Mijn hond moet plassen #avondklok #corona

januari 20, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De geruchtenstroom draait al weer. Er komen strengere maatregelen. De avondklok zou aanstaande vrijdag al ingaan. 

Laten we ons even baseren op de cijfers. 

  • Het aantal besmettingen laat in de afgelopen week een daling van meer dan 20% zien.
  • Het reproductiegetal bedraagt 0,98. Dat betekent dat de pandemie heel, heel langzaam uitdooft. 
  • De bezetting van de ziekenhuizen daalde in de afgelopen week licht. 
  • De wekelijkse toestroom in de ziekenhuizen is binnen 3 weken met eenderde afgenomen: van 1946 naar 1348.
  • De bezetting van de IC’s is constant, de instroom op de IC’s daalde de afgelopen week licht.
  • Er liggen nu minder dan 700 mensen op de IC’s, een hoog aantal, maar veel minder dan de piek van ruim 1200 in het voorjaar.
  • De oversterfte door COVID-19 is tijdens de tweede golf (dus na de zomer) niet hoger dan in de griepepidemie van 2018.
  • De kansenongelijkheid onder kinderen is groter geworden, omdat kinderen met hoogopgeleide ouders thuis goed onderwijs krijgen, terwijl kinderen van veel laagopgeleide ouders helemaal geen onderwijs krijgen.
  • De horeca en de retail zien hun verliezen verder toenemen.
  • De cultuursector blijft nog langer op een rudimentair niveau doordraaien, met veel persoonlijke en financiële drama’s tot gevolg.
  • De sport ligt nagenoeg stil, zodat de gezondheidstoestand in de samenleving verder verslechtert. 
  • Voor veel mensen die om andere reden dan COVID-19 zorg nodig hebben, is in ziekenhuizen veel minder plaats. 

Ik zou zeggen: stuur op zijn minst die kinderen weer snel naar school.

Maar het OMT en het kabinet neigen naar extra maatregelen. Dan zou ik toch wel graag willen weten waarom er aan die extra maatregelen wordt gedacht. Ten slotte moet mijn hond ‘s avonds altijd plassen.

Er wordt steeds verwezen naar één belangrijke reden voor de extra maatregelen: de Britse variant van het virus. Wat weten we daar inmiddels van:

  • De Britse variant is al in Nederland en we zien nog geen effect.
  • In het Verenigd Koninkrijk lopen de besmettingen de laatste week snel terug ondanks de volop aanwezige Britse variant.
  • Deskundigen als Levie twijfelen of de eerdere toename van de besmettingen in het VK aan de Britse variant of aan familiebezoek bij Kerstmis moet worden toegeschreven.

Gelukkig heeft het RIVM ook zelf onderzoek gedaan. Het is opgenomen in het laatste advies van het OMT aan de minister van VWS. Ik lees daar twee belangrijke zinnen. 

Ten eerste: “In de kiemsurveillance zijn op dit moment 39 besmettingen met de VK-variant vastgesteld.” 

Ten tweede: “Op basis van de kiemsurveillance is inzicht in het percentage van de VK-variant van het SARS-CoV-2 virus in Nederland. Het reproductiegetal voor de ‘oude’ variant is rond 1 januari net onder de waarde van 1, en het reproductiegetal van de VK-variant is rond 31 december ongeveer 30% hoger.”

Men stelt dus dat op basis van 39 besmettingen vast dat de R van de Britse variant 30% hoger is. Ik begrijp dat het een complex onderzoek is, maar ook bij moeilijk onderzoek moeten we vaststellen hoe groot de betrouwbaarheidsmarges zijn. Ik kan me niet voorstellen dat de bewering dat de Britse variant leidt tot een 30%-hogere R, significant is.

Meer cijfers worden niet gegeven. Meer analyse wordt niet gepresenteerd. Dus we stellen een avondklok in omdat op basis van 39 besmettingen wordt vastgesteld dat het reproductiegetal 30% hoger is?

Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met nieuwe varianten. Natuurlijk moeten we heel alert zijn op factoren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat we spoedig weer een toename van het aantal besmettingen zien. Maar dit bewijs is wel heel mager. En we weten hoeveel schade er tegenover staat. 

Die wappies die het Museumplein onveilig maken, zijn intussen de weg kwijtgeraakt. Maar ze hebben er wel recht op dat er niet op basis van angst maar op basis van feiten wordt geregeerd. Zoals iedereen daar recht op heeft. 

Ik herinner me nog goed dat Hugo de Jonge ergens in de zomer één van zijn vele metaforen presenteerde: “We moeten het vuurtje meteen uittrappen!”. Die metafoor staat voor angst. Zoals Rutte het virus met “een grote hamer” te lijf wilde gaan. Vanuit die angst kan het kabinetsbeleid soms heel goed worden begrepen. Nee, we moeten het virus niet met metaforen te lijf gaan, we moeten het virus onder controle houden. En we moeten zeker niet proberen om het virus op korte termijn uit te roeien. 

En oh ja, je houdt het virus het beste onder controle door haast te maken met vaccineren. 

Jesse Klaver is de ideale kandidaat om Asscher op te volgen

januari 17, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Donderdagmorgen liet Lodewijk Asscher weten dat hij geen kandidaat meer was voor het lijsttrekkerschap van de PvdA bij de komende verkiezingen. Meteen circuleerden allerlei namen van mogelijke opvolgers. Khadija Arib en Lilian Ploumen waren logische kandidaten omdat ze als tweede en derde op de lijst stonden. Frans Timmermans had grote winst gebracht bij de Europese verkiezingen. En Ahmed Aboutaleb hangt altijd wel boven de markt. De laatste twee lieten weten niet in aanmerking te willen komen. De woorden waren zo gekozen dat er in grote nood altijd nog op kon worden teruggekomen. Arib wachtte eerst het standpunt van het bestuur af en Ploumen was het meest openlijk over haar interesse. 

Op zondagavond is nog steeds niets bekend. Dat betekent dat het bestuur Ploumen niet goed genoeg acht om Asscher op te volgen. Als dat immers wel zo was, hadden ze haar meteen hunnen voordragen bij het uitgestelde congres. Het betekent ook dat Ploumen met een achterstand begint als ze de komende week alsnog wordt voorgedragen. We mogen dus aannemen dat er wordt getrokken aan Timmermans en/of Aboutaleb. Eerlijk gezegd zie ik ook geen andere kandidaten binnen de PvdA die op 17 maart meer dan negen zetels kunnen binnenhalen. 

Ik kan me de twijfels bij Timmermans en bij Aboutaleb overigens goed voorstellen. Het is weinig verlokkelijk om straks met 8 anderen een onbeduidende fractie te vormen in de Tweede Kamer. Twee van je collega’s denken bovendien dat zij het beter hadden gedaan. 

Toch is er een fantastische kandidaat. Jesse Klaver. Het ontijdige vertrek van Lodewijk Asscher is het ideale moment voor een fusie van de PvdA met Groenlinks. Te beginnen met een gezamenlijke lijst. Die fusie lag altijd ingewikkeld omdat één van beide leiders zich moest terugtrekken. Of nog erger: dat beide leiders zich ten gunste van een derde moesten terugtrekken. En leiders stappen niet graag op.

Nu ligt het anders. Er is (wellicht) geen logische kandidaat binnen de PvdA. Jesse Klaver is onomstreden binnen GroenLinks en heeft een rijke ervaring opgedaan in de Tweede Kamer. Laten de partijen niet moeilijk doen over de lijsten. Gewoon om en om. De verkiezingsprogramma’s lijken al jaren als twee druppels water op elkaar. Dus zoek één goede redacteur. De voorzitter van de PvdA wordt voorzitter van een voorlopig bestuur. We noemen de partij: Progressieve Partij. En we halen 25 tot 30 zetels. 

[Ik geloof niet dat dit blogje erg goed getimed was. Een paar uur later werd Lilianne Ploumen door het bestuur van de PvdA voorgedragen als lijsttrekker van de PvdA bij de Kamerverkiezingen van 17 maart 2021.]

Alleen het vaccin kan ons nog helpen #corona

januari 13, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

En daar stonden ze weer. Mark en Hugo. Gelukkig noemen ze elkaar tegenwoordig voluit: Mark Rutte en Hugo de Jonge. Ik weet niet wie eerder had bedacht dat ze elkaar voor het volk met Mark en Hugo moesten aanspreken. Ik vond het niet passend bij de zwaarte van moment. Waarom zeggen ze niet gewoon “minister-president” of “minister” als ze het woord aan elkaar overgeven? Terwijl het hele land toch wordt stilgelegd. 

Aan de setting is niets veranderd, hoewel Irma dit keer ontbrak. Nog steeds dat zaaltje op het Ministerie van Justitie en Veiligheid in één van die torens van de Duitse architect Kollhoff. Nog steeds Rutte links en De Jonge rechts. Nog steeds begint Rutte met de boodschap en is De Jonge er voor de duiding en voor de details. 

Maar toch is er iets veranderd. Het charisma is verdwenen. We luisteren nog, maar hangen niet meer aan hun lippen. We horen dat de lockdown met drie weken wordt verlengd, maar we hebben niet meer de indruk dat we in een lockdown leven. We horen dat we tot eind maart niet met vakantie mogen, maar hebben al lang geboekt voor eind februari. En we horen dat we allemaal moeten thuiswerken, terwijl mijn vrouw net belt dat ze wat later van het werk vertrekt. Ja, dat is echt allemaal anders. 

