Deemoed past ambtelijk Den Haag

april 16, 2021 by  
Filed under artikel, Voorpagina

De Secretarissen-Generaal waarschuwen voor departementale herindeling. Dat hebben ze in een brief aan informatie Herman Tjeenk Willink laten weten. De brief verbaast. Al is die waarschuwing tegen een departementale herindeling heel terecht. 

Het is ene bekend thema bij kabinetsformaties: een andere indeling van de departementen. Nu is er weer een politieke meerderheid voor de heroprichting van het Ministerie van VROM (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer). De SG’s hebben dat dus liever niet. 

En inderdaad: de SG’s hebben een punt. Elke verandering van de indeling van de departementen kost veel tijd en veel geld. Met het gesleep met stoelen en het overplaatsen van ambtenaren ben je zo een jaar kwijt, voordat je aan nieuw beleid kan beginnen. Dat is niet efficiënt. Bovendien: wat bereik je ermee als je de Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderbrengt binnen één departement. De eerste twee vormen nu al samen één directoraat-generaal, binnen het ministerie van BZK. Ze  zijn nog nooit zo dicht bij elkaar geweest. Het enige probleem is: dit kabinet heeft geen ambitie en visie als het om de woningmarkt gaat. 

En er is nog een probleem: er is geen afzonderlijke minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Er is zelfs niet eens een staatssecretaris voor. Ollongren doet het er allemaal bij. Als je in Den Haag echt iets te zeggen wil hebben, heb je een eigen minister nodig die op elke vrijdag aanschuift bij de Ministerraad. 

Een klein voorbeeld: in 2010 werd VROM opgeheven en werd milieubeheer ondergebracht bij Verkeer en Waterstaat. Het nieuwe departement voerde al in zijn eerste maanden de 130 km/uur op de snelwegen in. Bij de voorbereiding van dit besluit werd het directoraat-generaal voor Milieu geheel gepasseerd en het milieu geheel genegeerd. Dat was onmogelijk geweest als Milieu nog een eigen minister had gehad. 

Maar voor de rest gaat de argumentatie van de SG’s redelijk mank. Ze vinden een herindeling van departementen vooral niet nodig omdat de departementen onder hun leiding al zo goed samenwerken. Dat lijkt me bezijden de waarheid. Laat duidelijk zijn: ik heb er helemaal geen bezwaar tegen als departementen elkaar bestrijden, ze strijden immers voor verschillende maatschappelijke belangen. Maar het is wereldvreemd om te doen alsof dat niet zo is. 

Maar mijn verbazing betreft vooral de toon van de boodschap. De SG’s steken niet alleen een stokje voor een nieuwe departementale indeling, ze waarschuwen de Kamer ook voor te veel nieuwe wetgeving. Bijvoorbeeld als reactie op de Toeslagen-affaire. Alsof de ambtelijke dienst momenteel goed functioneert en de SG’s het allemaal onder controle hebben. Alsof er geen Toeslagen-affaire is geweest, waarbij niet de minister eindeloos teksten heeft witgelakt, maar zijn ambtenaren. Alsof dat befaamde rapport van de juriste van de Belastingdienst niet door ambtenaren onder de pet is gehouden. Alsof er geen commissie-Van Aartsen is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis bij het toezicht op de uitvoering van de milieuwetgeving. Alsof er geen commissie-Bosman is geweest die heeft aangegeven dat er van alles mis is bij de uitvoering van het beleid. Alsof er niet permanent gedoe is bij de IND. Alsof het ambtelijk allemaal in orde was bij het jarenlange drama van de aardbevingen in Groningen. Alsof topambtenaren niet veel te veel bezig zijn met het uit de wind houden van de eigen minister. Alsof het niet goed zou zijn om de rol van de ambtenaar in de komende jaren opnieuw te definiëren.

Natuurlijk, uiteindelijk zijn de ministers formeel verantwoordelijk. Maar het zou niet verkeerd zijn om de SG’s eens aan te spreken op het functioneren van de ambtelijke dienst. En op zijn minst zou enige deemoed de dames en heren SG’s niet misstaan nu er de laatste jaren zoveel is misgegaan. Of zouden ze zich van dat laatste nog niet bewust zijn?

Vaccineren: het is tijd voor de kapper-strategie

april 13, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

In Engeland gaan de eerste pubs weer open. Er is een goede reden: het aantal besmettingen is in het Verenigd Koninkrijk in de laatste maand drastisch gedaald. Ze hebben daar per dag nog ongeveer 2000 positieve tests (op 65 miljoen inwoners). Hier hebben we er 7000 (op 17 miljoen inwoners). En de oorzaak is een hele simpele: in het VK wordt in hoog tempo gevaccineerd en ons lukt het maar niet om vaart te maken. Het is tenenkrommend.

Wat is de oorzaak van dat trage vaccinatieprogramma? Simpel: we zijn niet in staat om boven onszelf uit te stijgen. Zelfs nu niet. We zijn een tot op het bod gedecentraliseerd land, waar velen weigeren om ook maar één millimeter van hun bevoegdheden conform artikel 12, lid 4 af te staan. En zo kan het gebeuren dat we een perfecte gezondheidszorg hebben en dat we toch niet in staat zijn om die vaccins snel in die bovenarmen te krijgen. Andere landen tuigen meteen een adequate organisatie op, centraal aangestuurd. En die organisatie gaat prikken, tot ze erbij neervalt. Bij ons zijn de huisartsen, die hun griepvaccinatie jaarlijks voortreffelijk uitvoeren, grotendeels buitenspel gezet. Maar er is in feite niets voor in de plaats gekomen. Ja, de GGD, waarop al jaren zoveel is bezuinigd dat het ook een half jaar heeft gevergd voordat ze het testen een beetje op orde hadden. En ik vrees dat het in deze wereld van-op-je-eigen-rechten-staan, niet veel uitmaakt wie minister van Volksgezondheid is. Iemand met meer gezag dan Hugo de Jonge was ook kapot gelopen op dit eilandenrijk. 

In Nederland hebben we niet alleen moeite om macht af te staan (zie die grote en kleine burgemeesters elke week weer sputteren tegen de oekazes uit Den Haag), we hebben ook allemaal een mening. In goede tijden noemen we dat “polderen”. Wim Kok mocht ooit Bill Clinton de voordelen daarvan nog eens uitleggen. Maar polderen is dramatisch als je een samenleving wil vaccineren. Dan verdwijnt elke nieuwe strategie na 2 incidenten weer uit het zicht. De Gezondheidsraad speelt in dit spel een pijnlijke hoofdrol. Aan het einde van 2020 kwamen ze na maanden vergaderen melden dat er voor het vaccineren verschillende strategieën denkbaar waren. Ze waren zelf, zonder enige motivatie voorstander van de strategie waarbij de meeste levensjaren werden gered. Helemaal geen gekke gedachte. Maar daarna kwamen Gommers en Kuipers eisen dat hun verpleegkundigen het heel zwaar hadden en dus ook recht hadden op een prik. Dat gold eerst voor verpleegkundigen die in aanraking kwamen met COVID-patiënten. Deze week gold het plotseling ook voor de andere medewerkers van de ziekenhuizen. Inmiddels is aan de hele vaccinatiestrategie geen touw meer vast te knopen. 

Een dramatisch hoogtepunt bereikten we met het advies van de Gezondheidsraad van deze week om het vaccin van AstraZeneca voortaan alleen aan 60+-ers te geven. Omdat het niet veilig zou zijn voor de mensen onder de 60. Dokters moeten weten dat elk vaccin bijwerkingen kent. Je grijpt niet voor niets in op het immuunsysteem van mensen met die prikken. En niet vaccineren heeft veel grotere nadelen. Het ergste is dat inmiddels veel 60+-ers denken dat ze een groot risico lopen met dat vaccin van AstraZeneca. Huisartsen klagen dat op sommige plaatsen 40% van de opgeroepen 60+-ers wegblijven. Terwijl de Gezondheidsraad simpel alleen had moeten zeggen welke mensen wel een AstraZeneca-vaccin hadden moeten krijgen. En dat advies hadden ze moeten deponeren bij de mensen die prikken en niet bij een afdeling Communicatie die dacht te kunnen schitteren. Ho maar. 

Helaas staat de Gezondheidsraad voor iets groters: we weten het allemaal beter. En het kabinet drijft stuurloos rond op al die ongevraagde meningen. 

Het wordt tijd om elke strategie los te laten. Organiseer waar het maar kan een prikpoli. In sportzalen, in scholen. Zeg maar: in elk stembureau. Prik iedereen die geprikt wil worden. En laat mensen die zeker willen zijn van een prik van te voren een afspraak maken. Alle anderen moeten misschien wat langer wachten. Je kan dat de kappers-strategie noemen: “we knippen ook zonder afspraak”. Zal je zien hoeveel prikken dan elke week worden gezet. 

