Hoe konden we de stad zo haten

januari 3, 2018 by  

We zijn het bijna vergeten, maar niet zo lang geleden werd de stad gehaat. De stad werd gezien als een plek die zo snel mogelijk onder reconstructie moest. Een plek die moest worden aangepast aan moderne tijden en waar de verpauperde zooi uit het verleden bij voorkeur zo snel mogelijk moest worden gesloopt. Alle gemeentebestuurders leken in de jaren 50 en 60 van de afgelopen eeuw van doorbraken te dromen. Van ruimte voor nieuwe kantoren in de nieuwe city. Van nieuwe wegen die het nieuwe verkeer tot in het hart van de steden zou brengen. Van het dempen van singels en van het afbreken van krotten.

Tim Verlaan schreef er een mooi boek over: De ruimtemakers. Hij analyseert een paar van die grote ingrepen die de stadsbestuurders uit die tijd voor hun burgers in petto hadden. Hoog Catharijne in Utrecht, het Spuikwartier in Den Haag en bijvoorbeeld de bouw van het Maupoleum in Amsterdam. Nieuwe tijden! Samen met projectontwikkelaars werden de steden op de schop genomen. Verlaan laat mooi zien hoe snel de tegenstand tegen deze plannen opkwam. Veel plannen zijn daardoor nooit uitgevoerd. Het tij van de ‘moderne stad’ was in de jaren 70 al weer snel voorbij.

Natuurlijk, ook alle genoemde grote ingrepen zullen zijn voortgekomen uit liefde voor de stad. Maar wie ziet hoeveel er kapot is gemaakt en hoeveel er kapot gemaakt had kunnen worden, beseft dat die liefde eerder abstract dan erg concreet was. Wat een verschil met de huidige stedebouw waar met liefde wordt omgegaan met oude structuren. In dat licht kunnen we de stedebouw van de jaren 60 beter met haat te associëren.

Wie het boek van Verlaan leest vraagt zich af waar die haat tegen de stad vandaan kwam. Verlaan beschrijft veel en analyseert minder. Hij wijst op de suburbanisatie, hij wijst op de enorme toename van de mobiliteit, hij wijst op de veranderingen in de economie, waar fabrieken plaats gingen maken voor kantoren. Het had ook kunnen wijzen op het voorzichtige optimisme na de ellende van de Tweede Wereldoorlog. De wens om alles beter te doen. Maar moesten we daarom de oude stad haten? Ik denk dat die haat vooral voortkwam uit het modernisme, dat zijn oorsprong al heeft in het begin van de vorige eeuw. Met zijn nadruk op het scheiden van functies in de stedebouw en met het adagium form follows function in de architectuur. Gevelwanden waren uit. Het ging om het accommoderen van de nieuwe vervoersstromen. Het ging om een nieuwe tijd. Natuurlijk, ook ik kan genieten van de schoonheid van het nieuwe Maupoleum op die eerste foto’s. Zoals je kan genieten van al die foto’s van het nieuwe Rotterdam uit dezelfde tijd. Veel zon, veel licht, veel lucht en ruimte. Veel nieuw geluk en veel nieuwe welvaart. Waarom zouden we nog in die oude krotten willen blijven wonen? Dat was echt een andere tijd.

In dat licht is de reactie eigenlijk minder verrassend en minder nieuw. In ieder geval minder modern. Verlaan geeft overigens ook voor die omslag nauwelijks argumenten. Hij wijst terecht op de enorme toename van het aantal studenten dat aan de universiteiten ging studeren en in de binnensteden ging wonen. Zij vormden een prachtige voedingsbodem voor het verzet tegen de politiek van kaalslag en modernisme. Het was een nieuwe generatie die de Tweede Wereldoorlog niet (bewust) had meegemaakt. En dat moest wel tot een generatiekloof leiden met hun ouders. In de reactie ging het om kleinschaligheid versus de grootschaligheid van de ingrepen, ging het om sociaal-culturele beleving, in plaats van om geldverdienende projectontwikkelaars. Het Maupoleum van Zanstra werd ingeruild voor het Vredenburg van Hertzberger. En Jane Jacobs werd onze leidsvrouw. Maar waar die omslag precies vandaan kwam, het blijft één van de fascinerende dingen van sociale verandering.

