Mijn hond moet plassen #avondklok #corona

januari 20, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De geruchtenstroom draait al weer. Er komen strengere maatregelen. De avondklok zou aanstaande vrijdag al ingaan. 

Laten we ons even baseren op de cijfers. 

  • Het aantal besmettingen laat in de afgelopen week een daling van meer dan 20% zien.
  • Het reproductiegetal bedraagt 0,98. Dat betekent dat de pandemie heel, heel langzaam uitdooft. 
  • De bezetting van de ziekenhuizen daalde in de afgelopen week licht. 
  • De wekelijkse toestroom in de ziekenhuizen is binnen 3 weken met eenderde afgenomen: van 1946 naar 1348.
  • De bezetting van de IC’s is constant, de instroom op de IC’s daalde de afgelopen week licht.
  • Er liggen nu minder dan 700 mensen op de IC’s, een hoog aantal, maar veel minder dan de piek van ruim 1200 in het voorjaar.
  • De oversterfte door COVID-19 is tijdens de tweede golf (dus na de zomer) niet hoger dan in de griepepidemie van 2018.
  • De kansenongelijkheid onder kinderen is groter geworden, omdat kinderen met hoogopgeleide ouders thuis goed onderwijs krijgen, terwijl kinderen van veel laagopgeleide ouders helemaal geen onderwijs krijgen.
  • De horeca en de retail zien hun verliezen verder toenemen.
  • De cultuursector blijft nog langer op een rudimentair niveau doordraaien, met veel persoonlijke en financiële drama’s tot gevolg.
  • De sport ligt nagenoeg stil, zodat de gezondheidstoestand in de samenleving verder verslechtert. 
  • Voor veel mensen die om andere reden dan COVID-19 zorg nodig hebben, is in ziekenhuizen veel minder plaats. 

Ik zou zeggen: stuur op zijn minst die kinderen weer snel naar school.

Maar het OMT en het kabinet neigen naar extra maatregelen. Dan zou ik toch wel graag willen weten waarom er aan die extra maatregelen wordt gedacht. Ten slotte moet mijn hond ‘s avonds altijd plassen.

Er wordt steeds verwezen naar één belangrijke reden voor de extra maatregelen: de Britse variant van het virus. Wat weten we daar inmiddels van:

  • De Britse variant is al in Nederland en we zien nog geen effect.
  • In het Verenigd Koninkrijk lopen de besmettingen de laatste week snel terug ondanks de volop aanwezige Britse variant.
  • Deskundigen als Levie twijfelen of de eerdere toename van de besmettingen in het VK aan de Britse variant of aan familiebezoek bij Kerstmis moet worden toegeschreven.

Gelukkig heeft het RIVM ook zelf onderzoek gedaan. Het is opgenomen in het laatste advies van het OMT aan de minister van VWS. Ik lees daar twee belangrijke zinnen. 

Ten eerste: “In de kiemsurveillance zijn op dit moment 39 besmettingen met de VK-variant vastgesteld.” 

Ten tweede: “Op basis van de kiemsurveillance is inzicht in het percentage van de VK-variant van het SARS-CoV-2 virus in Nederland. Het reproductiegetal voor de ‘oude’ variant is rond 1 januari net onder de waarde van 1, en het reproductiegetal van de VK-variant is rond 31 december ongeveer 30% hoger.”

Men stelt dus dat op basis van 39 besmettingen vast dat de R van de Britse variant 30% hoger is. Ik begrijp dat het een complex onderzoek is, maar ook bij moeilijk onderzoek moeten we vaststellen hoe groot de betrouwbaarheidsmarges zijn. Ik kan me niet voorstellen dat de bewering dat de Britse variant leidt tot een 30%-hogere R, significant is.

Meer cijfers worden niet gegeven. Meer analyse wordt niet gepresenteerd. Dus we stellen een avondklok in omdat op basis van 39 besmettingen wordt vastgesteld dat het reproductiegetal 30% hoger is?

Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met nieuwe varianten. Natuurlijk moeten we heel alert zijn op factoren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat we spoedig weer een toename van het aantal besmettingen zien. Maar dit bewijs is wel heel mager. En we weten hoeveel schade er tegenover staat. 

Die wappies die het Museumplein onveilig maken, zijn intussen de weg kwijtgeraakt. Maar ze hebben er wel recht op dat er niet op basis van angst maar op basis van feiten wordt geregeerd. Zoals iedereen daar recht op heeft. 

Ik herinner me nog goed dat Hugo de Jonge ergens in de zomer één van zijn vele metaforen presenteerde: “We moeten het vuurtje meteen uittrappen!”. Die metafoor staat voor angst. Zoals Rutte het virus met “een grote hamer” te lijf wilde gaan. Vanuit die angst kan het kabinetsbeleid soms heel goed worden begrepen. Nee, we moeten het virus niet met metaforen te lijf gaan, we moeten het virus onder controle houden. En we moeten zeker niet proberen om het virus op korte termijn uit te roeien. 

En oh ja, je houdt het virus het beste onder controle door haast te maken met vaccineren. 

Alleen het vaccin kan ons nog helpen #corona

januari 13, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

En daar stonden ze weer. Mark en Hugo. Gelukkig noemen ze elkaar tegenwoordig voluit: Mark Rutte en Hugo de Jonge. Ik weet niet wie eerder had bedacht dat ze elkaar voor het volk met Mark en Hugo moesten aanspreken. Ik vond het niet passend bij de zwaarte van moment. Waarom zeggen ze niet gewoon “minister-president” of “minister” als ze het woord aan elkaar overgeven? Terwijl het hele land toch wordt stilgelegd. 

Aan de setting is niets veranderd, hoewel Irma dit keer ontbrak. Nog steeds dat zaaltje op het Ministerie van Justitie en Veiligheid in één van die torens van de Duitse architect Kollhoff. Nog steeds Rutte links en De Jonge rechts. Nog steeds begint Rutte met de boodschap en is De Jonge er voor de duiding en voor de details. 