Ik heb een boot

april 12, 2021 by  
Filed under Geen categorie, Voorpagina

52 weken geleden haalden we onze boot op uit de winterstalling. We brachten hem weer naar zijn prachtige plekje in de jachthaven van De Gaastmar. Ik schreef er een blog over dat van geluk overliep. De blog vond zijn plek in Krill, het blaadje van de vereniging van Noordkapers. Dit weekend maakten we dezelfde trip. En ik zou dezelfde blog kunnen schrijven. Veel niet-zeilers zouden denken: dat heb ik al eerder gelezen. Veel zeilers zouden weer meegenieten van alles wat weer hetzelfde was. Dat uitzicht op het Hegemermar aan het einde van de Waldseinster Rakken. Het invaren van de Yntemasleat. Het aanleggen in jachthaven Pieter Bouwe in De Gaastmar. Het licht, de zon, de glinstering op het water. 

Waarom kunnen zeilers elk jaar weer zo genieten van hetzelfde? Wat maakt dat zeilen zo bijzonder? Ik zal het de niet-zeilers proberen uit te leggen, maar ik vrees dat ik vooral de zeilers zal bereiken. 

Als zeiler ben je buiten. Je bent niet alleen buiten in de natuur, je bent je ook steeds bewust van die natuur. Je bent afhankelijk van de wind en van het weer. Terwijl je thuis nauwelijks weet wat voor weer het is, laat staan waar de wind vandaan komt, op je boot zie je elke wolk en voel je elke windschifting. Zelfs ‘s nachts als je op kooi ligt, hoor je wind zacht ruizen of geniet je van de totale stilte. Of ga je nog even naar buiten om een klapperend lijntje vast te zetten. 

Als zeiler drijf je. Als je vanaf de steiger op de boot stapt, is dat gevoel er meteen weer. Onbewust voel je altijd dat water onder je. Je voelt hoe de romp van de boot op dat water rust. En zacht in de wind ligt te wiegen. Als je de haven uit bent drijft de wind je voort over dat water. Je hoeft er helemaal niets voor te doen. Natuurlijk, we gebruiken vaak de motor, maar ook op motorkracht kan ik genieten van het glijden van de boot. 

Als zeiler leef je aan boord volgens vaste patronen. Zeker als je je boot al een paar jaar hebt, is er een vaste rolverdeling. Er wordt nooit gediscussieerd over de vraag wie de boot zal afvaren. Nee, een goede stuurman vertelt vooraf hoe hij zou willen afvaren. Zoals ook de rolverdeling in de sluis altijd hetzelfde is. Ja, soms is de rolverdeling aan boord niet altijd even feministisch, maar aan boord leidt dat niet tot discussie. Hoe helder de rolverdeling is merk je pas als je gasten aan boord hebt. Die willen graag meehelpen. Maar meer handen verstoren het normale werk. 

Als zeiler kom je vaak op dezelfde plekken. Natuurlijk bestaat de behoefte aan nieuw zeilwater, aan nieuwe havens. Natuurlijk vindt er wel eens een avontuur plaats, een man die van boord valt, een hond die te water raakt of een box in een jachthaven die wordt gemist. Maar als we eerlijk zijn: dat avontuur is meer uitzondering dan regel. Het is een avontuur omdat het afwijkt van de vaste routes. Ik verheug me nu al weer op een bezoek aan Balk en op een nacht aan de kade van Waldsein. 

Als zeiler geniet je van de intimiteit. Die boot is natuurlijk maar heel klein. Die boot is ook erg knus, zeker in de kajuit. In die boot heb je je eigen kastjes, je eigen gedoetjes, je eigen gereedschap. En je hebt vooral elkaar. Samen weg van alle drukte van alledag. Samen een boek lezen, samen wijn drinken, samen zeilen. Ja, ik vermoed dat de meeste zeilers een goed huwelijk hebben. Laten we eerlijk wezen: hoe zou je het anders kunnen uithouden op die paar vierkante meters?

Vaccineren is heel eenvoudig

april 10, 2021 by  
Filed under Voorpagina

Ga naar coronatest.nl. Je wordt ontvangen met de warme slogan “Alleen samen krijgen we corona eronder”. Internaliseer dat principe en klik vervolgens op: “Ik wil me laten vaccineren”. Vervolgens moet je een tiental, soms verwarrende vragen beantwoorden. Zeg niet dat je in contact bent geweest met een besmet persoon (wat in mijn geval wel zo is), want dan krijg je geen prik. Zeg ook niet dat je kwetsbaar bent (wat formeel gezien voor mij ook geldt), want dan krijg je ook geen prik. Zeg wel dat je in 1951 bent geboren (hetgeen niet helemaal waar is, omdat ik in 1951 slechts ben verwekt). Laat vervolgens alles met DigiD controleren. Waar ze blijkbaar niet weten wanneer je wel bent geboren. En vervolgens krijg je een afspraak voor vaccinatie op 29 april en 3 juni. Op de Haagse Schouwweg in Leiden. Log uit en log nogmaals in om te checken of het waar is. En ja, ook coronatest.nl weet dat je op 29 april en 3 juni a.s. wordt gevaccineerd. Waarom heet die site overigens coronatest.nl? 

Dom Hans van der Laan: architectuur is een vak

april 5, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

We waren toevallig toch in de buurt. Een mooie gelegenheid om nog eens aan te bellen. Jaren geleden bezocht ik de nieuwbouw van de Abdij Sint-Benedictusberg van architect Dom Hans van der Laan. In het gehucht Mamelis bij Vaals. Er was niets veranderd, zoals er in kloosters vaak in decennia niets verandert. Maar ook aan mijn mening was niets veranderd en aan mijn gevoel al evenmin.

Dom Hans van der Laan was architect en abt van het klooster in Mamelis in de tweede helft van de vorige eeuw. Maar hij was ook de grondlegger van de ‘Bossche School’ in de architectuur. Jan de Jong is een andere bekende naam uit deze school. Ik heb geen architect, ik ben geen bouwkundige. Ik kan me wel voorstellen dat bouwkundigen veel moeite hebben om het werk van Dom Hans van der Laan te plaatsen. De Bossche School bouwde veel kerken en kloosters, maar ook veel huizen, vooral in het Zuiden van het land. Wie de school opzoekt op internet struikelt over het woord ‘traditioneel’. Maar als ik mijn gevoel moet omschrijven als ik de kapel in Mamelis betreed, heb ik niets aan het woord ‘traditioneel’. Dit gaat veel dieper.

Dom Hans van der Laan heeft een groot deel van zijn leven gewijd aan een zoektocht naar het plastisch getal. In mijn eigen woorden: een zoektocht naar de oervorm van de architectuur. Of beter: naar de oerverhoudingen in de architectuur. Het plastisch getal wordt wel omschreven als ‘het evenwichtig samengaan der maten, zowel in de delen als in het geheel van het gebouw’. Van der Laan vroeg zich af: wat zijn de natuurlijke, vanzelfsprekende verhoudingen van een zaal, van een deur, van een raam. Hoe breed moeten de muren tussen de ramen zijn. Hoeveel ramen in een kerk voelen ‘natuurlijk’ aan. 

Er zijn prachtige boeken over de ideale verhoudingen geschreven. Er zijn prachtige boeken over de kapel van Dom Hans van der Laan in Mamelis geschreven. Soms lijken het ondoorgrondelijke formules. Maar als je in die kapel staat, in die gewijde ruimte, dan voel je dat die maten kloppen. Dat elke verhouding klopt. Dat die 5 ramen langs de smalle kant van de kapel alleen maar beantwoord kunnen worden door 12 even grote ramen aan de lange kant van de kapel. Hier voel je wat goede architectuur is. Geen grote woorden, geen vage spinsels, maar gewoon gevoel. 

Als je die kapel in Mamelis beleeft dringt het besef tot je door: architectuur is een vak. Bij een architect hoort de eerste vraag niet te zijn tot welke stroming hij of zij behoort, maar of hij of zij het vak verstaat. Uiteindelijk is niet relevant of hij of zij een traditionalist, een modernist of een post-modernist is. Voorop staat de vraag hij of zij een goede architect is. Iemand die mensen geborgenheid kan bieden door uit te gaan van de juiste verhoudingen. Daarna komt de vraag naar de stroming die de architect zou (willen) vertegenwoordigen.

Maar moeten we Dom Van der Laan dan als een traditionalist zien, omdat de Bossche School op internet als een school van traditionalistische architecten wordt omschreven? Als ik me opgenomen voel in de ruimte van de kapel in Mamelis zijn termen als Romaans en modern voor mij meer terzake. Die combinatie is niet verrassend omdat in beide stromingen het zoeken naar de essentie centraal stond. Versieringen komen je in Romaanse kerken en in modernistische woonhuizen weinig tegen. 

Toch vermoed ik dat Dom Van der Laan deze discussie zinloos zou hebben gevonden. Juist omdat het hem om de essentie van het bouwen ging. Om de onderlinge verhoudingen van de maten. In dat opzicht laat Dom Van der Laan zich niet plaatsen. Hij is vooral tijdloos. En een mooier compliment kan een architect eigenlijk niet krijgen. 