In ieder geval was de liefde voor de stad weer terug. De stad als plek waar mensen elkaar ontmoeten. De stad waar mensen geborgenheid vinden. De stad waar mensen weer graag wilden wonen. Jan Schaefer begon met zijn stadsvernieuwing. Oude wijken werden niet meer gesloopt, maar opgeknapt. En beetje voor beetje zijn de stadsbestuurders de haat tegen de stad met veel liefde gaan beantwoorden. Gaten werden weer opgevuld, sommige grachten werden weer open gegraven. Het Maupoleum werd weer afgebroken en vervangen door een tamelijk non-descript gebouw, zoals vele stedelijke gebouwen non-descript zijn, terwijl ze samen wel een prachtige stad kunnen vormen.

Maar zo eenvoudig gaat het elders niet. Hoog Catharijne is net weer helemaal op de schop genomen. In de Catharijnesingel stroomt weer water, maar de moloch van Hoog Catharijne is niet weg te krijgen. Bovendien lijkt de haat tegen de stad in Utrecht nu aan de andere kant van het station weer volop te gedijen. Het Spuikwartier in Den Haag heeft structuur gekregen door de bouw van het nieuwe stadhuis, maar maakt nog steeds geen onderdeel uit van de echte stad. En de Wibautstraat (verrassend genoeg niet beschreven in het boek van Verlaan) blijft ondanks alle lieve pogingen, nog steeds een autosnelweg. Het probleem is helder: de structuur van de stad is op deze plaatsen zo compleet verwoest dat herstel heel moeilijk wordt. Zeker als de eigendomsverhoudingen niet aan herstel van de stad bijdragen.

En daarom is die haat tegen de stad ook onuitwisbaar. Misschien is dat ook wel goed. Een echte stad heeft een geschiedenis. En laat zijn geschiedenis ook zien in al zijn lagen. Juist die gelaagdheid maakt een stad tot een echte stad. En met die blije gedachte zal ik me de volgende keer weer door de bouwputten achter Utrecht CS blijven spoeden.

Het succes van Eindhoven fascineert

juni 19, 2017 by  

 

Gesprek met Robert Elbrink, hoofd Strategie van de gemeente Eindhoven

Eindhoven ontwikkelt zich razendsnel. Groot Eindhoven (Zuid-Oost-Brabant) kreeg er tussen 2010 en 2015 (december) 11.000 banen bij. Vergelijk dat met Groot Rotterdam of Groot Den Haag, die in dezelfde periode 19.000 banen verloren [bron Statline CBS]. Oké, Groot Amsterdam is hors categorie met een winst van 64.000 banen. Maar het is duidelijk dat Eindhoven zeer floreert. Men is het ‘vertrek’ van Philips en het einde van DAF al lang te boven. Wie aan Eindhoven denkt, denkt tegenwoordig aan ASML, de grote wereldspeler op het terrein van chipsmachines. En aan de Design Academy. En aan de TU/e.

Maar wie de literatuur over stedelijke economie een beetje kent, houdt daaraan toch een heel ander beeld over. Ik zeg met nadruk ‘een beetje’. Die theorie komt er plat gezegd op neer dat vooral steden met ‘amenities’, met een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, met veel voorzieningen, het tegenwoordig goed doen. In feite zijn de bedrijven footloose geworden (ze hoeven niet meer aan een kanaal te liggen om grondstoffen aan te voeren en producten af te voeren). Daarom trekken mensen niet meer naar bedrijven, maar trekken bedrijven naar mensen toe. In het wetenschappelijke jargon: werken volgt wonen in plaats van wonen volgt werken. Dus vooral steden waar het aangenaam wonen is, die veel voorzieningen hebben en veel mooie woningen, zouden het economisch goed moeten doen. Dat geldt zeker voor Amsterdam, hoewel het succes van Amsterdam zo langzamerhand in zijn tegendeel begint te verkeren. Amsterdam wordt te druk en te duur. Maar het is vooral zo duur omdat iedereen daar wil wonen. En omdat iedereen daar wil wonen zijn er veel bedrijven en omdat er veel bedrijven zijn wil iedereen er wonen.

