De RO als modernistisch en technocratisch project is over

juni 12, 2014 by  
Filed under Ruimtelijke ordening

rotterdam10[bij het afscheid van Rob Schoonman van IenM, 12 juni 2014]

Rob heeft ons verschillende mooie gedachten meegegeven. Maar ook gedachten aan het einde van een tijdperk. Hij schetst in feite hoe de ruimtelijke ordening op nationaal niveau aan haar einde kwam. Hij verbindt deze ontwikkeling in één adem met de teloorgang van kennis binnen het beleid. Ik heb er behoefte aan om deze twee ontwikkelingen uit elkaar te halen. Beide ontwikkelingen verdienen een afzonderlijke beoordeling. Ik begin met de ruimtelijke ordening en vervolg met de positie van kennis binnen het departement.

Volstrekt bij toeval stuitte ik enkele weken geleden op een advies van de toenmalige VROM-Raad over NL2030, dat roemruchte scenario-plan waarin vier scenario’s werden uitgewerkt: stedenland, stromenland, parkland en palet. Zeg maar VROM, VenW, LNV en wat er overblijft als je EZ het voortouw geeft. Ik was verrast door de gezwollen taal van de VROM-Raad. Dat is geen kritiek, want het advies was gewoon een product van zijn tijd. Hoe toen, nog geen 20 jaar geleden werd gesproken over de ruimte, over hoogdravende criteria van ruimtelijk beleid (doelmatigheid, rechtvaardigheid, duurzaamheid en identiteit). En wat was er nog een heilig geloof in beheersing en controle. Het is in deze tijd bijna niet meer te geloven. Overigens werd dat scenario-traject ruw verstoord en afgebroken toen minister Margreeth de Boer formeel verklaarde dat verder alleen aan stedenland mocht worden gedacht.

Die beslissing van Margreeth de Boer markeerde een omslagpunt. Er kwam definitief een einde aan het technocratische project dat de ruimtelijke ordening lange tijd ook was geweest. Ruimtelijke ordening was namelijk niet alleen uiterst normatief, het was ook een inhoudelijke wereld, een wereld van onderzoekers, planologen en stedenbouwers, die geen politieke inmenging nodig hadden, en die zelf wel konden bepalen hoe Nederland zich ruimtelijk diende te ontwikkelen. In de jaren 90 had de politiek daar zo langzamerhand schoon genoeg van. Wetenschap hoort niet de politiek te dicteren. En met het verdwijnen van de RPD, bleef de WRR over als het laatste restant van technocratisch denken. Met deze teloorgang van de centrale rol van kennis kan ik overigens heel goed leven.

De ruimtelijke ordening was niet alleen een product van technocratie maar was ook een lievelingskind van het modernistisch project. Met alle goede bedoelingen, en met al het paternalisme wat erbij hoorde. Passend in de jaren 60, maar vanaf de jaren 70 eigenlijk al zoekend naar een nieuw vertoog. Niet voor niets is de Tweede Nota uit 1962 nog altijd de belangrijkste nota uit de geschiedenis van de Ruimtelijke Ordening. Inmiddels is er van de Rijksbetutteling alleen het project Almere overgebleven, dat overigens alleen nog in woorden wordt beleden. Terecht trekt het Rijk geen geld meer uit voor het bouwen van woningen waarvoor burgers naar het schijnt maar weinig belangstelling hebben.

Ook in een ander opzicht was de ruimtelijke ordening modernistisch tot in haar haarvaten: functies moesten overal netjes worden gescheiden. De structuurplannen en bestemmingsplannen met de prachtig gekleurde kaarten waren daarvan bij uitstek het symbool. Zo ontstonden groeikernen, zo ontstonden bedrijventerreinen en ging de ruimtelijke ordening achter de feiten aanlopen toen de stad weer in trek kwam, werken en wonen weer integreerden in de steden, lege bedrijventerreinen en monotone groeikernen achter zich latend. Omdat de kantoren zich al weinig gelegen hadden laten liggen aan de functiescheiding, begreep de ruimtelijke ordening te laat dat ook de kantoren-leegstand een onderwerp voor ruimtelijk beleid zou kunnen zijn. Daarnaast kwam het begrip organische stedebouw op, waarmee de modernistische ruimtelijke ordening vanzelfsprekend niets kon hebben.

