De liefde van de muzikant

februari 12, 2017 by  
Filed under Muziek

Vroeger heb ik vaak getwijfeld. Uiteindelijk toch gekozen voor een nette wetenschappelijke baan. Ik schatte in dat ik fagot-leraar zou worden in Winterswijk. Daar is niets op tegen. Maar ik ben gewoon een betere wetenschapper.

Maar nu begin ik toch te twijfelen, of ik wel de goede keuze heb gemaakt. Ik kan inmiddels een beetje vergelijken, omdat ik ben toegelaten tot het Conservatorium van Amsterdam. Loop elke dag met mijn fagot op mijn rug. En het is genieten. Neem de afgelopen 10 dagen.

Op 1 februari een fantastische masterclass van Gustavo Nunez. Gustavo geeft net zo helder les als hij fagot speelt. En zo exact als hij zelf speelt, zo exact probeert hij jou te laten spelen. Heel leerzaam.

Op 4 en 5 februari krijgt ons ensemble 3 voor 2 les van verschillende coaches. Marja Bon dwingt me om mijn solo in het Sextuor van Poulenc dwingender te spelen. Julien Hervé laat ons (nog) beter naar elkaar luisteren. Nog nooit in mijn leven in een ensemble gespeeld dat zo met elkaar bezig is. Op het afsluitende concert gaat het allemaal net ietsje minder.

Op 7 februari heb ik mijn wekelijkse les van Ronald Karten. Een razend muzikale leraar die zelfs ‘Weissenborn’ weet te lezen als het tweede deel van het fagotconcert van Mozart of als zijn favoriete Sonate van Saint Saens. Alles wordt onder zijn handen muziek.

Op dezelfde avond weer voorspeelavond op het conservatorium. Met Jaap Kooi, die altijd tegelijk met je eindigt en met bètablokker. Want eenvoudig is het niet. Het instuderen met de geweldige begeleider die Jaap Kooi is, is al weken een genot. Telemann in e mineur. De Schumann Romances voor de volgende keer.
Na twee dagen komt het betrokken commentaar van Ronald, Jos en Simon. Ze zien vooruitgang. Er is nog hoop.

Op woensdag 8 februari ga ik bij Mette Laugs langs in Arnhem. Voor een lesje adem zonder onderkaak. Op 11 februari volg ik een masterclass van haar in Groningen. Het is fascinerend hoeveel lichaamsdelen ze weet te benoemen die de klank kunnen verhogen en de toonhoogte kunnen veranderen. Ik merk dat ik opnieuw moet beginnen.

Op 11 februari ook een masterclass bij Bram van Sambeek. Hoe een integere muzikant heel goed en heel motiverend les kan geven. We zijn allebei bij Fred Gaasterland begonnen. Bram mocht Fred zeggen, ik zei meneer. En Bram is een grote meneer geworden op de fagot. Ik een contract-student.

En dat is wel het mooiste van deze lange feestweek. Al die muzikanten zijn vooral met de muziek bezig. Niet met hun status. Ze verdienen er bijna niets mee om ons op onze beurt te laten genieten van muziek. Om al hun liefde voor het vak door te geven. Bijzonder, het lijkt alsof wetenschappers veel meer met zichzelf bezig zijn.

Podiumangst

oktober 2, 2016 by  
Filed under Muziek

Volgende week hebben we voorspeelavond, op het conservatorium. Een medeleerlinge vraagt aan Ronald of ze de avond mag openen. Dan is het minder spannend. Ze is nu al zenuwachtig. Ik herken het helemaal. Voor de zomer was mijn eerste voorspeelavond. Toen vielen de zenuwen nog wel mee. Maar bij de tweede avond stond ik te stuiteren op het podium. Weg ademsteun, weg Alexandertechniek. Vreselijk. En toen moest ik mijn toelatingsexamen nog doen.

Ik had het eerder ook gehad, maar lang niet zo erg. Ooit speelden we met Bellitoni Shostakowitch 8. Met die prachtige fagotsolo. Met die twee hele hoge noten. De dirigent nam het tempo lekker hoog en op het eerste concert liet ik slechts twee donkere krakken horen, niks geen hoge noot. Ik vervloekte mezelf. Ik was te zenuwachtig geweest. En dan te bedenken dat ik dat concert nog tweemaal moest herhalen.

Bij toeval mocht ik de volgende middag een zaal met onderzoekers toespreken. Geen idee wat het onderwerp was. Ik weet wel dat ik dat optreden gebruikte om in het openbaar weer rustig mijn verhaal te kunnen doen. Zoals ik die solo in Shostakowitch 8 zou moeten spelen. Ik wist dat ik geen moeite had om in het openbaar te spreken. Na al die jaren college geven. En na al die congreszalen. Maar waarom slaan de zenuwen dan wel toe bij een concert van amateurs en niet bij een speech in een grote zaal?

Ik heb me dat rondom mijn toelatingsexamen weer langdurig afgevraagd. Al heb ik het voorzichtige gevoel dat ik de ergste zenuwen inmiddels de baas ben. Maar dat moet je nooit te snel zeggen. En zeker niet hardop.

Jaap van Zweden zei het in een documentaire dit voorjaar heel duidelijk: als je goed gestudeerd hebt, hoef je nooit meer zenuwachtig te zijn. Het kan zeker een verklaring zijn. Ik beheers de onderwerpen van mijn speeches beter dan mijn fagot. Dat geeft wel hoop voor de toekomst. Heel hard studeren en de zenuwen zullen vanzelf minder worden. Er is ook een andere oplossing: speel eens een compositie waar je technisch echt boven staat. Niet iets groots, maar gewoon iets lulligs. Toch kan ik me een citaat van Brian Pollard herinneren die de theorie van Jaap van Zweden nogal ondermijnt. Brian vertelde dat hij vreselijk bang was voor het Vader Jacob-thema uit Mahler 1. Omdat iedereen elke fout meteen zou horen. Technisch moet dat voor de grote Pollard toch geen enkel probleem zijn geweest.