Eindhoven heeft een ander woon- en leefklimaat. De woningprijzen liggen veel lager. Er is geen historische binnenstad. Er is geen binnenstad waar velen willen wonen. Er zijn veel minder culturele voorzieningen. In de terminologie van Gerard Marlet is Eindhoven geen ‘aantrekkelijke stad’. En toch doet Eindhoven het zo goed. Het is maar weer eens een bewijs dat de werkelijkheid complexer is dan een simpele theorie. Misschien is Eindhoven wel bij uitstek een stad waar niet ‘werken’ ‘wonen’ volgt, maar ‘werken’ ‘werken’. De dynamiek van de bedrijven trekt nieuwe bedrijven aan.

Er is nog een andere reden waarom Eindhoven zo interessant is. Eindhoven heeft een zeer succesvolle campus, de High Tech Campus Eindhoven. Het is bekend dat elke gemeente tegenwoordig een campus wil. Daarom is het goed om te bekijken waarom succesvolle campussen zijn ontstaan.

Om deze twee redenen spreek ik met Robert Elbrink. Elbrink is al enige tijd de hoofdstrateeg van de gemeente Eindhoven. Zijn strategische afdeling ‘hangt’ onder de Directieraad van de gemeente. Hij werkt als niet-Brabander al lang bij de gemeente Eindhoven, de laatste zeven jaar als hoofd van de afdeling Strategie. Hij kent de gemeente van binnenuit en is nog steeds in staat om het reilen en zeilen van de gemeente op enige afstand te observeren. Een ideale gesprekspartner al met al.

Eindhoven is ontdekt als stad met spannende dingen

Ik vraag Elbrink hoe het op dit moment met Eindhoven gaat. Je wilt zo’n gesprek nu eenmaal vriendelijk beginnen. Het antwoord is dat ook. Elbrink: Economisch gaat het goed. Bedrijven, zeker de high tech bedrijven, draaien als een tierelier. Maar als het gaat om de vraag: profiteert iedereen ervan, dan liggen er nog wel wat uitdagingen. De arbeidsmarkt heeft altijd vertraging ten opzichte van de economie. We moeten opletten of de werkgelegenheid gelijke pas houdt met de economie. Elbrink ziet ook dat het heel goed gaat met belangstelling voor Eindhoven. ”Eindhoven is de afgelopen jaren ontdekt als stad waar spannende dingen gebeuren”. Hij ziet het in de media, maar je ziet het ook in de Tweede Kamer waar gedebatteerd wordt over het einde van het mainportbeleid (de haven van Rotterdam en Schiphol als drijvende krachten van de Nederlandse economie) en waar nadrukkelijk wordt beseft hoe belangrijk de high tech en de industrie van Eindhoven tegenwoordig voor Nederland zijn. Door Eindhoven en de regio daaromheen kan Nederland echt meespelen op wereldniveau met high tech en industrie. “Die bedrijven hier hebben een grote toegevoegde waarde. Als je naar die machines van ASML kijkt en al die toeleveranciers, bijvoorbeeld. Het aantal banen groeit hier nog steeds. Grote vraag naar ICT-ers natuurlijk. Technische vakmensen. Daarom investeren we ook samen met andere gemeenten in programma’s om expats aan te trekken. Hoe zorg je ervoor dat je het aantrekkelijke vestigingsklimaat hebt dat de mensen komen die je hier echt nodig hebt. En hoe kunnen we hun partners, die ook vaak hoogopgeleid zijn, hier ook aan het werk krijgen?”