Het technocratisch project is voorbij en het modernistisch project is voorbij. En ik ben daar verheugd over. Het betekent wel dat de ruimtelijke ordening van zijn wortels is ontdaan. Bovendien heeft de ruimtelijke ordening vooralsnog de kans gemist om de overstap te maken naar een nieuw vertoog. Klimaat en duurzaamheid bieden een prachtige kans voor een nieuw ruimtelijk beleid, inclusief de duurzame energie en de bodem. Infra had een uitstekend mee-koppelend belang kunnen zijn, maar het lukt niet om de wegenbouwers in het ruimtelijk gareel te krijgen. De wegen worden nog steeds niet vanwege hun ruimtelijke structurering aangelegd. Bovendien is het binnenkort grotendeels afgelopen met het aanleggen van nieuwe wegen. Daarnaast heeft het Rijk te accepteren dat een organische stedebouw vooral een taak is van de gemeenten. Ruimtelijke ordening kan dáár zeker weer aan kracht winnen. Het behoud van de natuur wordt daadkrachtig door Natuurmonumenten en provinciale landschappen aangepakt.

Ik geloof niet dat het zogenaamde einde van de maakbaarheid de nationale ruimtelijke ontwikkeling de das heeft omgedaan. Want die maakbaarheid is er op andere terreinen nog wel. Wanneer een overheid de grootste bank over één nacht kan nationaliseren, is er weinig mis aan je handelingsvermogen. En vergeet ook niet dat alles wat succesvol is binnen IenM vooral een kwestie is van een ‘strenge’ overheid. Het succes van het milieubeleid is geen succes van de energieke samenleving, maar van het ministerie van VROM, tegenwoordig van IenM en niet te vergeten van de EU. Maakbaarheid is er volop. Alleen binnen de ruimtelijke ordening is de maakbaarheid weggevallen, omdat de urgentie voor het oude ruimtelijke beleid gaandeweg in rook opging.

Dat de nationale ruimtelijke ordening is verdwenen, dat de RPD is verdwenen, is dus geen bewijs van de teloorgang van kennis, hoogstens van de teloorgang van technocratie. Een systeem waarin kennismakers bepalen wat er zou moeten gebeuren. Dat is winst voor de democratie, want zoals bekend bepaalt kennis an sich nooit wat er moet gebeuren. Die afweging hoort in de politiek te worden gemaakt. En met het verdwijnen van de nationale ruimtelijke ordening, is het ordenen van de ruimte niet verdwenen, wel blijkt de oude mono-centrische variant aan zijn einde te zijn gekomen. Dat is winst, te meer het volop ruimte geeft voor nieuwe gedachten en ideeën.

Ook over het gebruik van kennis ben ik minder somber. Laten we niet vergeten wat een prachtige onderzoeksinstellingen de departementen omringen. Er wordt bezuinigd, dat is vervelend voor de betrokkenen, maar laten we niet te hard huilen. De krokodil is niet ver weg. Op sommige plekken kan best wat worden gesneden. En dan nog hebben we fantastische kennisinstellingen.

Natuurlijk, ik herken de zorg dat veel kennis op departementen verdwijnt. Dat veel ouderen verdwijnen en dat hun kennis onvoldoende wordt aangevuld. Maar laten we ook hier nuanceren.

Ten eerste is het goed dat het onderzoek de departementen heeft verlaten. Onderzoek kan je beter in een onderzoeksomgeving doen. Het was ook goed dat de oude RPD werd omgebouwd tot een politiek beleidsdepartement en een onafhankelijk planbureau. Alleen heeft de tijd dat planbureau al snel ingehaald. Maar de uitdrukking ‘kennis buiten de deur’ of ‘kennis in de keten’ is misleidend omdat kennis iets heel anders is dan onderzoek. Kennis is het vermogen om betekenis te geven aan feiten, op basis van onderzoek, op basis van praktijkervaring. Dat vermogen mogen we niet verliezen. Wat dat betreft was die put in de Oosterschelde een wake-up-call. De indruk bestond dat binnen RWS even het vermogen ontbrak om de onderzoeksgegevens over de bodem van de Oosterschelde juist te interpreteren.

