnen worden benaderd. Want dat is ons publiek. Niet meer en niet minder. En ook menen we dat we elke keer een volwaardig programma moeten aanbieden. Alsof familie en vrienden het niet heerlijk zouden kunnen vinden als het concert een half uur eerder is afgelopen.

Vanwaar dan toch die vergelijking? Waarom moeten amateurmusici zich me beroepsmusici vergelijken? Waarom is het niet genoeg om te genieten van het eigen samenspel, Waarom is het niet genoeg om alleen voor familie en vrienden onderhoudend te zijn? Ik heb vier hypotheses (ja, mijn beroep is wetenschapper).

In de goede amateur-orkesten kom je soms mensen tegen die een conservatorium-diploma op zak hebben. Ze hebben de status van orkestmusicus nooit bereikt in de professionele wereld en geven vaak les. Of ze hebben gewoon een nette baan buiten de muziek. Want er zijn ook nogal wat mensen die naast het conservatorium een universitaire opleiding hebben gevolgd. Het omgekeerde komt nog veel vaker voor. Net zoals er heel wat amateurmusici zijn die uiteindelijk de keuze hebben gemaakt om niet naar het conservatorium te gaan. Uit allerlei jeugdorkesten en studentenorkesten kennen ze nog heel wat medestudenten die wel voor een loopbaan in de muziek hebben gekozen. En inderdaad, die hoboïst uit het studentenorkest was helemaal niet zo heel veel beter, toen hij naar het conservatorium vertrok. Maar daarna studeerde hij wel jaren vijf uur per dag of meer. En haalde hij een niveau dat wij nooit meer zullen bereiken. Mekaar kennen is dus heel wat anders dan even goed zijn.

Er is ook een sociologische verklaring. Relatief veel amateurmusici behoren tot de maatschappelijke elite, of op zijn minst tot de maatschappelijke bovenlaag. Lang niet alle beroepsmusici genieten zoveel maatschappelijk aanzien. Natuurlijk, het is veel beter dan in de tijd van de hoforkesten, maar ik vrees dat nog steeds veel bezoekers van het Concertgebouw met liefde dezelfde musici voor een eigen huisconcert in Bloemendaal met een fooi afschepen. En zelfs in het Concertgebouw krijgen de blazers van het Nieuwjaarsconcert niet meer dan € 200 voor een hele middag spelen. Dat is niet het tarief van de advocaat op het donderdagavond-concert. En voor de professionele dirigenten van de amateur-orkesten is het ook vaak schrapen in vergelijking met het salaris van de gegoede burgerij die ze voor zich treffen. Ik weet: het is een gevaarlijke hypothese. Ik weet ook dat veel amateurmusici muzikaal zeer opkijken tegen beroepsmusici. Dat statusgevoel kan een eerlijke vergelijking soms in de weg staan.

En het is niet alleen een statusgevoel. Veel amateurmusici zijn geslaagd in het leven. Veel amateur-orkesten zijn een voortzetting van het studentenorkest van vroeger. Er zitten weinig mensen om je heen die niet op de universiteit zijn geweest. Een allochtoon kom je niet tegen, wel een expat. Ze spelen vaak op uitstekende instrumenten, omdat uitstekende instrumenten worden verkocht aan degene die het hoogste biedt. En dat geldt voor mij al evenzeer: al jaren bespeel ik een prachtige Heckel. En zoals mensen die maatschappelijk geslaagd zijn, soms met veel poeha de grootst mogelijke onzin kunnen uitkramen, zo gaan ze soms ook denken hele goede musici te zijn. Wie geslaagd is in het leven, denkt al gauw god te zijn op zijn fagot.

Ik geef toe: de vierde hypothese overtuigt mij het meest. Het is ook een hele simpele hypothese: veel amateurmusici zouden niets liever willen dan zo goed te spelen als een beroepsmusicus. Dat niveau zullen ze nooit halen. De beroeps hebben een niet te achterhalen voorsprong genomen in hun conservatorium-tijd, waarin die vijf uur per dag werd gestudeerd. Of meer. Dat spelniveau haal je nooit meer als je in je hele leven een paar uur week studeert. Dus misschien is al die neiging om te vergelijken wel gewoon een kwestie van gezonde jaloezie.