Ik vraag aan Elbrink waarom Eindhoven toch zo’n groot succes is. Hij zegt: Combinatie van factoren. De tijdgeest. Technologie is ‘in’, technologie is niet meer eng. Nerds zijn zelfs hip. Industrie is niet meer vies. Uniek aan Eindhoven is ook de combinatie van high tech en creatief. Die combinatie komt niet zoveel voor in de wereld. Design Academy is motor en magneet voor creatief talent. En die mensen blijven steeds meer in Eindhoven werken als ze zijn afgestudeerd. In Strijp S, en dat soort gebieden met industrieel erfgoed. Dat geeft een zelfversterkend effect. En er zijn mogelijkheden om high tech en creativiteit fantastisch te verbinden. Denk aan wearables: Enthousiast vertelt hij dat ook de gemeente al een designer in dienst heeft. Vooral om te bedenken hoe ze maatschappelijke vraagstukken en complexe multi-stakeholders vraagstukken beter kunnen oplossen. “We moeten leren om te denken vanuit de mensen voor wie je het doet. Anders dan de standaard beleidscyclus. Waarbij we na een paar jaar constateren dat het niet werkt en dan weer opnieuw beginnen”.

Het toeval van Eindhoven

Ik wil verder terug naar de oorsprong van het succes. Elbrink vat het helder samen. Eindhoven is een succes geworden door twee toevalsmomenten. Philips koos aan het einde van de negentiende eeuw voor Eindhoven en niet voor Breda. En in de jaren 90 werd besloten om het gebied van het NatLab open te stellen. Dat heeft het succes van Eindhoven bepaald. Historische toevalstreffers die je niet kan herhalen. Als Philips niet was gekomen was Eindhoven nog steeds een gezellig Kempisch dorp met een mooie markt en met carnaval. Net zoals Eersel of Oirschot. Daar kan je prachtig wonen, dichtbij heidegrond. De echte groei kwam met Philips.

Door de beslissing om het NatLab-gebied open te stellen zijn we enorm verbreed. Natuurlijk, Philips er zelf ook nog. En het bijzondere is dat de grote bedrijven bijna allemaal wortels hebben in Philips. “ASML is in 1984 begonnen als joint venture van ASMI en Philips en leek niet kansrijk”. Philips dacht: dat kan nooit wat worden. Boonstra heeft heel veel afgestoten. En veel van die bedrijven zijn zelfstandig een succes geworden. Waarschijnlijk omdat ze zelfstandig veel meer focus konden aanbrengen. Ook de bedrijven die later weer zijn overgenomen door VDL. En dan krijg je weer nieuwe toeleveringsbedrijven. Ook heel veel ingenieurs in Eindhoven hebben nog hun wortels in Philips. Mensen die goed met elkaar kunnen samenwerken omdat ze bij Philips op school hebben gezeten en dezelfde taal spreken.

Ja, dat openstellen van het NatLab gebied is een cruciaal moment geweest. Op basis van open innovatie model. Van een gesloten vesting naar een levendig high tech researchpark. Met nu meer dan 100 bedrijven en kennisinstellingen. Vroeger was het echt afgesloten. Je kwam daar niet. De gedachte van een Strip als ontmoetingsplek met allerlei facilities heeft erg bijgedragen aan de interactie op dat gebied.

Natuurlijk heeft uiteindelijk Philips zelf besloten om het NatLab open te stellen. Het was in de tijd dat Philips besloot om het hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. De gemeente heeft er wel sterk op aangedrongen om de research in Eindhoven te verankeren. Toen heeft Philips veel geld geïnvesteerd om de Campus te ontwikkelen. En toen kwam het besef dat dit soort gebieden veel rendabeler worden als anderen er ook gebruik van kunnen maken. Je kan ook niet meer alle kennis en innovatie in één bedrijf houden. Je moet dus ketens ontwikkelen. Philips floreert daar zelf ook nog. Weinig mensen weten ook dat het hoofdkantoor van Philips Lighting hier in Eindhoven zit, niet in Amsterdam. Ach, wij zeggen altijd: Philips is weggegaan met 200 man. De directie en de marketing. Het hart is hier gebleven. De research, de kennis en kunde, de ingenieurs, die zijn hier nooit weggegaan. Bijzonder is dat je bij Eindhoven tegenwoordig eerder denkt aan ASML. Maar ja ASML bepaalt het tempo van Silicon Valley. Dat is de tijdgeest.