De geloofwaardigheid van Kaag versus de trouw aan Rutte

april 4, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Als je van politiek houdt en zeker als je aan politiek verslaafd bent, was het Verkennings-debat van afgelopen donderdag een hoogtepunt in een lifetime. Twee weken na de verkiezingen werd Mark Rutte alsnog afgestraft voor al zijn gerommel, geritsel en geheugenverlies. Hij had zijn hand overspeeld door al in een vroeg stadium van de formatie te proberen om Pieter Omtzigt uit te schakelen. En vervolgens loog hij iets te geforceerd over zijn inbreng. Dat Jorritsma en Ollongren in commissie mee-logen maakte het allemaal niet beter. Het was prachtig om te zien dat de hele dierentuin uit zijn kooien brak om die irritante oppasser samen te grazen te nemen.

Er restte aan het einde van de nacht nog een schamele steun. Zijn coalitiepartijen steunden geen motie van wantrouwen tegen Mark Rutte maar ‘slechts’ een motie van afkeuring. Die laatste motie werd door Sigrid Kaag in perspectief geplaatst. Zijn zou zelf in zo’n geval zeker aftreden, maar “ze was een ander mens”. Daarmee was haar standpunt duidelijk: Rutte hoefde nog niet af te treden als demissionair minister-president, maar zijn volgende kabinet kon hij gevoeglijk vergeten. Ruim een dag later sprak Segers onomwonden uit dat hij niet deel zou nemen aan een vierde kabinet-Rutte.

Daarmee verloor dat beoogde kabinet nu al een meerderheid. En het valt niet te verwachten dat Kaag na de gevraagde tijd voor reflectie tot een ander standpunt komt dan Segers. Beter gezegd: Segers dwingt haar om ook partij te kiezen. Kaag zou al haar geloofwaardigheid verliezen als ze nu alsnog een vierde kabinet-Rutte zou steunen.En ook Hoekstra lijkt onvoldoende warme gevoelens voor Rutte te koesteren. Het einde van Mark Rutte als minister-president is erg nabij. 

Dat hoeft niet te verbazen. Het einde van politieke leiders gaat altijd gepaard met nonchalance en zelfoverschatting. Of persoonlijke gekwetstheid.Tien jaar op een apenrots verandert het gedrag van mensen en vooral hun vermogen om zichzelf nog in het juiste perspectief te zien. Het controleren van het politieke spel verliest zijn terughoudendheid. Het gevoel van onmisbaarheid gaat te veel overheersen. Simpel gezegd: juist door te denken dat hij nu eindelijk alles in zijn greep heeft, verliest de leider zijn greep op de macht. Dat gaat altijd geleidelijk, maar dat geleidelijke proces is niet altijd voor iedereen zichtbaar. En zo kwam het einde van Rutte voor velen misschien toch nog tamelijk onverwachts. 

En nu verkeren we in een impasse. Na de stap van Segers kan Kaag Rutte niet meer aan zijn vierde kabinet helpen. En na hun motie van wantrouwen geldt dat nog sterker voor andere potentiële regeringspartijen als PvdA, GroenLinks en SP. En zoals gezegd: waarom zou Hoekstra Rutte wel helpen terwijl hij al moeite genoeg heeft om Pieter Omtzigt binnenboord te houden.

Tegelijkertijd scharen de paladijnen zich allemaal om Rutte. Zijn eigen fractie heeft haar steun uitgesproken in haar leider, maar laten we niet vergeten dat deze fractie na tien jaar almacht van Rutte geheel bestaat uit mensen die hun loopbaan aan de grote leider te danken hebben.

De impasse laat zich dan ook simpel beschrijven. De meerderheid in de Kamer wil af van Rutte. Omdat ze de overwinning van de VVD bij de verkiezingen respecteren zullen ze opteren voor een andere minister-president van VVD-huize. Rutte en zijn paladijnen zien het liefste dat Rutte op die plek blijft zitten. 

Deze impasse vraagt vooral veel tijd (tenzij Rutte zelf op korte termijn inziet dat de strijd verloren is). Die impasse is pas doorbroken als D66 en ChristenUnie en enkele andere partijen inboeten op hun geloofwaardigheid. Of wanneer de paladijnen van de VVD hun leider langzaam loslaten. Ik gok op dit moment op het laatste. 

#Milieuvergunningen en gebroddel bij de overheid

april 1, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Er is nog een toeslagen-affaire. Maar hij krijgt nog weinig publiciteit. 

Je hoort wel eens van grafiet en Tata Steel, of over het storten van granuliet in een natuurplas bij de Maas of over de opslag van blusschuim in Doetinchem. Je vraagt je misschien wel eens af of het hier slechts om incidenten gaat. Wellicht is er wel een perfect systeem van vergunningverlening en handhaving en zijn de genoemde incidenten slechts de uitzonderingen op de regel. Helaas is dat niet het geval.

Zo blijkt uit een mooi rapport van een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen dat begin maart verscheen. De commissie heeft zelf weinig onderzoek gedaan. De commissie heeft vooral helder op een rij gezet wat insiders allemaal al weten. En dat is schokkend. Vooral omdat inmiddels geheel onduidelijk is wie bij de uitvoering van de milieuwetgeving verantwoordelijk is voor wat. Vroeger waren de provincies en de gemeenten verantwoordelijk. Dat gaf veel ‘fragmentatie’ omdat iedereen het op zijn eigen manier deed. Om die reden werden de ‘omgevingsdiensten’ in het leven geroepen, samenwerkingsverbanden van gemeenten en provincies. Op advies van een commissie-Mans uit 2008. Maar verantwoordelijkheidsverdeling is overal weer anders. Daarom zijn soms de omgevingsdiensten en soms de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor de vergunningverlening in het kader van de milieuwetgeving. En vaak geen van beide.

Natuurlijk kan dit ratjetoe aan verantwoordelijkheden niet zonder gevolgen blijven. Ik citeer uit het rapport Van Aartsen: “De ILT (Inspectie Leefomgeving en Transport, wd) heeft in haar risicoanalyse voor 2020 aangegeven dat zij de maatschappelijke schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan de meest risicovolle bedrijven door provincies op ongeveer 220 miljoen euro per jaar schat. Schade als gevolg van onjuiste vergunningverlening aan andere bedrijven of door gemeenten is niet gekwantificeerd. Gezien het grote aantal bedrijven is het aannemelijk dat het in potentie om een veel grotere jaarlijkse, maatschappelijke schade gaat.” Dit gaat alleen om onjuiste verlening van vergunningen! Ik mag aannemen dat er ook nog heel wat bedrijven zijn die zich niet of niet geheel houden aan de vergunning die ze hebben gekregen. Er is dus heel veel milieu-schade en gezondheidsschade door gebroddel bij de overheid. 

Toezicht bij de overheid 

In feite gaat het hier om falend toezicht. Dat toezicht hapert op twee niveaus: bij het toezicht (door de omgevingsdiensten) op de bedrijven die milieuschade kunnen veroorzaken en bij het toezicht op de vergunningverlener (de omgevingsdiensten). Nu eens toezicht geen onbekend onderwerp bij de overheid. Met name omdat er vaak veel misgaat bij toezicht. Laten we eens verkennen wat er mis kan gaan. 

Het begint ermee dat de toezichthouders onvoldoende weten waarop ze moeten letten. Dat klinkt vreemd, omdat je toch zou verwachten dat de toezichthouder let op granuliet of grafiet. Of op de verleende vergunningen van de omgevingsdiensten. Je zou dus verwachten dat toezicht zich richt op de prestaties: wat stoot een bedrijf uit of welke vergunningen zijn door een omgevingsdienst verleend. Maar het toezicht kan zich ook richten op ‘processen’, bijvoorbeeld op afspraken met bedrijven, of op de financiën van de omgevingsdiensten. En in de praktijk zien we dat vooral bij incidenten het toezicht actief wordt.  

De cruciale vraag is: waarop moet je bij toezicht nu letten: op incidenten, op processen of op prestaties? Mijn stelling luidt dat bij toezicht bij de overheid de meeste aandacht uitgaat naar incidenten en de minste naar prestaties. En dat het net andersom moeten zijn. Je wilt als overheid toch gewoon weten wat dat bedrijf werkelijk uitstoot. En als je de vergunningverlening aan een ‘omgevingsdienst’ uit handen geeft wil je toch gewoon weten of die omgevingsdienst de goede vergunningen verleent. Toezicht moet dus zich primair richten op prestaties, secundair op processen en als dat goed gebeurt zullen incidenten nog slechts sporadisch voorkomen. Bij de overheid is echter vaak sprake van een omgekeerde wereld. 

Zo krijgen incidenten bij toezicht vaak veel aandacht, omdat juist daar politieke schade wordt gevreesd. Een paar jaar geleden kon ik dat van dichtbij ervaren. Ik zat een commissie voor die het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (RDW etc.) van het toenmalige Ministerie van IenM moest onderzoeken. We stelden vast dat toezicht pas gewicht kreeg als er incidenten waren. Om die simpele reden dat de Minister er vooral geen problemen van moest krijgen. 