Godzijdank loopt het aantal besmettingen langzaam terug en stagneert de bezetting op de IC’s. Want ik weet niet wat Mark en Hugo anders hadden moeten doen. Nog ernstiger kijken? Kansloos! Nog meer scholen dicht? Kansloos! Nog meer maatregelen? Kansloos! Mark en Hugo wisten het. Het toneelstukje moest worden opgevoerd. Omdat het anders nog erger uit de hand zou lopen. 

Maar de angst is uit de samenleving en we zijn weer zelf gaan bedenken hoe we ons willen wapenen. Niet Mark en Hugo bepalen hoe wij ons gedragen, maar dat bepalen we weer grotendeels zelf. Afgezien van die arme horeca, die arme winkels, die arme kunstenaars, die arme kappers, die grof op slot zijn gezet. 

Mark en Hugo weten: er is slechts één oplossing: het vaccin. Als alle kwetsbare ouderen zijn gevaccineerd neemt de druk op de ziekenhuizen en op de IC’s snel af. Want al die jonkies hoesten een paar keer in hun elleboog en gaan na een paar dagen weer aan het werk. Ja, er zijn ook jongeren die overlijden aan COVID, net zoals er ook veel mensen overlijden na de val van hun keukentrap of na een ongeluk in het verkeer. Maar als de kwetsbare ouderen niet meer ziek worden door COVID-19 daalt in rap tempo het aantal sterfgevallen, het aantal ziekenhuisopnames en het aantal IC-opnames tot normale proporties. 

In dat opzicht is het echt opvallend dat eerst al die zorgmedewerkers worden ingeënt. Versta me niet verkeerd: uit barmhartigheid is het juist om eerst aandacht aan hen te schenken. Ze hebben het zwaar voor de kiezen gehad, dit jaar. Maar als je de pandemie wil bestrijden, moet je toch echt eerst de kwetsbare ouderen vaccineren. 

Ik meen dat Mark en Hugo dat eerst ook van plan waren. Maar nadat Gommers en Kuipers één avond hun mediacontacten hadden aangesproken, ging De Jonge pijlsnel om. Dat is niet flexibel inspelen op veranderde omstandigheden, dat is zwabberen op grond van een geslaagde lobby. Een geslaagde lobby, in dit geval niet van twee deskundigen, maar van twee mannen die (hoe legitiem ook) opkwamen voor hun eigen mensen. 

We hadden, als we het goed hadden georganiseerd, eind december kunnen beginnen met vaccineren van de kwetsbare ouderen. Die ouderen komen nu pas in februari aan bod. Ik ben schappelijk: dat is een verlies van een maand. Is er even een econoom die kan uitrekenen hoeveel die maand extra lockdown ons met elkaar gaat kosten? Omdat Gommers en Kuipers meenden dat eerst hun eigen medewerkers moesten worden ingeënt? 

Zonder #cultuur is het leven schraal

januari 11, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De overheid trok zich terug, de markt moest het doen. Het ging voortaan over verdienmodellen en verdienvermogen, over cultureel ondernemerschap, over kennis over marktstimulering, over zelfstandigheid en vooral over geld verdienen. Dat is de ontwikkeling die de culturele sector in de laatste decennia heeft doorgemaakt. Halbe Zijlstra stond als staatssecretaris model voor deze omslag. Omdat hij het onomwonden zei. Omdat hij niets had met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur. En schijnbaar ook niets met de hoge cultuur op zich. 

Ik geef toe: het was ook wel verfrissend. De reacties uit de cultuursector getuigden daarvan. Alsof het aanmatigend was van Halbe Zijlstra om zich uit te spreken over cultuurpolitiek. Alsof alleen de cultuursector mocht bepalen op hoeveel subsidie zij zelf recht had. Alsof alleen niet-bezuinigen een uiting van beschaving was. Onzin natuurlijk. In een beschaafde democratie maken we samen uit wie wat krijgt. 

Dat er minder geld was voor de culturele sector was misschien ook nog wel te billijken. Echt kwalijk was het dat Halbe Zijlstra het onderscheid tussen tandpasta en cultuur niet leek te zien. Cultuur moest je verkopen. En als er niets werd verkocht was er blijkbaar geen behoefte aan. Waarom zou de overheid cultuur subsidiëren waarvoor de cultuurliefhebbers onvoldoende geld over hadden? Noodgedwongen werd dat economische denken door de culturele sector overgenomen. Vanaf Zijlstra werd de culturele sector bij uitstek als een economische sector gezien. 

Zo werd het publieksbereik steeds belangrijker. Niet om meer mensen te laten genieten, maar vooral om meer kaartjes te verkopen. Kunstenaars werden culturele ondernemers, die nieuwe verdienmodellen beproefden. Culturele instellingen werden bedrijven die vooral moesten bezuinigen. Logischerwijs nam het gewicht van de managers, die verstand hadden van marktstimulering en van het vergroten van de veerkracht van het eigen bedrijf toe. Ten koste van de makers om wie het in deze sector uitsluitend is te doen. Nergens horen managers zo ondergeschikt en ondersteunend te zijn als in de culturele sector. Het tegendeel leek steeds meer het geval. 

Niet alleen het handelen maar ook het debat veranderde (definitief). Om te bewijzen dat de overheid de culturele sector niet helemaal in de steek mocht laten, werd steeds meer over de ‘waarde’ van cultuur gesproken. En daarbij ging het niet om de intrinsieke waarde van cultuur, maar plat gezegd om de economische waarde. Door cultuur verbetert het vestigingsklimaat van steden voor bedrijven. Door festivals stijgt de omzet van kroegen en restaurants. Door blockbusters stijgt de hotelbezetting. Cultuur levert geld op, dat niet in toegangskaartjes wordt verdisconteerd. En dat is toch een goed argument voor de overheid om financieel bij te springen? 

Arme kunst, de kunst had geen waarde meer van zichzelf, geen intrinsieke waarde meer, maar alleen nog maar economische waarde. En waar die economische waarde ontbrak, konden de makers ophoepelen. 

En toen kwam corona. We mochten elkaar niet meer ontmoeten, de musea sloten hun deuren en concerten en theatervoorstellingen werden stilgelegd. Godzijdank sprong de overheid bij zodat de hele sector niet meteen omviel. Maar die steun gold niet voor al die zzp-ers die al jaren moesten sappelen omdat er in de cultuursector veel te weinig geld was overgebleven na de kaalslag van Halbe. Die steun gold ook niet voor al die jonge talenten die net hun opleiding hadden afgerond en zich nog niet hadden gevestigd. Zij werden spoedig gedwongen om met ander werk in hun bestaan te voorzien. Waarmee veel talent verloren ging. Gaandeweg werden wel tal van dappere pogingen ondernomen om het publiek via internet te bereiken. Musea vergrootten hun digitale aanbod en orkesten en theatergezelschappen ontdekten de mogelijkheden van streaming. Maar het was niet genoeg. Het was een doekje voor het bloeden. 

Hoe triest de aanleiding ook was, hoe triest het moment, eigenlijk was het een heel bijzonder moment. Plotseling konden we vaststellen hoe schraal het leven is zonder cultuur. Iedereen kon plotseling zien dat cultuur niet alleen een economische waarde heeft. Dat cultuur een waarde op zichzelf heeft. Cultuur zorgt voor een verrijking van het leven. En zonder die verrijking is het leven schraal. Dat besef is de winst van corona. 

Acht jaar na Halbe Zijlstra leert corona ons dat we volledig zijn doorgeslagen met dat neo-liberale denken, dat iedereen aanzet om ondernemer te worden en dat elke manager doet bazelen over verdienmodellen. Natuurlijk is het goed als de cultuurmakers op zoek gaan naar hun publiek, en naar nieuw publiek. Maar ook als dat grote publiek er gewoon niet is, kan kunst uiterst zinvol zijn. Het is onzin om te stellen dat er geen plaats is voor kunst waar geen markt voor is. Cultuur is een wezenlijk onderdeel van onze samenleving. Het verrijkt het leven, het zet aan tot nadenken en het reflecteert wat er ten diepste in de samenleving gaande is. Cultuur verwijst naar onze roots, het bepaalt onze samenleving en is daarmee een basisbehoefte. Wat zou het mooi zijn als we met zijn allen, overheid én samenleving weer trots zouden zijn op cultuur, in plaats van steeds maar weer aan bezuinigingen te moeten denken en aan de mogelijkheden om de cultuur te vermarkten. Dat vreselijke woord. 

Die tegenstelling tussen overheid en markt is hier ook vals. Als de cultuur niet voldoende wordt betaald uit de kaartverkoop, moeten de gemeenschap op een andere manier de cultuur betalen. Het gaat om het onderscheid tussen een gemeenschap die rijk aan cultuur is en daardoor wordt verrijkt of een gemeenschap die verschraald door een tekort aan cultuur. En daarom moet de kunsten uit gemeenschapsgelden worden betaald als de kaartjes onvoldoende geld opleveren. 