Maar toch is er iets veranderd. Het charisma is verdwenen. We luisteren nog, maar hangen niet meer aan hun lippen. We horen dat de lockdown met drie weken wordt verlengd, maar we hebben niet meer de indruk dat we in een lockdown leven. We horen dat we tot eind maart niet met vakantie mogen, maar hebben al lang geboekt voor eind februari. En we horen dat we allemaal moeten thuiswerken, terwijl mijn vrouw net belt dat ze wat later van het werk vertrekt. Ja, dat is echt allemaal anders. 

Godzijdank loopt het aantal besmettingen langzaam terug en stagneert de bezetting op de IC’s. Want ik weet niet wat Mark en Hugo anders hadden moeten doen. Nog ernstiger kijken? Kansloos! Nog meer scholen dicht? Kansloos! Nog meer maatregelen? Kansloos! Mark en Hugo wisten het. Het toneelstukje moest worden opgevoerd. Omdat het anders nog erger uit de hand zou lopen. 

Maar de angst is uit de samenleving en we zijn weer zelf gaan bedenken hoe we ons willen wapenen. Niet Mark en Hugo bepalen hoe wij ons gedragen, maar dat bepalen we weer grotendeels zelf. Afgezien van die arme horeca, die arme winkels, die arme kunstenaars, die arme kappers, die grof op slot zijn gezet. 

Mark en Hugo weten: er is slechts één oplossing: het vaccin. Als alle kwetsbare ouderen zijn gevaccineerd neemt de druk op de ziekenhuizen en op de IC’s snel af. Want al die jonkies hoesten een paar keer in hun elleboog en gaan na een paar dagen weer aan het werk. Ja, er zijn ook jongeren die overlijden aan COVID, net zoals er ook veel mensen overlijden na de val van hun keukentrap of na een ongeluk in het verkeer. Maar als de kwetsbare ouderen niet meer ziek worden door COVID-19 daalt in rap tempo het aantal sterfgevallen, het aantal ziekenhuisopnames en het aantal IC-opnames tot normale proporties. 

In dat opzicht is het echt opvallend dat eerst al die zorgmedewerkers worden ingeënt. Versta me niet verkeerd: uit barmhartigheid is het juist om eerst aandacht aan hen te schenken. Ze hebben het zwaar voor de kiezen gehad, dit jaar. Maar als je de pandemie wil bestrijden, moet je toch echt eerst de kwetsbare ouderen vaccineren. 

Ik meen dat Mark en Hugo dat eerst ook van plan waren. Maar nadat Gommers en Kuipers één avond hun mediacontacten hadden aangesproken, ging De Jonge pijlsnel om. Dat is niet flexibel inspelen op veranderde omstandigheden, dat is zwabberen op grond van een geslaagde lobby. Een geslaagde lobby, in dit geval niet van twee deskundigen, maar van twee mannen die (hoe legitiem ook) opkwamen voor hun eigen mensen. 

We hadden, als we het goed hadden georganiseerd, eind december kunnen beginnen met vaccineren van de kwetsbare ouderen. Die ouderen komen nu pas in februari aan bod. Ik ben schappelijk: dat is een verlies van een maand. Is er even een econoom die kan uitrekenen hoeveel die maand extra lockdown ons met elkaar gaat kosten? Omdat Gommers en Kuipers meenden dat eerst hun eigen medewerkers moesten worden ingeënt? 

Zonder #cultuur is het leven schraal

januari 11, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

De overheid trok zich terug, de markt moest het doen. Het ging voortaan over verdienmodellen en verdienvermogen, over cultureel ondernemerschap, over kennis over marktstimulering, over zelfstandigheid en vooral over geld verdienen. Dat is de ontwikkeling die de culturele sector in de laatste decennia heeft doorgemaakt. Halbe Zijlstra stond als staatssecretaris model voor deze omslag. Omdat hij het onomwonden zei. Omdat hij niets had met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur. En schijnbaar ook niets met de hoge cultuur op zich. 

Ik geef toe: het was ook wel verfrissend. De reacties uit de cultuursector getuigden daarvan. Alsof het aanmatigend was van Halbe Zijlstra om zich uit te spreken over cultuurpolitiek. Alsof alleen de cultuursector mocht bepalen op hoeveel subsidie zij zelf recht had. Alsof alleen niet-bezuinigen een uiting van beschaving was. Onzin natuurlijk. In een beschaafde democratie maken we samen uit wie wat krijgt. 

Dat er minder geld was voor de culturele sector was misschien ook nog wel te billijken. Echt kwalijk was het dat Halbe Zijlstra het onderscheid tussen tandpasta en cultuur niet leek te zien. Cultuur moest je verkopen. En als er niets werd verkocht was er blijkbaar geen behoefte aan. Waarom zou de overheid cultuur subsidiëren waarvoor de cultuurliefhebbers onvoldoende geld over hadden? Noodgedwongen werd dat economische denken door de culturele sector overgenomen. Vanaf Zijlstra werd de culturele sector bij uitstek als een economische sector gezien. 

Zo werd het publieksbereik steeds belangrijker. Niet om meer mensen te laten genieten, maar vooral om meer kaartjes te verkopen. Kunstenaars werden culturele ondernemers, die nieuwe verdienmodellen beproefden. Culturele instellingen werden bedrijven die vooral moesten bezuinigen. Logischerwijs nam het gewicht van de managers, die verstand hadden van marktstimulering en van het vergroten van de veerkracht van het eigen bedrijf toe. Ten koste van de makers om wie het in deze sector uitsluitend is te doen. Nergens horen managers zo ondergeschikt en ondersteunend te zijn als in de culturele sector. Het tegendeel leek steeds meer het geval. 

Niet alleen het handelen maar ook het debat veranderde (definitief). Om te bewijzen dat de overheid de culturele sector niet helemaal in de steek mocht laten, werd steeds meer over de ‘waarde’ van cultuur gesproken. En daarbij ging het niet om de intrinsieke waarde van cultuur, maar plat gezegd om de economische waarde. Door cultuur verbetert het vestigingsklimaat van steden voor bedrijven. Door festivals stijgt de omzet van kroegen en restaurants. Door blockbusters stijgt de hotelbezetting. Cultuur levert geld op, dat niet in toegangskaartjes wordt verdisconteerd. En dat is toch een goed argument voor de overheid om financieel bij te springen? 