Ontkent Eindhoven de theorie of voorspelt de theorie het einde van Eindhoven

Het wordt tijd om Elbrink de vraag voor te leggen waarom Eindhoven niet aan de theorie voldoet. Eindhoven is toch veel te klein voor wat er allemaal gebeurt. En het is toch helemaal niet genoeg? Hoe kan het hier zo goed gaan, terwijl het hier toch veel minder aantrekkelijk is om te wonen dan in Amsterdam of Utrecht? Elbrink kan voor twee antwoorden kiezen. Of: die theorie deugt niet, of: het is maar de vraag hoe goed het gaat.

Elbrink kiest eerst een defensieve variant. Hij zegt: Dat hangt ook van je woonwensen af. Amsterdam is te vol en te duur. Je kan hier tegen een redelijk prijs een grondgebonden woning redelijk dicht tegen het centrum aan kopen. Maar dan zegt hij dat je ‘amenities’ op verschillende manieren kan definiëren. “Onze cultuurvoorzieningen zijn abominabel. Wij krijgen daarvoor ook bijna niets van Den Haag, in vergelijking met andere steden”. Ik probeer het even: die nerds hebben blijkbaar geen cultuur nodig. Daarin gaat Elbrink niet mee: Dat weet je pas als die voorzieningen er zijn. Ik dring aan: Maar de praktijk bewijst dat jullie je gewoon zo fantastisch kunnen ontwikkelingen met die € 1,53 per inwoner voor cultuur van het Rijk. Elbrink houdt stand. Niet voor niets heeft Eindhoven de laatste jaren in Den Haag gelobbyd voor meer culturele voorzieningen in de stad. Hij zegt: “Nee, het piept en kraakt”. We hebben sinds 2008 echt moeten bezuinigen. We hadden voor die tijd relatief goede voorzieningen op gebied van sport, cultuur, theater, denk aan de Effenaar. Dat was best veel voor een stad van deze omvang. Maar toen we moesten bezuinigen, werden al die voorzieningen heel kwetsbaar.

We hebben het alle voorzieningen zelf kunnen opbouwen door onze snelle groei. Heidegrond, schapen eraf, huizen erop zetten. En dat leverde heel veel geld op. Maar we zijn door onze grond heen. Toen hebben we het kabelbedrijf verkocht en een energiebedrijf voor 800 miljoen. Onze aandelen in het Bouwfonds verkocht. In 2008 viel onze bouw stil, we hadden de mooiste dingen verkocht en het Rijk ging bezuinigen op het Gemeentefonds. Toen kwam de decentralisatie met enorme taakstelling erover heen. Het piept en kraakt. We hebben 70 miljoen op jaarbasis op de gemeentebegroting bezuinigd. Enorme druk op alle voorzieningen. Cultuur, sport. Aantal daarvan zijn omgevallen. We kunnen nu wel goed draaien. Maar mijn grote zorg is of we dat over 10 jaar nog doen na al die bezuinigingen. Is het bestendig genoeg? Elbrink zegt: Ik ben er nog niet van overtuigd dat de theorie niet klopt. Het kan een hippe hype zijn, wat er nu gebeurt. Maar ik vraag me serieus af of het publieke fundament van Eindhoven wel sterk genoeg is voor de toekomst.

Oké, hij geeft wel iets toe: Wij zijn een heel andere stad, dat is waar. We hebben geen debatcentrum. Als je in Amsterdam twee mensen bij elkaar zet, dan heb je een debat. Als je hier twee mensen bij elkaar zet heb je een prototype. Maar we missen dat debatcentrum toch echt. Dat hoor je ook van mensen. We zijn wel een stad van meer dan 200.000 inwoners. Daar hoort debat bij.

