Vanwaar 14 augustus, kabinet #COVID-19

juli 11, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het kabinet heeft zich in de nesten gewerkt. Het OMT maande nog voorzichtig te zijn, maar twee weken geleden gingen alle remmen los. Vreugde alom. We gingen van de ene op de andere dag terug naar het ‘oude normaal’. Alle anderhalve meters waren vergeten, er werd weer gezoend en handen werden niet meer gewassen. Binnen een week liep het aantal positieve tests op tot boven de 10.000 per dag. En toen moesten de maatregelen toch weer worden aangescherpt. Rutte en De Jonge straalden uit dat hun geen enkele blaam trof en dat ze toch gewoon hadden gehandeld conform de adviezen van het OMT. Dat laatste was in ieder geval niet waar. Maar trof het kabinet wel blaam?

Het kabinet zegt al vanaf het begin van de coronacrisis twee doelen na te streven: het beschermen van de kwetsbaren en het voorkomen van overbelasting van de zorg. In dat licht was er twee weken geleden alle reden om de maatregelen te versoepelen. Het aantal ziekenhuisopnames was geminimaliseerd, de IC-bezetting was laag en de instroom in de ziekenhuizen én de instroom op de IC vertoonde nog steeds een duidelijk dalende lijn. Bovendien was er al maanden geen sprake meer van oversterfte door COVID-19. Eerlijk gezegd: ik vond het een wijs besluit. Althans vanuit mijn optiek. 

Maar vanuit de optiek van het kabinet was het een voorbarig besluit. Om één simpele reden: het kabinet weet niet goed op welke cijfers het wil sturen. Gaat het om de bescherming van de kwetsbaren, gaat het om het tegengaan van de overbelasting van de zorg, gaat het om de economie, om het onderwijs, om de cultuur, om de samenleving? Nee, het gaat nu plotseling weer om het aantal positieve tests dat per dag is afgenomen. Ja, natuurlijk een besmetting kan uiteindelijk leiden tot een IC-opname. Maar die kans is inmiddels wel heel erg klein nu het vooral gaat om jongeren tussen 15 en 25. Nee, er is geen 100% zekerheid. Zoals je in het verkeer ook nooit 100% zekerheid hebt dat je er levend uitkomt. En zoals er elke week in Nederland bijna 3000 mensen sterven, onder wie ook jongeren. Een mens heeft met risico’s te leven, een regering moet met risico’s kunnen omgaan. 

Ik geef toe: als ik politicus was had ik de druk vanuit de publieke opinie wellicht ook niet kunnen weerstaan. En was ik ook weer achter dat katheder gekropen om die mooie door ambtenaren geformuleerde volzinnen voor te dragen. Maar in feite heeft het kabinet maar één argument: we weten niet zeker hoe de instroom in de ziekenhuizen zich binnenkort ontwikkelt. Want die 10.000 besmettingen zijn geen argument om de festivals weer af te blazen. Alleen de kans op een toename van de belasting van de zorg kan hier als argument gelden. 

De nieuwe maatregelen gelden voorlopig tot 14 augustus. Maar wat is op dat moment het ijkpunt? De instroom in de zorg of het aantal nieuwe besmettingen? Stel dat we dan nog steeds zitten met 10.000 nieuwe besmettingen per dag. En stel dat de instroom in de zorg nog steeds even laag is. Dan kunnen alle maatregelen weer worden ingetrokken. Terwijl de situatie niet anders is dan op dit moment. 

Ik had het nog kunnen begrijpen als het kabinet het oude normaal voor twee weken on hold had gezet. Over twee weken is geheel duidelijk wat deze nieuwe golf aan besmettingen onder feestvierende jongeren betekent voor de belasting van de zorg. Het kabinet zou er intussen voor moeten zorgen dat er in die twee weken meer wordt gevaccineerd dan ooit tevoren.  Als de instroom in de zorg over twee weken niet substantieel is toegenomen kunnen alle teugels weer vieren. 

Maar 14 augustus slaat nergens op. Het is wel prettig als je in een crisis een kabinet hebt dat een beetje logisch denkt. En geen kabinet dat met veel winden lijkt mee te waaien. 

Overheid, waar is je kennis @AdviesraadWTI

juli 1, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag, Voorpagina

“Kennislacunes brengen de overheid in de problemen. […] Het lukt niet goed om ervoor te zorgen dat het overheidsbeleid goed geïnformeerd is door kennis. Nederland mist zo mogelijkheden voor effectiever beleid en een betere publieke dienstverlening.” 

Het zijn harde woorden van de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI) in het recente rapport Rijk aan kennis, naar een herwaardering van kennis en expertise in beleid en politiek (februari 2021). Ik ben blij met dit advies van dit belangrijke adviesorgaan. Maar het is tegelijkertijd een te gemakkelijk advies. 

Ik ben blij: eindelijk weer eens een rapport waarin helder wordt uitgelegd waarom kennis belangrijk is voor de overheid. Namelijk, je moet eerst het probleem doorgronden wat je op wilt lossen. En daarna moet je weten welk vaccin tegen het probleem werkt. Ik ben blij dat de AWTI schrijft dat de departementen onvoldoende inhoudelijke expertise hebben, dat er binnen de departementen steeds minder aandacht is voor kennis, dat het te weinig lukt om een brug te slaan tussen kennis en beleid en dat er binnen de departementen te weinig tijd is voor kennistaken. 

Ik ben blij met het advies van de AWTI om de kennisbasis van departementen te versterken en om de inhoudelijke experts meer te koesteren. Maar toch is het een te gemakkelijk advies. Op een vijftal punten. 

Ten eerste wordt het advies nauwelijks onderbouwd. Het rapport lijkt vooral te zijn gebaseerd op ‘van horen zeggen’. En op enkele voorbeelden. Zo wordt gewezen op de gebrekkige kennisbenutting in de aanpak van de COVID-19 crisis. “Er is sprake van een trage reactie op kennis en onderbenutting van expertise”, zo schrijft de AWTI. Als ik dat lees, heb ik geloof ik iets gemist. Vanaf de eerste dag was er een OMT, vanaf de eerste dag gaf Jaap van Dissel briefings in het Catshuis en in de Tweede Kamer en vanaf de eerste dag waren honderden wetenschappers bij het RIVM bezig om het kabinetsbeleid te ondersteunen. Dat is geen gebrekkige en trage kennisbenutting, dat leek eerder op een overreactie. Ik denk dat er vooral twee andere dingen zijn misgegaan. Het kabinet leunde te veel op virologische kennis en op medische kennis in het algemeen en leek te weinig aandacht te hebben voor economische en sociaal-wetenschappelijke kennis. En: het kabinet leek zich de wet te laten voorschrijven door de wetenschappers en nam te weinig ruimte voor een eigen politieke afweging. 