Een andere verklaring heb ik opgedaan uit het boek Podiumangst van Liesbeth Citroen en Martine van der Loo. Als je praat in het openbaar kan jezelf je tempo bepalen en, met name, je eigen rusten inbouwen. Voor een moeilijk woord kan je de tijd nemen. Maar in de muziek is het tempo voorgeschreven en speel je bovendien vaak samen met anderen. Die solo in Shostakowitch 8 komt er onherroepelijk aan. En de dirigent bepaalt het verschrikkelijke tempo waarin je dat ding moet spelen. Samenspelen met één pianist is vanzelfsprekend eenvoudiger. Zo weet je bij Jaap Kooi van het Conservatorium in Amsterdam dat hij je altijd volgt, ook al sla een pagina over. Maar die wetenschap is niet genoeg. Want je weet dat je die pagina niet mag overslaan.

Het zoeken naar perfectie dat zo eigen is aan de professionele wereld, biedt zicht op een derde verklaring. Ik weet het: ik ben amateur en blijf altijd amateur. Maar ik heb nu wel als contractstudent de beste fagottisten als leraar en ik vertoef tussen allemaal studenten die ooit dat niveau willen halen. En wie geen fouten mag maken, wordt eerder zenuwachtig. Zo wordt ons steeds verteld: als je op het proefspel de partij niet foutloos kan spelen, ben je al afgewezen. De druk op foutloos spelen is dus enorm. En foutloos spelen is niet de kracht van de amateur. Maar ik moet niet zeuren. Anders had ik me daar maar niet moeten laten inschrijven. Nee, ik zeur niet. Ik geniet dagelijks.

Mijn vierde verklaring ligt in het verlengde van de vorige. In mijn vak, de sociale wetenschappen, zijn goed en fout onbruikbare begrippen. Het ene artikel is interessanter, informatiever of eleganter dan het andere. En elk onderzoek kent zijn fouten. Ook waardevrij onderzoek bestaat niet. Daarom kan je in mijn vak lang discussiëren over de waarde van een boek of van een artikel. In de muziek en zeker op het conservatorium ligt dat anders. Natuurlijk kan je ook discussiëren over de interpretatie van Yo Yo Ma of van Danielle Gatti. Maar op het conservatorium zijn de meeste studenten geen Yo Yo Ma of Danielle Gatti. En zullen dat ook nooit worden. Daar is het volstrekt helder of er wel of geen fout wordt gemaakt. En daar kan je aardig zenuwachtig van worden.

Maar misschien is de belangrijkste verklaring wel een andere: muziek is persoonlijk, muziek raakt je. Ook al weet je die gevoelens door een gebrek aan techniek niet over te brengen. In ieder geval ben ik veel naakter als ik met een fagot op een podium sta dan met een microfoon. Ik probeer mijn eigen gevoelens in de muziek te laten doorklinken. En als dat mislukt, blijven er alleen maar noten over. Terwijl woorden genoeg zijn voor een goede speech, zijn noten voor een goed concert onvoldoende.

[column voor De Fagot]

Loopgek of fagotverliefd

januari 12, 2016 by  
Filed under Muziek

Ik had drie hobby’s. Schrijven, hardlopen en fagotspelen. In deze volgorde. Ik heb drie hobby’s. Fagotspelen, schrijven en hardlopen. Ja, de volgorde is veranderd. Maar hoeveel is er eigenlijk echt veranderd?

Vroeger liep ik 5 keer per week. In mijn topweken 8 uur in totaal. Intervaltrainingen en lange duurlopen. En nog een dubbele spinning ertussendoor. Allemaal om voorbereid te zijn op de volgende marathon. Rotterdam, Berlijn, New York. Of nog liever: de volgende ultraloop. De Zestig van Texel, de K78 in Davos.

Tegenwoordig studeer ik elke dag fagot. Meer dan een uur . Want volgens mijn leraar Ronald kan je het met één uur per dag alleen maar ‘bijhouden’. Het echte studeren begint daarna. Met orkestrepetities en concerten kom ik zeker weer aan 8 uur per week. En wat zo aangenaam is: ik doe eigenlijk nog steeds hetzelfde.

Fagot spelen heeft veel met muzikaliteit te maken, met aanleg, maar ook onwaarschijnlijk veel met uithoudingsvermogen. Het klinkt plat, maar ik kan er niks anders van maken. Die mond en die vingers moeten worden getraind. Hoe vaker je studeert, hoe eenvoudiger het wordt. Hoge noten? Gewoon veel studeren! Zachtjes aanzetten? Gewoon veel studeren! Veel uren maken. Een marathon lopen? Gewoon veel uren maken! Kunnen versnellen? Gewoon veel uren maken! Die embouchure gedraagt zich net als je voeten. Pijnlijk simpel, pijnlijk platvloers. Je wordt een betere fagottist door veel uren te maken. Een goede  fagottist word je alleen als je al die uren maakt, én aanleg hebt.

En net als bij het lopen gaat het bij de fagot niet alleen om de duur , maar vooral om de kwaliteit van de training. Alleen maar eindeloos duurlopen heeft weinig zin. Het gaat om de variatie. Om een combinatie van intervaltrainingen, snelheidstrainingen, fartlek en duurlopen. En krachttraining en spinning. En wanneer word je een betere fagottist? Als je heel exact en geconcentreerd studeert. Niet een beetje blazen, maar precies weten waar de fouten zitten en waar je je kan verbeteren. Dus precies hetzelfde. Alleen de hartslagmeter ontbreekt.