Ook in dat opzicht heeft het afgelopen corona-jaar ons veel geleerd. Want plotseling was de overheid wel bereid om bij te passen toen de culturele sector op omvallen stond. De cultuur werd eindelijk niet meer beoordeeld op zijn verdienmodellen en zijn publieksbereik en zijn publieksdifferentiatie, maar vanwege haar eigen authentieke betekenis. Omdat een samenleving niet zonder cultuur kan. Dat is de tweede winst geweest van deze bizarre episode. Het is dus niet meer dan normaal dat de gemeenschap bijpast als er van de kaartjes niet meer valt te leven. Waarom is dat geen permanente afspraak? Dat de gemeenschap gewoon altijd bijspringt als er te weinig kaartjes worden verkocht.

Natuurlijk moeten we trots zijn op de zelfstandigheid van de culturele sector. Cultuur gedijt in autonomie. En niet onder de vleugels van een overheid. Maar we hebben wel een overheid om te garanderen dat die cultuur in alle tijden gedijt. Waarom is er bijvoorbeeld geen gegarandeerd basisinkomen voor de makers van de kunst? Ik spreek niet over een (permanent) basisinkomen. Maar wel over een permanente garantie dat er altijd voldoende inkomsten zijn, ook als er onvoldoende kaartjes worden verkocht. Dus bijvoorbeeld ook als avant garde cultuur nog maar door weinig mensen wordt begrepen. Of wanneer een museum eens iets anders dan een blockbuster wil presenteren. Of als talenten nog onvoldoende kansen krijgen om hun kunnen te tonen.

Wie zou daarvoor in aanmerking moeten komen? Mensen die zijn opgeleid in de kunsten en zich ook inzetten voor de kunsten. De makers dus. Ik stel voor dat de managers zich anders moeten bedruipen. En natuurlijk is de gemeenschap verantwoordelijk voor de basisinfrastructuur waarbinnen de makers hun prachtige werk kunnen doen. 

Ja zeker! Het idee is nog helemaal niet uitgewerkt. Het vraagt nog enige doordenking, om het eufemistisch uit te drukken. Maar laten we bij het doordenken blijven proberen om de cultuur niet economisch maar intrinsiek te waarderen. Cultuur is geen tandpasta. 

Lodewijk Asscher en het nieuwe perspectief #PvdA

januari 10, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op 7 december jl. was het de beurt aan Lodewijk Asscher om de Den Uyl-lezing uit te spreken. Het was een lezing die klonk als een klok. Asscher had er duidelijk werk van gemaakt. Het was een coherent verhaal. Hij trok een stimulerende conclusie: we moeten terug naar de ideologie. Waar Wim Kok in 1995 de ideologische veren had afgeschud, koos Lodewijk Asscher weer voor een ideologische PvdA, weg van het pragmatisme. En zeker weg van het neo-liberale denken. 

In dat neo-liberale denken staat de markt centraal. Overal waar de markt en marktprikkels het maatschappelijk verkeer kunnen coördineren, moet de markt zijn werk doen. Veel erger: in dit denken is de overheid niet de oplossing, maar het probleem. Mannen als Sweder van Wijnbergen riepen in die tijd: laat het over aan de markt als er een markt is, en als er geen markt is, moet je een markt scheppen. 

Door zich (deels) tot dit neo-liberale denken te bekeren is de PvdA ver weggeraakt van de lang beleden sociaal-democratie. Daarbij mogen we overigens niet vergeten dat de PvdA tussen 1994 en 2017 16 jaar in de regering heeft gezeten. Dat is bepaald geen slechte score. Maar het neo-liberale denken heeft uiteindelijk wel de samenleving een enorme poets gebakken. Ten eerste bleek die marktwerking op tal van terreinen heel anders te werken dan werd gesuggereerd. En ten tweede werd de markt zo dominant dat de ongelijkheid alleen maar groter werd, vooral in vermogens, maar ook in kansen. Het werd steeds duidelijker dat de PvdA een majeure draai zou moeten maken: weg van het marktwerking, terug naar een overheid die zekerheid biedt. En een overheid die zorgt voor gelijke kansen op zelfbestemming.

De Den Uyl-lezing van Asscher staat symbool voor die omslag. Maar de lezing staat ook symbool voor de omslag van Lodewijk Asscher zelf. Hij was vice-minister-president in het kabinet Rutte-II, dat nog geheel begeesterd was door marktwerking en markt-prikkels. De PvdA heeft het geweten. We zullen de verkiezingsnederlaag van 2017 niet snel vergeten. De lijst werd in 2017 aangevoerd door Lodewijk Asscher, en diezelfde Asscher bewijst nu dat hij van zijn fouten heeft geleerd. Zelden een politicus gezien die zo integer zijn fouten uit het verleden toegeeft. 

Asscher ziet in zijn lezing drie problemen: de toenemende ongelijkheid, de sociale ontheemding en de gemankeerde verzorgingsstaat. De toegenomen ongelijkheid heb ik al aangetipt. Asscher geeft schrikbarende voorbeelden. Dat de 26 rijksten op de wereld evenveel bezitten als de 3,8 miljard armsten. En wat te denken van de enorme verschillen in levensverwachting, ook in Nederland, tussen rijk en arm. En van de kansenongelijkheid in het onderwijs die de laatste jaren alleen maar groter is geworden. 

Met sociale ontheemding verwijst Asscher naar het feit dat mensen steeds meer een vreemde zijn in hun eigen buurt (doordat buren de eigen taal niet meer spreken), in de eigen baan (doordat ze alleen maar een flex-contract hebben) en in eigen land omdat juist de ‘somewheres’ in hun bestaan op de proef worden gesteld, terwijl de ‘anywheres’ zich, zoals hun naam al aangeeft, overal thuis voelen. 

Ten slotte is de verzorgingsstaat zo ingewikkeld geworden dat veel mensen niet de steun krijgen die ze nodig hebben. Maar de verzorgingsstaat is in de neo-liberale era ook verhard. De toeslagen-affaire is daarvan het meest pijnlijke voorbeeld. 

Al deze problemen vragen vooral om een overheid die weer/meer zekerheden biedt. De burger moet bestaanszekerheid worden geboden. De woningmarkt moet weer een woning bieden aan iedereen, de kansongelijkheid in het onderwijs moet worden bestreden, de economie moet werken voor mensen en niet voor aandeelhouders, de marktmacht moet weer worden gebreideld, de grond moet weer van ons zijn en niet van de speculanten. En de verzorgingsstaat moet voor iedereen een baan garanderen. 

Het is een coherent verhaal wat Asscher vertelt. Weg van het marktdenken, terug naar de zekerheid die de overheid hoort te bieden. Het is ook sympathiek om de overheid  iedereen een baan te laten garanderen. Een basisbaan in plaats van een basisinkomen. Toch klinkt in dat voorstel het verlaten neo-liberale denken nog een beetje door: “Je bent alleen succesvol als je een baan kan verwerven.” Ik hoop dan ook dat die verplichte basisbaan nog eens wordt vervangen door een basisinkomen voor mensen die geen werk kunnen vinden, terwijl de overheid tegelijkertijd heel veel banen schept ‘aan de onderkant’. Want die werkloosheid aan de onderkant is mede veroorzaakt door een overheid die vooral op banen aan de onderkant heeft bezuinigd. 

Het is een sympathiek verhaal. Weg van het economisme. Maar het is voorlopig ook nog te veel een verhaal van het ‘terug’. Terug naar een sociaal-democratie die bestaanszekerheid biedt. Een verhaal voor een PvdA die in het reine wil komen met zijn eigen wortels. En juist daarom zijn wellicht de vragen van morgen in het verhaal onderbelicht. 

Ik noem ze. Hoe gaan we om met de klimaatverandering en de verwoesting van ecosystemen op deze overbevolkte planeet? Hoe gaan we om met globalisering, migratie en Europa? Hoe gaan we om met populisme en democratie. Asscher bewijst lippendienst aan het klimaat, aan Europa en aan de democratie. Maar ik gun het hem om bij een volgende Den Uyl-lezing deze drie grote thema’s van vandaag en morgen verder uit te diepen. In het licht van de hervonden sociaal-democratie. Ik neem niet aan dat de sociaal-democratie op die vragen geen antwoord heeft. 

Leergang Triomf van de stad start weer in oktober 2021

januari 8, 2021 by  
Filed under De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Door COVID hebben we de leergang Triomf van de stad voor een jaar moeten onderbreken. Maar met enig optimisme denken we dat we de leergang in oktober 2021 weer kunnen opstarten. Het verloren jaar hebben we goed besteed door het hele programma nog eens opnieuw door te lichten. Het programma is erdoor verbeterd.

De Triomf van de stad is een prachtige leergang voor stedelijke strategen, sinds 2012 georganiseerd door Wim Derksen en Karen Ephraim. Er zijn veel bijzondere docenten: topwetenschappers én praktijkmensen. Met hen gaan de cursisten in gesprek, over de ontwikkeling van de steden en over de vragen die die ontwikkeling voor het lokale bestuur oproept. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om door te gaan met een 12e editie.

De data van de komende leergang: 7/8 oktober 2021 in Eindhoven (stedelijke economie), 11/12 november 2021 in Almere (stedebouw en wonen), 9/10 december 2021 in Rotterdam (de achterkant van de triomf), 13/14 januari 2022 in Den Haag (immigratie en integratie), 17/18 februari 2022 in Amsterdam (de aantrekkelijke stad), 24/25 maart 2022 in Utrecht (de duurzame stad). Uitgebreider overzicht is te vinden in de folder hieronder.