Arme kunst, de kunst had geen waarde meer van zichzelf, geen intrinsieke waarde meer, maar alleen nog maar economische waarde. En waar die economische waarde ontbrak, konden de makers ophoepelen. 

En toen kwam corona. We mochten elkaar niet meer ontmoeten, de musea sloten hun deuren en concerten en theatervoorstellingen werden stilgelegd. Godzijdank sprong de overheid bij zodat de hele sector niet meteen omviel. Maar die steun gold niet voor al die zzp-ers die al jaren moesten sappelen omdat er in de cultuursector veel te weinig geld was overgebleven na de kaalslag van Halbe. Die steun gold ook niet voor al die jonge talenten die net hun opleiding hadden afgerond en zich nog niet hadden gevestigd. Zij werden spoedig gedwongen om met ander werk in hun bestaan te voorzien. Waarmee veel talent verloren ging. Gaandeweg werden wel tal van dappere pogingen ondernomen om het publiek via internet te bereiken. Musea vergrootten hun digitale aanbod en orkesten en theatergezelschappen ontdekten de mogelijkheden van streaming. Maar het was niet genoeg. Het was een doekje voor het bloeden. 

Hoe triest de aanleiding ook was, hoe triest het moment, eigenlijk was het een heel bijzonder moment. Plotseling konden we vaststellen hoe schraal het leven is zonder cultuur. Iedereen kon plotseling zien dat cultuur niet alleen een economische waarde heeft. Dat cultuur een waarde op zichzelf heeft. Cultuur zorgt voor een verrijking van het leven. En zonder die verrijking is het leven schraal. Dat besef is de winst van corona. 

Acht jaar na Halbe Zijlstra leert corona ons dat we volledig zijn doorgeslagen met dat neo-liberale denken, dat iedereen aanzet om ondernemer te worden en dat elke manager doet bazelen over verdienmodellen. Natuurlijk is het goed als de cultuurmakers op zoek gaan naar hun publiek, en naar nieuw publiek. Maar ook als dat grote publiek er gewoon niet is, kan kunst uiterst zinvol zijn. Het is onzin om te stellen dat er geen plaats is voor kunst waar geen markt voor is. Cultuur is een wezenlijk onderdeel van onze samenleving. Het verrijkt het leven, het zet aan tot nadenken en het reflecteert wat er ten diepste in de samenleving gaande is. Cultuur verwijst naar onze roots, het bepaalt onze samenleving en is daarmee een basisbehoefte. Wat zou het mooi zijn als we met zijn allen, overheid én samenleving weer trots zouden zijn op cultuur, in plaats van steeds maar weer aan bezuinigingen te moeten denken en aan de mogelijkheden om de cultuur te vermarkten. Dat vreselijke woord. 

Die tegenstelling tussen overheid en markt is hier ook vals. Als de cultuur niet voldoende wordt betaald uit de kaartverkoop, moeten de gemeenschap op een andere manier de cultuur betalen. Het gaat om het onderscheid tussen een gemeenschap die rijk aan cultuur is en daardoor wordt verrijkt of een gemeenschap die verschraald door een tekort aan cultuur. En daarom moet de kunsten uit gemeenschapsgelden worden betaald als de kaartjes onvoldoende geld opleveren. 

Ook in dat opzicht heeft het afgelopen corona-jaar ons veel geleerd. Want plotseling was de overheid wel bereid om bij te passen toen de culturele sector op omvallen stond. De cultuur werd eindelijk niet meer beoordeeld op zijn verdienmodellen en zijn publieksbereik en zijn publieksdifferentiatie, maar vanwege haar eigen authentieke betekenis. Omdat een samenleving niet zonder cultuur kan. Dat is de tweede winst geweest van deze bizarre episode. Het is dus niet meer dan normaal dat de gemeenschap bijpast als er van de kaartjes niet meer valt te leven. Waarom is dat geen permanente afspraak? Dat de gemeenschap gewoon altijd bijspringt als er te weinig kaartjes worden verkocht.

Natuurlijk moeten we trots zijn op de zelfstandigheid van de culturele sector. Cultuur gedijt in autonomie. En niet onder de vleugels van een overheid. Maar we hebben wel een overheid om te garanderen dat die cultuur in alle tijden gedijt. Waarom is er bijvoorbeeld geen gegarandeerd basisinkomen voor de makers van de kunst? Ik spreek niet over een (permanent) basisinkomen. Maar wel over een permanente garantie dat er altijd voldoende inkomsten zijn, ook als er onvoldoende kaartjes worden verkocht. Dus bijvoorbeeld ook als avant garde cultuur nog maar door weinig mensen wordt begrepen. Of wanneer een museum eens iets anders dan een blockbuster wil presenteren. Of als talenten nog onvoldoende kansen krijgen om hun kunnen te tonen.

Wie zou daarvoor in aanmerking moeten komen? Mensen die zijn opgeleid in de kunsten en zich ook inzetten voor de kunsten. De makers dus. Ik stel voor dat de managers zich anders moeten bedruipen. En natuurlijk is de gemeenschap verantwoordelijk voor de basisinfrastructuur waarbinnen de makers hun prachtige werk kunnen doen. 

Ja zeker! Het idee is nog helemaal niet uitgewerkt. Het vraagt nog enige doordenking, om het eufemistisch uit te drukken. Maar laten we bij het doordenken blijven proberen om de cultuur niet economisch maar intrinsiek te waarderen. Cultuur is geen tandpasta. 

Lodewijk Asscher en het nieuwe perspectief #PvdA

januari 10, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op 7 december jl. was het de beurt aan Lodewijk Asscher om de Den Uyl-lezing uit te spreken. Het was een lezing die klonk als een klok. Asscher had er duidelijk werk van gemaakt. Het was een coherent verhaal. Hij trok een stimulerende conclusie: we moeten terug naar de ideologie. Waar Wim Kok in 1995 de ideologische veren had afgeschud, koos Lodewijk Asscher weer voor een ideologische PvdA, weg van het pragmatisme. En zeker weg van het neo-liberale denken. 