Er zijn ook op een ander niveau grote gelijkenissen tussen hardlopen en fagotspelen. Als je de straat op gaat, voel je binnen drie passen of het een goede training wordt. De voeten zijn soepel, ze zijn bereid je vandaag een mooie dag te bezorgen. Hoe vergelijkbaar is het met de fagot. Je maakt je riet nat, je kraait op het riet, je zet het op je Es en je blaast. Gatver, wat een vreselijke klank! Of: Ooh, wat heerlijk! En als een uur fagot blazen begint met ‘Gatver’, dan wordt het een zwaar uur. En als het begint met ‘Ooh’, dan kan de dag niet meer stuk. Ja, net zoals met die eerste stappen op straat.

Nog erger: hardlopen en fagotspelen, beide zijn verslavend. Als je maar vaak genoeg traint voor een marathon: op een gegeven moment wil je niets anders meer. Je wilt wel elke dag trainen, en je wilt wel elke maand een marathon lopen. De indeling van elke dag staat in het teken van het trainen. Alles moet ervoor wijken. Ja, hetzelfde begin ik bij mijn lieve fagot, mijn fantastische Heckel, te ervaren. Ik moet hem elke dag even aanraken, elke dag even voelen, elke dag vooral even horen. De klank van de middel-F. Die losse klank, alsof hij los in zijn trainingsbroekje hangt. Er is wel een klein verschil. Als je elke dag zou willen hardlopen, gaat er iets kapot. Je moet wekelijks echt een rustdag inlassen. Mijn Heckel houdt niet van rustdagen. Ik hoor het, ik voel het als ik een dag niet heb gespeeld.

Bij verslaving hoort ook ‘te ver’ gaan. Bij verslaving horen blessures. Hoeveel hardlopers zijn niet geblesseerd. En hoeveel fysiotherapeuten zijn er niet nodig om musici steeds weer op te lappen. Op dit moment heb ik last van mijn rechterteen bij het hardlopen en van mijn linker elleboog bij het fagotspelen. En van beide, van hardlopen en van muziek maken, gaat mijn rug vastzitten.

Tot slot: de marathon en het concert. Veel amateurs zijn kapot na één marathon. De voorbereiding voor de volgende marathon vergt minimaal een half jaar. De gelijkenis met amateurmusici is treffend. Die geven in de regel ook maar een paar concerten per jaar. En hebben de tussentijd nodig om een volgend programma in te studeren. Inderdaad, beroepsmusici geven veel vaker concerten. Maar ultralopers lopen ook met gemak elke week een marathon, als het moet als training.

Ja, eigenlijk is het verbluffend, al die overeenkomsten. Er resteert een boeiende vraag: is het mogelijk om zowel verslaafd te zijn aan het fagotspelen als aan het hardlopen? Of moet je echt een keuze maken? Of ligt het in mijn karakter besloten dat ik die keuze moet maken? Zoals het ook in mijn karakter ligt besloten om dan meteen weer verslaafd te worden. Van ‘loopgek’ naar ‘fagotverliefd’.

Bernard Haitink klinkt als vinyl

november 16, 2015 by  
Filed under Muziek

Haitink terug weer op de bok van het Concertgebouw. Niet voor zijn eigen KCO, maar voor het Chamber Orchestra of Europe. Zijn leeftijd staat hem niet meer toe de grote trap af te dalen. Via een zijtrapje betreedt hij het podium. Een heel Schumann-programma. We beginnen met de Manfred Ouverture. En waar de ouverture vroeger nog wel eens werd gebruikt om de vingers te rekken, in te blazen en bij te stemmen, nu is meteen elke noot raak. Overdonderend. En dat geweldige niveau wordt de hele avond vastgehouden. Ook in het pianoconcert met Murray Perahia en na de pauze in Schumann II.

Wat onderscheidt Haitink van al die andere dirigenten? De klank en de intensiteit van het samenspel. Iedereen zit op het puntje van de stoel. Iedereen hangt aan zijn vingertoppen. Hoe onnavolgbaar zijn bewegingen soms ook zijn. En hij is én dwingend én dienstbaar. Hij helpt het orkest door de partituur. Geen beweging te veel, geen showelementen. En waar de muziek zijn eigen weg vindt, laat hij het orkest begaan. Alleen in die paar overgangen, in die paar moeilijke passages neemt hij de teugels strak in handen.

Hoe dienstbaar en toch tegelijkertijd ongelofelijk dwingend. Want vanaf de eerst noot hoor je Haitink. Het is de gloed van een oude LP, het is de gloed van het KCO in de jaren 70 en 80, het is de gloed van elk orkest dat onder Haitink speelt. In die gloed spelen de eerste violen echt unisono, zonder enige scherpte, en wat waren ze geweldig op dreef in het Scherzo van de symfonie. In die gloed brommen de bassen niet, maar ze dansen. En in die gloed klinken de houtblazers alsof ze op klassieke instrumenten spelen, zo goed mengen ze met de rest van het orkest.

Murray Perahia voegt zich op geweldige wijze. Want ook hij is de man van de klank, veel minder van de techniek. En daarmee raken we aan de kern. Het lijkt bijna een historische avond. De tegenwoordige instrumentalisten lijken alles te kunnen. Maar hun klank kan me soms minder bekoren. Bram van Sambeek is technisch een wonder op de fagot. Brian Pollard, de legendarische fagottist van het KCO uit de vorige eeuw, haalde dat technische niveau bij lange na niet. Maar de klank van Pollard was onovertroffen. Zijn vibrato deed het orkest gloeien.