Waarom zou journalistiek onderdoen voor wetenschap

januari 1, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Goede boeken geven aanleiding tot goede vragen. Zoals dat heerlijke boek De ontdekking van Urk van Matthias de Clercq, “de Belg” zoals hij in Urk werd genoemd. De Clercq was ooit als journalist in Urk vanwege de moord op een puber. Na een dag had hij zijn verhaal klaar en de volgende ochtend stond het in zijn krant, De Morgen. Het had hem altijd geïrriteerd dat hij zich zo snel een beeld had moeten vormen van dit bijzondere dorp in Nederland. Hij schaamde zich voor zijn cliché’s. Hij nam zich voor om zich ooit nog eens echt in dat dorp in de polder, dat voormalige eiland in de Zuiderzee, te verdiepen. In 2019 woonde hij een half jaar ‘op Urk’. En schreef vervolgens dit bijzondere boek. 

Hij begint met de zee, met de vis, en met de slachtoffers. Altijd die dreiging dat mannen, vaders en kinderen niet terug komen van de zee. Dat schepen vergaan. Hoe die angst verbonden is met het streng beleden geloof. Hoe de inpoldering van de Zuiderzee Urk eerder verder heeft vervreemd van de rest van Nederland en de gemeenschap verder heeft afgesloten. Hoe het strenge geloof in de loop der eeuwen alleen maar nog strengere afsplitsingen kent. Hoe Urkers als het ware allemaal een ‘Urks paspoort’ hebben waarin al die regels staan waaraan zij zich hebben te houden. En hoe ontduiking van de regels daarmee onvermijdelijk is verbonden. Hoe de jeugd in het weekend geheel losslaat. Hoe de visverwerkende industrie gaandeweg het vissen overvleugelt. Hoe Europa grip probeert te krijgen en hoe Urkers massaal Europese regels weten te ontduiken. En steeds doemt er weer een nieuw perspectief op waarmee “de Belg” Urk beschrijft. Met liefde, maar ook met toenemende verbazing. Na een half jaar lijkt hij opgelucht zijn spullen te pakken. 

En dit alles roept bij mij vooral één vraag op: had een socioloog, had een sociale wetenschapper dit voortreffelijke onderzoek van deze voortreffelijke journalist kunnen overtreffen? En het antwoord op die vraag treft ook de bestuurskundige, de politicoloog en zelfs de econoom. Leveren deze wetenschappen een scherper zicht op de samenleving, politiek en overheid dan een scherpzinnige journalist die zich echt verdiept in zijn onderwerp? Ja, dat is een vraag die door veel wetenschappers misschien wordt weggelachen, voor andere wetenschappers wellicht confronterend is. Toch zullen juist wetenschappers het met me eens zijn dat alle vragen gesteld moeten kunnen worden.

Ik heb niet meteen een voldragen antwoord op deze fundamentele vraag. Maar ik deel wel graag enkele overwegingen.

Sociale wetenschappers maken terecht veel werk van hun methoden van onderzoek. Hun onderzoek moet immers valide en betrouwbaar zijn en moet bovenal repliceerbaar (herhaalbaar) zijn. Om ervoor te zorgen dat alleen de waarheid wordt beschreven én die waarheid kan worden gecontroleerd. Nou, aan dit soort eisen heeft Declercq zich niet gestoord. Hij bevraagt mensen tot het voor hem duidelijk is hoe het zit. Zou een goede wetenschapper dat werkelijk anders hebben gedaan? Ik betwijfel het. Of zou een wetenschapper meer hebben gezien als hij zich aan alle vereisten voor wetenschappelijk onderzoek had gehouden? Ik betwijfel het. Ik vrees zelfs dat hij minder had gezien. Al die methoden vergroten immers niet de kans dat je de kern van het probleem bereikt. 

Al die onderzoeksmethoden hanteren we ook om zo objectief mogelijk verslag te kunnen doen, bijvoorbeeld van een dorp als Urk. Maar we weten ook dat geen enkel sociaal-wetenschappelijk onderzoek ‘waarden-vrij’ is, ongeacht het gebruik van de juiste methoden. En natuurlijk zijn veel journalisten erg gekleurd in hun berichtgeving. Maar Declercq is geen gekleurde journalist. Met zijn distantie (naast de nodige betrokkenheid) is hij zeker niet gekleurder dan de gemiddelde wetenschapper.

En hoe zit het dan met de wetenschappelijke theorieën die het zicht op Urk hadden kunnen vergroten en die bepaalde verschijnselen misschien hadden kunnen verklaren? Geven die theorieën de wetenschapper geen voorsprong op de journalist? Ik vrees dat het omgekeerde waarschijnlijker is. Dat het inzetten van theorieën het waarheidsgetrouwe beeld van Declercq eerder had vervormd. Want wetenschappers hebben nogal eens de neiging om werkelijkheid aan te passen aan hun theorie, in plaats van hun theorie aan te passen aan de werkelijkheid. Natuurlijk kunnen het gebruik van theorieën ons inzicht vergroten. Maar in de sociale wetenschap lijkt het vaker voor te komen dat theorieën de wetenschapper het zicht ontnemen. De theorie als oogklep. Helaas, sociale wetenschappers spiegelen zich te veel aan de natuurwetenschappen en overschatten om die reden vaak het belang van sociale theorieën. In de werkelijkheid verklaren sociale theorieën weinig en voorspellen ze helemaal niks. Ze bieden vooral een perspectief. En dat perspectief is op zijn minst eenzijdig, als het de werkelijkheid al niet (ernstig) vervormt.

Sociale wetenschappers hebben daarentegen veel meer baat bij concepten. Maar goede journalisten maken onbewust evenzeer gebruik van concepten. Zo noemt Declercq het concept ‘functie’ nooit, terwijl hij wel heel scherp beschrijft welk functie de religie in het vissersdorp Urk altijd heeft gehad. Zo noemt hij het woord ‘cultuur’ nooit in wetenschappelijke zin, maar beschrijft hij uitermate helder de cultuur van dit dorp en met name de veranderingen die de cultuur in de laatste decennia ondergaat. Zo schrijft hij niet over ‘elites’, maar heel treffend over zwarte dominees en een heulende burgemeester. Zo schrijft hij nergens over ‘traditie’, ‘moderniteit’, ‘globalisering’, ‘glokalisering’ maar zijn boek gaat er wel over. Dat leidt misschien tot twee conclusies: wetenschappers hebben bij hun beschrijving van de sociale werkelijkheid vaak veel baat bij bepaalde concepten én Declercq is zonder al die concepten in staat om een even helder inzicht in deze bijzondere dorpsgemeenschap te bieden. 

Dus voor de vraag of een socioloog een beter boek over Urk zou hebben geschreven dan een journalist, is het gebruik van methoden, theorieën of concepten uiteindelijk niet zo relevant. Uiteindelijk gaat het om de vraag in welke mate ons inzicht is vergroot. En ik kan niet inzien hoe een wetenschapper met wetenschappelijke methoden, theorieën en concepten een scherper beeld van Urk had kunnen schetsen dan Matthias Declercq hier heeft gedaan.

Ik weet niet of we deze conclusie mogen generaliseren (zoals Declercq ook geen enkele poging doet om de kennis van Urk te vertalen naar andere gesloten gemeenschappen). Wel moet zo’n mooi boek sociale wetenschappers bescheiden maken. En moet hen vooral inspireren om inzicht te geven in de sociale werkelijkheid. Niet die methoden, die theorieën en die concepten moeten centraal staan in de sociale wetenschap, maar de vraag of het inzicht in de sociale werkelijkheid wordt vergroot.

Memoires van een insider #CDA @PGKroeger

december 24, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Nieuwspoort in boekvorm, daaraan doet het nieuwe boek van PG Kroeger mij het meeste denken. Eerder beschreef Kroeger in De rogge staat er dun bij de ontwikkeling van het CDA in de jaren 80 en 90. In zijn nieuwste boek, Tand des tijds, beschrijft hij het vervolg. De jaren van Enneus Heerma, de onverwachte doorbraak van Jan Peter Balkenende, die acht jaar minister-president van dit land blijft, de strapatsen van Maxime Verhagen, Henk Bleker en Piet Hein Donner met de PPV en de rustige, maar ook lichtelijk mislukte jaren van Sybrand Buma. 

En waarom moet ik aan Nieuwspoort denken als ik dit boek lees? Kroeger noemt zichzelf een historicus. Maar dit is niet het boek van een historicus, die van enige afstand de ontwikkeling van een politieke partij beschrijft. Dit is een boek vol met niet na te trekken roddels. Dit is een boek waarin de hoofdpersonen worden opgehemeld of worden neergehaald afhankelijk van de voor- en afkeuren van de auteur. Dit is een boek dat bol staat van citaten, maar het is in de helft van de gevallen geheel onduidelijk van wie die citaten zijn. En waarom alleen deze personen worden geciteerd en waarom anderen nooit aan het woord komen. Al lezende ga je je steeds meer afvragen wie die Kroeger eigenlijk is en welke rol de man zelf binnen het CDA heeft gespeeld. Soms licht hij een tipje van de sluier op. Zo meldt hij terloops dat de secretaris van de commissie Frissen die de grote nederlaag van Balkenende in 2010 moest analyseren ook toevallig ‘schrijver dezes’ is. Overigens nadat hij net had gememoreerd dat de secretaris een uitstekende analyse van de verkiezingsnederlaag had gepresenteerd. “Het presidium uitte bewondering voor de scherp doorgerekende en onderbouwde tekst.” Inderdaad, Kroeger kan voor zichzelf wel sympathie opbrengen. In ieder geval: dit is geen boek over het CDA, dit zijn de memoires van PG Kroeger. Alleen weet bijna niemand wie dat is. 