Ten tweede laat COVID-19 heel mooi zien dat de kennis over het virus, zeker in het begin, nog maar heel minimaal was. Dat staat haaks op de suggestie van de AWTI dat beleid in alle gevallen effectiever wordt naarmate er meer kennis wordt aangedragen. Het AWTI lijkt een blinde vlek te hebben voor al die situaties waarin nauwelijks kennis voor handen is voor een overheid die beleid wil voeren. Zo baseert de overheid zich in Groningen al jaren krampachtig op voorspellingen van de NAM over de kans op nieuwe aardbevingen, terwijl we nauwelijks weten wat er in de Groningse ondergrond aan de hand is. Dat is geen kwestie van te weinig kennisbenutting, dat is een kwestie van overbenutting van hele magere kennis. En wat weten we eigenlijk van de reactie van burgers op overheidsmaatregelen (avondklok)? Natuurlijk zijn er goede voorbeelden van het tegendeel (te weinig benutting van goede kennis), maar ook heel vaak zien we politici als het politiek ingewikkeld wordt zich verschuilen achter onderzoek, hoe zwak dat onderzoek soms ook is. 

Ten derde stelt de AWTI voor om kennis meer ‘gestructureerd’ te benutten in het beleidsproces. De Raad schrijft: “De wijze waarop kennisbenutting in beleid nu tot stand komt, is nog te weinig gestructureerd. Een gestructureerde aanpak omvat instrumenten en stappen in het beleidsproces die leiden tot meer kennisbenutting en een goed gebruik van kennis. […] In de huidige situatie ontbreekt met name systematische aandacht voor enkele belangrijke tussenstappen van kennis naar beleid.” Daarbij baseert de Raad zich op een wel heel naïef en rationeel model van beleidsvorming. Zeg maar: er is een probleem, we doen onderzoek naar dat probleem, we kijken welke handelingsperspectieven er zijn en de politiek kiest voor welk handelingsperspectief we gaan. Ja, zo leggen we het ook wel eens uit aan eerstejaars studenten bestuurskunde. Maar we zeggen er dan wel meteen bij dat veel politieke besluiten op een heel andere manier tot stand komen. Vaak is de kennis er namelijk al lang, is de oplossing ook al lang bekend, maar durven de politici het nog niet aan omdat er te weinig draagvlak is in de samenleving. Om die reden talmen we zo tergend lang met een verstandig klimaatbeleid! 

Een gestructureerde aanpak is nooit weg, maar we willen toch geen nieuwe kennismanagementsystemen en andere bureaucratie om te weten welke kennis we in huis hebben? Nee, het is veel belangrijker om die cultuur op te ruimen waarin alleen nog maar oog is voor processen en voor het overeind houden van de minister en waarin over de inhoud nog maar nauwelijks wordt gesproken (vaak omdat de betrokkenen van de inhoud geen weet hebben). En daarbij is het helemaal niet erg dat mensen na 7 jaar eens naar elders verhuizen. Want als je werkelijk geïnteresseerd bent moet je je in een half jaar toch een nieuw beleidsveld eigen kunnen maken. Het echte probleem is dat de meeste leden van die 7-jaars-carroussel niet meer inhoudelijk geïnteresseerd zijn. 

Ten vierde wekt het rapport van de AWTI de onjuiste indruk dat op departementen kennis is ingeruild voor politieke sensitiviteit. Laat duidelijk zijn dat je voor goed beleid beide nodig hebt. Je moet gelijk hebben en je moet gelijk krijgen. Maar als je de COVID-crisis goed bekijkt valt niet alleen op dat op VWS de inhoudelijke expertise ontbrak, maar ook een echt gevoel voor politiek. Mondkapjes bestellen bij Sywert van Lienden om de minister te beschermen tegen aanvallen via social media, getuigt maar van een hele beperkte politieke sensitiviteit. En al helemaal niet van een gedegen gevoel voor de democratische rechtsstaat. Was er op departementen maar werkelijk sprake van echte politieke sensitiviteit!

Maar misschien ligt mijn belangrijkste bezwaar bij het rapport wel bij de kern: wat is namelijk ‘kennis’? Zoals goede wetenschappers betaamt geeft de De AWTI een definitie. Maar deze definitie haalt zoveel overhoop én gooit zoveel op één hoop, dat de bruikbaarheid omgekeerd evenredig is met het aantal gebruikte woorden. De definitie wordt in het eigen advies dan ook niet gebruikt. In de tekst lijkt kennis eerder synoniem met ‘wetenschap’ en vooral met wetenschappelijk onderzoek. Terwijl iemand kennis nu juist heeft op grond van wetenschappelijk onderzoek (en generaliseerbare praktijkervaringen). Als je ergens kennis van hebt, stelt die kennis je in staat om de feiten beter te duiden en te begrijpen. Jaap van Dissel toonde steeds weer een groot vermogen om de nieuwe feiten voor ons te duiden. En dat vermogen noem ik graag kennis. 

Als we het daarover eens zouden kunnen zijn (quod non) weten we dat departementen niet zelf onderzoek hoeven te doen, om wel veel kennis in huis te kunnen hebben. Als ze maar experts hebben (expertise) om op basis van bestaand onderzoek de feiten te kunnen duiden. En als ze maar experts hebben die weten welk onderzoek voorhanden is. 

Van dat onderscheid tussen onderzoek en kennis kunnen departementen veel leren. (En wellicht ook de AWTI. ) Want als departementen moeite hebben om de feiten te duiden is immers altijd de eerste reflex: we zetten een onderzoek uit. Terwijl ze alleen maar iemand hoeven te vinden die wel de kennis heeft om te begrijpen wat er aan de hand is. Die het vermogen heeft om de feiten echt te duiden. 

De overheid hangt soms te veel aan kennis

juni 3, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag, Voorpagina

Als het gaat over het belang van kennis voor het overheidsbeleid strijden vaak twee discoursen om voorrang.

Het eerste discours is populair in de media: onderzoekers worden door departementen onder druk gezet om hun conclusies aan te passen (WODC) of beleidsmakers winkelen erg selectief in bestaand onderzoek. 