Succes zonder bereikbaarheid

De theorie over regionale economie stelt bereikbaarheid centraal. En ook daar is Eindhoven al weer zo atypisch. Ze hebben een klote-klein vliegveld. Vergelijk dat met Schiphol. Ze klagen over de verbindingen met Duitsland. Die theorie klopt wel. Bereikbaarheid is heel belangrijk voor een regionale economie. Maar hoe kan het dan dat jullie bereikbaarheid naatje is, en dat je het toch geweldig doet? Elbrink: ik ben er gewoon niet gerust op dat we de toekomst op orde hebben. Ik ben wel blij met die theorie om aan te tonen dat er wat moet gebeuren. Ook bedrijfsleven vraagt erom. Het is wel kwetsbaar. In het verleden hadden we altijd zelf genoeg geld om als er een probleem was, om het probleem ook zelf te fiksen. We hadden altijd heel veel geld. En dat is de afgelopen vijf jaar duidelijk minder. Daar zie je de kwetsbaarheid ontstaan. Voorbeeld: Automotive moest naar Helmond, hebben we een miljoen bij gelegd. Europa vraagt ook vaak om cofinanciering vanuit Europa, dan heb je geld nodig. Dat ging allemaal hartstikke makkelijk. Maar dat gaat niet meer. Daar word ik nerveus van. We hebben niet meer de kracht om het zelf alleen te fiksen.

Een katholieke stad met een Philips-cultuur

Tot slot spreek ik met Elbrink over de rol van de overheid. Is die economie echt wel te beïnvloeden. Elbrink meent ten eerste dat Rijk, provincie en gemeente hun eigen verantwoordelijkheid hebben. Maar altijd samen moeten optrekken. Hij heeft niets met de gedachte “je gaat erover of je gaat er niet over”. Dat staat haaks op de praktijk.

Hoe belangrijk is het Rijksbeleid voor de stad? Elbrink: Het stimuleren van innovatie is belangrijk. Bedrijven hebben daar veel plezier van. Dat soort beleid is cruciaal. Arbeidsmarktbeleid ook. Dat is allemaal generiek beleid, voor alle bedrijven in het hele land. Maar als het alleen om Eindhoven gaat, ziet Elbrink toch vooral dat de G4 royaal bediend worden en dat Eindhoven als grootste van de kleintjes de kruimels krijgt. “Dat is een hardnekkig restant uit de jaren 90. Ik gun die G4 dat wel. Maar die cesuur is vreemd.”

Daarom is Elbrink blij met de introductie van het brainport-begrip in 2004 in de Nota Ruimte. Ik daag hem uit: wat heb je nu aan zo’n begrip. Ik begrijp dat ik niet te snel en te veel moet willen. Praten over ‘brainport’ betekent de eerste herwaardering van economische sectoren die niet over bloemen en vrachtwagens gingen. De verandering markeren. “We werden herkend en erkend door Den Haag.” Daarna is het een kwestie van lange adem. Elbrink hoopt dat het nieuwe denken op termijn leidt tot andere verdeelmodellen. Want: “Als er cadeautjes worden uitgedeeld zie je altijd dat de eerste cadeautjes naar de G4 gaan”. Dat soort logica doorbreken is een zaak van lange adem. Roept ook veel weerstand op, gaat om belangen. Gelukkig zien we in trajecten als REOS en het rapport “Maak Verschil” van de studiegroep Openbaar bestuur ontwikkelingen die beter aansluiten bij de logica van deze tijd. Het gaat om economische kerngebieden waar het geld verdiend wordt.

Wat is de rol van de gemeente? Ik hoor Elbrink meermalen zeggen: “even helpen”. Even wat geld bijleggen. Hier aan het Stadhuisplein wordt de dienst niet uitgemaakt. Maar we kunnen wel helpen. Dat is de bestuurscultuur die dateert uit de tijd van Philips, die hier wel alles bepaalde. Er is hier geen cultuur van ‘we run this city’. Lange traditie met veel maatschappelijk initiatief, veel stakeholders. Daarmee cijfer ik de gemeente niet weg. Als organisatie kent de gemeente iedereen. Zo kunnen wij mensen met elkaar in contact brengen. We kunnen de smeerolie zijn. Soms brengen we bedrijven met elkaar in contact. Vaker brengen we bedrijven en maatschappelijke instellingen met elkaar in contact. En we zijn voor de funding natuurlijk vaak belangrijk. Denk ook aan de Stichting Brainport, onze Economic Board, sinds 2011. Die vindt zijn oorsprong in de jaren 90. We hadden malaise bij Philips, en DAF. Burgemeester Rein Welschen haalde de mensen bij elkaar. Bedrijven, universiteit, gemeente. Zo is uiteindelijk de Brainport ontstaan.