En daarom moet ik zo aan Nieuwspoort denken. Ook daar wordt het politieke bedrijf met roddels aan elkaar geplakt. Worden waarheden en onwaarheden met evenveel aplomb te berde gebracht. En worden hoofdpersonen op handen gedragen of, vooral, onder veel hoongelach bespot. Allemaal gesprekken die de krant nooit halen, maar de inhoud van de krant wel kleuren. Dit boek is geen historische analyse, dit boek is Nieuwspoort ten voeten uit. En Kroeger zet het allemaal wel op papier. 

Hij is onmiskenbaar negatief over mensen als Wouter Bos (“vertrouwt werkelijk niemand”), Gerrit Zalm (blaast drie kabinetten Balkenende op), Piet Hein Donner (“doctrinair”), Marnix van Rij (begrijpt niets van politiek), Mona Keijzer (“de kibbeling-koningin uit Volendam”), Pieter Heerma (die in het hele boek het predicaat “de ex-voorlichter” meekrijgt) en Sybrand Buma (zonder inhoud) om maar een aantal onvergelijkbare grootheden te noemen. Ik kan niet ontkennen dat die kenschetsen en al die verhalen soms heel smakelijk en vermakelijk zijn. En ook informatief als je ervan uit mag gaan dat de mening van Kroeger soms wel door de hele CDA-top zal zijn gedeeld. Bijvoorbeeld wanneer hij schrijft over de paranoia en de ijdelheid van Wouter Bos. Bos schreef  “geschiedenis in de annalen der broze ijdelheid” met zijn Wouter Tapes. Toch mag ik aannemen dat Jan Peter Balkenende positiever oordeelde over de man die hem in al die kabinetten begeleidde: Piet Hein Donner. Donner is voor Kroeger bovenal een ouderwetse man die niets begrijpt van het populisme. Hij laat Wim van der Camp met graagte zeggen dat die Donner nog in 1938 leeft, “nee in 1936”. 

Camiel Eurlings, Pieter Omtzigt, Wopke Hoekstra en natuurlijk Jan Peter Balkenende kunnen echter onverminderd op de sympathie van Kroeger rekenen. Vooral Eurlings wordt de hemel ingeschreven, waarna het moeilijk te begrijpen is dat we na 2010 niets meer van de man hebben gehoord. Maxime Verhagen hangt er een beetje tussenin, vooral omdat hij met dat kabinet met de PVV een grote blunder maakte. Toch heeft Kroeger uren en uren met Verhagen  voor dit boek gesproken, want hij wordt eindeloos vaak geciteerd. 

En dan komt er weer zo’n Nieuwspoort-moment. In mijn herinnering had Camiel Eurlings op dat befaamde congres in Arnhem, waar het CDA over toetreding tot dat kabinet met de PVV moest stemmen, hartstochtelijk gepleit voor toetreding. Met die legendarische en emotionele uitspraak dat “Maxime onze idealen nooit, nooit zal verloochenen”. Maar Kroeger interpreteert die uitspraak heel anders. Volgens hem was het een oproep om vast te houden aan de idealen van het CDA en om die reden een kabinet met de PVV af te wijzen. Maar waarom stelde Verhagen op dat congres dan voor om met de PVV te gaan regeren (hartstochtelijk ondersteund door diezelfde Piet Hein Donner)? Ja, dat is echt Nieuwspoort: soms denk je dat je het begrijpt, maar dan valt de casus nog een keer om te draaien. Daarbij zij gezegd dat de politiek vaak veel platter is dan al die al die strategieën vaak suggereren. 

De Memoires van PG Kroeger zijn ook om andere reden geen zorgvuldig en historisch handwerk.  Vaak moet je wel bijna insider zijn geweest om het verhaal te kunnen volgen, hoe boeiend het boek ook is geschreven. Bovendien staan er te veel storende fouten in het boek, fouten die een goede historicus niet zou maken. Om enkele voorbeelden te noemen: het initiatief voor het Lenteakkoord is door Pechtold genomen en het is dan ook onjuist om dit akkoord als het grote succes van Rutte en De Jager te beschrijven. Het Kunduz-akkoord over Afghanistan was geen onderdeel van het Lenteakkoord, maar was al gesloten toen het kabinet Rutte I nog moest gevallen. Ivo Opstelten was in 2010 geen burgemeester van Rotterdam meer, maar voorzitter van de VVD. Leeuwarden kende niet al eeuwen een hele dynastie van Buma’s in het stadhuis. Wel waren veel voorvaderen van Buma burgemeester in Friesland. 

Maar mijn belangrijkste bezwaar is een ander: het boek zit zo dicht op de feiten en vooral op de feitjes dat de grote lijnen onzichtbaar worden. En juist daarom trekt Kroeger de conclusie dat het in het CDA altijd anders gaat dan je zou verwachten. Maar van dichtbij ziet heel veel er als toeval uit. Maar het is toch geen toeval dat het CDA sinds Lubbers meer dan 40 zetels in de Kamer is verloren? Het is toch geen toeval dat grote leiders hun opvolging slordig regelen (Lubbers-Brinkman en Balkenende-Eurlings). Het is toch geen toeval dat Balkenende met zijn steun in de suburbs veel beter scoorde dan Buma die vooral aandacht had voor krimpgebieden waar steeds minder mensen wonen? En zou het toeval zijn dat Lubbers en Balkenende allebei hun Waterloo vonden na een kabinet met de PvdA? 

Ronald Karten: ik ben gewoon muzikant #fagot

december 21, 2020 by  
Filed under artikel, fagot, Geen categorie

Ronald Karten nam onlangs afscheid van het Concertgebouworkest. Hij was 22 jaar solo-fagottist in Amsterdam. Alle reden voor een lang interview. Ik sprak drieënhalf uur met hem. Aan het einde van het gesprek durfde ik hem te vragen wat de zware ziekte die hij in 2009 overwon, heeft betekend voor zijn fagotspel. Hij vertelde dat hij voor die tijd nog wel eens had getwijfeld of hij de goede keuze had gemaakt. Maar na zijn ziekte was die twijfel verdwenen. Hij wist: “Ik ben gewoon muzikant. Dat orkest is wat ik wil. En dat is wat ik ook goed kan.” Zowel die twijfel als die overtuiging dat de fagot bij hem hoort, kenmerken de integere fagottist die Ronald Karten altijd is geweest. 

Van basblokfluit naar fagot

Fagottist werd hij toen hij 13 jaar was. Voor die tijd speelde hij blokfluit, met voorliefde voor de lagere blokfluiten. Hij was een enorme fan van Frans Brüggen. Maar dat was uiteindelijk niet genoeg. “Basblokfluit is wel leuk, maar er zit zo weinig geluid in. Dat zwoegende geluid.” En zijn ouders vonden een blokfluit geen echt instrument. Via zijn blokfluit-leraar kwam hij in aanraking met de fagot. Er werd een oude Köhlert-fagot op de kop getikt. En Kees Olthuis kwam naar Zaandam om zijn eerste leraar te worden. Diezelfde Kees Olthuis met wie hij veel later nog jaren in het Concertgebouworkest zou zitten. Kees motiveerde hem. Kees kwam met het Nederlands Blazersensemble naar Zaandam voor een concert van de Gran Partita. Geen pak of rokkostuum, maar een zwarte broek met een gekleurd overhemd. Het Blazersensemble waarvan hij later meer dan 20 jaar lid zou zijn. 

En toch ging hij nog even wiskunde studeren aan de universiteit. Alweer omdat zijn ouders vonden dat je met de HBS naar de universiteit moest gaan. Ronald had het na een maand al gezien. Veel te abstract, veel te weinig met je gevoel bezig. Terwijl Kees Olthuis hem nog elke week plezier liet hebben in het musiceren. Het besluit viel om toch naar het conservatorium te gaan. In Amsterdam omdat Joep Terwey daar les gaf. Ronald kende Joep uit het Blazersensemble. Hij kan nog steeds lyrisch over zijn oude leermeester vertellen. “Joep was als een tweede vader voor me. Mijn vader was een hele rustige introverte man. Joep was het tegenovergestelde. […] Hij heeft me leren muziek maken. Hij was geen docent die je theoretisch heel goed kon leren spelen. Het was ook geen technisch virtuoos. Maar het was een ongelofelijke muzikant. Hij speelde op die opnames van het Blazersensemble ook zo schitterend.” Als Ronald aan zijn eigen spel twijfelde, sleepte Joep hem er altijd weer doorheen. “Die positieve uitstraling, dat enthousiasme van Joep. Ik heb altijd een goede band met hem gehad.” Joep had altijd oplossingen. Ook als het technisch erg moeilijk was, wist hij altijd een oplossing te vinden. “Je moet altijd zorgen dat het in de zaal goed klinkt. In de zaal moet overkomen wat de componist bedoeld heeft, hoe je dat doet moet je zelf weten. Joep heeft me de kneepjes van het vak bijgebracht.”