Het tweede discours is populair op departementen: kennis is goed en bereikt het beleid helaas onvoldoende. Het is het discours van de kenniscoördinatoren, kennismakelaars en kennisdirecties binnen departementen. Het is het verhaal van de mensen die keihard moeten werken om het onderzoek van planbureaus, van universiteiten en van andere kennisinstellingen bekend te maken binnen het departement. Het is ook het verhaal van de mensen die zinnige (kennis)vragen proberen te formuleren voor planbureaus en al die andere onderzoekers die direct of indirect voor departementen werken. 

Beide verhalen kloppen of hebben op zijn minst een kern van waarheid in zich. Toch heb ik de laatste tijd gemerkt dat er ook nog een ander verhaal te vertellen is. Een derde discours. 

Sinds 2017 was ik betrokken bij het debat over kennis in het aardbevingsbeleid in Groningen. Daar leerde ik dat we nog maar heel weinig weten over de aardbevingen in Groningen. Dat het dus ook heel moeilijk is om in dat kader voorspellingen te doen. Dat is lastig als de overheid voor een managementstijl heeft gekozen die bij voorkeur is gebaseerd op technologische modellen. Laat ik het scherper verwoorden: de overheid heeft in Groningen al jaren de neiging om zich aan deze gebrekkig modellen vast te klampen. En het heeft er alle schijn van dat de overheid dit doet om geen politieke keuzes te hoeven maken. 

Het Groningse debat hebben we dit voorjaar afgesloten. Het eindrapport kan hieronder worden gedownload. We hebben tot slot de Groningse casus met andere casus vergeleken. Onder andere met COVID-19. Ook hier zagen we een overheid die zich vastklampte aan de modellen van het RIVM en daarmee moeilijke politieke keuzes vooral uit de weg wilde gaan. We moeten achteraf vaststellen hoe goed die modellen van het RIVM werkelijk waren. Maar op voorhand ben ik bang dat we straks moeten concluderen dat het RIVM niet in staat was om de gevolgen van maatregelen voor het reproductiegetal R adequaat te voorspellen. Omdat menselijk gedrag zich nog veel moeilijker laat voorspellen dan de reis van een virus. 

Ook bij Schiphol zie je een overheid die vasthoudt aan modellen en berekeningen omdat ze het gesprek met de samenleving niet aan wil gaan of aan durft te gaan. Overigens laat Schiphol ook heel goed zien dat het uit de weg gaan van politieke keuzes (bijvoorbeeld voor beperkte of voor onbeperkte groei van Schiphol) niet betekent dat die keuze niet impliciet wordt gemaakt. 

Deze conclusies staan nogal haaks op het interne discours: kennis is goed en bereikt het beleid onvoldoende. Eerder lijkt in de genoemde casus het tegenovergestelde waar. Namelijk: de overheid klampt zich vast aan kennis, terwijl lang niet altijd duidelijk is hoe valide en betrouwbaar die kennis werkelijk is. 

Tien jaar geleden schreef ik een boek onder de titel ‘Kennis en beleid verbinden’. Dat is typisch een titel uit het tweede discours. De derde druk van dat boek zal dan ook niet meer verschijnen. Wel een nieuw boek over de relatie tussen kennis en beleid. Met nog steeds de achterliggende gedachte dat beleid beter kan worden door het goed te onderbouwen met kennis. Maar dan wel met valide en betrouwbare kennis, zeg maar goede kennis en niet met gebrekkige kennis. 

Je maakt het beleid niet zonder meer beter door meer kennis aan te slepen. Je maakt het beleid beter door te weten welke kennis voorradig is en te weten hoe waardevol die kennis is. Daarnaast wordt het beleid ermee geholpen als beide partijen weten wat het kardinale onderscheid is tussen kennis en beleid: het streven naar een beter begrip van de status quo versus het streven naar een mogelijke verandering van de status quo. En daarbij helpt het als wetenschappers en beleidsmakers binnen hun eigen domein behulpzaam is. 

Hoe effectief was de lockdown #COVID-19

mei 19, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het gaat goed met de corona-cijfers. Het aantal besmettingen neemt snel af. De bezetting van de ziekenhuizen en van de IC’s loopt snelt terug. Maar waar ligt dat aan?

In het verre verleden heb ik me in de bestuurskunde wel eens met effectiviteit-onderzoek beziggehouden. Het was verschrikkelijk. Als je al kon vaststellen dat doelen waren bereikt, dan was bijna nooit te bewijzen dat dat kwam door het gevoerde beleid. En als het doel niet was bereikt, was er altijd wel een slimme beleidsmaker die riep dat de situatie zonder beleid nog veel slechter was geweest. Het fundamentele probleem bleef: die nare causaliteit laat zich zo moeilijk bewijzen. 

Dus: wat veroorzaakt de snel dalende corona-cijfers? Er zijn drie opties. De maatregelen, de vaccins of de lente. Of toch iets anders? 

Hoe zouden we de effectiviteit van de maatregelen kunnen vaststellen? Je kan synchronisch kijken of diachronisch kijken. In het eerste geval vergelijk je landen met elkaar die voor een verschillende aanpak hebben gekozen. Helaas hebben alle overheden bijna overal dezelfde maatregelen hebben genomen (lockdown in gradaties). Je kan dus moeilijk vaststellen wat er zou zijn gebeurd als men andere maatregelen had genomen (of helemaal geen maatregelen had genomen). En als er wel verschillen in maatregelen zijn, zijn de culturele verschillen tussen de landen vaak zo groot, dat er nog geen uitspraak over de effectiviteit van de maatregel zelf kan worden gedaan. 

Resteert de diachronische benadering: kunnen we bijvoorbeeld in Nederland vaststellen dat de maatregelen na verloop van tijd effect hadden? In 2020 was dat effect zeer zichtbaar. We gingen een paar maanden in een intelligente lockdown en de besmettingscijfers liepen snel terug. Maar dezelfde en strengere maatregelen in het najaar van 2020 en in de winter van 2021 bleken nauwelijks effect te hebben. Waarom was het verloop vorig jaar zo anders dan dit jaar? Ik heb vier mogelijke verklaringen.

Ten eerste: in het voorjaar van 2020 hielden we ons allemaal aan de maatregelen en dat is daarna snel anders geworden. Zou dat verklaren waarom de eerste golf na een paar maanden weer over was en dat we na september 2020 eindeloos zijn blijven doormodderen? Je kan ook zeggen: uit angst waren we in het voorjaar van 2020 allemaal heel voorzichtig en die angst is daarna geleidelijk verdwenen. Dan zien we dus een effect van angst en niet van maatregelen. 