En zo lijkt het ook met Haitink en ‘zijn’ Chamber Orchestra of Europe. Er kikst een trompet bij het begin de symfonie. Ook de houtblazers zijn niet spatgelijk. Wie hoort dat nog bij het huidige KCO? Maar wat een klank, wat een warmte en wat een klankkleuren! Ligt tegenwoordig te veel aandacht bij de technische perfectie? Bij de prestatie? Bij het kunststuk en minder bij de kunst?

Epiloog: waarom schrijven studenten geen strafregels

november 7, 2015 by  
Filed under Muziek

Er was een aardige studente die me weer even deed herinneren aan mijn kortstondige studie muziekwetenschap. Ze had mijn blogs gelezen over die studie die ik anderhalve week had volgehouden en wilde me graag vertellen dat het inmiddels nog erger was geworden. De ‘Juf’ heette tegenwoordig voor iedereen de ‘Viooljuf’. Ze blijft blijkbaar pronken met haar studie aan het conservatorium, die haar overigens niet verder heeft gebracht dan de universiteit. Het eerste tentamen was achter de rug. Omdat onduidelijk was wat de leerstof was, was het prettig dat de tentamenvragen reeds eerder waren uitgedeeld. Ook had een student een half punt extra in de wacht weten te slepen voor zijn opdracht nadat hij wel de correcte regelafstand had gebruikt. En ten slotte werd nog steeds veel tijd verknoeid met het oplezen van namen om ieder aanwezigheid te controleren. Desondanks werd de collegezaal steeds leger.

Ik kreeg geen spijt van mijn besluit om na anderhalve week mijn studie voortijdig af te ronden. Toch vraag ik me nog wel eens af waarom die universitaire studie zo schools en zo bureaucratisch is en waarom ik zo naïef ben geweest om te denken dat het anders zou zijn. Die laatste vraag is hier minder belangrijk dan de eerste. Toch is het komisch dat ik in Rotterdam onder andere ben opgestapt vanwege de kilte van het onderwijs, terwijl ik heel romantisch veronderstelde dat het in Amsterdam bij zoiets wonderschoons als muziekwetenschap wel veel beter zou moeten zijn. Daarnaast was de stap van hoogleraar naar student gewoon te groot. [Zeker als zo’n viooljuf je eerste onderzoeksvraag afkeurt omdat hij ‘vooringenomen’ zou zijn. Ja, ik weet dat ik mij nog bescheidener had moeten opstellen.]

Maar waarom is dat universitaire onderwijs zo bureaucratisch en zo schools. Het eerste heeft ongetwijfeld veel te maken met de grote aantallen studenten. Het zal ook iets te maken hebben met de tegenwoordige student die wil weten wat zijn ‘rechten’ zijn. Maar het heeft ook alles te maken met de overdosis aan managers en ondermanagers waaronder de huidige universiteiten gebukt gaan. [Zoals gesubsidieerde muziekscholen tegenwoordig ten onder gaan en vervolgens zonder subsidie en zonder managers gewoon kunnen doorgaan.] Het heeft alles te maken met de verzelfstandiging van allerlei overheidsinstellingen, zonder ze daadwerkelijk onder de tucht van de markt te brengen. Ik ga de vele andere bekende voorbeelden hier niet geven.

Het verschoolsing van de universiteit heb ik zelf lang toegeschreven aan de veranderde student en aan de grote aantallen studenten. In Amsterdam heb ik een heel ander mechanisme gezien. En dat mechanisme laat zich simpel samenvatten: omdat de docenten niet weten wat doceren is, worden de studenten steeds kinderachtiger aangepakt. Natuurlijk, als hoogleraar was ik het mechanisme al veel eerder tegengekomen. Aanwezigheidsplicht! Moest je, als je bij een ander vak inviel, bijhouden wie aanwezig was en vooral wie niet aanwezig was. Meestal weigerde ik die onzin. Waarom zou je een student verplichten jouw college bij te wonen, als je mag veronderstellen dat die student heel goed zelf kan beoordelen of de tijd van het collegelopen zinvol is besteed? En natuurlijk: een aanwezigheidsplicht voor studenten wordt altijd ingevoerd omdat te veel studenten beoordelen dat de tijd van het collegelopen niet zinvol is besteed. In dat licht is het wel grappig dat de aanwezigheidsplicht nooit voor docenten geldt, die zich regelmatig door ‘gastdocenten’ mogen laten vervangen.

Zo kunnen veel studenten zeuren over het aantal pagina’s dat ze moeten bestuderen voor een tentamen omdat ze schools worden benaderd. Als je serieus ingaat op de leervragen van de studenten, heb ik nog nooit een student horen klagen over een literatuursuggestie. Zo kunnen veel studenten zeuren over de omvang van het paper (hoeveel pagina’s met welke regelafstand…?), maar vinden alle studenten het geweldig als ze uitgelegd krijgen wat ze goed en fout hebben gedaan, in plaats van ongemotiveerd een 7 te ontvangen. Zo kunnen veel studenten zeuren over vrijstellingen voor bepaalde vakken, maar vinden ze het geweldig als ze zelf hun vakkenpakket mogen samenstellen. En waarom hebben zoveel studenten zoveel moeite met het afronden van hun studie: omdat ze te weinig begeleiding krijgen bij het schrijven van hun thesis.

Een laatste voorbeeld: het bindend studie-advies aan het einde van het eerste jaar. Wie in het eerste jaar niet voor alle vakken slaagt, moet vertrekken. In Rotterdam is die regel iets soepeler: je mag onvoldoendes halen, als die maar met ruime voldoendes worden gecompenseerd. De gevolgen waren boeiend. Uit onderzoek bleek dat de studenten eerder minder dan meer tijd aan hun studie gingen besteden (ongeveer 20 uur per week…..). En er werd voortaan op leven en dood onderhandeld om van een 4,7 een 4,9 te maken. In Amsterdam leerde ik dat er een veel handiger vluchtroute is: je schrijft je in juni uit voordat je een negatief bindend studieadvies hebt ontvangen en je schrijft je in september weer in om gewoon opnieuw te beginnen. De studie muziekwetenschap was blij met deze extra studenten.