Ten tweede: er zijn veel goede voorbeelden waarin kennis en beleid hand in hand gaan. Laten we eens kijken naar alle grote besluiten van de laatste jaren. Deltaprogramma, hypotheekrenteaftrek, verhoging pensioengerechtigde leeftijd. Hoeveel kennis hebben we niet over het klimaat. Dat de politiek niet doet wat veel klimaatwetenschappers willen, ontkent dat in het geheel niet. En ik ben ook altijd blij met het hoge niveau van de Nederlandse ambtenaar.

Ten derde vragen andere tijden om andere kennis. Nieuwe generaties gaan anders met kennis om. En de onderwerpen veranderen. Ik zou wel willen dat de overheid meer wist van ICT, of meer begreep van de markt. Over het eerste vergadert de Kamer, het gebrek aan kennis over de markt blijkt uit ons onvermogen om een interessante aanbesteding op te zetten, zonder te verzuipen in driehonderd averechtse regels. Maar ik zou ook willen dat DG’s en SG’s hun mails niet meer laten uitprinten om achterin de auto hun antwoord erop te schrijven met balpen.

En er valt wel meer te verbeteren. De onderzoeksinstellingen rondom de overheid, moeten meer onderdeel gaan uitmaken van die overheid. We zijn druk bezig met kennisagenda’s, met vraagsturing, RWS kent zijn topadviseurs, maar er valt nog wel wat te winnen. Het zou daarbij goed zijn om de krampachtigheid van het contact tussen departementen en de eigen kennisinstellingen te doorbreken. Departementen wekken de indruk dat elk onderzoek voortaan ‘vraaggestuurd’ moet zijn, terwijl ze nog steeds ‘enige’ moeite hebben om hun eigen kennisbehoefte te verwoorden. Kennisinstellingen blijven op hun onafhankelijkheid hameren.

Zouden we niet het volgende kunnen afspreken voor alle kennisinstellingen, met variatie? 20% van de onderzoekscapaciteit van de kennisinstellingen is voortaan geheel vrij, onbelegd, naar eigen inzicht in te vullen. Verras ons met nieuwe inzichten. 30% is gewijd aan programma’s waaraan binnen departementen behoefte bestaat. Zeg: ozon bij het KNMI, de Mobiliteitsbalans bij het KiM. 30% wordt ingezet voor het beantwoorden voor concrete kennisvragen van departementen, voor het aanleveren van kennis die op korte termijn nodig is om het beleid beter te onderbouwen. En de resterende 20% is ervoor de kleine loketvragen, voor kennis aan tafel, voor directe ondersteuning van projecten binnen het departement. Zo zal een deel van de kennisinstellingen eerder op het departement zijn dan ver weg in Bilthoven of waar ook. Een ander deel krijgt de rust om te werken aan de kennis voor volgende kabinetsperioden.
Als we het zo doen krijgen we een prachtige mix van kennis, strategisch en politiek inzicht. En die mix hebben we nodig om te bouwen aan een nieuw ruimtelijk beleid. Dat het modernisme achter zich heeft gelaten en het mono-centrische, dat vooral inspirerend is en waarover het debat in het openbaar wordt gevoerd, dat niet meer als sociaal-democratisch laat staan als socialistisch wordt gedefinieerd, maar wel bij uitstek politiek is.

Ik kom tot een een afronding. De tijden veranderen, de dingen veranderen, het beleid verandert, de kennisbehoefte verandert. En de mensen veranderen. Maar de behoefte aan aimabele mensen blijft altijd. En om die reden zullen we Rob in Den Haag erg missen.

Groeikernen: bijzondere stedebouw, weinig doorleefd

september 10, 2013 by  
Filed under Ruimtelijke ordening

De onvermijdelijke suburbanisatie

De regering stond voor een enorme bouwopgave. De bevolking groeide hard, de welvaart nam toe en er moesten veel nieuwe huizen worden gebouwd. Het idee bestond dat er in de steden onvoldoende plek was, in ieder geval werd daar nauwelijks gebouwd. Het gevolg was een ongekende trek naar buiten. Er dreigde in de jaren 60 zelfs een ongecontroleerde suburbanisatie, een sprawl naar Nederlandse maat. En toen de stadsvernieuwing in de jaren 70 eindelijk ter hand werd genomen, nam het aantal woningen in de steden alleen nog maar verder af.