Ten tweede: in de tweede en derde golf staken nieuwe varianten de kop op. Zo zou de Britse variant veel besmettelijker zijn. Maar later hoorden we daar nog maar weinig van. Maar het kan ook goed zijn dat de Britse variant veel ernstiger had huisgehouden als de maatregelen niet zo krachtig waren geweest. Daar herkennen we de beleidsmaker die beweert dat het effect van zijn maatregelen dan wel niet zichtbaar is, maar dat het zonder hem allemaal nog veel erger was geweest. Zeker in dit geval valt dat niet te bewijzen. 

Ten derde: het is de lente die het virus overwint. Zoals het griepvirus in zomerslaap gaat, zo zou ook het coronavirus tegen de zomer uitdoven. Dat betekent dat niet de maatregelen voor de dalende cijfers hebben gezorgd, maar het warmere weer (hoewel daarvan veel dagen veel minder te merken is dan vorig jaar). Toch kunnen de maatregelen er in de winter wel voor hebben gezorgd dat de pandemie niet geheel uit de hand is gelopen. 

Ten vierde: het vaccin. Toen sommige landen al veel verder waren met vaccineren was een vergelijking tussen landen wel heel zinvol. En zo zagen we dat in Engeland de besmettingen al snel afnamen terwijl we hier nog sprake was van een toename. Omdat de maatregelen in beide landen even streng waren, kon er maar één reden zijn: dat in Engeland al veel meer mensen waren gevaccineerd dan hier. De snelle afname van het aantal besmettingen dat we in de laatste weken in Nederland zien, zagen ze in Engeland een maandje eerder. 

Wat is nu effectief tegen het coronavirus? Ten eerste het vaccin. Ten tweede de lente. Ten derde wellicht een angstige bevolking. En voor de rest: zonder maatregelen was het misschien nog erger was geweest. Maar de causaliteit lijkt me moeilijk bewijsbaar. 

Van Dissel is niet meer dan “Jaap, waar zijn mijn cijfers”

april 22, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

De persconferentie van Mark Rutte en Hugo de Jonge van deze week was perfect. Ik heb hem meteen helemaal uitgeschreven voor de cursisten van mijn masterclasses over kennis en beleid. 

Wat was namelijk het geval. Het OMT had geadviseerd om te wachten met het versoepelen van de lockdown. En toch besloot het kabinet om te gaan versoepelen. En voor de duidelijkheid: het gaat me er niet om of dat laatste een wijs besluit is geweest. Het gaat me erom dat het kabinet zo wijs was om uiteindelijk zelf de politieke afweging te maken en niet automatisch de politieke afweging van het OMT te volgen. 

Ja, mijn kijk op dit soort zaken is nogal simpel. Het OMT hoort de kennis aan te leveren (hoe ontwikkelt het aantal besmettingen zich, hoe ontwikkelt de ziekenhuisbezetting zich, hoe ontwikkelt de bezetting van de IC’s zich) en de politiek hoort vervolgens (in het licht van die kennis!) de verschillende belangen af te wegen. En moet daar ook eerlijk en open over communiceren. Precies wat Rutte en De Jonge deze week deden. 

Eerder koos het kabinet vaak voor een andere strategie: het verschool zich opzichtig achter het advies van het OMT. Dat is jammer want kennis zegt niet wat je moet doen. Om te weten wat je moet doen is altijd een politieke afweging nodig, en die wordt bij voorkeur door het kabinet en niet door de ‘witte jassen’ gemaakt. Omdat ik niet hou van een kabinet dat zich verschuilt achter ‘wetenschappelijke adviezen’ (= persoonlijke adviezen van wetenschappers), was ik deze week dus aangenaam verrast. 

Dat gold niet voor iedereen. Aura Timen van het RIVM, tevens secretaris van het OMT, kwalificeerde het besluit van het kabinet als een “politiek besluit”. Dat was een hele bijzondere opmerking. Alsof niet elk besluit van het kabinet een politiek besluit is. Maar wellicht bedoelde ze dat een kabinet een goed besluit neemt als het  advies van het OMT wordt gevolgd en een politiek besluit als het om politieke redenen van het advies van het OMT wordt afgeweken. 

Elk besluit over lockdown en versoepelingen is een ‘politiek besluit’. En elk besluit over lockdown en versoepelingen moeten niet door wetenschappers, RIVM of mevrouw Timen worden genomen, maar door de verantwoordelijke politici. Ik dank mevrouw Timen dat ze zo helder heeft verwoord waar ze zelf niet over gaat. 

Het gezag van de @Gezondheidsraad vervliegt snel

april 21, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Één ding is zeker: niet iedereen komt ongeschonden uit de coronacrisis. Ik ben bang dat dat ook voor de Gezondheidsraad geldt. De Gezondheidsraad is lange tijd een zeer gerespecteerde adviesraad geweest in Den Haag. Maar helaas is in de coronacrisis niet helemaal duidelijk geworden waarop dat respect gebaseerd was. Door de dominante positie van het RIVM en het OMT in de advisering van het kabinet is de Gezondheidsraad vanaf het begin naar de zijlijn verdreven. Bovendien ondervond de Raad de concurrentie van de EMA, de Europese dienst die wel of geen goedkeuring aan vaccins verleent. En op die zijlijn heeft de Raad niet altijd even handig geopereerd. 

Het kabinet verzocht de Gezondheidsraad al vroeg in de crisis om te adviseren over de  de beste vaccinatie-strategie voor het geval het eerste vaccin zou zijn goedgekeurd. Het duurde vele maanden voordat de Gezondheidsraad met een advies kwam. Bij dat advies werd de zwakte van de Gezondheidsraad al meteen duidelijk. De Raad opperde een aantal strategieën en koos vervolgens zonder verdere motivatie voor één van die strategieën: het vaccineren zou erop gericht moeten zijn om zoveel mogelijk mensenlevens te redden. Een hele plausibele strategie maar het snel vaccineren van alle vitale beroepen was ook heel goed te verdedigen geweest. In zijn advies ging de Raad er gemakshalve aan voorbij dat je ook mensenlevens redt door een gedegen sociaal beleid. Het was echt een advies vanuit het ziekenhuis, hetgeen je deze club van verstandige artsen overigens niet meteen kwalijk mag nemen. 

Daarna werd de Gezondheidsraad nogal eens ingeschakeld om tijd te winnen. Zodat de minister een pijnlijke beslissing nog even voor zich uit kon schuiven. Of om het werk van de EMA nog eens over te doen, op voorhand een onbegonnen zaak. Daarbij opereerde de Gezondheidsraad vaak weinig overtuigend. Zo werd geadviseerd om het AstraZeneca-vaccin niet meer te gebruiken voor mensen beneden de 60 jaar. Dat had veel schrikreacties bij mensen boven de grens van 60 tot gevolg. Men had ook kunnen zeggen dat het bij de verdeling van de vaccins het beste zou zijn om AstraZeneca en Pfizer te geven aan mensen boven de 60, en Jansen daaronder. Dat had veel onrust voorkomen. 