Ook toezicht op processen krijgt vaak ten onrechte de voorkeur boven toezicht op prestaties. We maken liever afspraken met bedrijven over kwaliteitsborging en over zelfsturing dan dat we keihard zeggen wat wel en niet mag en daarop ook adequaat handhaven. Van Aartsen stelt vast dat de besturen van omgevingsdiensten toezicht houden op de financiën van de omgevingsdiensten maar niet op hun prestaties. Hij stelt ook vast dat het verticaal toezicht vanuit provincie tekort schiet omdat het gericht is op processen, niet op inhoud (is er een uitvoeringsprogramma, is er een evaluatie van het uitvoeringsprogramma?). Die voorkeur voor toezicht op processen in plaats van toezicht op prestaties is bureaucratisch gezien begrijpelijk: in een bureaucratie is de voorliefde voor afvinken nu eenmaal altijd veel groter dan de behoefte om een oordeel uit te spreken. Maar dat kan niet de werkelijke reden zijn.  

Diepere oorzaken

De vraag is wat gaat er fundamenteel schuil achter die voorkeur voor toezicht op processen boven toezicht op prestaties? Voor deze blog heb ik drie hypotheses.

Ten eerste zijn de verantwoordelijke organisaties waarschijnlijk meer met zichzelf en met het lijfsbehoud van de politiek verantwoordelijken bezig dan van met het behartigen van publieke belangen: namelijk het tegengaan van gezondheidsschade en van schade aan het milieu. Het pijnlijke is dat dit niet alleen geldt binnen het domein van de omgevingsdiensten. Op veel plaatsen in de overheid zijn de ogen meer gericht op de eigen organisatie dan op het dienen van de samenleving. 

Ten tweede vrees ik dat er binnen al die diensten te veel kennis van de processen, zeg maar bestuurskundige kennis, voorhanden is en te weinig vakinhoudelijke kennis. Je moet inhoudelijk goed beslagen ten ijs komen als je bij een bedrijf op bezoek gaat. Het valt mij altijd op dat grote bedrijven nooit op dat soort kennis bezuinigen, terwijl bij de overheid al jaren wordt geklaagd over het weglekken van kennis. En als je te weinig weet, is het eenvoudiger om vast te stellen of er aan kwaliteitsborging wordt gedaan (afvinken!) dan te bewijzen dat er te veel grafiet wordt uitgestoten (oordeel vellen!)

Ten derde: er is bij toezichthouders een grote angst om de principaal te zijn. Ooit kwam er een stroming op in de bestuurskunde die beweerde dat de overheid “ook maar één van de partijen” is. Daarna begonnen het praten over horizontaal toezicht en over zelftoezicht. En vooral over samenwerking en gelijkwaardigheid. Maar wie op voorhand zegt dat hij niet meer is dan de ander, moet er niet meteen op vertrouwen dat hij straks nog iets over die ander te zeggen heeft. Niet voor niets spreekt het rapport van Van Aartsen over “vrijblijvendheid”. Niet voor niets constateert het rapport dat er te weinig aandacht is voor strafrechtelijke handhaving. Niet voor niets geeft het rijk beleidskaders en algemeen verbindende voorschriften voor de vergunningverlening en is afgesproken dat er achteraf geen toezicht zal zijn. Niet voor niets mag de Inspectie voor Infrastructuur en Milieu de provincie alleen maar adviseren bij de verlening van vergunningen van grote bedrijven. Niets voor niets bleek het ‘horizontaal toezicht’ vanuit de gemeenten “nagenoeg afwezig” te zijn.  

Op dat moment proef je ook bij de commissie Van Aartsen de opkomende wanhoop. Om daaraan uiting te geven merkt de commissie op dat een adequaat stelsel van checks and balances ontbreekt. Dat klinkt prachtig, maar dat is nu juist niet de kern waar het bij toezicht om moet draaien. Omdat we een gezond leefmilieu willen, mag niet elk bedrijf uitstoten wat hij wil. Daarom heb je als bedrijf voor bepaalde activiteiten een vergunning nodig. Maar omdat we niet in een ideale wereld leven heb je toezichthouders nodig die controleren of de bedrijven zich aan de grenzen van de vergunning houden. En je hebt toezichthouders nodig om te controleren of er geen vergunningen in strijd met de wet worden verleend. Toezicht houdt in dat bij overtreding wordt opgetreden. Of de omgevingsdienst wordt op de vingers getikt of het bedrijf wordt stilgelegd. De uitdrukking checks and balances bevredigt hier dan ook niet. Bij toezicht horen principaal en agent elkaar principieel juist niet in evenwicht te houden. De overheid stelt grenzen aan bedrijven en niet omgekeerd. Het bestuur stelt grenzen aan omgevingsdiensten en niet omgekeerd. 

Hoe verder

De commissie Van Aartsen mag trots zijn op haar rapport. De commissie heeft het aangedurfd om een schokkend rapport te schrijven. Ik vind het schokkend om te lezen hoeveel er fout gaat. Ik vind de wirwar aan verantwoordelijkheden en bevoegdheden, wat we vaak de ‘governance’ noemen, tenenkrommend. Maar het meest schokkend is dat de conclusies van de commissie-Mans uit 2008 ongeveer identiek zijn aan de conclusies van dit rapport uit 2021. 

Juist tegen die achtergrond vind ik de aanbevelingen van de commissie te vriendelijk. Er staan 10 aanbevelingen, maar erg concreet en fundamenteel zijn die aanbevelingen niet. Het zijn eigenlijk vooral 10 wensen, wensen die onvoldoende uitstralen dat het zo niet langer kan. Ik vrees ook dat velen deze wensen zullen delen, waarna het debat over wat er echt moet gebeuren weer snel zal verzanden in eindeloos gepraat. Die kans is toch al groot omdat in het binnenlands bestuur bij elke verandering minstens 10 kalkoenen meepraten over de komende Kerst. 

Bovendien zou ik eerst wel eens antwoord willen hebben op enkele fundamentelere vragen. Bijvoorbeeld:  (1) Wanneer zegt iemand dat al die hulpconstructies in het binnenlands bestuur uiteindelijk altijd tot de conclusie leiden dat niemand meer weet wie echt verantwoordelijk is? (2) Waarom moet het aantal omgevingsdiensten kleiner worden, maar zouden de provincies hun taken niet gewoon kunnen overnemen? (3) Waarom accepteren we dat het Rijk hier eigenlijk niks te zeggen heeft, terwijl we zo graag willen dat bedrijven zich overal aan de nationale wetten houden? (4) Waarom heeft de bestuurskunde dit zoveelste echec met uitvoeringsorganisaties niet weten te voorkomen? (5) Ten slotte: waarom zijn er zoveel bestuurders en directeuren van omgevingsdiensten die op grond van een politiek-bestuurlijke afweging besluiten om de grenzen van de wet te overschrijden? En zouden ze zich daarbij afvragen of ze daarmee het vertrouwen van de burger beschamen? 

Die laatste vraag maakt meteen duidelijk dat we het toezicht niet meteen weer op orde hebben. Ik vrees dat de overheid bij haar toezicht kampt met een cultureel probleem. Een vergelijkbaar cultureel probleem dat pijnlijk bloot kwam te liggen bij de toeslagen-affaire. Die cultuur verander je niet door het aantal omgevingsdiensten een beetje te verminderen of ze wat meer geld te geven. 

Omtzigt en het politieke lijfsbehoud van Rutte

maart 29, 2021 by  
Filed under Geen categorie, Voorpagina

Kajsa Ollongren kreeg het bericht dat ze positief had getest. Ze greep haar spullen onder de arm, holde naar haar dienstauto en reed naar huis. Fotograaf Bart Maat maakte een foto en de formatie kon weer opnieuw beginnen. 

Er is al veel over geschreven. Er zijn vele bezwaren geuit. Veel van die bezwaren overtuigen me niet. En het belangrijkste commentaar leek te worden ondergesneeuwd: dat politiek lijfsbehoud in de Haagse politiek veel te overheersend is geworden na 10 jaar Rutte. Politiek lijfsbehoud lijkt in Den Haag veel belangrijker te zijn geworden dan de toekomst van Nederland. 

Commentaar 1: Maat had deze foto niet mogen maken, laat staan publiceren. Mij dunkt: politici laten zich graag fotograferen, politici moeten daarvan zelf de gevaren onderkennen. Nog belangrijker: iedereen die weet dat in de verkennende fase van de kabinetsformatie al wordt gesproken over het elimineren van het beste Kamerlid van dit moment, Pieter Omtzigt, is het aan de democratie verplicht om dit openbaar te maken. 