In dat neo-liberale denken staat de markt centraal. Overal waar de markt en marktprikkels het maatschappelijk verkeer kunnen coördineren, moet de markt zijn werk doen. Veel erger: in dit denken is de overheid niet de oplossing, maar het probleem. Mannen als Sweder van Wijnbergen riepen in die tijd: laat het over aan de markt als er een markt is, en als er geen markt is, moet je een markt scheppen. 

Door zich (deels) tot dit neo-liberale denken te bekeren is de PvdA ver weggeraakt van de lang beleden sociaal-democratie. Daarbij mogen we overigens niet vergeten dat de PvdA tussen 1994 en 2017 16 jaar in de regering heeft gezeten. Dat is bepaald geen slechte score. Maar het neo-liberale denken heeft uiteindelijk wel de samenleving een enorme poets gebakken. Ten eerste bleek die marktwerking op tal van terreinen heel anders te werken dan werd gesuggereerd. En ten tweede werd de markt zo dominant dat de ongelijkheid alleen maar groter werd, vooral in vermogens, maar ook in kansen. Het werd steeds duidelijker dat de PvdA een majeure draai zou moeten maken: weg van het marktwerking, terug naar een overheid die zekerheid biedt. En een overheid die zorgt voor gelijke kansen op zelfbestemming.

De Den Uyl-lezing van Asscher staat symbool voor die omslag. Maar de lezing staat ook symbool voor de omslag van Lodewijk Asscher zelf. Hij was vice-minister-president in het kabinet Rutte-II, dat nog geheel begeesterd was door marktwerking en markt-prikkels. De PvdA heeft het geweten. We zullen de verkiezingsnederlaag van 2017 niet snel vergeten. De lijst werd in 2017 aangevoerd door Lodewijk Asscher, en diezelfde Asscher bewijst nu dat hij van zijn fouten heeft geleerd. Zelden een politicus gezien die zo integer zijn fouten uit het verleden toegeeft. 

Asscher ziet in zijn lezing drie problemen: de toenemende ongelijkheid, de sociale ontheemding en de gemankeerde verzorgingsstaat. De toegenomen ongelijkheid heb ik al aangetipt. Asscher geeft schrikbarende voorbeelden. Dat de 26 rijksten op de wereld evenveel bezitten als de 3,8 miljard armsten. En wat te denken van de enorme verschillen in levensverwachting, ook in Nederland, tussen rijk en arm. En van de kansenongelijkheid in het onderwijs die de laatste jaren alleen maar groter is geworden. 

Met sociale ontheemding verwijst Asscher naar het feit dat mensen steeds meer een vreemde zijn in hun eigen buurt (doordat buren de eigen taal niet meer spreken), in de eigen baan (doordat ze alleen maar een flex-contract hebben) en in eigen land omdat juist de ‘somewheres’ in hun bestaan op de proef worden gesteld, terwijl de ‘anywheres’ zich, zoals hun naam al aangeeft, overal thuis voelen. 

Ten slotte is de verzorgingsstaat zo ingewikkeld geworden dat veel mensen niet de steun krijgen die ze nodig hebben. Maar de verzorgingsstaat is in de neo-liberale era ook verhard. De toeslagen-affaire is daarvan het meest pijnlijke voorbeeld. 

Al deze problemen vragen vooral om een overheid die weer/meer zekerheden biedt. De burger moet bestaanszekerheid worden geboden. De woningmarkt moet weer een woning bieden aan iedereen, de kansongelijkheid in het onderwijs moet worden bestreden, de economie moet werken voor mensen en niet voor aandeelhouders, de marktmacht moet weer worden gebreideld, de grond moet weer van ons zijn en niet van de speculanten. En de verzorgingsstaat moet voor iedereen een baan garanderen. 

Het is een coherent verhaal wat Asscher vertelt. Weg van het marktdenken, terug naar de zekerheid die de overheid hoort te bieden. Het is ook sympathiek om de overheid  iedereen een baan te laten garanderen. Een basisbaan in plaats van een basisinkomen. Toch klinkt in dat voorstel het verlaten neo-liberale denken nog een beetje door: “Je bent alleen succesvol als je een baan kan verwerven.” Ik hoop dan ook dat die verplichte basisbaan nog eens wordt vervangen door een basisinkomen voor mensen die geen werk kunnen vinden, terwijl de overheid tegelijkertijd heel veel banen schept ‘aan de onderkant’. Want die werkloosheid aan de onderkant is mede veroorzaakt door een overheid die vooral op banen aan de onderkant heeft bezuinigd. 

Het is een sympathiek verhaal. Weg van het economisme. Maar het is voorlopig ook nog te veel een verhaal van het ‘terug’. Terug naar een sociaal-democratie die bestaanszekerheid biedt. Een verhaal voor een PvdA die in het reine wil komen met zijn eigen wortels. En juist daarom zijn wellicht de vragen van morgen in het verhaal onderbelicht. 

Ik noem ze. Hoe gaan we om met de klimaatverandering en de verwoesting van ecosystemen op deze overbevolkte planeet? Hoe gaan we om met globalisering, migratie en Europa? Hoe gaan we om met populisme en democratie. Asscher bewijst lippendienst aan het klimaat, aan Europa en aan de democratie. Maar ik gun het hem om bij een volgende Den Uyl-lezing deze drie grote thema’s van vandaag en morgen verder uit te diepen. In het licht van de hervonden sociaal-democratie. Ik neem niet aan dat de sociaal-democratie op die vragen geen antwoord heeft. 

Leergang Triomf van de stad start weer in oktober 2021

januari 8, 2021 by  
Filed under De Stad, Geen categorie, Voorpagina

Door COVID hebben we de leergang Triomf van de stad voor een jaar moeten onderbreken. Maar met enig optimisme denken we dat we de leergang in oktober 2021 weer kunnen opstarten. Het verloren jaar hebben we goed besteed door het hele programma nog eens opnieuw door te lichten. Het programma is erdoor verbeterd.

De Triomf van de stad is een prachtige leergang voor stedelijke strategen, sinds 2012 georganiseerd door Wim Derksen en Karen Ephraim. Er zijn veel bijzondere docenten: topwetenschappers én praktijkmensen. Met hen gaan de cursisten in gesprek, over de ontwikkeling van de steden en over de vragen die die ontwikkeling voor het lokale bestuur oproept. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om door te gaan met een 12e editie.