Zo dringt zich de vraag op of het kabinet in het afgelopen jaar minder af zou zijn geweest als er geen Gezondheidsraad was geweest? Ook zonder antwoord te geven op die vraag is duidelijk dat bij de ‘oude’ Gezondheidsraad die vraag nooit zou zijn gesteld. Overigens is het wel zo eerlijk om te melden dat de Gezondheidsraad in het afgelopen jaar is opgelopen tegen de dilemma’s waarmee alle adviesorganen te dealen hebben. Te denken valt aan de volgende dilemma’s: 

  • Adviesorganen als de Gezondheidsraad geven advies op basis van de deskundigheid van de leden. Maar het kennen van de feiten en van het veld is niet voldoende om een advies te kunnen geven aan de minister. Elk advies vergt een politieke afweging, een afweging op basis van normen en waarden. En bij adviesorganen heb je plat gezegd niet meer dan de normen en waarden van de leden. Het is zeker in een crisis de vraag of de samenleving op deze persoonlijke afweging van een aantal experts zit te wachten. Ja, de minister kan zich achter een advies verschuilen, als hem dat goed uitkomt. Maar hij kan er even gemakkelijk van afwijken als hij zelf een andere politieke afweging maakt. 
  • Adviesorganen lijken zich niet altijd bewust te zijn van dit dilemma. En dat geldt zeker voor een adviesorgaan dat is samengesteld uit ‘dokters’. Dokters hebben geleerd om de patiënt te vertellen wat goed voor hem of haar is. Ik kan me goed voorstellen dat deze beroepsgroep meer moeite heeft om zich te realiseren dat een advies altijd een afweging is op basis van eigen waarden en normen. 
  • De Gezondheidsraad heeft een structuur die dit probleem alleen maar versterkt. Hoewel we bij een adviesraad gemakkelijk denken aan een raad bestaande uit een voorzitter en een aantal leden, die gezamenlijk alle adviezen formuleren, is dat bij de Gezondheidsraad niet het geval. De Gezondheidsraad bestaat uit een voorzitter, een 20-tal secretarissen en een kaartenbak van deskundigen. Als er een adviesvraag komt nodigt de voorzitter een drietal of een viertal leden uit de kaartenbak uit, om een advies uit te brengen. Hoewel vaak geprobeerd wordt om dat advies nog wat bij te sturen, heeft de commissie uiteindelijk het laatste woord. De wet verplicht de voorzitter om het advies van de commissie naar de Minister te sturen. Je kan je voorstellen dat een permanente adviesraad gaandeweg leert dat expertise op zich onvoldoende is voor een advies en dat er altijd een politieke afweging moet plaatsvinden. Je kan je ook voorstellen dat zo’n ad-hoc-commissie helemaal niet de ervaring kan opdoen om dat dilemma te doorgronden. Nog afgezien van het feit dat de ene commissie andere politieke afwegingen zal maken dan de ander.
  • Tot slot gaat het bij adviezen van de Gezondheidsraad niet alleen om expertise en normatieve afwegingen. Het gaat ook om het besef dat in Den Haag niet alleen inhoudelijke rationaliteit, maar ook politieke rationaliteit een grote rol speelt. Bijvoorbeeld het besef dat een advies van de Raad in de media een heel ander gewicht kan krijgen dan ermee is beoogd (AstraZeneca niet gebruiken onder 60!). Of het besef dat van elk advies elke avond aan de tafel van Op1 gehakt kan worden gemaakt. En juist dan is het werken met ad-hoc-commissies uiterst kwetsbaar. Die mensen hebben bij wijze van spreken niet eens tijd om hun witte jas uit te doen, en denken misschien al snel dat het genoeg is om gelijk te hebben. In Den Haag weet men over het algemeen dat gelijk krijgen belangrijker is. 

#Corona, de avondklok en de cijfers

februari 17, 2021 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Het gaat niet goed met de mentale staat van Nederland. Corona duurt te lang. Dat vergt twee dingen: alle corona-leiders moeten meer rust uitstralen en we moeten ons baseren op de feiten. Daarvan was gisteren geen sprake. 

Rutte riep ons allen op om de avondklok te blijven respecteren terwijl de rechter net had geoordeeld dat die avondklok geen juridische basis had. Van een minister-president verwacht je dat hij zich houdt aan de uitspraken van de rechter. Maar Rutte leeft blijkbaar inmiddels in zo’n staat van onrust, dat deze simpele gedachte niet meer bij hem opkwam. Alsof zonder avondklok de strijd tegen het virus definitief verloren zou zijn. 

Het RIVM brengt vooral chaotische berichten naar buiten. De Britse variant, waarvoor tot voor kort zo werd gewaarschuwd, blijkt nu toch “minder snel om zich heen te grijpen” dan eerder verwacht. Maar er is geen enkele reden voor tevredenheid. Want is er is een mutatie van de Britse variant van het coronavirus in Nederland ontdekt! Één mutatie van een mutatie. En dat is volgens het RIVM “zorgelijk”. Het RIVM meldt dat het virus “in het nauw zit” en (daarom?) nieuwe varianten ontwikkelt. Die nieuwe varianten zouden wel eens minder gevoelig kunnen zijn voor de vaccins. Bovendien is het zicht op het virus “vertroebeld” omdat GGD-locaties door de gladheid waren gesloten. Ook hier vooral alarmerende berichten.

Ik kan me voorstellen dat veel corona-leiders inmiddels door vermoeidheid zijn overmand. Bruno Bruins was het immers al na een week. Maar dat is geen reden om paniek te zaaien. Het is juist een moment om de feiten rustig te laten spreken. 

In dat opzicht is het goed om onderscheid te maken tussen meten, berekenen en voorspellen. En die heb je ook weer in soorten en maten. 

Meten

Zo zijn de dagelijkse ziekenhuisopnames betrouwbaar te registeren. Er zal eens een patiënt worden vergeten in de statistiek, maar je mag toch aannemen dat hiermee weinig fouten worden gemaakt. De trend die deze meetcijfers laat zien, geeft een betrouwbaar beeld van de ontwikkeling in het aantal besmettingen (zij het een aantal dagen later). Dus hoe het ervoor staat met het virus valt zeer goed af te lezen aan het dagelijkse aantal ziekenhuisopnames. 