Commentaar 2: de verkenners hadden zich alleen met partijen moeten bezighouden en niet met individuele Kamerleden. Mij dunkt: verkenners horen te verkennen welke coalitie op voldoende steun kan rekenen in de Kamer. Dan hoor je niet alleen te verkennen welke partijen samen een meerderheid vormen, maar ook te verkennen of je de loyaliteit van alle individuele leden van deze fracties kan verwachten. Die vraag is overigens bij Omtzigt onzinnig, omdat de man niet alleen heel kritisch is, maar altijd ook heel loyaal naar zijn eigen fractie. 

Commentaar 3: de verkenners hadden zich niet moeten uitlaten over de (onderhandelings-)stijl van Wopke Hoekstra. Mij dunkt: Wopke Hoekstra staat als minister van Financiën bekend als star en weinig creatief. Dat kan ook een probleem zijn bij een formatie, het verkleint de kans op het smeden van een coalitie met het CDA. Nuttig om te weten als je verschillende coalities verkent.

Commentaar 4: je hoort niet te praten over een “functie elders” voor een Kamerlid dat net met ongeveer 350.000 voorkeursstemmen is gekozen. Even afgezien van de vraag of de gedachte in dit geval enige kans van slagen maakt, maar sinds wanneer is het verdelen van banen bij een kabinetsformatie verboden? Dat is sinds mensenheugenis allemaal onderdeel van de onderhandeling. Wat te doen bijvoorbeeld met Wopke Hoekstra, die naar het zich laat aanzien zijn post van minister van Financiën aan D66 zal moeten laten, omdat D66 het CDA in zeteltal is voorbij gestreefd. 

Waar gaat het wel om? Stel dat Wopke Hoekstra alsnog in het kabinet komt, dan is de kans groot dat Pieter Omtzigt met hele goede argumenten het fractievoorzitterschap van het CDA in de Kamer claimt. En die Omtzigt zou wel eens te kritisch kunnen zijn. 

Dit betekent dat het politieke lijfsbehoud, met name dat van Rutte, bij de verkenners voorop stond en niet het beleid dat men eventueel zou willen voeren. En juist daarom moet op voorhand de kritische functie van de Kamer worden ondermijnd. Zowel het eerste als het tweede zou een doodzonde in de politiek moeten zijn.

Rutte heeft bij het onderzoek naar de Toeslagen-affaire al gezegd dat “politiek” soms boven de wet gaat. Hij bedoelde: politiek lijfsbehoud. De hele Toeslagen-affaire was ook één groot bewijs van de leer (de Rutte-doctrine) dat het informeren van de Kamer in het teken mag staan van het politieke lijfsbehoud van de minister. En zo is het zoeken van een “functie elders” voor Pieter Omtzigt een volgende poging om de macht van de Kamer te ondermijnen in een poging het politieke leven van Mark Rutte te verlengen. 

Het is echter beter als aan dat politieke leven snel een einde komt. Bij deze man lijkt inmiddels alles om lijfsbehoud te gaan. In het corona-debat is hij in staat om inmiddels elk standpunt met dezelfde argumenten te verdedigen. Binnen de VVD is hij in staat om zijn gewezen politiek assistente (Sophie), tevens zuster van zijn huidige politiek assistente (Carolien), tot voorzitter van de Kamerfractie van de VVD te promoveren. En wie de kandidatenlijst van de nieuwe VVD-fractie overziet, weet dat Rutte van deze fractie de komende jaren in ieder geval weinig last zal hebben.

Mag ik verzuchten: laat het in Den Haag weer om de inhoud van het beleid gaan, om een hoopgevend en mooi regeerakkoord, en even niet meer om het politieke lijfsbehoud van Rutte. En voor die inhoud hebben we Omtzigt hard nodig. 

Binnenkort gaat #COVID-19 als een nachtkaars uit

maart 15, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Vroeger kinderen de bof en de mazelen. Bij de bof kreeg je een dikke wang en als je geluk had twee dikke wangen. Bij de mazelen kreeg je vlekjes. Je kreeg de bof en de mazelen omdat je besmet was. En ja hoor: die besmetting vond meestal plaats in de winter en meestal op school. Als je echt ziek was werd je bed in de woonkamer gezet. Eigenlijk was het heel gezellig. Na een week moest je weer naar school om het virus door te geven aan de kinderen die nog niet besmet waren. 

Ja soms was het vroeger bijna idyllisch. Natuurlijk, er overleden ook mensen aan de bof. Vooral volwassenen die in hun jeugd niet besmet waren geraakt. Dat was verdrietig. Maar in de krant las je er nooit iets over. Er was nog geen pagina 5 van de Volkrant om de laatste besmettingscijfers uit te pluizen. Kinderen waren nog niet schuldig aan “de derde golf”. 

Vanmorgen was het weer raak. Het aantal besmettingen neemt weer toe! 18% meer besmettingen dan vorige week. Zoals bekend weten we alleen iets over het aantal positieve tests dat dagelijks is afgenomen. Elke dag laten zich ongeveer 60.000 mensen testen en daarvan blijken er zo’n 5.000 positief te zijn. Die 60.000 vormen geen a-selecte steekproef. Als het aantal positieve tests toeneemt, mogen we dus niet zonder meer concluderen dat het virus op weg is naar een “derde golf”. Zo verdubbelde in korte tijd het aantal mensen dat zich liet testen. Even een (fictief) voorbeeld: drie weken geleden werden 30.000 mensen per dag getest, van wie er 4.000 positief bleken te zijn. Vorige week waren dat er 60.000, van wie er 5.000 positief waren. Conclusie: blijkbaar hebben meer mensen zich laten testen (om redenen waarnaar geen onderzoek is gedaan) en hebben we dus meer besmette mensen in onze teststraten gevangen. 

Maar intussen neemt het percentage positieve tests niet meer af, terwijl het aantal positieve tests nog wel toeneemt. Dat zou inderdaad kunnen duiden op een hogere besmettingsgraad onder de bevolking. Maar dan is het aardig om te zien hoe oud de mensen zijn die positief testen. De meerderheid is jonger dan 38! Terwijl in het afgelopen jaar de modale viruslijder tussen de 50 en 54 jaar was. Je kan het ook zien als je de cijfers verder analyseert: er wordt heel veel positief getest door jongeren, en zelfs kinderen. En dan breekt plotseling het besef door: de scholen zijn weer open! De kinderen krijgen de COVID, zoals wij vroeger de bof en de mazelen kregen. Bovendien neemt het aantal positieve tests onder de oudste leeftijdscategorieën snel af. En ook dat valt te begrijpen: we zijn met vaccineren bij de oudjes begonnen! Door het openen van de scholen stijgt het aantal besmettingen en door het vaccineren daalt het aantal doden.

In navolging van Mark Rutte zouden we blij kunnen zijn met al die relatief ongevaarlijke besmettingen onder de jeugd. Want ook zij helpen mee aan die gewenste groepsimmuniteit. Groepsimmuniteit bereik je simpel gezegd door twee dingen te doen: ouderen vaccineren en kinderen met elkaar te laten spelen. 

Vanwaar dan toch die angst voor de “derde golf”? De bezetting in de ziekenhuizen en op de IC’s is al weken stabiel. Op een niveau dat zich niet laat vergelijken met de cijfers van een jaar geleden. Het aantal doden ligt inmiddels onder het langjarig gemiddelde. Is het dan weer waar? Lijdt de mens weer het meeste door het lijden dat hij vreest?

Maar dat is hier niet de enige paradox. Want de angst zit op dit moment vooral bij de politiek en bij de media. Want als ik op de snelweg zit, zijn de filemeldingen weer helemaal terug. Als ik ‘s avonds na 21:00 op de snelweg zit, rijd ik daar tot mijn verrassing met vele anderen. Als ik in mijn park sport, struikel ik over de loopgroepen. Ja de kroegen zijn nog dicht en de ambtenaren werken nog thuis. Misschien zou het goed zijn als die laatste groep eens buiten komt kijken. 

Ik voorspel: binnen 3 maanden is het coronaspel als een nachtkaars uitgegaan. En worden al die teststraten weer geruisloos afgebroken. 

Triomf van de stad: de leergang

februari 22, 2021 by  
Filed under artikel, De Stad, Voorpagina

triomf

De leergang

Sinds 2012 organiseren Wim Derksen en Karen Ephraim de leergang Triomf van de stad voor stedelijke strategen. Een keur van topdocenten wisselen prachtige praktijkcasus af. Om zoveel mogelijk kanten van de triomf van steden te belichten doen we tijdens de leergang zes verschillende steden aan. De leergang beslaat zes modules van twee dagen. In oktober 2021 start de 13e groep. Voor nadere informatie zie: Triomf van de stad 2021. Voor aanmelding mailen naar: wimderksendh@gmail.com. In het onderstaande gaan we nader op de inhoud van de leergang in. We beschrijven de rode raad en ronden af met programma en leervragen.

Inleiding

‘Corona’ vertroebelt ons zicht op de ontwikkeling van de steden. Tot begin 2020 was er alle reden om over ‘de triomf van de stad’ te spreken. De woningprijzen in Amsterdam stegen snel, huizen werden vaak boven de vraagprijs verkocht. Er werd grof geld betaald om in de stad te mogen wonen. Ook veel andere steden ging het voor de wind. 