De data van de komende leergang: 7/8 oktober 2021 in Eindhoven (stedelijke economie), 11/12 november 2021 in Almere (stedebouw en wonen), 9/10 december 2021 in Rotterdam (de achterkant van de triomf), 13/14 januari 2022 in Den Haag (immigratie en integratie), 17/18 februari 2022 in Amsterdam (de aantrekkelijke stad), 24/25 maart 2022 in Utrecht (de duurzame stad). Uitgebreider overzicht is te vinden in de folder hieronder.

Waarom zou journalistiek onderdoen voor wetenschap

januari 1, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Goede boeken geven aanleiding tot goede vragen. Zoals dat heerlijke boek De ontdekking van Urk van Matthias de Clercq, “de Belg” zoals hij in Urk werd genoemd. De Clercq was ooit als journalist in Urk vanwege de moord op een puber. Na een dag had hij zijn verhaal klaar en de volgende ochtend stond het in zijn krant, De Morgen. Het had hem altijd geïrriteerd dat hij zich zo snel een beeld had moeten vormen van dit bijzondere dorp in Nederland. Hij schaamde zich voor zijn cliché’s. Hij nam zich voor om zich ooit nog eens echt in dat dorp in de polder, dat voormalige eiland in de Zuiderzee, te verdiepen. In 2019 woonde hij een half jaar ‘op Urk’. En schreef vervolgens dit bijzondere boek. 

Hij begint met de zee, met de vis, en met de slachtoffers. Altijd die dreiging dat mannen, vaders en kinderen niet terug komen van de zee. Dat schepen vergaan. Hoe die angst verbonden is met het streng beleden geloof. Hoe de inpoldering van de Zuiderzee Urk eerder verder heeft vervreemd van de rest van Nederland en de gemeenschap verder heeft afgesloten. Hoe het strenge geloof in de loop der eeuwen alleen maar nog strengere afsplitsingen kent. Hoe Urkers als het ware allemaal een ‘Urks paspoort’ hebben waarin al die regels staan waaraan zij zich hebben te houden. En hoe ontduiking van de regels daarmee onvermijdelijk is verbonden. Hoe de jeugd in het weekend geheel losslaat. Hoe de visverwerkende industrie gaandeweg het vissen overvleugelt. Hoe Europa grip probeert te krijgen en hoe Urkers massaal Europese regels weten te ontduiken. En steeds doemt er weer een nieuw perspectief op waarmee “de Belg” Urk beschrijft. Met liefde, maar ook met toenemende verbazing. Na een half jaar lijkt hij opgelucht zijn spullen te pakken. 

En dit alles roept bij mij vooral één vraag op: had een socioloog, had een sociale wetenschapper dit voortreffelijke onderzoek van deze voortreffelijke journalist kunnen overtreffen? En het antwoord op die vraag treft ook de bestuurskundige, de politicoloog en zelfs de econoom. Leveren deze wetenschappen een scherper zicht op de samenleving, politiek en overheid dan een scherpzinnige journalist die zich echt verdiept in zijn onderwerp? Ja, dat is een vraag die door veel wetenschappers misschien wordt weggelachen, voor andere wetenschappers wellicht confronterend is. Toch zullen juist wetenschappers het met me eens zijn dat alle vragen gesteld moeten kunnen worden.

Ik heb niet meteen een voldragen antwoord op deze fundamentele vraag. Maar ik deel wel graag enkele overwegingen.

Sociale wetenschappers maken terecht veel werk van hun methoden van onderzoek. Hun onderzoek moet immers valide en betrouwbaar zijn en moet bovenal repliceerbaar (herhaalbaar) zijn. Om ervoor te zorgen dat alleen de waarheid wordt beschreven én die waarheid kan worden gecontroleerd. Nou, aan dit soort eisen heeft Declercq zich niet gestoord. Hij bevraagt mensen tot het voor hem duidelijk is hoe het zit. Zou een goede wetenschapper dat werkelijk anders hebben gedaan? Ik betwijfel het. Of zou een wetenschapper meer hebben gezien als hij zich aan alle vereisten voor wetenschappelijk onderzoek had gehouden? Ik betwijfel het. Ik vrees zelfs dat hij minder had gezien. Al die methoden vergroten immers niet de kans dat je de kern van het probleem bereikt. 

Al die onderzoeksmethoden hanteren we ook om zo objectief mogelijk verslag te kunnen doen, bijvoorbeeld van een dorp als Urk. Maar we weten ook dat geen enkel sociaal-wetenschappelijk onderzoek ‘waarden-vrij’ is, ongeacht het gebruik van de juiste methoden. En natuurlijk zijn veel journalisten erg gekleurd in hun berichtgeving. Maar Declercq is geen gekleurde journalist. Met zijn distantie (naast de nodige betrokkenheid) is hij zeker niet gekleurder dan de gemiddelde wetenschapper.

En hoe zit het dan met de wetenschappelijke theorieën die het zicht op Urk hadden kunnen vergroten en die bepaalde verschijnselen misschien hadden kunnen verklaren? Geven die theorieën de wetenschapper geen voorsprong op de journalist? Ik vrees dat het omgekeerde waarschijnlijker is. Dat het inzetten van theorieën het waarheidsgetrouwe beeld van Declercq eerder had vervormd. Want wetenschappers hebben nogal eens de neiging om werkelijkheid aan te passen aan hun theorie, in plaats van hun theorie aan te passen aan de werkelijkheid. Natuurlijk kunnen het gebruik van theorieën ons inzicht vergroten. Maar in de sociale wetenschap lijkt het vaker voor te komen dat theorieën de wetenschapper het zicht ontnemen. De theorie als oogklep. Helaas, sociale wetenschappers spiegelen zich te veel aan de natuurwetenschappen en overschatten om die reden vaak het belang van sociale theorieën. In de werkelijkheid verklaren sociale theorieën weinig en voorspellen ze helemaal niks. Ze bieden vooral een perspectief. En dat perspectief is op zijn minst eenzijdig, als het de werkelijkheid al niet (ernstig) vervormt.