Het lijkt een soort vicieuze cirkel: het onderwijs is ondermaats (en geheel aanbodgericht), de student doet te weinig en de docent stelt nadere regels. Verschoolsing is het onvermijdelijke resultaat. Het wachten is nog op de strafregels.

 

Zie hier het hele Dagboek van een weerstudent

Dagboek van een weerstudent

september 7, 2015 by  
Filed under Muziek

Het viel niet mee, die eerste week. Op maandag beginnen met een uurtje introductie. Daarna naar McKinsey om te adviseren over duurzame mobiliteit en verstedelijking. Plotseling wordt er weer naar me geluisterd. ’s Middags drie uur college. Tussendoor de tijd doorbrengen bij ‘De Jaren’ in de Nieuwe Doelenstraat. Goede koffie, goede stroom. Zo word ik onwennig student, op de laatste dag van mijn hoogleraarschap. Dinsdag en woensdag rommel ik wat in huis. Donderdag en vrijdag verzuim ik mijn colleges aan de UvA en geef zelf les op de ss Rotterdam. Twee dagen met een groep stedelijke strategen in gesprek over de ‘achterkant van de triomf van de stad’.

Die twee dagen in Rotterdam waren een feest. Ik geniet van het college van Godfried Engbersen. Ik geniet van het felle debat dat tussen de groep en Jos van der Lans ontstaat. Ik geniet van de avond in het Verhalenhuis met Els Desmet en met autochtone bewoners van De Kaap. Ik geniet van mijn cursisten die zich die ene essentiële vraag stellen die ambtenaren (en politici!) zich veel vaker zouden moeten stellen: ‘waar zijn we van?’ Is dit echt een taak voor de overheid? We genieten van de stad die Carlo ons vanaf de 40e verdieping van het nieuwe stadskantoor laat zien, een stad die zich langzaam in regen hult. We genieten op een vmbo-school [Melanchton Mathenesse] van de passie van Hanna van Os en Erik van Ruijven voor hun school. De groep wordt er stil van. Zo zien echte professionals er dus uit.

En ik moet er even niet aan denken dat ik dit allemaal volgend jaar ga opgeven om fulltime student te worden. Twee volle dagen in gesprek met zeer gemotiveerde mensen. Ik mag de hele dag vragen stellen, spiegels voorhouden, prikkelen. Allemaal om hen nog verder te brengen. Om van hen nog betere strategen te maken. En elke minuut alert zijn op die ene briljante opmerking van Wouter, op die koffie die te laat wordt gebracht, op een buschauffeur die ‘langs het station’ iets te letterlijk opvat, terwijl de helft van de groep snakt naar de trein. En het allermooiste: de groep is gelukkig met deze twee dagen. Zoals Carlo zegt: ‘dit ging verder dan ergens iets van vinden, dit ging om voelen’. Van dat soort woorden, raak ik emotioneel, zeker als je vijf dagdelen zo hard hebt moeten werken.

In het weekend rond ik mijn werkweek af. En bereid ik de nieuwe voor. Ben ik vooral weerstudent. Ik oefen mezelf in de G-sleutel (te lang geleden). Ik maak een opdracht voor ‘onderzoeksvaardigheden’. Voor 9:00 morgenochtend moet de opdracht digitaal worden ingeleverd. ’s Middags bij het college moet de geprinte versie worden achtergelaten. Ik schreef er al over. En ik word op voorhand moe als ik weet dat de geprinte versie identiek moet zijn aan de digitale versie. Het is verboden om de geprinte versie in de loop van de dag nog aan te passen. Het is verboden om morgen na 8:59 nog te leren. Dat mag pas weer als de meester of de juf de opdracht heeft nagekeken.

Ja, je kan van niks moe worden en je kan van twee dagen les geven uitgeput raken. Maar wat een verschil! Wat word ik graag moe van twee geslaagde dagen. En wat haat ik het om moe te worden van geleuter op de vierkante centimeter. Ik besef weer eens dat je als docent maar één taak hebt: je leerlingen rijker maken. Je moet je leerlingen laten genieten, van al het wonderschone dat te vertellen valt.

 

Zie ook: De #universiteit is te mooi om tijd te verknoeien

John Eliot Gardiner over Johann Sebastian Bach

augustus 13, 2015 by  
Filed under Muziek

Twee bijzondere mensen, John Eliot Gardiner en Johann Sebastian Bach. Als de één een boek schrijft over de ander verwacht je veel. De verwachtingen komen niet uit. Hoewel Bach het onderwerp van het boek is, is het te veel Gardiner en te weinig Bach. Dat is het gevoel dat overheerst na lezing van het vuistdikke Bach, muziek als een wenk van de hemel van John Eliot Gardiner, die meer bekend staat als vermaard dirigent, met name van barokmuziek. Laat ik proberen mijn gevoel scherper onder woorden te brengen aan de hand van drie vragen.

De eerste vraag: geeft het boek een goed overzicht van Bach? Van zijn werk, van zijn leven, van zijn hemel. Antwoord: nee. Daarvoor is het boek veel te veel gefocust op de cantates, op de twee grote passies en op de Hohe Messe. De orgelwerken ontbreken geheel, van alle werken voor klavecimbel wordt slechts een enkele, naar het schijnt bij toeval, genoemd. En zelfs het Weihnachtsoratorium wordt slechts summier genoemd. Veel feiten (dat de Markus-Passion verloren is gegaan, bijvoorbeeld) worden terloops gemeld, waardoor je het ongemakkelijke gevoel overhoudt dat ook heel veel feiten terloops niet zijn gemeld (hoeveel passies heeft Bach eigenlijk geschreven?). Ik weet dat er niet zoveel bekend is over de grote Bach en dat we graag meer hadden willen weten. Maar desondanks hoort een boek met een dergelijke titel een systematischer overzicht te geven van wat we wél over Johann Sebastian Bach weten.