Maar waarom zou je jaloers zijn?  Beroepsmusici spelen veel beter dan amateurmusici, beroepsorkesten zijn veel beter dan amateur-orkesten. Maar amateurs hebben het grote genoegen fouten te mogen maken. En dat is een beroepsmusicus niet gegeven.

Een fagot op afstand

oktober 4, 2014 by  
Filed under artikel, fagot

 

celle orkest evelien

 

Vandaag voor het eerst als cellist in een orkest gezeten. Elke keer als de dirigent ‘fagotten’ zegt, kijk je op. Na 43 jaar als fagot in vele orkesten te hebben gespeeld. Amateur-orkesten. Maar gek genoeg kijk ik ook op als hij ‘celli’ zegt. Of ‘strijkers’. En gek genoeg voelt het heel huiselijk, zo’n groep met allemaal dezelfde partij op de lessenaar. Ik voel me meteen thuis.

Het is geen overstap. Maar het zou wel eens een overstap kunnen worden. Op termijn, als de lippen te slap worden en de embouchure niet meer valt te trainen. Of als het lijf de fysieke inspanning niet meer aankan.

Voorlopig is het vooral bijzonder om te vergelijken. En om de blazers eens op afstand te zien. En te horen. Als fagot meende ik wel eens dat de strijkers te veel zeurden over de harde klank van de blazers. Vandaag begreep ik voor het eerst wat ze bedoelden. Die strijkersklank is eigenlijk heel erg zacht en week. En dan klinkt van achter het orkest een muur van geluid. Die blazers zijn inderdaad heel goed te horen. Nee, ze zijn gewoon vaak te hard. Ik weet dat ik daarop zelf zeker geen uitzondering ben.

Het is dan niet zo verwonderlijk dat je als blazer je eigen groep van blazers ook veel beter hoort dan celli hun eigen groep horen. Ik geef toe, deze cellogroep was niet zo getalenteerd en achter ons stond een drumstel. Maar toch. Als fagot hoor ik altijd alle blazers om me heen, als groep en individueel. Binnen die kakofonie kan ik mezelf heel goed horen. Ik hoor wanneer ik vals speel, ik hoor wanneer het me niet lukt om daar iets aan te doen. Binnen de cellogroep hoor je jezelf veel en veel slechter. Mijn ervaren buurvrouw bevestigde het: “Je hoort wel dat er iemand vals speelt, maar het is soms moeilijk om te bepalen of jij dat bent, of je achterbuurvrouw.” Omdat ik minder ervaren ben hoorde ik soms pijnlijk goed dat ik pijnlijk vals speelde. Maar als ik ergens in de buurt van zuiver kwam, ging mijn eigen geluid in feite ten onder in de groep.

Er zijn meer verschillen. Blazers zijn allemaal nogal individualistisch en sommigen zijn nogal aanwezig. Fagotten vormen daarop geen uitzondering. Het is ondenkbaar dat de blazers een aanvoerder zouden hebben. Die hebben ze naar mijn ervaring ook nooit. Zo’n cellogroep is rustiger, aardiger, maar ook onzichtbaarder. De alten-mop ‘Wat doe je met een dode alt? Die zet je een lessenaar naar achteren’, gaat wel een beetje op voor alle strijkers. Misschien afgezien van de eerste violen die wel altijd strijden om lessenaars en om stoelen. Juist omdat de cellogroep zo vriendelijk bezig is om allemaal een beetje gelijk te spelen, is er wel een aanvoerder. Mijn aanvoerder van vandaag was zo’n aanvoerder. Geen dominant gedrag, maar alleen vriendelijke woorden. Dat het goed ging, dat we daar misschien een opstreek moeten doen en dat de eerste lessenaar daar bij het diviseren beter de moeilijke onderste partij kan spelen.