Sociale wetenschappers hebben daarentegen veel meer baat bij concepten. Maar goede journalisten maken onbewust evenzeer gebruik van concepten. Zo noemt Declercq het concept ‘functie’ nooit, terwijl hij wel heel scherp beschrijft welk functie de religie in het vissersdorp Urk altijd heeft gehad. Zo noemt hij het woord ‘cultuur’ nooit in wetenschappelijke zin, maar beschrijft hij uitermate helder de cultuur van dit dorp en met name de veranderingen die de cultuur in de laatste decennia ondergaat. Zo schrijft hij niet over ‘elites’, maar heel treffend over zwarte dominees en een heulende burgemeester. Zo schrijft hij nergens over ‘traditie’, ‘moderniteit’, ‘globalisering’, ‘glokalisering’ maar zijn boek gaat er wel over. Dat leidt misschien tot twee conclusies: wetenschappers hebben bij hun beschrijving van de sociale werkelijkheid vaak veel baat bij bepaalde concepten én Declercq is zonder al die concepten in staat om een even helder inzicht in deze bijzondere dorpsgemeenschap te bieden. 

Dus voor de vraag of een socioloog een beter boek over Urk zou hebben geschreven dan een journalist, is het gebruik van methoden, theorieën of concepten uiteindelijk niet zo relevant. Uiteindelijk gaat het om de vraag in welke mate ons inzicht is vergroot. En ik kan niet inzien hoe een wetenschapper met wetenschappelijke methoden, theorieën en concepten een scherper beeld van Urk had kunnen schetsen dan Matthias Declercq hier heeft gedaan.

Ik weet niet of we deze conclusie mogen generaliseren (zoals Declercq ook geen enkele poging doet om de kennis van Urk te vertalen naar andere gesloten gemeenschappen). Wel moet zo’n mooi boek sociale wetenschappers bescheiden maken. En moet hen vooral inspireren om inzicht te geven in de sociale werkelijkheid. Niet die methoden, die theorieën en die concepten moeten centraal staan in de sociale wetenschap, maar de vraag of het inzicht in de sociale werkelijkheid wordt vergroot.

De triomf van de stad verbleekt

juni 11, 2020 by  
Filed under artikel, De Stad, Geen categorie, Voorpagina

De Triomf van de stad leek oneindig. Steden als brandpunt van de economie, van de innovatie en dus ook van de economische groei. Steden als knooppunt van internationale netwerken en als de place to be. Steden als gastheer van al de kenniswerkers die de nieuwe kenniseconomie vorm geven. Het leek alsof het voor altijd was. 

Ik geef al jaren les in stedelijke ontwikkeling. Vaak ook aan stedelijke strategen. En elke keer zijn zijn zij verrast als ik vertel dat Amsterdam in de jaren 80 er nog heel slecht voor stond en dat in de jaren 60 iedereen nog naar Rotterdam keek, voor innovatie, voor welvaart en groei. Hoe snel het kon veranderen. Het was toch zo logisch dat in Amsterdam de bomen tot in de hemel groeiden? Dat klopt, maar vijftig jaar geleden was alles anders, en over vijftig jaar zal weer alles anders zijn. 

Twee simpele redenen. Ten eerste: elk voordeel wordt zijn eigen nadeel. Agglomeratievoordelen kunnen in agglomeratienadelen verkeren. We zagen het de afgelopen jaren al in Amsterdam. Te veel toeristen, te veel drukte, te veel Airbnb, zelfs te veel kenniswerkers. Moesten we nog wel blij zijn met het EMA? Weer 900 hoogopgeleide mensen erbij die de huizenprijzen zouden opjagen. 

Maar er is een tweede reden die nog veel belangrijker is: de structuur van de economie  evolueert altijd. Dat gebeurt geleidelijk en soms met kleine schokjes. En corona zou wereldwijd best eens zo’n schokje teweeg kunnen brengen. In dat opzicht zijn de laatste demografische cijfers van Amsterdam bijna schokkend. 

In het begin van 2020 was alles nog normaal: de steden groeiden, de Randstad groeide en Oost-Groningen, de Achterhoek, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen krompen. Nadat de coronacrisis eenmaal goed opgang was zag je een heel ander beeld. In de weken 13-16 (van 2020) groeide Drenthe, groeide de Achterhoek en groeide Zeeland. En krimp was er nog steeds in Oost-Groningen, in Limburg, maar ook in Zuid-Oost Brabant en zelfs in de regio Amsterdam. 

Volgens het CBS deed de grootste verandering zich voor in Groot-Amsterdam. In de weken voor de coronacrisis groeide de bevolking daar met 34 per 100.000 inwoners per week. Nadat de crisis was ingetreden was er een krimp van 23 per100.000 inwoners. Die krimp werd geheel veroorzaakt door een vertrekoverschot. Want terwijl er bijna in heel Nederland sprake was van een sterfteoverschot, had de regio Amsterdam in de genoemde weken nog steeds een geboorteoverschot. Amsterdam had ook een binnenlands vertrekoverschot. Maar dat was niet nieuw.

Wat echt nieuw was voor Amsterdam was het buitenlandse vertrekoverschot. De buitenlandse migratie ging van + 41 per 100.000 inwoners voor de crisis naar -8 per 100.000 inwoners per week tijdens de crisis. Dat kwam niet zozeer door het vertrek van Amsterdamse inwoners naar het buitenland, maar vooral door het feit dat de instroom van arbeidsmigranten (kenniswerkers) uit India, USA en Europese landen nagenoeg stil viel. En juist die toestroom uit het buitenland was zo bepalend voor de groei van Amsterdam in de laatste jaren. Zo ging een stad die recentelijk nog 1000 inwoners per maand groeide, in korte tijd over op krimp. Dat hadden vooral mijn Amsterdamse cursisten nooit kunnen denken. 

Ik weet het: het is een momentopname. Maar het zou heel goed kunnen dat het beeld van de triomferende stad in de komende jaren verbleekt. Als we er even van uit gaan dat een vaccin tegen COVID-19 niet morgen wordt gevonden. Overigens ook als dat vaccin morgen wel wordt gevonden, zullen de gevolgen voor de steden groot zijn. Met name omdat een aantal ontwikkelingen elkaar gaat versterken.