Groeikernen vormden het antwoord op de leegloop van de stad en het dreigende vollopen van het ommeland. Planologen spraken van de noodzaak van ‘gebundelde deconcentratie’. De leegloop van de steden moest worden gekanaliseerd, satellietsteden moesten de stedelijke leegloop opvangen. Aanvankelijk dacht men vooral aan satellietsteden aan de buitenkant van de Randstad, later kwamen ze ook midden in het Groene Hart terecht. Vanaf 1972 spraken we over ‘groeikernen’. Het begrip kwam het eerst voor in de Nota Volkshuisvesting uit dat jaar. Ondanks zijn populariteit was het geen lang leven beschoren. In de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening van 1988 kwam het woord al niet meer voor.

Alleen gemeenten die als zodanig waren aangewezen voor het Rijk waren een groeikern. Maar de dynamische klank zorgde ervoor dat ook andere gemeenten zich ‘groeikern’ gingen noemen. Gemeenten als Leidschendam en Vlaardingen, maar ook Hoogezand-Sappemeer. Tijdelijk kenden we ook nog ‘groeisteden’. Groningen, Zwolle, Breda en Helmond werden in de Verstedelijkingsnota uit 1976 (een onderdeel van de Derde Nota over de Ruimtelijke Ordening) als zodanig aangemerkt. Ook zij kregen de opdracht (en de middelen) om te groeien.

Effectief of succesvol

Gelet op het imago van steden als Spijkenisse, Purmerend, Capelle aan den IJssel, Lelystad en Zoetermeer is het nauwelijks voorstelbaar dat het nog maar enkele decennia geleden een grote eer was om als ‘groeikern’ te worden aangewezen. Hoewel veel mensen er naar grote tevredenheid wonen, wordt zowel door ‘echte’ stedelingen en door ‘echte’ plattelanders een beetje meewarig over dergelijke steden gesproken. Eenvormig, kleurloos en je kan er de weg niet vinden. Dat is ongeveer het beeld. Dat is niet terecht.

Laten we eerst vaststellen dat er een grootse prestatie is geleverd. Tussen 1970 en 1985 is het inwonertal van de 15 groeikernen met 446.000 personen toegenomen. Het hoogtepunt van de groeispurt van de groeikernen lag in 1980. Na 1980 nam de groei snel af, om de simpele reden dat de echte steden hun politieke koers drastisch hadden bijgesteld: in plaats van de ‘overloop’ naar de groeikernen te ondersteunen, wilden ze zelf weer groeien. Overigens met hele goede redenen. Niettemin zijn er in korte tijd onwaarschijnlijk veel woningen gebouwd. Het beleid is zonder meer effectief geweest. Of het ook succesvol is geweest, is een andere vraag.

Gelukkig verschijnen er de laatste tijd verschillende studies over de groeikernen, die het beeld kunnen inkleuren en kunnen nuanceren. Voor een weloverwogen oordeel is het nodig om de groeikernen vanuit verschillende perspectieven te bezien. Er is het ruimtelijk perspectief: heeft de gebundelde deconcentratie er inderdaad toe geleid dat de Nederlandse sprawl is voorkomen (zie het standaardwerk van Van der Cammen en De Klerk over Ruimtelijke ordening)? Er is het sociologisch perspectief: hoe gedijen die lokale samenlevingen nu de meeste groeikernen zijn volgroeid en hoe tevreden zijn de inwoners met hun buurt en hun huis (zie bijvoorbeeld de Atlas nieuwe steden van Arnold Reijndorp en anderen)? Er is het politieke perspectief: hoe komt het dat veel lokale partijen een grote stem hebben in de gemeentepolitiek van de voormalige groeikernen (mij nog geen goed overzicht bekend)? En er is het stedebouwkundige perspectief, simpel gezegd: hoe zien die nieuwe steden eruit? In deze blog ga ik alleen op die stedebouwkundige kant in, aan de hand van een interessant boek van Willem Jan Pantus: Groeikernen in Nederland; een studie naar stedebouw en architectuur. Het aardige van het boek is dat het vooral een overzicht biedt en geen keiharde conclusies. De auteur geeft de lezer de ruimte om zelf zijn conclusies te trekken. Laat ik hier een poging wagen.