Fagot studeren als verrijking

Omdat Ronald jaren later aan hetzelfde conservatorium hoofdvakdocent fagot was, kan hij goed vergelijken. Hij meent dat de opleiding aan het conservatorium tegenwoordig veel breder is. Vroeger werd je ook expliciet opgeleid voor een baan in een orkest. Maar dat is niet reëel meer. Er zijn minder orkesten en er is veel meer concurrentie, ook uit het buitenland. Ook wordt er tegenwoordig door de fagot-docenten veel meer samengewerkt. Vroeger was er geen gezamenlijke voorspeelavond voor alle fagot-leerlingen. En je wisselde nooit van docent. Er was maar één meester en dat was Joep en Ronald was zijn gezel. Zoals Joep ooit zelf de gezel was geweest van Thom de Klerk. “Ik heb Joep wel eens tegengesproken, en hem bekritiseerd over zijn eigen spel. Ik begrijp niet waar ik de brutaliteit vandaan gehaald heb. Hoewel hij het best van mij kon hebben.”

Toch is die meester-gezel-relatie nog steeds aanwezig op het conservatorium. Volgens Ronald is dat “inherent aan het vak, het is zo specifiek, dat je als student wel moet aannemen wat de docent zegt.” “Ook in een orkest is het in principe zo dat je dat moet proberen te doen wat de dirigent je vraagt. Natuurlijk mag je wel met een eigen visie komen. Maar het moet wel een visie zijn waarvan je het vermoeden hebt dat de dirigent die zal waarderen. Als je de Sheherezade gaat spelen en je hebt geen idee hoe dat moet klinken, dan gaat zo’n dirigent er zich mee bemoeien.”

Ik vraag Ronald wat hij zijn eigen studenten wilde leren, in het besef dat veel studenten niet meer in een orkest zouden terechtkomen. “Ik probeer ze vooral bij te brengen dat muziek een deel van je leven is en dat je plezier moet hebben als je muziek maakt. De liefde voor muziek, die ervaring kan niemand je later afnemen. Het is een verrijking van je leven.”

Twee loopbanen in de muziek

Maar laten we terug gaan naar zijn loopbaan in de muziek. Al aan het einde van zijn tweede jaar aan het conservatorium schnabbelde Ronald bij de Radio, het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch, het Blazersensemble. Als student speelde hij in 1976 vijf programma’s mee met het Concertgebouworkest. Bernard Haitink schijnt het nog te weten. Laat ik voor het overzicht zijn loopbaan langs twee lijnen beschrijven, allebei eindigend bij een hoogtepunt. Het Blazersensemble waar hij Joep Terwey opvolgde als het eerste hoogtepunt en het Concertgebouworkest waar hij Joep ook al opvolgde, als het tweede. Ik schets die twee carrièrelijnen alleen voor de overzichtelijkheid. Ronald zou dat onderscheid zelf nooit maken, omdat hij altijd een man is van het ensemble, van het samenspel. Of dat nu in een blaaskwintet is of in een groot orkest.

Al tijdens zijn conservatorium-tijd begon Ronald met Bart Schneemann een blaaskwintet dat uiteindelijk de basis werd voor het Fodor Kwintet. Het bleef bestaan tot 2005. Er werden heel veel concerten gegeven. Er werden veel (maar misschien te weinig) opnames gemaakt. Ze experimenteerden veel, ze ontdekten veel Nederlandse composities en vroegen veel componisten om nieuw werk. Ik daag Ronald uit: is een rietkwintet als Calefax muzikaal niet interessanter dan een traditioneel blaaskwintet. Hij ontkent, hoeveel waardering hij ook heeft voor de vrienden van Calefax. Maar even later spreekt hij toch over een “blaaaaaskwintet”, met een licht Zaans accent en met een afkeurende toon. Fodor was misschien wel een uitzondering omdat de spelers erin slaagden om tot één klank te komen. Te vaak blijven blaaskwintetten vijf instrumenten. En ja, geeft Ronald toe, de meeste muziek is tweederangs. Het publiek vroeg ook altijd om de kwintetten van Mozart en Beethoven met piano, met Stanley Hoogland, Ronald Brautigam of Rian de Waal. 

Toen het Blazersensemble in 1988 een beetje in verval raakte omdat de eerste generatie afscheid nam, werd Bart Schneemann gevraagd om het ensemble vlot te trekken. Hij nam al snel zijn maten (en zus) van het Fodor Kwintet mee. Er volgde een “fantastische periode”. “Het Blazersensemble (Ronald spreekt nooit over het NBE, wd) loopt als een rode draad door mijn leven. Met de Gran Partita uiteraard als absolute hoogtepunt.” Maar na vele jaren werd het Blazersensemble gaandeweg te veel. Er werd gewerkt in projecten. “Je moest een week vrij nemen van het orkest en dan werd die hele week volgepland met repetities en concerten. Dat was op een gegeven moment te intensief voor mij, hoe bijzonder het ensemble ook was.” Maar Ronald stapte ook op om niet dezelfde fout te maken als de vorige generatie die te lang is blijven zitten. “Je moet het stokje overgeven. Dat is een natuurlijk proces.” Toch zegt hij ook: “Bij de Blazers heb ik dat misschien wat te vroeg gedaan.” Het tekent zijn liefde voor de Blazers.

Solo-fagottist

De tweede carrièrelijn begon in 1978 toen Ronald solofagottist werd in het Nationaal Balletorkest. In 1980 volgde zijn benoeming tot solofagottist van het Residentie-orkest. En in 1991 maakt hij de overstap naar het Rotterdams Philharmonisch Orkest. En die lijn vond zijn hoogtepunt in Amsterdam in het Concertgebouworkest. Het was daar overigens niet meteen bij het eerste proefspel raak. In 1995, toen Brian Pollard wegging, was hij grieperig en de druk lag erg hoog omdat iedereen zei dat hij het zou worden. Er waren 120 kandidaten. Hij kwam de eerste ronde niet door. De hoge d in Sjostakovitsj 9 kraakte behoorlijk. In 1998 kwam de plek van Joep Terwey vrij. Maar er was niemand uit het orkest die hem aanspoorde en Ronald had niet veel zin om weer af te gaan. Hij deed niet mee. Uiteindelijk werd niemand aangenomen. En toen kwamen daarna wel de signalen uit Amsterdam dat ze hem hadden verwacht. Het volgende proefspel speelde hij alleen in de finaleronde, die hij glansrijk won. 

Haitink

We praten lang over de klankcultuur van het Concertgebouw. En dan ontkom je niet aan de naam van Bernard Haitink, hoewel die al 10 jaar weg was als chefdirigent in Amsterdam toen Ronald daar begon. Maar Ronald heeft Haitink wel heel vaak meegemaakt. Als gastdirigent in Amsterdam, en ook in Rotterdam. Hij is een absolute fan van Haitink. Vooral vanwege die klank. “Je kunt de klank bijna horen als je hem ziet dirigeren.” “Hij kwam een keer in Rotterdam toen hij in Amsterdam gebrouilleerd was. Met name de strijkers klonken na 5 minuten heel anders, veel mooier, veel ronder.” Door Haitink heeft het Concertgebouworkest een steeds mooiere, warmere klank gekregen. “Hij heeft een hele natuurlijk manier van dirigeren. Ik denk dat hij ook niet altijd weet wat hij precies doet. Dat is echt zijn talent. Iets van hem. Hij kan het ook niet altijd uitleggen. Ook bij masterclasses kan hij soms niet vertellen wat die student moet doen. Hij liet het orkest ook vaak doorspelen. Je krijgt dan niet alle puntjes op de i, dat alles perfect is, maar je krijgt wel die mooie lijnen wat vooral bij Bruckner heel belangrijk is. Die vloeiende lijn. Hij werkt naar een klank toe, dat is zijn grote kracht.”

Maar met Haitink was er soms ook gedoe. “Het is een zeer gevoelige man. Hij is ook erg onzeker. Dan werd hij van bepaalde beslissingen van de directie van zijn stuk gebracht. Dat werkte dan niet.” “Hij was altijd gek op de musici. Heeft altijd met ons contact gehouden, ook in de perioden wanneer hij niet wilde komen. Bij de laatste moeilijke periode van 2-3 jaar hebben veel orkestleden contact gehouden. Dat waardeerde hij altijd. Maar hij reageerde soms wat nukkig op de directie. De directie had op zo’n moment door het stof moeten gaan. De directie dacht wel eens: “Dan maar niet”. Maar dat kan je bij een middelmatige dirigent doen, maar niet met Haitink.”