Die triomf van de stad was een nadrukkelijk gevolg van veranderingen in de economie. De kennis-economie had inmiddels overtuigend gewonnen van de oude industriële economie die de steden enkele decennia ervoor nog een verpauperd aanzien gaf. Door de voortschrijdende globalisering raakte de nationale economie sterk vervlochten met de economieën elders in de wereld. In die mondiale netwerken speelde mobiliteit een grote rol. Die mobiliteit was niet alleen zichtbaar in de enorme toename van het vliegverkeer, maar veranderde ook de aanblik van de steden. Een stad als Amsterdam groeide snel door de toestroom van expats, vaak internationale kenniswerkers. Maar hetzelfde Amsterdam werd ook overspoeld door toeristen, wat gevolgen had voor het voorzieningenniveau en de leefbaarheid in de binnenstad.

Juist op deze twee punten deed corona zich gelden. De instroom van expats én van toeristen droogde in korte tijd op. Het leek er even op dat de tijden van weleer niet meer zouden terug keren. Inmiddels is dat beeld al weer gekanteld. De huizenprijzen in de steden zijn in het laatste jaar alleen nog maar gestegen. De beurs van Amsterdam heeft een deel van de handel in Londen overgenomen. Het aantal internationale bedrijven stijgt nog steeds gestaag. Bedrijven geven zelf aan dat ze ook in de toekomst veel meer digitaal blijven overleggen. Dus het vliegverkeer zou wel eens minder snel op het oude niveau kunnen terugkeren. Ook toeristen zullen nog wel enige jaren terughoudender zijn bij het maken van verre reizen. Maar in het algemeen is toch de verwachting dat ook ‘na’ corona die ‘Triomf van de stad’ weer gewoon zal doorgaan. 

Verstedelijking is de norm

Nog niet zo heel lang geleden stonden de steden er heel anders voor. In de jaren 60 verlieten veel inwoners hun steden. Dat was toen heel begrijpelijk. Veel steden waren vies en verpauperd. Hoeveel beter was het leven in de nieuwe groeikernen! Het is bijna onvoorstelbaar hoe hard de steden in die tijd zijn gekrompen. Nog steeds hebben Rotterdam en Den Haag op dit moment minder inwoners dan voor de leegloop in de jaren 60, 70 en 80.

Toch was die trek naar het platteland, die suburbanisatie, een tijdelijk fenomeen. In het algemeen is niet ontstedelijking maar verstedelijking de norm. Mensen hebben de neiging naar steden te trekken. Op dit moment woont al meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. En dat is niet zo vreemd, omdat in steden veel mensen werk kunnen vinden. Omdat de meeste bedrijven in steden zitten. Die bedrijven zitten daar om een hele simpele reden: in de stad zijn ze productiever. Ruimtelijk economen weten dat hetzelfde bedrijf buiten de stad 7% minder productief zou zijn. Daarom zitten bedrijven in de stad en trekken mensen van het platteland naar de stad.

Waarom is het bedrijf in de stad productiever? Daar zijn drie goede redenen voor. Ze hebben allemaal te maken met ‘bevolkingsdichtheid’ en met ‘massa’. In jargon spreken we over: matching, sharing en learning.

Matching: bedrijven in de stad profiteren van de afzetmarkt in hun directe omgeving. Dat scheelt transportkosten. Minstens zo interessant is het feit dat de arbeidsmarkt in de steden veel beter is. Hoe meer mensen op reisafstand, hoe meer keuze je hebt en hoe beter je personeel. Er vindt een betere match plaats.

Sharing: omdat een stad veel andere bedrijven huisvest, is er een tweede voordeel: bedrijven kunnen zich specialiseren. Wat ze niet meer in huis hebben, kopen ze om de hoek bij een ander bedrijf in. En hoe meer specialisten hoe hoger de kwaliteit van het werk.

Learning: hoe meer bedrijven in de directe omgeving, hoe meer kansen om iets van elkaar te leren. En hoe groter de kans dat gezamenlijk nieuwe producten worden ontwikkeld. Denk ook aan de betekenis van universiteiten en andere kennisinstellingen voor het lokale bedrijfsleven.

Matching, sharing en learning zijn allemaal agglomeratievoordelen. Omdat er massa is, ontstaan voordelen, die bedrijven op het platteland ontberen.

Er is iets bijzonders aan de hand met agglomeratievoordelen. Ze zijn zelfversterkend. Omdat de productiviteit in de stad hoger is, zijn de lonen daar hoger. En vanwege die hogere lonen, worden betere mensen aangetrokken. En omdat die betere mensen komen, worden de lonen nog hoger en komen er nog meer betere mensen. Als dat vliegwiel eenmaal in beweging is, kan zo’n stad steeds productiever en steeds rijker worden. Het stijgen van huizenprijzen hoort daarbij. De hoogte van de huizenprijzen is zelfs één van de beste indicatoren voor de welvaart en het succes van een stad. Je moet gemeentebesturen dan ook wantrouwen als ze zeggen dat hun stad zo aantrekkelijk is omdat de huizenprijzen zo laag zijn. Als de huizenprijzen laag zijn, betekent dat maar één ding: de stad is niet aantrekkelijk genoeg.

De triomf van de stad is niet van alle tijden

Uit het voorgaande zou je kunnen opmaken, dat het alleen maar beter kan gaan met steden als dat vliegwiel eenmaal in beweging is. Maar dat vliegwiel is geen automatisme. Zie de teruggang van de steden in de jaren 60 en 70. Waren er toen geen agglomeratievoordelen die de productiviteit van de bedrijven in de steden opjoegen? Die waren er wel, maar twee andere factoren waren van meer gewicht. Zo kent een stad niet alleen agglomeratievoordelen, maar ook agglomeratienadelen. De ‘massa van de stad’ zet de kwaliteit van leven soms ernstig onder druk. Dat gold zeker in de jaren 60 toen de vele fabrieken in de steden het leefklimaat ernstig aantasten. Het leefklimaat in de stad kan zo slecht zijn dat mensen liever elders een minder interessante baan accepteren. Die afweging gaat inderdaad ten koste van de match van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. En leidt dus ook maatschappelijk gezien tot welvaartsverlies. Maar die mensen woonden nu eenmaal liever in een rustiek dorp dan in die vuile stad.

Maar er kwam nog iets interessants bij: juist in die tijd brak de auto door als vervoermiddel voor Jan en Alleman. En met de auto werd de stad ook goed bereikbaar vanuit de nieuwe groeikernen en vanuit het kleine rustieke dorp in het Groene Hart. Je zou kunnen zeggen: door de komst van de auto werden de agglomeraties gewoon veel groter. En hoefde je die interessante baan niet op te geven als je de stad verliet om ergens anders te gaan wonen. Dat gold al helemaal toen ook veel bedrijven de steden verlieten, om ergens aan de rand van de snelweg optimaal per auto bereikbaar te zijn.

Vanaf de jaren 80 is deze ontwikkeling geleidelijk weer omgeslagen. Eerst werden in snel tempo de fabrieken in de steden gesloten. Er zijn overal nette industrieterreinen gekomen, die later werden omgedoopt tot bedrijventerreinen, toen de Nederlandse industrie in snel tempo inzakte en het stokje overdeed aan de zakelijke dienstverlening. De steden werden daardoor weer veel aantrekkelijker. Ook sloeg het politieke klimaat om. De gemeentebesturen begonnen hun steden weer te koesteren, in plaats van ze massaal gereed te maken voor het snelle autoverkeer. Stadsvernieuwing en later stedelijke vernieuwing kwamen in de plaats van sloop en verkeersdoorbraken. ‘Bouwen voor de buurt’ en historische karakteristieken voerden daarbij de boventoon. Omdat burgers zich prettiger voelden bij de geborgenheid van de oude stad dan bij de tochtgaten van de jaren 50 en 60. Bovendien maakte een krachtig beleid de steden weer veel veiliger. Zo verdwenen gaandeweg de agglomeratienadelen die velen op de vlucht hadden gejaagd.

Kenniseconomie

Vanaf de eeuwwisseling heeft zich daar een krachtige factor bijgevoegd: het ontstaan van de ‘kenniseconomie’, ook wel aangeduid met ‘creatieve economie’. Kennis en opleiding werden steeds bepalender in de nieuwe economie. Het gaat tegenwoordig steeds minder om de eindeloze herhaling van de productie en steeds meer om het bewerkstelligen van unieke innovaties. En volgens velen, waaronder de econoom Ed Glaeser, zijn daarvoor face-to-face contacten van groot belang. Juist in dat rechtstreekse contact tussen mensen ontstaan nieuwe en onverwachtse producten. En producten moeten we hier heel breed opvatten. Van een format voor een nieuw TV programma tot een nieuwe beleggingshypotheek waarvan de burgers en vooral de banken beter worden.