Vele soorten groeikernen

De vijftien groeikernen hebben één ding gemeen: ze zijn door het Rijk als zodanig aangewezen. Terecht maakt Pantus een onderscheid tussen de new towns (Lelystad en Almere) en de andere groeikernen. Maar ook die andere groeikernen kennen stedebouwkundige een andere start. In feite is er sprake van een glijdende schaal. Aan het ene uiterste hebben we Lelystad en Almere, aan het andere de nieuwe buitenwijken van Alkmaar, Hoorn en Helmond. Vooral in Helmond krijgt de oude binnenstad een belangrijke impuls van de nieuwbouwwijken die onder de vlag van ‘groeikern’ worden gerealiseerd. Dat blijkt een onderscheidend criterium: wat gebeurt er met de oude dorpskern/stadskern onder invloed van de enorme uitbreidingen? In Huizen bijvoorbeeld concurreert het oude dorp met het nieuwe winkelcentrum. In Zoetermeer, Houten, Capelle aan den IJssel, Purmerend en Nieuwegein wordt het oude dorp als het ware ingekapseld en ingepakt in de nieuwbouw, en verliest het elke centrumfunctie, als daarvan al ooit sprake is geweest. In Spijkenisse vindt er zelfs kaalslag plaats in het oude dorp, in de hoop oud en nieuw beter met elkaar te integreren. Zonder succes overigens. Dus soms valt de groeikern geheel samen met de nieuwe stad; soms gaan oud en nieuw met elkaar concurreren; soms blijft naast de nieuwe stad het oude dorp verweesd achter en soms komt de oude stad versterkt uit de groeikernstatus van de buitenwijken te voorschijn.

Strikte authenticiteit leidt tot eenvormigheid

Daarmee zijn misschien ook wel de grootste verschillen tussen de groeikernen genoemd. En dat is eigenlijk heel opvallend, zeg maar: paradoxaal. Zoals Pantus beschrijft is de stedebouw van de groeikernen namelijk ‘strikt authentiek’. Hier geven stedebouwers hun visitekaartje af, bewoners spelen in de vormgeving van de groeikernen geen rol. Dat zou pas later gebeuren, na de eerste VINEX-golf, wanneer de jaren-dertig-woningen in het hele land uit de grond worden gestampt. Pantus lijkt dat geen verbetering te vinden. Daarnaast lijkt de omgeving in de stedebouw nauwelijks een rol te spelen. Hellevoetsluis heeft iets gedaan met de oude vestiging, Huizen heeft het Gooimeer een plek gegeven in het stedebouwkundig ontwerp. Maar voor het overige valt vooral op dat de locatie juist geen rol van betekenis speelde. Hoorn en Lelystad hebben aanvankelijk helemaal niets gedaan met Markermeer en IJsselmeer. Hetzelfde geldt voor Almere en het IJmeer. Hele wijken van Lelystad hadden in Haarlemmermeer kunnen worden gebouwd en de buitenwijken van Helmond hadden evengoed in Alkmaar kunnen terechtkomen. Veel wijken van groeikernen zijn in de praktijk volstrekt inwisselbaar. Het is het werk van de tekentafel dat overal kan worden verkocht.

Maar dat niet alleen. Wijken zijn niet alleen inwisselbaar, ze zijn ook volstrekt eenvormig. Blijkbaar werd er op al die tekentafels vooral hetzelfde getekend. Niet alleen hadden de wijken van Lelystad even goed in Haarlemmermeer kunnen worden opgetrokken, qua uiterlijk had het ook weinig uitgemaakt. Haarlemmermeer zou er niet anders hebben uitgezien als de tekeningen van Lelystad per ongeluk naar Hoofddorp waren opgestuurd. Zie ook al die winkelcentra, die zo op elkaar lijken. Spijkenisse Kopspijker, Alkmaar de Mare, Almere Centrum, Capelle ad IJssel Koperwijk, Hellevoetsluis Struytse Hoek, Zoetermeer Stadshart. Je waant je overal op dezelfde plek, en niet alleen vanwege de bekende winkelketens. Nee, het zijn overal dezelfde overdekte passages, met dezelfde vrolijke ingang en allemaal al snel met een armoedige uitstraling. Zoals ook in veel groeikernen (verkeerde) zuinigheid heeft geleid tot de bouw van een armoedig nieuw gemeentehuis. De nieuwe gemeentehuizen van Haarlemmermeer en Huizen zijn in dat opzicht het toonbeeld van een gemiste kans.