Het dagelijks gemelde aantal besmettingen is een veel minder betrouwbaar meetcijfer. Zoals we deze week zagen laten mensen zich veel minder testen als het glad is of koud is of slecht weer is etc. Wat de media ‘aantal nieuwe besmettingen noemen’ is dus niet meer dan het ‘aantal dagelijkse positieve tests’. Het aantal positieve tests op een dag is niet meer dan een steekproef van het aantal nieuwe besmettingen op een dag. Het vervelende is dat die steekproef niet a-select is omdat de dagelijkse cijfers erg worden verstoord door de neiging van mensen om zich wel of niet te laten testen. En die neiging is van allerlei factoren afhankelijk. En elke onderzoeker weet dat je op basis van een selecte steekproef geen algemene uitspraken mag doen. 

Berekenen

Het RIVM berekent op basis van deze twee meetcijfers zowel het aantal besmettelijke mensen als het reproductiegetal R. Het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames wordt omgerekend naar het aantal besmettelijke mensen en het aantal dagelijks positieve tests wordt omgerekend naar de R. Die berekeningen kennen niet alleen een andere bron, maar ook een andere methode. Het gevolg is dat het regelmatig voorkomt dat het aantal besmettelijke mensen in de laatste weken afneemt, terwijl de R boven de 1 ligt. In real life kan dat natuurlijk niet. Het wordt nog erger als het RIVM (op basis van 37 gevallen) voor de Britse variant de R gaat berekenen: die berekening is gebaseerd op een selecte steekproef van een selecte steekproef. Bij dit soort berekeningen begint de verwarring. 

Voorspellen

Het RIVM doet ook voorspellingen. Ik onderscheid twee soorten voorspellingen Op basis van extrapolatie (men trekt de trend van de laatste weken door) of basis van modellen. Een extrapolatie komt alleen uit als de trend niet (onvoorzien) ombuigt. Modellen vormen een schematische weergave van de werkelijkheid omdat we de werkelijkheid zelf (exact) niet kennen. En hoe groter de onzekerheid over de werkelijkheid, hoe meer het model op aannames is gebaseerd. Op basis van al die aannames concludeert het RIVM bijvoorbeeld dat R 0,13 zal dalen als we nog maar één bezoeker per dag ontvangen. Of iets dergelijks. Natuurlijk dalen de besmettingscijfers als we minder mensen ontmoeten. De vraag is: hoeveel? Ik geloof niet dat modellen ons daarbij veel verder brengen. Omdat ze op grond van aannames de werkelijkheid schematiseren. 

Conclusie

Het zou de wetenschappers sieren als ze alle betrouwbaarheidsmarges van hun uitspraken zouden aangeven. Het zou ze nog meer sieren als ze zich bepalen tot de dingen die ze echt weten. We weten eigenlijk maar twee dingen echt: het aantal dagelijkse ziekenhuisopnames met COVID-19 en het aantal positieve tests per dag. En alleen uit het eerste cijfer kan men de ontwikkeling van het virus goed afmeten. 

En dan is het interessant dat het aantal mensen dat wordt opgenomen in een ziekenhuis vanwege COVID-19 sinds de Kerst daalt. In de Kerstweek ging het om 1956 opnames, in de afgelopen week om 1120 opnames. Verder weten we niet zoveel. Er is dus geen reden voor paniek. 

De mystiek van het R-getal #corona

november 13, 2020 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Corona biedt een onuitputtelijke stroom aan tentamen-vragen voor het vak Statistiek. Zo ook weer afgelopen dinsdag. Teletekst meldt dat het R-getal voor het eerst sinds tijden weer onder de 1 is gezakt. Gelukkig krijgen we enige uitleg: “Als de R onder de 1 zakt, neemt de verspreiding van het virus af”. Inderdaad, dat klopt. Maar dan komt dit: “Dat is ook goed te zien aan de ontwikkeling van het aantal positieve tests.” Hoezo “ook”? Het reproductiegetal wordt door het RIVM gewoon berekend op basis van diezelfde aantallen positieve tests.

Eerst even de theorie. Stel: 100 mensen zijn besmet met COVID-19. Als deze 100 mensen op hun beurt 100 andere mensen besmetten, is R gelijk aan 1. Als ze minder dan 100 andere mensen besmetten ligt de R onder de 1 (en zal het virus langzaam uitdoven). Theoretisch is dat een heldere gedachte. Maar hoe moet je nu die R berekenen? Het bron- en contractonderzoek is beperkt. Dus we kunnen nooit exact vaststellen hoeveel mensen meneer X, of mevrouw Y, heeft besmet. 

Het RIVM moest dus iets anders bedenken. Ze baseerden zich daarbij op de wetenschap dat het gemiddeld 4 dagen duurt voordat iemand die klachten krijgt, een ander heeft besmet. Dus als na 4 dagen meer mensen ziek worden, duidt dat erop dat het reproductiegetal boven de 1 ligt. En als na 4 dagen minder mensen ziek zijn geworden, moet het reproductiegetal onder de 1 liggen. (Ik weet het: Tante Truus uit Appelscha is pas na 6 dagen ziek geworden, maar het gaat bij statistiek vaak om gemiddelden.)

Om de R te berekenen moeten we dus weten hoeveel mensen op dag 1 hun eerste klachten hadden (eerste ziektedag) en hoeveel mensen op dag 5. En R om te berekenen delen we dan het laatste aantal door het eerste. Voor die berekening neemt het RIVM de dagelijkse cijfers over het aantal positieve tests tot uitgangspunt. En past drie bewerkingen toe: 

  • Ten eerste gaat het RIVM niet uit van het aantal positieve tests dat op een dag wordt gemeld, maar van het aantal mensen dat op een bepaalde dag positief is getest (zeker in het weekend blijven die briefjes nog wel eens rondslingeren voordat ze op maandag naar het RIVM worden gestuurd).
  • Ten tweede stelt het RIVM vast wat de eerste ziektedag moet zijn geweest van de mensen die positief zijn getest. Dat vergt een kleine correctie van enkele dagen. Daarmee blijft de grafiek gelijk, alleen schuiven de data op de X-as iets op. 
  • Ten derde berekent het RIVM het reproductie-getal, zoals gezegd, door het aantal gevallen op dag 5 te delen door het aantal gevallen op dag 1.  

De gevolgen zijn simpel: als er een dalende trend is in het aantal dagelijks gemelde positieve tests zal het RIVM onvermijdelijk, zij het met enige vertraging, melden dat de R onder de 1 zakt. Het is dus onjuist om te melden dat “ook” aan de ontwikkeling van de positieve tests is te zien dat de R onder de 1 is gezakt. Nee, omdat het aantal positieve tests afneemt, daalt de R onder de 1.