Vraag 2: betrekt het boek enkele heldere (en wellicht nieuwe) stellingen over Bach? Nee, hoogstens de stelling dat Bach geweldig is. Het boek is ook te warrig in zijn redenering om tot heldere conclusies te kunnen leiden. Het is goed geschreven en uitstekend vertaald (door Frits van der Waa), maar de lijn ontbreekt nogal eens. De auteur lijkt te worden gekweld door een tekort aan zelfkritiek. Een kritische redacteur had op zijn minst meer lijn moeten brengen in de tekst. Niet dat Gardiner niet aan allerlei interessante vragen raakt. Maar het vervelende is dat hij zo weinig antwoorden geeft. Bijvoorbeeld: in hoeverre is de tekst van de cantates bepalend voor de inhoud van de muziek? Of kan Bach zonder gevaar de ene tekst door de andere vervangen, zoals hij in werkelijkheid nogal eens heeft gedaan? Gardiner benoemt deze vraag verschillende keren, maar hij komt nooit tot een antwoord. Eerder draagt hij steeds weer nieuwe argumenten en met nieuwe voorbeelden aan.

Om het wat cru te zeggen: het boek biedt dus geen overzicht en het biedt geen nieuwe inzichten. Misschien had die redacteur Gardiner een derde vraag moeten voorleggen: zou je in staat zijn om jouw interpretaties van Bach’s cantates en passies te verwoorden? Het huidige boek komt veel dichter bij deze vraag dan bij de twee voorgaande. Eigenlijk moet je het boek ook lezen terwijl je de partituren ernaast hebt liggen en Spotify of Youtube in de aanslag. Te laat begreep ik dat ik het boek vooral zo moest lezen. Als een college van Gardiner over zijn eigen uitvoeringen van Bach. Maar ook als ik dat deed bekroop me een gevoel van twijfel: ik vrees dat Gardiner zijn geweldige interpretaties veel beter kan overbrengen als dirigent dan als schrijver. Of bezondig ik me nu al aan de foute gedachte dat musici zich moeten beperken tot het maken van muziek en dat ze het schrijven maar moeten overlaten aan de musicologen…?

Voor Bach moet je vooral de luisteraar goed begrijpen

augustus 9, 2015 by  
Filed under Muziek

Barend Schuurman toont in zijn boek Bachs cantates, toen en nu niet alleen een grote Bach-eruditie, maar hij poneert ook een interessante stelling. In zijn woorden: de teksten van de cantates van Bach ‘zijn niet meer van deze tijd’. Hij laat dat overtuigend zien. In Bachs cantates gaat het vooral over ‘de eeuwige waarheden uit de traditionele christelijke geloofstraditie.’ Bovendien is er sprake van  ‘een autoritaire verkondiging van deze geloofswaarheden’. Dat past niet meer bij het geloof van dit moment, waarin de gelovige, volgens Schuurman, ‘zijn eigen houding moet bepalen tegenover de omstandigheden in de wereld, en daarmee tegenover geloven en spiritualiteit’. Schuurman doet vervolgens een voorzichtige poging om de teksten van Bachs cantates naar onze tijd te vertalen.

Boeiend, boeiend. Maar het roept bij mij verschillende vragen op. Mijn eerste vraag: kan het ook zijn dat wij niet alleen de tekst maar ook de muziek anders verstaan dan de tijdgenoten van Bach? Of: waarom zouden wij alleen de tekst anders verstaan en niet de muziek? Daar kan men tegen in brengen dat muziek ‘tijdloos’ is. Maar dat geldt in ieder geval niet voor ons, voor de luisteraars. Onze oren hebben al kennisgemaakt met Le Sacre dur printemps van Igor Strawinsky of de eerste Vioolsonate van George Antheil. Dat moet invloed hebben op hoe wij Bach ervaren.

Dat brengt mij bij een tweede vraag, waaraan Schuurman verrassend genoeg geheel voorbij gaat. Als de teksten van de Bach-cantates ‘niet meer van deze tijd zijn’, en om die reden een nieuwe interpretatie vragen, zeg maar: een actualisering, waarom zouden we dan wel moeten proberen om de muziek uit te voeren zoals die in de tijd van Bach geklonken heeft? De luisteraar moet toch vooral worden ‘gegrepen’ door muziek, zoals Schuurmans het zegt. Geraakt worden. Het gaat toch om het verklanken van verdriet, liefde, lijden, vrolijkheid etc.? Cantates waren in de tijd van Bach als het ware een alternatieve preek, een toongezette preek. In de preek en in de cantate werden op autoritaire wijze de geloofswaarheden verkondigd. Zo willen wij preken toch niet meer beleven en zo willen wij toch niet meer naar muziek luisteren? Het lijden van Christus wordt door de huidige kerkganger anders beleefd. En de muziek zal dus wel anders moeten klinken dan in de tijd van Bach om hetzelfde affect te bereiken. Of is dit te stellig?