  • De economische krimp zal groter zijn dan wij allen in ons leven hebben meegemaakt. De inkomens zullen dalen, de werkloosheid zal fors toenemen. Vooral dat laatste zal de tweedeling in alle steden accentueren. We zien in de laatste weken al dat het aantal WW-ers en het aantal bijstandstrekkers in Amsterdam de snelste stijging te zien geeft van heel Nederland. Het is te vrezen dat alle steden door die scherpere tweedeling rauwer zullen worden.
  • De horeca, de cultuur en de winkels hebben al enorme klappen opgelopen. Daarvan  zullen velen het loodje leggen. Dat zal ongetwijfeld leiden tot een enorme verschraling van de consumer city. Dat wordt nog eens versterkt door het feit dat minder mensen minder kunnen consumeren door een forse terugval in hun inkomens. 
  • Het toerisme is voorlopig ingestort. Dat is volgende maand niet anders. Zo lang de wereld niet corona-vrij is zullen de verre reizen worden gemeden. En als de wereld wel corona-vrij is, zal het nog jaren duren voordat het toerisme het oude niveau weer heeft bereikt. Mensen zullen wereldwijd minder te besteden hebben en dus ook minder kunnen uitgeven aan verre reizen. Bovendien zou het me niet verbazen als de overheden een andere houding gaan aannemen tegenover het toerisme en tegenover de luchtvaart. En de prijzen van de vliegtickets hoeven maar weinig hoger te worden om grote gevolgen te hebben voor het toerisme. Ook van de terugval van het toerisme zullen de horeca en het winkelbestand de gevolgen ondervinden. En wie zijn zolderkamer niet meer via Airbnb kan verhuren, ziet de waarde van zijn huis dalen. 
  • De kenniseconomie draait vooral op kenniswerkers die wereldwijd naar de steden trekken. Dat zijn vaak de aantrekkelijke steden. Met veel voorzieningen, met een hoogstaand winkelbestand, met veel culturele voorzieningen. Zeg maar, steden met een aantrekkelijk leefklimaat. Als corona leidt tot een verschraling van deze consumer cities, worden steden dus ook minder aantrekkelijk voor kenniswerkers. En als er minder kenniswerkers naar de steden komen, zal de stedelijke economie minder snel groeien. 
  • Kenniswerkers kwamen niet alleen uit het eigen land, maar ook in belangrijke mate uit het buitenland. Het is zeer de vraag is of ze na de crisis gewoon gewoon weer zullen komen. In ieder geval zal het even duren, misschien wel een paar jaar na de vondst van een vaccin. Maar het is ook denkbaar dat de coronacrisis de globalisering (aanzienlijk) afzwakt. In Nederland gaan veel stemmen op om voortaan minder afhankelijk te zijn van het buitenland (eigen mondkapjes, eigen medicijnen). Dat betekent dat de maakindustrie niet aan het buitenland (China) moet worden gelaten. Dat we weer meer zelf moeten maken, moeten produceren. Waarom zouden de kenniswerkers dan voortaan ook niet thuis blijven?
  • Relevant is dat ook al voor de crisis de globalisering op grote weerstand begon te stuiten. De verkiezing van Trump en de Brexit zijn daarvan de bekende voorbeelden. Maar wat in de USA en in het UK gebeurde stond niet op zichzelf. De globalisering wordt overal genuanceerder bezien. Globalisering mag bijdragen aan een grotere welvaart, maar het is ook duidelijk dat die welvaart niet aan iedereen ten goede komt. De schaduwzijden van de globalisering werden overal in de wereld meer herkend. Leidt Corona ertoe dat we globalisering definitief anders gaan bezien?
  • De rijke Westerse wereld trok niet alleen kenniswerkers aan, maar ook asielzoekers en arbeidsmigranten. Ook die migratie lijkt in de coronacrisis sterk af te nemen en zal tijd nodig hebben om weer op gang te komen. De snelheid daarvan zal ook afhangen van de vraag hoe zeer onze economie flonkert. 
  • Demografisch verandert er wellicht nogal wat. En als er minder kenniswerkers uit het buitenland naar de Nederlandse steden komen en als de huizenprijzen in de steden (fors?) gaan dalen, kan het voor Nederlandse gezinnen weer aantrekkelijker worden om in de stad te blijven wonen. En geen woning met een tuin te zoeken in de omgeving. Of staat de stad ook in het binnenland voortaan op achterstand?

Steden blijven steden. Steden blijven de plekken waar de innovatie plaatsvindt. Steden blijven de knopen in een internationaal netwerk. Het is niet gedurfd om dit allemaal te voorspellen. Maar er gaat wel iets veranderen. En zoals de Triomf van de stad onder invloed van de kenniswerkers vooral in Amsterdam zichtbaar was, zo zal ook de teruggang Na Corona vooral in Amsterdam zichtbaar zijn. Minder buitenlandse immigratie, minder toerisme, minder voorzieningen. 

Wordt Amsterdam daarmee weer meer vergelijkbaar met de andere steden? Of zakken de andere steden even hard weg. Dat laatste is niet te verwachten, maar dat alle steden klappen krijgen na het bizarre voorjaar van 2020 is duidelijk. En er is wel een groot verschil met Amsterdam. In die laatste stad kookte het in de laatste jaren soms werkelijk over. De drukte was soms niet meer te harden. De huizenprijzen rezen de pan uit. Voor starters was er nog maar nauwelijks plek. Het is niet erg om die stad voor een paar jaar weer terug te geven aan de eigen inwoners. 

Voor de andere Nederlandse steden ligt dat anders. Oké, Utrecht en Eindhoven draaiden ook heel goed. Maar van oververhitting was nog geen sprake, met name omdat de toeristen daar grotendeels ontbraken. Rotterdam begon net een beetje aan te haken, Den Haag dreigde echt achterop te raken. Als de steden minder internationaal worden en als de werkloosheid fors oploopt zullen vooral Den Haag en Rotterdam het zwaar krijgen. Dus wat voor Amsterdam ook nog een klein beetje positief is, is dat zeker niet voor Rotterdam en Den Haag. 