Ook de rol van kennisinstellingen is in deze ontwikkeling sterk veranderd. Waren universiteiten bijvoorbeeld vroeger vooral opleidingsinstituten, tegenwoordig werken ze ook nauw samen met bedrijven die zich in de directe omgeving hebben gevestigd. Zo ontstaat het idee van de ‘campus’ en de ‘valley’. Op de High Tech Campus in Eindhoven ontstaan tal van innovaties op het snijvlak van bedrijven en TU/e. Hetzelfde geldt voor de FoodValley rondom de WUR in Wageningen. Amsterdam is met zijn twee universiteiten en al zijn kenniswerkers een campus op zich.

Steden groeien weer

Het gevolg is dat steden weer groeien, en soms zelfs weer hard groeien. Toch is de groei van een stad altijd een resultante van vier ontwikkelingen: hoeveel kinderen worden geboren, hoeveel mensen sterven, hoeveel mensen vestigen zich in de stad en hoeveel mensen verlaten de stad. En groeien veel steden in Nederland tegenwoordig omdat ze een geboorteoverschot hebben en een migratieoverschot vanuit het buitenland, terwijl er binnenlands juist een vertrekoverschot is. 

Ook in het migratiegedrag zijn patronen te onderscheiden. Jongeren trekken vaak voor een opleiding naar de stad en zoeken na het afstuderen een woning om een gezin te stichten. In de jaren 70 trokken ze met liefde naar een groeikern waar goede woningen met een tuin te koop waren. Dat gedrag is veranderd. Afgestudeerden blijven liever langer in de stad wonen. En als ze vertrekken is het vaak omdat ze in de stad geen betaalbare woning kunnen vinden. De verpauperde stad is geen push-factor meer, de welvarende stad (de consumer city) is een pull-factor geworden. Maar omdat de stad voor velen te duur is geworden kent de stad voor mensen boven de 30 nog altijd een vertrekoverschot: er verlaten nog steeds meer 30-ers en 40-ers de stad dan erin komen. 

Deze omslag versterkt niet alleen de positie van de steden, maar verzwakt ook de positie van  de voormalige groeikernen. De jeugd vertrekt vanuit de groeikernen naar de stad en de gehuwden en de jonge gezinnen komen later en minder vaak terug dan vroeger. Zo vergrijzen de voormalige groeikernen. Bovendien zijn het juist de rijkeren en hoger opgeleiden die in de stad blijven. Zo daalt ook langzaam het gemiddelde inkomen in de voormalige groeikernen, als we deze gemeenten voor het gemak even over één kam mogen scheren.

In ieder geval moeten de groeikernen alert zijn op de verdere ontwikkelingen. Daarbij staan ze bestuurlijk zwakker dan enkele decennia geleden. Toen had iedereen ze nodig, het Rijk voor al die woningen en de steden voor het oplossen van regionale problemen die vooral in de steden neersloegen. Nu subsidieert het Rijk geen woning meer en verschuiven de problemen langzaam van de steden naar de randen. Het wordt echt precair als de steden hun randgemeenten helemaal niet meer nodig hebben. Wie lost dan daar de nieuwe maatschappelijke problemen op?

De Triomf van de stad kent dus ook zijn schaduwzijden. De huizenprijzen zijn in veel steden voor veel mensen al niet meer op te brengen. Daardoor vindt verdringing plaats: alleen de rijken kunnen het zich veroorloven een woning in de stad te kopen. De anderen moeten vaak een woning in de omgeving zoeken. Dat verzwakt de positie van verschillende voormalige groeikernen. En dan hebben we het nog niet gehad over de bevolkingskrimp in de periferie van Nederland die het spiegelbeeld is van de groei van de steden. 

De triomf van de stad geldt niet voor alle steden

Het jargon van de Triomf is niet aan gemeentebestuurders voorbij gegaan. Florida en Glaeser liggen op het nachtkastje en de afdeling Citymarketing noemt elk bedrijventerrein al een Campus en twee bedrijventerreinen een Valley. Daarbij verliezen ze uit het oog dat elke stad uniek is en elke stad zijn eigen kansen en niet de kansen van een ander moet grijpen. Maar ze vergeten ook dat die triomf aan sommige steden voorbij kan gaan. Dan krijgen al die woorden al snel iets leegs.

Het is niet moeilijk om een stad aan te wijzen die ten volle profiteert van de kenniseconomie en de globalisering, van de Triomf van de stad. Amsterdam. Maar wat in Amsterdam gebeurt, gebeurt niet in Heerlen, niet in Emmen, en ook niet zo maar in Enschede. En ook aan Den Haag gaat de (echte) triomf nog steeds voorbij. En zelfs Rotterdam vond pas een paar jaar voor corona het pad echt omhoog, ondanks al die eerdere blije berichten vanuit de Coolsingel. Wat bepaalt of een stad het goed doet? Ik noem drie factoren.

Ten eerste moet de lokale arbeidsmarkt aansluiten bij de sectoren die in opkomst zijn. Dat heeft alles met padafhankelijkheid te maken. Als je in een vorige fase succesvol was, hoeft dat niet te betekenen dat je nu meteen weer succesvol zal zijn. Simpel gezegd: met havenarbeiders en laaggeschoolden win je het niet in de nieuwe kenniseconomie.

Ten tweede: je stad moet vooral voor hoogopgeleiden een aantrekkelijk leefklimaat hebben. Met het aantrekken van bedrijven kom je er niet meer. De relatie tussen wonen en werken is veel minder eenduidig dan vroeger het geval was. In de industriële tijd trokken de mensen naar de steden omdat daar werk was te vinden. Ze gingen in de nabijheid van de fabrieken wonen. In jargon: het wonen volgde het werken. Tegenwoordig vestigen bedrijven zich vooral daar waar de beste werknemers te vinden zijn. Dus als je als stad erin slaagt om de beste mensen aan je te binden, dan komen die bedrijven wel vanzelf. Ofwel: werken volgt wonen. Er zijn ook wetenschappers die stellig weten dat werken werken volgt. Het gaat in ieder geval om the place to be. En dat kan gaan om de High Tech Campus in Eindhoven, waar alle bedrijven en alle slimme werknemers bij elkaar willen zitten. Of om de aantrekkelijke binnensteden, waar veel geld wordt betaald voor een woning aan de gracht.

Ten derde: hoe gunstig de voorwaarden voor sommige steden ook zijn, als het vliegwiel van de stedelijke economie niet in beweging is, is het nog steeds moeilijk het in beweging te krijgen. Dan kan je wel proberen bedrijven te verleiden om zich in jouw stad te vestigen, maar dat zullen ze niet doen als jouw stad geen geschikte werknemers te bieden heeft. En dan kan je wel proberen om duurdere huizen te bouwen voor de duurdere, hoogopgeleide werknemers, maar die zullen die huizen niet kopen, als er te weinig banen voor hen zijn. Zo heeft  het bestuur van Rotterdam zich veel jaren afgevraagd: wat moeten we doen om de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit in de stad te houden? En dat de huizenprijzen in Rotterdam veel lager zijn dan in Amsterdam is (gek genoeg) geen pre. Het betekent alleen maar dat er veel meer mensen in Amsterdam willen wonen dan in Rotterdam.

De triomf van de stad geldt niet voor iedereen

Ondanks al die mooie verhalen, er wonen in Amsterdam nog steeds heel veel mensen onder de armoedegrens. Bestuurders moeten zich dus niet door die triomf van de stad laten verblinden. Misschien is dat woord ‘verblinden’ ook niet helemaal goed gekozen. Je kan beter zeggen: de triomf van de stad drukt alles wat minder opgeleid is en alles wat minder geld heeft, gewoon weg. Weg uit het centrum, weg uit de Ring. Want Amsterdam-West en Amsterdam-Zuidoost en delen van Amsterdam-Noord laten een heel ander Amsterdam zien. Daar zitten de mensen aan wie de triomf voorbij gaat. Vroeger woonden ze nog in de Pijp of in de Staatsliedenbuurt. Of nog vroeger in de Jordaan. Maar een proces van gentrification heeft ervoor gezorgd dat de huizenprijzen in deze wijken akelig snel zijn gestegen. De huizen zijn opgeknapt en de nieuwe hipsters hebben hun intrek genomen. En daarmee zijn de huizen te duur geworden voor de oorspronkelijke bewoners. 

Het is evident: de triomf van de stad draagt bij aan een verdere segregatie in de stad. Het is niet de scheiding tussen autochtoon en allochtoon. Het is de scheiding tussen westers en niet-westers. De westerse expats maken onderdeel uit van de triomf, het zijn overwegend de niet-westerse allochtonen die naar de randen van de steden worden gedreven en verdreven.

Die tweedeling manifesteerde zich ook bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In Amsterdam en Utrecht wonnen gegoede hoogopgeleide burgers het van de achterkant van de stad. GroenLinks was de grote winnaar als partij van de kosmopolitische, hoogopgeleide burger met een goed inkomen. Ook D66 dat uit dezelfde vijver vist, scoorde hoog. In het gespleten Den Haag won D66 bij de vorige verkiezingen nog met enkele honderden stemmen van de PVV, de partij van de nationalistische, lager-opgeleide burgers met een relatief laag inkomen. In 2018 won de lokale partij van Richard de Mos, die eerder voor de PVV in de Tweede Kamer zat. In Rotterdam won ook de achterkant van de triomf: Leefbaar is hier veruit de grootste partij. Je ziet de Triomf terug in de verkiezingsuitslagen.