Ik was toehoorder van de eerste ‘authentiek uitgevoerde’ Matthäus Passion in Nederland in het voorjaar van 1973 in Sappemeer. Ik heb alle cantates van Bach in de versies van Leonhardt, Harnoncourt en Gardiner eindeloos beluisterd. Ik wijs de historische uitvoeringspraktijk dus geenszins af, ik ben er een groot bewonderaar van. En toch vind ik het streven om de barokmuziek uit te voeren zoals hij indertijd (waarschijnlijk) is uitgevoerd een armoedig streven. Musicologisch wellicht interessant, maar muzikaal niet meteen. Niet de kerkgangers van de Thomaskirche in Leipzig uit 1730 moeten door het concert worden ‘gegrepen’, maar wij, de toehoorders van deze tijd.

Sedert de jaren 60 hebben veel musici zich langdurig beziggehouden met de vraag hoe Bach zijn eigen cantates heeft uitgevoerd. Voor mij is een andere vraag interessanter: waarom hebben de luisteraars uit de tweede helft van de twintigste eeuw zo’n behoefte kregen aan een interpretatie van barokmuziek die met ‘historische uitvoeringspraktijk’ werd aangeduid? Waarom werden we niet meer geraakt door Mengelberg’s Matthäus Passion, en waarom konden we niet genoeg krijgen van het cantate-project van Harnoncourt en Leonhardt (hoe vals de instrumenten aanvankelijk ook klonken)? Waarom was, in de woorden van Gardiner, het ‘slome sjokken’ bij Bach voortaan uit den boze en moesten we Bach vooral ‘laten dansen’? Daarmee doemt voor mij die grote vraag op: in welke opzichten is het zoeken naar een authentieke uitvoeringspraktijk (niet gewoon) een kind van de jaren 60?

Met die vraag verandert er niets aan mijn liefde voor de historische uitvoeringspraktijk. Maar met die vraag relativeer ik wel het absolutisme van de ‘historische uitvoeringspraktijk’. Alsof we nu, voor eens en voor altijd zouden mogen vaststellen hoe Bach behoort te worden uitgevoerd. Namelijk: zoals de grote meester dat zelf placht te doen. Nee, de historische uitvoeringspraktijk heeft geen absolute waarde. Het is een dingetje van de babyboomgeneratie, van de generatie van de jaren 60. En elke generatie zal steeds weer opnieuw  moeten bepalen hoe ze Bach moeten spelen om de luisteraar optimaal te ‘raken’. Als ze daarvoor Wagnertuba’s nodig hebben, is het niet aan ons om dat af te wijzen.

Frans Brüggen sprak ooit de woorden dat elke noot van Mozart die het Concertgebouworkest speelde, ‘gelogen’ was. Misschien had hij voor zijn generatie ‘gelijk’, maar had  het Concertgebouworkest, dat een veel ouder publiek bediende, evenzeer ‘gelijk’. Daarom is het Concertgebouworkest onder Harnoncourt later ook niet ‘beter’ gaan spelen, wat dat ‘beter’ ook zou mogen betekenen, maar is het vooral de jongere generatie beter gaan bedienen.

Laatst bezocht ik een concert van het Orkest van de Achttiende Eeuw, voor mij de eerste keer na de dood van Frans Brüggen. Ik hoorde een orkest dat speelde volgens de regels van de historische uitvoeringspraktijk. Ik hoorde geen verrassingen. Ik zag plotseling een orkest met veel grijze haren. Was het de grootheid van Brüggen om steeds weer opnieuw te onderzoeken hoe de luisteraar moet worden ‘gegrepen’? En was het orkest zonder zijn leiding al meteen een anachronisme omdat het nog te veel bezig was met de vraag hoe ‘het hoorde’ en te weinig met de vraag: hoe moet de hedendaagse luisteraar worden geraakt? Het zou een pleidooi zijn om meer onderzoek te gaan doen naar de hedendaagse luisteraar dan naar de archiefrollen uit Leipzig.

Zelf zou ik me willen richten op die eerdere vraag: hoe komt het toch dat de babyboomers zo gegrepen zijn door die historische uitvoeringspraktijk?

Moet je voor een column fagot kunnen spelen

juni 26, 2015 by  
Filed under Muziek

De laatste twee jaar heb ik hier onbevangen wat stukjes geschreven. Als amateur-fagottist. Ik schreef zelfs een keer over mijn uitstapje naar de cello, alsof dat allemaal zo maar kon. En veel erger nog: ik was met de cello begonnen vanuit de gedachte dat ik op mijn laatste embouchure liep en dat mijn jaren als fagottist binnenkort geteld waren.

Hoe anders is de situatie nu. Ik heb mijn baan opgegeven, heb me aangemeld voor eens studie musicologie aan de UvA en heb al weer sinds een half jaar intensief les van Ronald Karten. Elke dag hard studeren om volgend jaar als contactstudent te worden toegelaten aan het Conservatorium van Amsterdam. En om daaraan te wennen, krijg ik les op het conservatorium. Ronald neemt me mee naar de voorspeelavond en dreigt al met de rietenavond. Ik heb het gevoel dat mijn spel er baat bij heeft. Maar hoe meer ik leer, hoe groter het besef dat ik nog nergens ben.

Dat laatste heeft twee oorzaken. Kom een keer naar de voorspeelavond op het CvA en je weet wat ik bedoel. Jonge mensen die fantastisch fagot spelen (Fagerlund!), docenten die hele mooie commentaren hebben (Jos: het gaat niet om de noten, maar om de sfeer achter de noten). Of kom wat te vroeg op les en je hoort hoe een fagot ook kan klinken. Je hoort hoe Ronald aan Suzanne vraagt om die ene noot in Sheherazade iets korter te spelen en Suzanne speelt die ene noot iets korter. Alsof ze alles op dat ding kan.