Zo ingewikkeld is die R dus niet. Bovendien is het aantal positieve tests een slechte graadmeter voor de ontwikkeling van het virus. Zie mijn vorige blog: #Corona en de self-fulfilling prophecy. Het aantal positieve tests zegt waarschijnlijk meer over de neiging van mensen om zich te laten testen, dan over het aantal werkelijk besmette mensen. En die neiging wil nogal eens verschillen. Als we bang zijn laten we ons vaker testen, als we denken dat het wel zal meevallen, laten we ons minder vaak testen. 

Deze relativering van het reproductiegetal staat nogal haaks op de manier waarop erover wordt gesproken. Soms lijkt het Haagse beleid geheel afhankelijk te worden gemaakt van “de R”. Vooral uit de mond van Hugo de Jonge krijgt het woord bijna een mythische klank. Alsof tientallen wetenschappers weken nodig hebben om de R te bepalen. In werkelijkheid is de R, zoals het getal nu wordt berekend, een tamelijke simpele maat, op basis van tamelijk onbetrouwbare cijfers. 

Inderdaad, het is een groot voorrecht om in een land te leven waar het beleid op feiten wordt gebaseerd, maar soms is het beter om het beleid op inzicht te baseren in plaats van op feiten.  

[Oh ja, nu die tentamen-vraag nog: “Waarom ziet Teletekst bij een R<1 in een dalend aantal positieve tests ten onrechte een extra bewijs voor het dalen van het aantal besmettingen?”]

Het @C19RedTeam en de pseudo-wetenschap

oktober 26, 2020 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

In tijden van corona komen alle lessen die ik de laatste tien jaar heb gegeven over de relatie tussen kennis en beleid over het voetlicht. Zo ook het onderscheid tussen academic science en public science. Grof gezegd het onderscheid tussen Jaap van Dissel en het Red Team dat de laatste weken veel aandacht krijgt in de media. 

De taakverdeling tussen kennis en beleid was tot op heden tamelijk simpel en voldeed aan twee regels. 

Regel 1: beleid moet je op kennis baseren om kansrijk te zijn. Zo moet je weten hoe een virus zich kan verspreiden, welke consequenties de verspreiding van een virus kan hebben en welke maatregelen de verspreiding van het virus kunnen tegengaan. 

Regel 2:  wat je moet doen is geen wetenschappelijke, maar een politieke vraag. Daarbij spelen allerlei politieke overwegingen. Hoe wegen we de voor- en nadelen van een lockdown? In welke mate moeten de rechten van mensen worden ingeperkt? In welke mate laten we ons leiden door draagvlak onder de burgers?

Met name Jaap van Dissel, het RIVM en het OMT hebben tot op heden de kennis aangedragen, op grond waarvan de regering tot een afgewogen oordeel kwam. Een enkele keer leek Van Dissel de grens van kennis en beleid te overschrijden. Als hij niet alleen vertelde wat hij van COVID-19 wist, maar ook vertelde wat er zou moeten gebeuren. Maar normaliter hielden Van Dissel én Rutte het onderscheid tussen kennis en beleid scherp in beeld. Van Dissel vertelde wat hij wist en Rutte vertelde wat er ging gebeuren. En zo hoort het ook. 

En toen was daar plotseling het Red Team. Een tamelijk willekeurige groep wetenschappers die menen dat het OMT zich te zeer beperkt tot virologische kennis. Die waarschuwing is om twee redenen terecht. 

Ja, het is goed om te voorkomen dat de virologen die het kabinet adviseren te veel met zichzelf in gesprek gaan en dat andere virologische kennis ten onrechte buiten beeld raakt. 

Ja, het is goed dat het beleid niet alleen gebaseerd is op virologische kennis, maar ook op kennis uit andere disciplines. Denk aan sociologen en psychologen die veel kunnen melden over de sociale gevolgen van een lockdown en over de reacties van mensen op beleid. Denk aan economen en de economische gevolgen van een lockdown. Denk aan onderwijskundigen en de mogelijke toename van de ongelijkheid van kansen in het onderwijs . 

In het eerste geval heb je hele goede virologen nodig die nog niet zijn gehoord. In het tweede geval heb je hele goede sociologen, economen, psychologen, onderwijskundigen etc nodig. Het kan aan mij liggen, maar al die mensen tref ik niet aan in het Red Team. Ik zie in het Red Team vooral andere wetenschappers die denken veel verstand te hebben van virussen. 

In mijn wetenschap maken we dan een onderscheid tussen academic science en public science. Jaap van Dissel en zijn leden van het OMT staan voor de academic science: integere wetenschappers die gedegen onderzoek doen op hun eigen vakgebied en die eindeloos journals napluizen op zoek naar de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De meesten houden zich met onderzoek bezig en niet met beleid. Gelukkig zijn een aantal van hen wel bereid om beleidsmakers (en samenleving) van die nieuwste inzichten in hun vak op de hoogte te houden. 

Public science staat voor wetenschappers die zich schijnbaar liever in het publieke debat roeren dan zelf onderzoek te doen. Dit soort wetenschappers vertelt bij voorkeur wat er moet gebeuren. Ze presenteren meer meningen dan feiten. Niet zelden gaat het daarbij om wetenschappers die ver buiten hun eigen vakgebied een privé-mening slijten voor wetenschappelijke inzichten. Daarom wordt wel eens over pseudo-wetenschappers gesproken. 

Laten we het laatste advies van het Red Team eens tegen die achtergrond bekijken. Het Red Team adviseert de regering om op korte termijn te kiezen voor een keiharde lockdown van enkele weken. Vanuit de gedachte, ja zelfs de belofte dat Nederland daarna weer terug kan naar het ‘oude normaal’, omdat we dan COVID-19 definitief onder controle zouden hebben. 

Ongetwijfeld zijn het slimme mensen. Maar waarom zou Rutte dit advies moeten overnemen? 

Ten eerste blijkt uit hun advies van het Red Team nergens dat het OMT belangrijke virologische kennis heeft gemist. Daarvoor mist het Red Team zelf ook te veel deskundigheid op virologisch gebied.

Ten tweede rijkt het Red Team nauwelijks andere relevante kennis aan. Nee, het Red Team heeft het vooral over COVID-19, juist waarover het zo weinig weet.

Ten derde gaat het Red Team op de stoel van de politiek zitten door zelf de afweging te maken tussen volksgezondheid, economie, onderwijs, draagvlak, rechtsstaat etc. Maar waarom zouden we hen die afweging laten maken? Dan heb ik zelf ook nog wel een mening. 