Dat staat nogal haaks op de conclusie van Pantus dat de stedebouw van de groeikernen ‘strikt authentiek’ is. Nee, blijkbaar hebben al die verschillende stedebouwers overal bijna allemaal hetzelfde gedaan. Strikte authenticiteit leidt hier vooral tot eenvormigheid. Vergelijk dat eens met het Oostelijk Havengebied en de IJ-oevers in Amsterdam, waar juist een poging is gedaan om in aansluiting op het bestaande de stad meerwaarde te bieden. Is dat de reden waarom al de nieuwe ‘stadsharten’ in de groeikernen maar niet willen kloppen? Niet de plek en de mensen zijn het uitgangspunt geweest, maar de beperkte creativiteit van de stedebouwer.

Strikte authenticiteit kent wel modes

Die strikte authenticiteit van die stedebouwers was overigens wel aan modes onderhevig. En zoals het met modes hoort te gaan: de stedebouw maakte in alle groeikernen dezelfde ontwikkelingsgang door. Dus ‘strikt authentiek’, maar alle nieuwe trends en modes moeten wel worden gevolgd. Daardoor laten de groeikernen ons een prachtige staalkaart van de geschiedenis van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw zien. In Lelystad stond Van Eesteren nog aan de basis van de plannen. Er werd uiteindelijk gekozen voor een functionalistische gridstructuur met vrijliggende fietspaden. Ook Spijkenisse was in aanvang schatplichtig aan CIAM: ruim opgezette woonwijken, doorgaande stroken van galerijflats en rijtjeswoningen strak in het gelid, langs orthogonale stratenplannen. Purmerend kende zijn functionalistische flats van Groosman, Zoetermeer de geknikte galerijflats van Van Eesteren en een stadsplattegrond van Van Emden. Het was de tijd van de Bijlmer, en heel Nederland moest en zou Bijlmerflats krijgen.

Almere kwam een decennium later van de grond. Hier werd gekozen voor een vlekkenplan en de eerste vlek, Almere Haven, werd geteisterd (ja, geen neutrale connotatie) door de periode van de nieuwe truttigheid. Er kwam een namaak-grachtje met namaak-grachtenhuizen. Nadrukkelijk werd afstand genomen van de functionalistische benadering. Le Corbusier leek even helemaal vergeten. De auto stond niet meer centraal, maar de intimiteit. Het was het startsein voor de bouw van ‘bloemkoolwijken’, met woonerven, waar je je auto kwijt kon, als je de weg kwijt was. Niet meer de bereikbaarheid was het streven, maar de onbereikbaarheid.

En ook de bloemkoolwijken kregen weer hun opvolgers. Niet alleen in de groeikernen, maar in het hele land. Wel bieden de groeikernen een welhaast museaal overzicht van de geschiedenis van de stedebouw. Dat geldt het meest voor Zoetermeer, dat niet alleen al aan het bouwen was voordat het tot groeikern werd aangewezen, maar ook in de fase van de VINEX nog fors is doorgegaan met de stadsuitleg. Met reden bracht Zoetermeer enige jaren geleden het boek ‘De gave stad’ uit, waarin de stad werd gepresenteerd als staalkaart van de stedebouw van de tweede helft van de 20e eeuw.

En hier stuiten we op een andere paradox. Eerst zagen we al dat ‘strikte authenticiteit’ vooral heeft geleid tot eenvormigheid. De tweede paradox lijkt nog treffender: juist het gebrek aan historisch besef heeft geleid tot een prachtig historisch overzicht van de recente stedebouw. Omdat zo weinig aandacht is besteed aan de voor Nederland kenmerkende principes van stedebouw, konden de stedebouwkundige modes onverdund worden gevolgd.