Chailly en Jansons

Toch was Ricardo Chailly de chef-dirigent toen Ronald in het orkest kwam. Hoewel hij een jaar of 15 voor het orkest heeft gestaan, lijkt hij soms wel vergeten. Je gaat dat begrijpen als je Ronald naar hem vraagt. Hij is lovend over Chailly, maar nergens echt enthousiast. Hij was een fan van Haitink, van Harnoncourt, van Jansons, maar hij zegt nergens dat hij een fan was van Chailly. Chailly heeft “wel veel indruk weten te maken door zijn aanpak en zijn programmering. En zijn precieze manier van repeteren. Daaraan was behoefte na Haitink. Het was perfecter bij Chailly. Maar hij had niet de diepgang in Mahler en Bruckner die Haitink had.” “In het begin waren we wel blij mee. Maar op een gegeven moment ben je een beetje op elkaar uitgekeken. Dan leer je de mindere kanten ook kennen en dan weet je het wel.”

Bij Maris Jansons was dat toch anders. Ronald kende hem al uit Rotterdam. “Heel bijzonder”. “Ik was echt een fan van hem”. “Hij wilde echt met de musici werken.” “Hartstikke goede dirigent”. Maar waarom de ene dirigent nu zo veel beter is dan de ander. Het is niet altijd uit te leggen. Een moderne dirigent moet vooral met het orkest willen werken. De tijd van de vijandschap die je vroeger aantrof tussen dirigent en orkest, ligt ver achter ons. Een goede dirigent wil tegenwoordig iets samen bereiken. En daarin paste Jansons precies. 

Het is voor dirigenten tegenwoordig ook wel gemakkelijker om aardig te zijn omdat de musici veel perfecter spelen. “Het technische niveau is enorm verbeterd.” Het is een ontwikkeling die juist in de jaren van Karten heeft plaatsgevonden. De musici spelen veel beter dan 40 jaar geleden en het orkest speelt (technisch) veel beter. In 1977 schnabbelde Ronald mee bij een opname van Iberia van Debussy onder Haitink. De opnames duurden een week! Daarvoor waren er al vier concerten geweest. “Sommige passages werden maat voor maat gedaan omdat iemand het niet goed kon spelen. Dan moest het 6-7 keer over.” Er zijn nu helemaal geen opnames meer. Ze maken gewoon van 2 concerten één prachtige opname. “Het moet meteen goed zijn. Dat zit ook in de huidige maatschappij. En dat weerspiegelt zich in de manier waarop je mensen aanneemt. Bij proefspel is het eerste vereiste tegenwoordig dat het perfect is. En daarna gaan we kijken of het interessant is. Vroeger was dat andersom. Het moest muzikaal interessant zijn en dan ook nog eens redelijk perfect.” 

Bij het aannemen van mensen was in die tijd de globalisering ook nog niet echt begonnen. Het waren vaak leerlingen van mensen die al in het orkest zaten die werden aangenomen. “En als violist maakte je vroeger geen kans, als je geen les had van Herman Krebbers of van Davina van Wely.” Dat had ook wel voordelen: je behield eenzelfde klankcultuur. Ook begonnen veel mensen achteraan in het orkest om later door te groeien naar een eerste plek. Dat bestaat niet meer. Er zijn ook heel veel mensen uit het buitenland het orkest komen versterken.

Gatti verdwijnt in het duister

We ontkomen niet aan de laatste jaren, de jaren van Gatti. Ronald spreekt weifelend, maar zonder meer met grote waardering: “Hij was misschien te impulsief. Hij was te veel aan het zoeken en experimenteren. Als je driemaal Mahler 3 dirigeert en die drie uitvoeringen zijn totaal verschillend. Dat is misschien interessant maar voor musici is het niet prettig, dat iemand de volgende avond iets heel anders doet. Daarom was de lijn ook niet altijd goed.” Gatti had op de repetities meer moeten uitproberen. “Maar op de repetities bleef hij vaak veel te lang hangen bij een passage waardoor voor andere passages geen tijd meer was.” “Je wilt iemand die in balans is en die met een duidelijke overtuiging iets dirigeert. Bij hem waren de verschillen tussen de concerten echt te groot.” Maar toch: “Ik was wel een groot fan van hem. Geworden. Als het wel goed ging, gebeurde er ook wel iets bijzonders.” 

Gatti had ook grootse plannen met het orkest. Hij voelde zich echt betrokken bij het orkest en bij de organisatie. En toen sloeg het nieuws van seksuele intimidatie in als een bon. “En nog meer dat ze het contract met hem hadden verbroken.” “Ik ga niet goedpraten wat hij heeft gedaan, maar ik denk dat je dat als directie anders had kunnen aanpakken. Nu zijn er alleen maar verliezers. En we blijven nog steeds zoeken naar een nieuwe dirigent.” “Ik heb Gatti nog even bedankt voor de ook mooie tijd. Dat waardeerde hij erg.”

Het is treurig dat Ronald in tijden van corona afscheid heeft moeten nemen. Het stemt hem somber. En het is treurig dat Ronald in een chef-loze-periode afscheid heeft moeten nemen. Hij zegt: “Het is een hele kwalijke zaak dat er nog geen nieuwe chef is. Je gaat je dan ook afvragen of die heel democratische procedure die moet leiden tot een nieuwe chef-dirigent nu wel zo verstandig was. Laatst was er een hele jonge dirigent met wie het geweldig ging, dan denk je: waarom contracteer je die man niet? In Rotterdam besluit de directie wel eens buiten het orkest om. Geeft ook wel hele grote ruzies. Maar bij ons vis je misschien te vaak achter het net. Je had Andris Nelsons anderhalf jaar geleden moeten benaderen. Het heeft te veel tijd gekost.”

Eerder social-fagottist dan solo-fagottist

In al die prachtige verhalen over ensembles, orkesten en dirigenten kan je Ronald Karten herkennen. Maar daarmee heb ik hem nog niet getypeerd. Wat voor fagottist was Ronald? Op verschillende momenten heb ik tijdens het gesprek geprobeerd daarop een antwoord te krijgen. Als ik vroeg: “Waarom hoort de fagot zo bij jou?” dan kreeg ik als antwoord: “Heeft met het karakter van de mens te maken. Dat instrument, de fagot, die past bij mij.” Maar wat was dan dat karakter? Hij zegt: “Ik ben een vrij introvert en rustig persoon. Ik kan me met dat instrument vrij goed uitdrukken. Ik kan me er emotioneel in kwijt. Onbewuste reden waarom je zo’n instrument kiest en het vak ingaat.”

Ik vroeg hem naar zijn lievelingswerken in het orkest. En het antwoord op die vraag typeert hem directer. Hij spreekt nog even over Mahler 4 (die 4 noten aan het einde), Bartok’s Concert voor Orkest (dat themaatje), de Sacre, maar komt dan hij bij de kern: de Pianoconcerten van Mozart, de Symfonieën van Beethoven. “Zulke mooie fagotpartijen”. En met Tsjaikovski 4, 5 en 6 had hij het de laatste jaren “wel gehad”. Hoewel hij de eerste drie symfonieën van Tsjaikovski juist nog steeds heel erg mooi vindt. 

Ronald Karten was in ieder geval geen solist. Hij heeft bij alle grote orkesten, ook bij het Concertgebouw, gesolieerd. Maar: “Ik heb me daarbij nooit gelukkig gevoeld”. “Ik hoef niet elk moment op de voorgrond te treden. Daar heb ik geen lol in. Dan sta je daar in je eentje.”

Ronald is eerder een social-fagottist dan een solo-fagottist: “Spelen in orkesten en in ensembles vond ik altijd veel leuker dan solo-spelen. Mengen, contact maken. Lid zijn van een vereniging, met zijn allen een groep zijn. Dat heb je met een orkest, met een ensemble. Je steunt elkaar, je hebt contact met elkaar. Het is een sociaal gebeuren.” En: “Daarin hou ik van een aanvullende rol. Ergens een basis onder leggen, maar toch af en toe laten zien dat je iets heel moois kan laten horen. Daar kan ik op kicken, dat ene kleine solootje. Die paar noten.”

[verscheen in: De Fagot, nummer 25, december 2020]

De cijfers rechtvaardigen geen lockdown #corona

december 17, 2020 by  
Filed under artikel, Geen categorie

Het overkomt mij elke keer weer. Den Haag roffelt op de trom, Rutte spreekt ons ernstig toe, de besmettingscijfers lopen hard op. Ook ik denk dan: misschien is die volledige lockdown wel een goed idee.

Tot ik de wekelijkse cijfers van het RIVM zie. Ik becommentarieer hier een aantal variabelen. 

Aantal nieuwe besmettingen

De media melden dagelijks op gezag van het RIVM het aantal ‘nieuw bevestigde coronagevallen’. Dit aantal is de afgelopen 2 weken fors gestegen. Let wel, het gaat hier niet om het aantal nieuwe besmettingen, het gaat om het aantal mensen dat in de afgelopen 24 uur positief is getest. Dat is een essentieel verschil. Het is namelijk onbekend hoeveel mensen die wel besmet zijn, zich niet laten testen. We weten alleen dat veel besmette mensen geen of slechts milde klachten hebben. En zich om die reden wellicht niet laten testen. Daarmee doen die cijfers geen uitspraak over de totale populatie, maar alleen over een steekproef. 

Aha, een steekproef! Ongeveer 10-12% van de mensen die zich laten testen, testen positief. Betekent dat nu dat 10-12% van de Nederlandsers besmet zijn? Nee, dat betekent het zeker niet.  Want deze steekproef is een heel gebrekkige steekproef. Hoe zou in dit geval een goede steekproef eruit moeten zien?