Waar de voorzieningen in de steden verschralen, wordt het platteland aantrekkelijker. De rust en de ruimte zijn daar door Corona niet verdwenen, zelfs intenser beleefd. Ja, groot-ziener Rem Koolhaas heeft het een aantal maanden geleden al voorspeld: de toekomst is aan het platteland. Ik zie minder groot en trek die conclusie nog niet. Maar dat Corona gevolgen heeft voor de economische en daarmee ook voor de geografische structuur van het land, zou me zeker niet verbazen. 

En dan volgt de onvermijdelijke disclaimer: naarmate corona langer onder ons zal zijn (omdat het moeilijk lukt om een vaccin te ontwikkelen), zal de economische depressie dieper zijn, zullen de grenzen langer als barrières worden gezien, zullen de internationale kenniswerkers én de toeristen anger weg blijven en zullen de gevolgen van voor de steden groter zijn. Maar dat de triomf van de stad verbleekt is eigenlijk nu al onvermijdelijk. 

Triomf van de stad: de leergang

september 8, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

triomf

De leergang

Sinds 2012 organiseer ik de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van docenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om die reden slaan we onze tenten steeds weer in een andere stad op. Samen met Karen Ephraim zorg ik zelf voor de verbinding. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In oktober 2020 start de 13e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2021. Voor aanmelding kan men mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In onderstaande essay geef ik de rode draad van de leergang weer, inclusief leervragen.

De rode draad

De woningprijzen in Amsterdam stijgen nog steeds snel. Huizen worden boven de vraagprijs verkocht. Er wordt grof geld betaald om in die stad te mogen wonen. Ook andere steden gaat het momenteel voor de wind. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds heeft Amsterdam minder inwoners dan in de jaren 50 en 60.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden voor veel mensen werk is te vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Er zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

  • Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.
  • Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.
  • Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Ten eerste zijn de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis (en opleiding) werden steeds dominanter in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Zo keren oude patronen terug. De steden groeien weer. De jeugd trekt voor een opleiding naar de stad en reist na het afstuderen niet meteen verder naar een woning met een tuin in een voorstad. Of naar een opgeknapte arbeiderswoning tien kilometer verder. Dat waren de jaren 70. Toch is alles relatief, want nog altijd kent de stad voor mensen boven de 30 een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. Maar dit vertrekoverschot wordt op dit moment snel kleiner en weegt niet meer op tegen de massale vestingoverschot van alle jongeren.

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, het verzwakt ook de positie van de voorsteden en met name van de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen veel minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als ik deze gemeenten even over één kam mag scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. En ze moeten daarbij niet vergeten dat ze bestuurlijk zwakker staan dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Ik kom daar nog op terug. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad dan zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van bovenstaande ontwikkelingen, van de Triomf. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Rotterdam gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij, ondanks het goede beleid en de blije berichten vanuit de Coolsingel. Wanneer doen steden het (ook op dit moment) minder goed? Ik noem drie factoren.

  • Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.
  • Ten tweede: je stad moet met name voor de hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat te bieden hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. Die relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Werken volgt wonen. Anderen menen: werken volgt werken. In ieder geval gaat het om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.
  • Ten derde: dat vliegwiel van de stedelijke economie is nog steeds van groot belang. En als het niet in beweging is, is het erg moeilijk in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. De grote vraag voor het bestuur van Rotterdam is dan ook al jaren: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

En toch wonen er in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Laat je dus niet door die triomf van de stad verblinden! Of misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen.

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Overigens kennen ook de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, een grote dynamiek. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. De stad als roltrap. En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

De triomf van de toerist en de triomf van de burger

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is. De tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast.

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Toch heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

Ik schreef al: de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang Triomf van de stad.  Het verhaal vertaalt zich in 6 modules van 2 dagen. In die 6 modules werken we aan een drietal leerdoelen: kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; vertalen van deze kennis naar de eigen stad; ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad.

Module 1 – Stedelijke economie: Agglomeratie-effecten, veranderingen door de komst van de kenniseconomie, consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Demografie en wonen: demografische ontwikkelingen van steden en randgemeenten, van nieuwbouw in de groeikernen naar nieuwbouw in de grote stad, corporaties en wonen in achterstandswijken, regionale samenwerking tussen stad en randgemeenten.

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, immigranten en hun toekomst in Nederland, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, gezondheid, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – De stads in balans: het succes van de steden kan doorslaan. De stad kan zo aantrekkelijk worden dat het bijna onbeheersbaar wordt. Met name in Amsterdam zien we die ontwikkeling. De toeristen zorgen voor overlast, het winkelbestand past zich aan aan de stromen toeristen. De huizen worden te duur omdat ze toch wel via Airbnb kunnen worden verhuurd. Maar ook elders zien we het aantal festivals enorm toenemen. En ook elders wordt de bereikbaarheid een steeds groter probleem.

Module 5 – De triomf van de burger: de hedendaagse burger kent vele verschijningsvormen. Gemeentebesturen zijn vaak blij met bakfietsburgers. Maar je hebt ook ondermijnende burgers, onkundige burgers en boze burgers. Dat roept vragen op voor de overheid. Hoe om te gaan met burgers die zichzelf organiseren voor de publieke zaak? Terwijl de ‘zelforganisatie’ van burgers lang niet altijd in het publieke belang is.

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Hoe realiseren we die transitie? Wat betekent dat bijvoorbeeld voor de mobiliteit? En de toekomstige steden zullen slim moeten zijn.

Debatteren met open vizier

november 19, 2013 by  
Filed under Voorpagina

Ik stel het zeer op prijs als mensen reageren op mijn blogs. Debat dwingt je soms om je argument scherper te formuleren, debat leert je soms dat je een ander perspectief over het hoofd hebt gezien, debat leert je soms dat je een off day had. Dus: reacties zijn welkom. Hoe afwijkend ook: ze worden door mij geplaatst. Ik maak slechts twee voorbehouden voor het plaatsen van de reactie: schelden is niet toegestaan en er wordt met open vizier gestreden: anonieme reacties worden niet geplaatst. Bovendien houd ik me het recht voor om spelfouten te corrigeren. Ik maak er zelf al te veel.