Er is nog een groot verschil dat niet onvermeld mag blijven. Fagot spelen is fysiek veel en veel zwaarder. Die ademsteun, die ademnood soms, dat gewicht van het instrument. Wat een verschil met zo’n lieve cello die daar tussen je knieën een beetje ligt te knorren. Ontspannen, alles ontspannen. Aan het einde van een repetitie op de fagot heb ik het vaak helemaal gehad. Hier had ik het gevoel nog uren te kunnen doorgaan. Dat blazen heeft nog een ander fysiek verschil: bij de fagot moest ik van Ronald Karten de klank altijd van binnen voelen, in mezelf, niet in het instrument. Bij een cello hoor je het geluid toch echt buiten jezelf. Dat verklaart ook dat blazers zo weinig communiceren tijdens het spelen, laat staan dropjes eten. Strijkers lachen en praten zelfs tijdens het spelen. En om het drop eten zijn ze vermaard.

Voorlopig zit ik woensdag weer in mijn eigen orkest, op de fagot. En vraagt mijn dirigent zich weer af of dat cellospelen niet te veel te koste gaat van de fagot-etudes. Een dirigent heeft altijd gelijk.

Bellitoni – onverwoestbaar merk

april 14, 2014 by  
Filed under fagot

Wie Bellitoni in grootse bezetting en aangevuld met koor en solisten op het podium ziet zitten, kan maar moeilijk geloven dat het orkest ooit bij toeval is ontstaan. In de jaren 70 kwamen overal projectorkesten op: orkesten die per project worden samengesteld en na een intensieve repetitieperiode en één of meer concerten weer uit elkaar vallen. Als je net was afgestudeerd was dat iets aantrekkelijker dan het toen wat oubollige Musica in Den Haag dat elke dinsdag repeteerde. Of laat ik het anders zeggen: de gemiddelde leeftijd was er zo hoog dat we elke maand een sterfgeval hadden te betreuren.

De FASO had een paar jaar een projectorkest in Zuid-Holland georganiseerd. Maar na 1978 stopte dat om onduidelijke redenen. Via mijn werk kende ik toevallig de politiek filosoof Herman van Gunsteren. Tevens een begenadigd pianist. We droomden soms van een orkest, waar Herman de solopartij op piano voor zijn rekening zou nemen. Met het wegvallen van het FASO-orkest was het moment daar. Ik regelde een zaaltje, trommelde wat vrienden uit Groningen, die inmiddels ook in de Randstad woonden, en de enkele jongeren van Musica bij elkaar en Peter Greve werd de dirigent. Uiteindelijk speelden we niet zoals het plan was, drie maar twee pianoconcerten van Mozart.

Pas tijdens de repetities ontstond de gedachte dat we in een volgend jaar nog wel eens zouden kunnen doorgaan. Dat werd meteen het najaar. Hans van Hoolwerff bedacht die naam. Die vreemde naam, die toch ook onverwoestbare naam. Het is het bestuur in de eerste jaren nooit gelukt om hem geleidelijk te doen vergeten. Peter Greve bleef de dirigent en het orkest was klein, heel klein. Concerten in het Groene Kerkje in Oegstgeest. Repeteren bij Herman thuis. Pas na vijf jaar ontstond de drang om met een andere dirigent verder te gaan, Jules van Hessen. Onder zijn leiding groeide het orkest, maar een kamerorkest bleef het. De zalen werden groter, het publiek talrijker.

Jules was enthousiast, soms te enthousiast. Daardoor werd Bellitoni beter en beter, maar op een gegeven moment liep hij te ver voor de troepen uit. Alexandru Lascae nam de plaats van Jules in 1990 over. Vanaf dat moment groeide het orkest in hoog tempo en kwamen de grote orkestwerken op de lessenaar te staan. Zo werd niet Van Hessen maar Lascae het keerpunt. Sandu was een geweldige dirigent. Hij vroeg veel van de leden, maar nog meer van zichzelf. Hij viel nooit iemand in het openbaar af en wist als het nodig was te ontspannen, vooral door zijn onovertroffen gebruik van de Nederlandse taal.