Ach ja, in tijden van COVID-19 telt Nederland 17 miljoen virologen. Daar is niks op tegen. Als je maar weet welke mensen er echt verstand van hebben en als je maar weet dat al die kennis nooit bewijst wat je moet doen. Daarvoor hebben we gelukkig de politiek. 

#Corona, het wordt tijd voor een andere aanpak

oktober 12, 2020 by  
Filed under Kennis voor Den Haag

Er zal wel weer een persconferentie komen en de regels zullen wel weer worden aangescherpt. En ik voorspel dat er binnenkort weer een persconferentie zal komen en dat de regels dan verder zullen worden aangescherpt. Het lijkt slecht te gaan met het virus. Maar het gaat slecht met ons gedrag. Regels worden nauwelijks nageleefd en het niet-naleven van regels wordt nauwelijks bestraft. 

In het voorjaar, ja, toen was alles duidelijk. Toen waren de ziekenhuizen overvol, toen vielen er veel doden en waren we collectief bang. Toen deden we allemaal wat Rutte ons gebood. Moesten we thuiswerken, dan gingen we thuiswerken. Moesten we onze handen wassen, dan wasten we onze handen. En op straat waren twee mensen op één trottoir al te veel. Zo duidelijk is het niet meer. Wat is er allemaal anders.

Ten eerste weten we veel meer over het virus. En zijn patiënten veel beter te behandelen, waardoor er nog maar relatief weinig mensen aan het virus overlijden. Ook los van behandelmethoden dringt het besef in de wetenschap door dat het sterftepercentage in het begin van de pandemie wellicht schromelijk is overschat. Ging de WHO in maart nog uit van een sterftepercentage van 3,4%, inmiddels is dit bijgesteld naar 0,6%. De NRC meldt dat recente studies al uitgaan van een sterftepercentage van 0,24%. Bij een gewone griep ligt het percentage tussen de 0,10 en 0,17%. Maar we weten ook veel meer omdat we veel meer testen. Of beter gezegd: omdat we veel meer testen, vinden we veel meer besmettingen. Daarom laten de huidige cijfers over besmettingen zich zo slecht vergelijken met de cijfers over maart en april. 

Ten tweede weten we veel meer over de gevolgen van de beperkende gedragsregels en over de gevolgen van de intelligente lockdown. We weten inmiddels ook wat we niet meer willen meemaken. We weten dat we de scholen niet meer moeten sluiten. Studenten weten dat online-onderwijs slechts een enkeling weet te motiveren. En we weten vooral dat een tweede lockdown echt desastreuze gevolgen zal hebben voor heel veel bedrijven en niet te vergeten voor de cultuursector. 

Ten derde zijn kosten en baten van beperkende maatregelen zich anders gaan verhouden. Met name door de twee voorgaande argumenten. De baten zijn veel geringer omdat de ziekte zich veel minder erg openbaart en de kosten worden zeker anders gepercipieerd. Als er dagelijks meer dan 150 mensen aan een virus overlijden lijkt die afweging tussen kosten en baten er ook minder toe te doen. Maar momenteel sterven ongeveer 10-20 mensen per dag aan COVID. Let wel van de ongeveer 400 mensen die elke dag in Nederland overlijden. En veel van die slachtoffers hadden zonder COVID niet heel veel langer geleefd. 

Ten vierde is onze volgzaamheid verdwenen. Gelet op het bovenstaande is dat overigens niet zo vreemd. Beperkende maatregelen leiden alleen tot minder besmettingen als ze worden nageleefd. Die relatie tussen maatregelen en besmettingen lijkt verbroken. En dat vraagt om een ander beleid. 

Wat zou er gebeuren als het huidige beleid (meer besmettingen = meer regels) worden voortgezet? Ik zie drie scenario’s. 

Scenario A: steeds meer beperkende regels zullen door een gebrek aan naleving leiden tot steeds meer besmettingen. Hoe laag het sterftepercentage ook mag zijn, dat zal op den duur leiden tot nieuwe drama’s in de ziekenhuizen en op de IC’s. De kans is aanwezig dat de regels pas zullen worden nageleefd als het al veel te laat is. Veel ellende, veel doden en veel economische schade zal het gevolg zijn. 

Scenario B: we gaan vanaf morgen alle bestaande en nieuwe beperkende regels naleven. De maatschappelijke schade zal groot zijn, maar de overheid krijgt wel zijn zin. Het mag duidelijk zijn dat ik dit scenario niet realistisch acht. 

Scenario C: de ellende blijft binnen de perken, niet omdat we steeds strengere regels steeds beter gaan naleven, maar vooral omdat wetenschappers het virus inmiddels steeds beter onder controle krijgen. Voor de samenleving is dit een prettige optie, maar voor de overheid desastreus. Het blijkt te lonen om overheidsregels massaal aan je laars te lappen. 

Scenario B is zeer onwaarschijnlijk en de scenario’s A en B zijn zeer onaantrekkelijk. Ik kies dan ook voor een vierde scenario, het zogenaamde griep-scenario. Bij griep faciliteren de overheid en de zorg. Je kan een vaccin krijgen, maar het hoeft niet. Je kan je goed aankleden, maar het hoeft niet. Als je ziek bent kan je naar de dokter gaan, maar het hoeft niet. En als je zo ziek bent dat je naar het ziekenhuis moet, krijg je geen voorrang boven mensen die nog zieker zijn. Omdat je besmettelijk bent voor de andere patiënten krijg je een aparte afdeling en bij voorkeur een apart ziekenhuis. 

Het aardige van dit scenario is dat iedereen zelf mag bepalen hoe kwetsbaar hij zich waant. Ouderen zullen meer afstand houden en zullen misschien even niet naar het café gaan. Kwetsbare ouderen zullen in quarantaine gaan. De overheid zorgt voor een boodschappendienst. Verpleeghuizen en verzorgingstehuizen zullen zelf regels opstellen. De klassieke concertzalen zullen ruimte houden tussen de bezoekers,  omdat hun toch al oudere publiek anders geheel thuis zal blijven. (In Ziggodome maken ze werk van de groepsimmuniteit.) Winkels zullen ervoor zorgen dat iedereen naar binnen wil (hier zijn mondkapjes verplicht). Treinen en bussen doen hetzelfde. 

Eigenlijk past het heel goed bij de filosofie van Rutte. “Jullie moeten het zelf doen.” Toch ben ik bang dat hij deze draai niet meer kan maken. 

Volgende pagina »