Maar dat heeft een keerzijde. In de groeikernen zijn de historie van de Nederlandse stedebouw en de historie van de plek nauwelijks te herkennen. Dat heeft het bizarre effect dat veel woonwijken uit de groeikernen alweer gedateerd zijn, iets wat we van de historische centra van de oude Nederlandse steden nooit zullen zeggen. En dat is nu juist het kenmerkende verschil tussen groeikernen en de oude binnensteden. In de eerste zijn nieuwe stedebouwkundige regels uitgeprobeerd (en blijkbaar afgekeurd), in de tweede zijn eeuwenoude principes steeds weer aan nieuwe omstandigheden aangepast. Experimentele stedebouw staat hier tegenover doorleefde stedebouw. De stedebouwkundige plannen voor de groeikernen zijn inderdaad wel erg origineel, maar ook weinig doorleefd.

Tegenbewegingen

Het is dan ook niet verrassend dat na de eeuwwisseling een tegenbeweging op gang is gekomen. De huidige bezoeker van groeikernen wordt steeds vaker verrast door opvallende architectuur. In Almere Centrum zijn Koolhaas, SANAA, Van Dongen en Van Zuuk actief en succesvol geweest. In Lelystad hebben Van Egeraat, Van Zuuk en Mastenbroek gebouwd aan een hele nieuwe Zilverparkkade. Calatrava heeft drie bruggen gebouwd in Haarlemmermeer. Van Huut een theater in Hoorn, Van Berkel een theater in Lelystad. In Spijkenisse heeft Sjoerd Soeters een nieuw winkelcentrum ontworpen, Ben van Berkel (alweer) een nieuw theater en MVRDV een nieuwe bibliotheek. Spijkenisse afficheert zich inmiddels zelf als een ‘stad met hernieuwde ambities’. Toch is het de vraag of grote architecten het gebrek aan doorleefde stedebouw kunnen goedmaken.

Ook anderszins maken de groeikernen momenteel veranderingen door: er wordt alweer gesloopt. In Nieuwegein, in Lelystad gaan hele straten tegen de grond. In Zoetermeer is het prachtige Meerzicht van Alberts geamoveerd. Het stemt treurig, het is zo vergankelijk, het is zo weinig duurzaam. Al wijken de groeikernen hier niet af van de uitbreidingswijken die in andere steden in dezelfde tijd zijn gebouwd. Van de oorspronkelijke Bijlmermeer is ook nog maar weinig over.

Het zou ook hoopvol kunnen stemmen. Juist door her en der te slopen en door interessante nieuwe bouwwerken toe te voegen, zou een echte stad kunnen ontstaan. De eenvormigheid zou kunnen worden doorbroken. Er zouden inderdaad steden met ‘hernieuwde ambities’ kunnen ontstaan. Zou op die manier iets van organische stedelijke ontwikkeling tot stand kunnen worden gebracht? Wellicht. Al vergt organische stedebouw meer dan het slopen van slechte delen en het toevoegen van nieuwe woningen. Organische stedebouw vraagt nu juist een plan, een overtuigend verhaal, waarbinnen al die kleine veranderingen een plek kunnen krijgen. Het kenmerkende van de groeikernen is dat dat eenduidige verhaal er niet is. Neo-truttigheid is soms maar een paar straten verwijderd van functionalisme. En ook daarin staan de groeikernen niet alleen. De historische steden van Nederland kennen hun structurerende principes heel goed. Maar daar waar de historie is weggeslagen, zoals in het centrum van Rotterdam en in delen van Utrecht (Hoog Catharijne) en Den Haag (Spuiplein), is de zoektocht naar nieuwe masterplannen even ingewikkeld als in veel groeikernen het geval is. En waar de structurerende principes ontbreken, zal het organisch groeien vermoedelijk nergens toe leiden.

Agora: Planoloog, blijf bij je kennisvraag

november 8, 2012 by  
Filed under Ruimtelijke ordening

Verschenen in: Agora
Geschreven door: Wim Derksen

Sinds een paar jaar verzorg ik met Karen Ephraim in Den Haag masterclasses op het grensvlak van kennis en beleid. Zo leren we beleidsmakers hoe ze om moeten gaan met kennisinstellingen; en bijvoorbeeld onderzoekers van planbureaus hoe ze om moeten gaan met de wereld van het beleid. Het is boeiend om te zien dat beide groepen problemen hebben met het onderscheid tussen een beleidsvraag (wat moet ik doen?) en een kennisvraag (hoe zit de wereld in elkaar?). Beleidsmakers hebben de neiging om een beleidsvraag te formuleren als ze nieuwe kennis willen vergaren. Zo staan kennisagenda’s van departementen soms eerder in het teken ‘van wat moet ik doen?’ dan in het teken ‘van wat moet ik weten?’. Zoals we allemaal weten kan onderzoek nooit een antwoord geven op de vraag ‘wat moet ik doen?’. Op die vraag hoort de politiek zelf een antwoord te verschaffen.