Een goede steekproef zou representatief zijn voor alle Nederlanders. Zoals opiniepeilers op grond van een representatieve steekproef van alle Nederlanders kunnen bepalen hoe populair Rutte is. Een goede steekproef wordt door de onderzoekers samengesteld (om representativiteit te garanderen). En bij een steekproef let je niet op absolute aantallen, maar op percentages. Veranderingen in de percentages zeggen iets over de ontwikkeling van de populariteit van Rutte. Het is duidelijk: hier is geen sprake van een representatieve steekproef. 

We weten dus: (1) de dagelijkse RIVM-cijfers zeggen niet hoeveel nieuwe besmettingen er zijn en (2) de dagelijkse RIVM-cijfers geven geen representatieve schatting van het aantal mensen dat besmet is. 

Mijn God, wat zeggen die cijfers dan wel? Laten we een casus nemen. In de laatste week van november werden ongeveer 260.000 mensen getest. In de tweede week van december werden ongeveer 444.000 mensen getest. In de eerste week testten 29.000 mensen positief (11,1%) en in de laatste week 53.000 (12,0%). Dit lijkt een groot verschil, maar het is zeer de vraag of het verschil ook significant is. En omdat er sprake is van een steekproef zijn alleen significante verschillen relevant. 

Ho ho, waarom was die tweede steekproef dan zoveel groter dan de eerste? Waarom wilden in de tweede week veel meer mensen zich laten testen dan in de eerste week? Ik zie drie mogelijke verklaringen. De simpelste: er waren veel meer mensen met klachten. Dat zou kunnen. Maar vanaf 1 december mochten ook veel meer mensen zich laten testen. Vanaf dat moment mogen mensen zich ook laten testen als ze geen klachten hebben, maar bijvoorbeeld door hun app worden gewaarschuwd. Het is in ieder geval opvallend dat vanaf 1 december zo’n sterke stijging in het aantal ‘besmettingen’ is opgetreden. Ten slotte is niet uit te sluiten dat de neiging van mensen om zich te laten testen bij milde klachten sterk wordt beïnvloed door de context. Hoe meer mensen besmet zijn, hoe meer mensen ongerust worden en hoe meer mensen zich willen laten testen. Daarbij moeten we steeds bedenken dat er (volgens het RIVM) 3 tot 4 keer zoveel mensen werkelijk besmet zijn, dan uit de testen blijkt. Als 10% van dat reservoir toch maar besluit zich te laten testen, kunnen de besmettingscijfers in korte tijd met 30% stijgen. 

Het is dus cruciaal om te weten waarom het aantal mensen dat zich laat testen, in korte tijd zo snel is gestegen. Waren er meer mensen ziek, waren er meer mensen ongerust of waren er gewoon meer mogelijkheden om te testen? Eerlijk gezegd: we weten niet wat het gewicht is geweest van deze afzonderlijke factoren. En zo lang we dat niet weten, weten we niet wat die toename van het aantal nieuwe gevallen tussen eind november en half december werkelijk betekent. 

Ziekenhuisopnames

Ziekenhuisopnames zijn een veel betere maat voor de incidentie (het aantal nieuwe gevallen) van COVID-19. Van mensen die worden opgenomen in een ziekenhuis, weten we werkelijk dat ze ziek zijn. Ze hebben ernstige symptomen en ze testen positief. In de afgelopen week werden 1137 mensen opgenomen in het ziekenhuis met COVID-19. In de week ervoor waren dat er 1074. Dat was het laagste aantal sedert de laatste week van oktober toen er (als hoogtepunt in de tweede golf) 1872 mensen werden opgenomen in het ziekenhuis.

In oktober hadden we een gedeeltelijke lockdown. Zou die toename van 1074 naar 1137 opnames dan een goede reden zijn om nu voor een gehele lockdown te kiezen? 

De overbelasting van de zorg is altijd een belangrijke en legitieme reden geweest voor de overheid om het coronavirus krachtig te bestrijden. Hoe staat het met de bezetting van de IC’s? Begin november lagen er meer dan 600 mensen op de IC’s (in het voorjaar op een gegeven moment meer dan 1250). Nu liggen er ongeveer 525 mensen op de IC. En de IC-bezetting is al weken tamelijk stabiel. Op zich is er dus geen reden tot zorg. Tenzij het aantal besmettingen snel toeneemt, want dat zal je pas na een dag of 10 op de IC’s nadrukkelijk merken. 

Sterfte

De sterftecijfers liggen nu veel lager dan in het voorjaar. Vooral de oversterfte-cijfers van het CBS zijn in dit verband erg informatief. Zo is de oversterfte op dit moment aanzienlijk lager dan de oversterfte bij de griep-epidemie van het voorjaar van 2018. Dit gegeven behoeft geen verder commentaar.

Leeftijd

In dit verband vallen twee zaken op. Grof gezegd: hoe jonger hoe meer besmettingen en hoe ouder hoe meer sterfte. 

De categorie 15-19 jarigen telt de meeste positieve tests. Bijna de helft van alle positief geteste mensen is jonger dan 40 jaar. Dat zijn de mensen die het minst ziek worden van het virus. Bovendien zit de toename van het aantal tests in de afgelopen weken vooral bij de jongeren tussen 13 en 24 jaar. Dat zijn andermaal twee belangrijke redenen om de ‘groei’ van het aantal besmettingen te relativeren. 

De sterfte concentreert zich bij de ouderen. Om het weer grof te zeggen: COVID-19 mag formeel een doodsoorzaak zijn, in de praktijk versnelt het virus vooral de dood. Het gaat bijna allemaal om mensen ‘met onderliggend lijden’. In de categorie 85-90 jaar zitten de hoogste overlijdenscijfers. In de afgelopen week overleden slechts enkele kwetsbare mensen onder de 65 jaar. Dat is een goede aanleiding om over een ander beleid na te denken, zoals ik al eerder heb bepleit: bescherm de kwetsbaren en de ouderen goed en geef de overigen meer ruimte. 

Reproductiegetal

Wat resteert? Ik heb hier al eerder over het ‘mystieke’ R-getal, het reproductiegetal geschreven. Het wordt door politici vaak als laatste argument gebruikt. “Het R-getal stijgt!”, of “Het R-getal is nog lang niet onder de 1”. Theoretisch is het een mooi begrip, maar in de praktijk geeft het R-getal slechts aan hoe het aantal dagelijkse besmettingen zich enkele weken geleden ontwikkelde. Diezelfde wrakke maat, waarover ik hierboven uitgebreid schreef. Dat aantal nieuwe besmettingen liep begin december snel op en daarom ligt het R-getal momenteel op 1,24. Meer zegt het R-getal niet. 

Het RIVM geeft tegelijkertijd aan hoeveel mensen besmettelijk zijn. Je zou zeggen dat er een relatie moet zijn met het reproductiegetal. Maar dat blijkt in de praktijk niet zo te zijn. Het aantal besmettelijke mensen is namelijk de laatste weken gedaald. Tot op heden heb ik daar nog niemand over gehoord. We gaan in een totale lockdown terwijl het aantal besmettelijke mensen daalt (zie pag. 39 van het wekelijks overzicht van het RIVM). 

Toch is deze tegenstrijdigheid tussen een hogere R en een kleiner aantal besmettelijke mensen goed te verklaren. De R wordt berekend op basis van het aantal dagelijkse gemelde nieuwe besmettingen en het aantal besmettelijke mensen wordt berekend op basis van het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames. Dus als je voorspelt op basis van het aantal bestemmingscijfers (R-getal) ziet de toekomst er somber uit en als je voorspelt op basis van het aantal ziekenhuisopnames is er nauwelijks iets aan de hand. Eerder heb ik al aangegeven dat de aantallen ziekenhuisopnames veel betrouwbaarder zijn dan de besmettingscijfers. 

De politiek

De laatste variabele is de politiek. Ik begrijp de angst van politici, ik begrijp de angst van het kabinet. Als de ziekenhuizen overspoeld worden door COVID-19-gevallen is de ramp niet te overzien. En is het, laten we eerlijk zijn, ook gedaan met de carrière van een hele generatie politici. En dan mag het zo zijn dat het aantal ziekenhuisopnames een veel betrouwbaardere indicator is dan het aantal nieuwe besmettingen. Maar we weten ook dat mensen eerst besmet raken alvorens ze een week later in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. In die onzekerheid grijp je gemakkelijk naar te zware middelen (als een totale lockdown).

Toch voelt het ook ongemakkelijk. De maatschappelijke kosten van een totale lockdown zijn immens. Ik ga ze niet allemaal weer opnoemen. Het gevaar bestaat ook dat zo’n kabinet aan het einde van het jaar doodvermoeid is. Het gevaar bestaat dat veel deskundigen aan het einde van hun Latijn zijn. En bestuurskundigen waarschuwen niet voor niets voor het fenomeen van ‘groepsdenken’. Op een gegeven moment hoor je alleen nog maar wat je horen wilt. 

Het lijkt me een vreselijk dilemma. Maar het zou me niet verbazen als de parlementaire enquête in 2022 zal vaststellen dat er ‘met de kennis van nu’ geen reden was voor de totale lockdown van maandag 14 december 2020. 

Volgende pagina »