Daarbij moeten we niet vergeten dat de wijken waar de achterkant van de triomf zo goed zichtbaar is, vaak een grote dynamiek kennen. Het zijn namelijk ook de wijken waar de immigranten binnenkomen. Het zijn de zogenaamd arrival neighbourhoods. Waar migranten neerstrijken omdat ze daar hun contacten hebben, omdat de huren laag zijn en omdat de kansen in de informele economie groter zijn. En veel migranten klimmen na een aantal jaren op. (De stad als roltrap.) En verhuizen naar een betere wijk of naar een randgemeente. Niet dat het gemiddelde van de slechte wijken daarvan beter wordt. Want de plek van de geslaagde migrant wordt vrijwel meteen ingenomen door nieuwe migranten, die weer onder aan de ladder moeten beginnen.

Voor wie is de stad aantrekkelijk

De triomf is ons grotendeels overkomen. Geen gemeentebestuur kan claimen de triomf zelf te hebben veroorzaakt. Gemeentebesturen kunnen in het beste geval slechts bijsturen. En ze kunnen de randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling gunstig maken. Zo is bereikbaarheid in de theorie van de agglomeratievoordelen een groot goed. Bereikbaarheid wordt ook wel uitgedrukt in het aantal banen dat binnen 45’ te bereiken is: de tijd die de gemiddelde werknemer bereid is te reizen naar zijn werk. Als de overheid erin slaagt om het aantal bereikbare banen te vergroten, zullen nog meer mensen een optimale baan vinden en zullen bedrijven nog productiever worden.

Daarnaast moet een gemeentebestuur er vooral voor zorgen dat het leefklimaat in de stad zo goed mogelijk is. Dat er een woning is te vinden voor de hoogopgeleiden die de stad aan zich moet binden. Dat die hoogopgeleiden in deze stad willen leven. Dat er veel cultuur is en veel vermaak. Hoogopgeleiden wonen graag in steden waar goede orkesten, goede poppodia en goede musea zijn. Ook als ze daarvan in de praktijk nauwelijks gebruik maken. En dat er veel groen is en weinig luchtvervuiling en weinig geluidsoverlast. 

Maar tegelijkertijd doen zich agglomeratienadelen gelden als de leefkwaliteit in de stad te hoog wordt. En als er te veel cultuur en te veel festivals worden aangeboden. Want het zijn niet alleen de hoogopgeleiden die vanwege deze ‘amenities’ in de steden willen wonen, het zijn ook de toeristen die om die reden de stad willen bezoeken. Amsterdam kan er de laatste jaren (voor corona) over meepraten. De rolkoffers van de airbnb-ers zijn het symbool geworden van de overlast van de toeristen en van de irritatie van de bewoners.

En die toerist staat een beetje symbool voor de burger in het algemeen. Het mag waar zijn dat toeristen sommige delen van Amsterdam overspoelen, het zijn vooral de goedbetaalde hoogopgeleiden die de stad in hun bezit hebben genomen. Dat heeft ook grote gevolgen voor de relatie tussen de burger en het bestuur. Niet zelden hebben de nieuwe stadsbewoners de lokale overheid het nakijken gegeven. Zij weten uitstekend hun woordje te doen, zij kennen hun rechten en weten die ook af te dwingen, zij organiseren in hun eigen buurt de zaken die de gemeente laat liggen of uit haar handen laat vallen. Van de weeromstuit gaat de overheid praten over de ‘doe-democratie’ en de ‘energieke samenleving’. De overheid zou deze vormen van ‘zelforganisatie’ zelfs moeten stimuleren. Daarvoor lijkt weinig reden. De hoogopgeleide burger zit niet op dit soort paternalistische gevoelens te wachten. De triomf van de stad is in veel opzichten ook de triomf van de burger geweest.

Bovendien heeft niemand baat bij een ‘onzekere overheid’ die nota’s over zelforganisatie en doe-democratie schrijft. De samenleving is meer gediend bij een (lokale) overheid die weet ‘waar ze van is’, die weet welke taken onmiskenbaar overheidstaken zijn. Wat te denken van een goed scholings- en arbeidsmarktbeleid voor de buurten waaraan de triomf voorbij is gegaan. Wat te denken van een effectief beleid tegen de wietkwekerijen die welig tieren aan de randen van de steden? Wat te denken van de bestrijding van de ondermijning die gaandeweg met deze vormen van criminaliteit verbonden is geraakt?

De triomf vasthouden

En toch is ook de triomf is niet van alle tijden. Ook de toekomst van de stad is ongewis. Corona was al een duidelijke winstwaarschuwing. Een terugslag als in de jaren 60 en 70 valt ook niet te voorspellen. Voorlopig moeten gemeentebesturen keihard werken aan de bereikbaarheid en de leefbaarheid van hun steden.

Maar hoe houden we het leefklimaat in de steden goed? Hoe zorgen we ervoor dat de hoger opgeleiden en de hogere inkomens in de steden willen blijven wonen? Één ding is duidelijk: de toekomst van de stad staat of valt met de vraag of we de stad klimaatbestendig weten te maken. Of klimaatneutraal. Of CO2-neutraal. Hoe we het ook willen noemen. De stad zal een belangrijke bijdrage moeten leveren aan de klimaatmitigatie, aan het afremmen en uiteindelijk aan het stoppen van de klimaatverandering. En de stad zal zich moeten aanpassen aan de veranderende klimaatomstandigheden (klimaatadaptatie).

De klimaatmitigatie vraagt het terugbrengen van de CO2-uitstoot tot 0, tot nul. Dat betekent dat de steden van fossiele energie moeten overgaan op zonne-energie, op windenergie, op geothermie. Dat zal ongetwijfeld samengaan met decentrale energieopwekking. Bovendien moet de bestaande bebouwing energiezuinig worden gemaakt. En zal de mobiliteit een geheel ander aanzien krijgen. Hoe ziet het stadsvervoer eruit als de zelfrijdende auto’s (duurzaam) elektrisch zijn aangedreven?

De klimaatadaptatie vraagt in alle steden om nieuwe oplossingen voor de wateropgave. Extreem weer met extreme hoeveelheden regenwater moet worden gepareerd. Bovendien zijn de temperaturen in de steden veel hoger dan buiten de stad. Als de temperaturen wereldwijd gaan stijgen, zullen de gemeenten meer moeten doen om leefbaar te blijven. Veel groen in de stad kan een bijdrage leveren aan het verlagen van de stedelijke temperaturen.

Het is eenvoudiger om deze viervoudige agenda even uit de mouw te schudden dan om haar te realiseren. Hier is echt sprake van een transitie. En transities laten zich niet zo maar op commando afroepen. Tot op heden spreken we vooral over transities als blijkt dat ze zich hebben voorgedaan.

De leergang en de leervragen 

Dit is het verhaal van de triomf van de stad. Dit is ook het verhaal van de leergang De Triomf van de stad. In de leergang staan drie leerdoelen centraal

  • kennisnemen van de belangrijkste economische, sociale en culturele ontwikkelingen van steden; 
  • vertalen van deze kennis naar de eigen stad; 
  • ontwikkelen van een effectieve handelingspraktijk voor de eigen stad. 

Het verhaal van de stad vertaalt zich in de leergang in 6 modules van 2 dagen:

Module 1 – Stedelijke economie: demografie, agglomeratie-effecten in tijden van de kenniseconomie, het belang van face-to-face contacten, het idee van de consumer-city, werken volgt wonen, met welk beleid kunnen we de triomf van de stad ondersteunen?

Module 2 – Stedebouw en wonen: wonen en woningmarkt, grond- en vastgoedmarkt, woningcorporaties en wonen in achterstandswijken, mobiliteit en bereikbaarheid, overheid en markt in de stedebouw. 

Module 3 – De achterkant van de triomf: toenemende segregatie, het effect van opgroeien in een achterstandswijk, effecten en neveneffecten van beleid voor achterstandswijken, gezondheid, onderwijs en gelijke kansen.

Module 4 – Immigratie en integratie: toenemende diversiteit en volatiliteit in immigratie, de komst en het vertrek van internationals, non-integratie en criminaliteit, populisme als antwoord, een stad van veel culturen. 

Module 5 – Aantrekkelijk stad: de amenities, wat maakt een stad aantrekkelijk, de toekomst van shoppen, de overdaad aan toerisme, de stad als fietsstad, monumenten en cultuur maken de stad. 

Module 6 – De toekomst van de triomf: steden zullen alleen kunnen voortbestaan als ze klimaatbestendig zijn. Welke opties hebben we. En algemener: hoe realiseren we die transitie? Wat is het belang van klimaattafels. 

Volgende pagina »