Maar ook mijn eigen lessen vergroten het besef ‘liefhebber’ te zijn en nog lang geen fagottist. Als liefhebber probeerde ik vooral ‘mooi’ te spelen, maar hoe kan je mooi willen spelen als één op de drie tertsen een tussen-noot laten horen? Of als elke As en elke A en elke Bes en elke B kraakt…? Of elk sprong naar de hoge A een sprong in het duister is? Of wanneer je nu pas merkt dat de onderkant van je heerlijke oude fagot toch wel heel erg lekt? Of als Ronald er fijntjes op wijst dat je ritme in de verte overeenkomt met wat daar ongeveer staat (mijn woorden)? Wat heb ik in godsnaam al die jaren gedaan…?

Ja, en als je dan ook nog ziek wordt en medicijnen slikt die niet bevordelijk zijn voor je embouchure, zit je op een avond in je eigen amateurorkestje te vloeken dat je er niks meer van kan. Dat het nooit wat zal worden met jou. Dat je ermee gaat stoppen, als het niet snel beter wordt. En natuurlijk geef je het riet de schuld. Rieten hebben altijd de schuld. Na een vakantie heeft altijd het riet moeite om erin weer in te komen, en niet jij. Maar je weet beter. Je weet dat goed fagot spelen gewoon ontzettend moeilijk is. En dat je morgen weer hard aan de slag moet met die tertsen, met die krakende noten en die rammelende ritmiek.

Maar toch blijft er iets knagen: waarom durf ik eigenlijk hier elke keer een column te vullen? Of hoef je voor een column alleen te kunnen schrijven?

[Voor De Fagot, tijdschrift voor fagottisten]

Bij muziek heb je geen discussie over beter

mei 31, 2015 by  
Filed under Muziek

Elizabeth Schwarzkopf heeft de toon gezet. De befaamde sopraan was al op hoge leeftijd toen ze nog masterclasses gaf aan jonge zangers. Erg zachtzinnig ging het er bij haar niet aan toe. Als iemand niet aan haar hoge eisen voldeed, kon haar commentaar vernietigend en zelfs vernederend zijn. De masterclasses werden later op de tv uitgezonden en gingen daarmee deel uitmaken van ons collectieve geheugen. Vanaf dat moment waren masterclasses voor sommigen bij voorbaat berucht.

Hoe anders kan het ook. In het kader van de Operadagen Rotterdam gaven Henk Neven en Hans Eijsackers vorige week  een masterclass aan liedduo’s: zangers en hun eigen begeleiders. De masters gaven vooral vertrouwen. Hoe eerlijk ze soms ook waren (een pianist heeft “too much…uh… prikkeldraad” in zijn spel). Maar elk commentaar begon met waardering, met de positieve kanten. En wat een ander als ‘fout’ zou betitelen, werd door de masters vaak als ‘een andere interpretatie’ neergezet. Alle positieve opmerkingen verschaften de ruimte om echt aan het werk te gaan. Om de zangers en de duo’s te helpen. En de effecten waren ernaar. Natuurlijk waren alle duo’s bij hun eerste presentatie gespannen en musiceerden ze ongetwijfeld onder hun niveau. Maar de progressie in een uur was gewoon opvallend.

Waar letten die masters op? Op de interpretatie van de tekst, vanzelfsprekend, op de inbeelding van de tekst, op het interacteren met het publiek en op het onderlinge samenspel. En natuurlijk: hoe kan je het beste klank maken. Een jonge Duitse bariton werd goedkeurden op zijn opkomende buik geklopt. En eigenlijk waren ze alleen maar scherp en direct als de musicus zich niet voorbereidde op zijn of haar eerste noot. Je kan pas beginnen als je weet wat je gaat vertellen.

Ja, dit was ‘leren’. Hier werd veel ‘geleerd’. Met enige droefheid dacht ik ondertussen aan mijn collegezaal met honderd keuzevakkers. Daar sta ik alleen op het podium. En zijn de leerlingen in het beste geval toehoorder. Bij een masterclass staan de leerling en de master samen op het podium. En is de leerling in gespannen afwachting van het oordeel van de master. Bij mij zijn de studenten vooral benieuwd naar het tentamen. Ja, op de universiteit leiden we vooral op tot het maken van een tentamen.

Maar er is een nog groter verschil tussen mijn bestuurskunde-studenten en deze liedduo’s. Wanneer heeft een bestuurskunde-student iets geleerd? Als hij een boek kan navertellen? Als hij vier argumenten voor en vier argumenten tegen de representatieve democratie kan opnoemen (dus een paar dagen kan onthouden)? Of wanneer hij het openbaar bestuur beter begrijpt? Maar hoe meten we dat laatste? Moeten we hem vragen een advies uit te brengen over een bepaalde casus? Maar wat is een goed advies? Wat is goed bestuur?

Hoe anders leek het hier, bij de die masterclass. De masters, de deelnemers, de hele zaal, iedereen hoorde de progressie. Hoorde dat de liedduo’s in korte tijd beter waren geworden. Soms was hun expressiviteit toegenomen, soms was hun voordracht intenser, soms klonken de stemmen dieper of stralender, soms was er meer samenspel. Maar in ieder geval waren ze gewoon beter dan een half uur eerder. Blijkbaar is ‘beter’ in dit vak een soort ‘objectief’ gegeven. In dat opzicht zal ook Elisabeth Schwarzkopf indertijd wel gelijk hebben gehad.

Onder dat ‘beter’ ligt een simpel begrip: ‘beheersing’. Alleen door je instrument, je stem beter te beheersen ben je in staat tot een betere uitvoering te komen. Deze blog heeft dan ook een simpele conclusie: wie een goede muzikant wil worden, moet gewoon heel hard studeren. Daar wordt ie ‘beter’ van. En natuurlijk: bij hele goede masters in de leer gaan. Zeg maar: het type Henk Neven en Hans Eijsackers.

« Vorige paginaVolgende pagina »