Na 21 jaar heb ik het orkest verlaten. Er kwam een andere hobby bij. Qua energie maakte het niet veel uit. Het lopen van een marathon is niet zwaarder dan een repetitieweekend van Bellitoni. Het orkest zweefde bij me vandaan. Het kostte me moeite om de concerten bij te wonen. Als je eenmaal deelgenoot bent geweest van het ecosysteem Bellitoni, past het eigenlijk niet meer om op gehoorsafstand buitenstaander te zijn. Gelukkig zijn er vele anderen die naar Mahler 2 komen luisteren. En terecht.

Fagot

april 4, 2014 by  
Filed under fagot


Sinds 1970 speel ik fagot, sinds 1989 op een Heckel uit 1920 [www.heckel.de]. Sinds voorjaar 2012 speel ik (een beetje) cello, sinds najaar 2012 op een Gavaller uit 2012 .

 

Recente concerten:

Haags Barokgezelschap o.l.v. Gilles Michels: 4 april 2014, Badkapel Scheveningen
Mattheus Passion [solisten: Bart van Lieshout, evangelist; Marcel Moester, Christus; Klaartje van Veldhoven, sopraan; Kaspar Kröne, altus; Jan-Willem Schaafsma, tenor; Michael Wilmering, bas]

Haags Barokgezelschap o.l.v. Patrick Pranger: 22 september 2013, Badkapel Scheveningen

– BWV 75 en slotkoraal BWV 98 van J.S. Bach

 ABC ensemble o.l.v. Benjamin Bakker: 16 juni 2013 Dorpskerk Zunderdorp
– J.S. Bach, Cantate 155
– A. Vivaldi, Gloria

 Zuid-Hollands Symfonieorkest o.l.v.Joost Geevers: 15 juni 2013, Remonstrantse kerk, Den Haag
– J.C. Bach, Symfonie in Bes
– H. Berlioz, Nuits d’été, solist Sylvia O’Brien
– F. Mendelssohn, Vierde Symfonie (Italiaanse)

Haags Barokgezelschap o.l.v. Gilles Michels: 21 april 2013, Badkapel Scheveningen en Dorpskerk Wassenaar
– BWV 67 van J.S. Bach

Celloduo met Jaap Drijver: 16 februari 2012, Vredeskapel, Den Haag
– Twee duetten van Lee

Zuid-Hollands Symfonieorkest o.l.v. Joost Geevers: 24 november 2012, Den Haag
– Bellini, Ouverture Norma
– Dvorák, Slavische Dansen, opus 46
– Kodály, Dansen van Galanta
– Brahms, Pianoconcert nr. 1; solist: Mengjie Han

Zuid-Hollands Symfonieorkest o.l.v. Joost Geevers: 23 juni 2012, Remonstrantse kerk, Den Haag
– Sibelius, Valse triste
– Elgar, Celloconcert; soliste: Elisabeth Wiklander
– Verhulst, Symfonie in e, opus 46

Haags Barokgezelschap o.l.v. Gilles Michels: 23 december 2011, Badkapel, Scheveningen
– Handel, Messiah

Rotterdams Barok Ensemble o.l.v. Benjamin Bakker: 17 december 2011, 20.15, Pelgrimvaderskerk, Rotterdam
– Handel, Messiah, deel 1 + Hallelujah, Worthy the Lamb
– Kuhnau, Magnificat

Zuid-Hollands Symfonieorkest o.l.v. Joost Geevers: 27 november 2011, De Elsendonck,  Boxmeer
– Gevarieerd programma, merendeels lichtere muziek (Gershwin, Grieg, Sandström, Sibelius)

Zuid-Hollands Symfonieorkest [www.hetzso.nl] o.l.v. Joost Geevers: 19 november 2011, Remonstrantsekerk, Den Haag
– Geevers, Concert voor slagwerk en orkest
– Mozart, Symfonie nr 35 (Haffner)
– Schubert, Symfonie nr 8 (Unvollendete)
– Gesualdo arr. Geevers

« Vorige paginaVolgende pagina »