Onderzoekers maken vaak de omgekeerde fout: ze verschaffen niet alleen kennis, maar willen de beleidsmakers ook heel graag vertellen wat hij zou moeten doen. Veel onderzoekers lijken zich niet bewust van het feit dat ze daarmee alleen hun eigen mening presenteren. Ze hebben zich zo lang in hun onderwerp verdiept dat ze zijn gaan geloven dat ook beleidsmatig maar één antwoord denkbaar is. Conclusie: beleidsmakers hebben moeite een zuivere kennisvraag te stellen en onderzoekers hebben moeite om een kennisvraag zuiver te beantwoorden.

Hoe ligt dat eigenlijk bij de planologie? Laat ik meteen zeggen dat ik me bij planologen wat ongemakkelijk voel, juist omdat zij soms zo goed weten wat de overheid moet doen. Ooit volgde ik in mijn studie het keuzevak ‘planologie’. Hoe boeiend ook, er is me vooral bijgebleven dat we moesten beargumenteren waarom een gemeentelijke herindeling rondom Delfzijl wel of niet wenselijk was. Pas veel later besefte ik dat je de bestuurskracht van gemeenten goed kan onderzoeken, maar dat onderzoek nooit kan bewijzen of je gemeenten wel of niet moet samenvoegen.

Toen ik directeur werd van het Ruimtelijk Planbureau, werd ik weer geconfronteerd met de vraag wat voor vak ‘planologie’ moest zijn. Ik ging onder anderen bij Andreas Faludi te rade. En ontdekte dat de planologie drie verschijningsvormen heeft. Faludi hoort bij de eerste: de wetenschappelijke studie van het ordenen van de ruimte. Faludi maakte zelf veel studie van planning en van ruimtelijke planning. Zijn leerling Wil Zonneveld, met zijn prachtige studies naar ‘concepten’ in de ruimtelijke ordening, behoort ook tot deze school. Hij bestudeert hoe anderen de ruimte ordenen, zonder zijn eigen mening aan hen op te dringen.

De tweede verschijningsvorm zou ik willen betitelen als ‘toegepaste sociale geografie’. Het is de wetenschap die de woningbehoefte voorspelt: hoeveel woningen moeten wanneer waar worden gebouwd? Niet omdat de onderzoeker dat zelf wenselijk acht, maar omdat hij in staat is de toekomstige woningbehoefte in te schatten. In het Ruimtelijk Planbureau werd bewust het accent gelegd op deze vorm van planologie: het leveren van informatie waarmee besluiten in de ruimtelijke ordening beter kunnen worden onderbouwd. Het was niet aan ons om te zeggen welke keuze de minister uiteindelijk moest te maken. Het was ook niet aan ons om de minister in een bepaalde richting te sturen, laat staan een bepaalde beleidslijn op te dringen. Ik geef toe: dit werd door journalisten vaak maar moeizaam begrepen. Altijd maar weer werd de vraag gesteld: ‘Maar wat moet de minister nu doen?’. Nee, daarop heeft onderzoek nooit een antwoord.

In de derde verschijningsvorm van planologie is daarentegen het onderscheid tussen beleidsvraag en kennisvraag, tussen Sein und Sollen, geheel vervaagd. Hier staat de planoloog voor iemand die niet alleen veel weet van ruimtelijke processen, maar daarom ook denkt te weten welk beleid te prefereren valt. Het zijn de planologen die in het verleden voorstander waren van groeikernen, gebundelde deconcentratie en van het openhouden van het Groene Hart en die tegenwoordig een lans breken voor organische stedebouw. Hoe lofwaardig hun streven ook, en hoe goed hun mening wellicht ook is onderbouwd, deze planologen brengen hun vak niet verder. Wie suggereert dat kennis een antwoord geeft op de beleidsvraag (wat moet ik doen?), verwart wetenschap met privé-opvattingen. En wie dat bewust doet, vertroebelt alles wat we desalniettemin weten over de ruimte.

 

« Vorige pagina