We zijn een pragmatische stad, een pragmatisch gemeentebestuur. We lopen ze niet in de weg. Je moet je steeds afvragen: voegen we echt iets toe? Wanneer moet je even niks doen? Geen beleid maken. Ja, de gemeente hielp Philips groter worden. Dat is nog steeds onze cultuur. Natuurlijk denken we wel dat het uitmaakt wat we doen. Maar het is toch vooral actief faciliteren.

 

 

Paul Scheffer: ik zal nooit zeggen dat onze cultuur de beste is

januari 15, 2017 by  

Gesprek met Paul Scheffer

Paul Scheffer is publicist en hoogleraar. Hij was Wibaut-hoogleraar aan de UvA (onderwerp: grootstedelijke problematiek) en is nu hoogleraar Europese studies in Tilburg. Vooral is hij een intellectueel en heeft een dominante plek in het publieke debat over integratie en migranten. In 2000 schreef hij onder de titel ‘Het multiculturele drama’ een artikel in de NRC dat als een bom insloeg. In de jaren 90 werd nog vaak met graagte gesproken over de multiculturele samenleving, met het idee dat onze samenleving zich vooral zou verrijken door de verschillende culturen. Scheffer hielp de weldenkende elite uit hun droom.

Ik vraag hem hoe hij zelf die ‘bom’ heeft ervaren. Hij zegt: ik vond het eigenlijk wel beangstigend. Het nam een hoge vlucht. Het is het meest geciteerde stuk uit de naoorlogse Nederlandse journalistiek. In ieder geval in mijn kleine leventje was het een enorme gebeurtenis. Het had een enorme impact. Er was een kamerdebat van twee dagen over het stuk. Het ging maar door. Tot de dag vandaag. Ook in veel andere landen is het vertaald. Je kan je nu ook niet meer voorstellen dat het zoveel commotie opriep. Nu zijn er veel mensen die veel radicalere dingen zeggen. Toen reageerden veel mensen heel fel. Het zou racistisch zijn, extreem-rechts. De Groene Amsterdammer schreef dat ik Philip de Winter rechts had ingehaald. Ik had ook te maken met bedreigingen.

Een sociale kwestie en een sociaal-culturele kwestie

Wat was voor hem de kern van het verhaal? Scheffer ik begon met de nieuwe sociale kwestie. Daarin verschilde ik echt van Bolkestein. Migranten en hun kinderen blijven achter. Waarom gingen we daar zo gelaten mee om? Daarnaast noemde ik een nieuw sociaal-cultureel vraagstuk, de positie van de islam. Ik zei dat de verzuiling hier geen oplossing voor zou bieden. In die tijd werd echt nog door mensen in de elite gedacht, dat de islam een eigen zuil zou moeten krijgen om de moslims te laten integreren. Terwijl de samenleving inmiddels geheel was ontzuild. Waarom zou verzuiling een oplossing brengen voor de moslims, terwijl wij die verzuiling inmiddels achter ons hadden gelaten? Bovendien kon die moslimgemeenschap helemaal niet verzuilen, omdat er grote verschillen zijn tussen moslims. Etnische verschillen wegen in die groep minstens even zwaar.

Ik heb die twee onderwerpen bewust niet gekoppeld. De sociaal-economische kwestie en de sociaal-culturele. In het debat werd het vaak wel gekoppeld. Dat moet je niet doen. Er zijn heel veel maatschappelijk geslaagde migranten die in toenemende mate zeggen dat ze zich hier niet thuis voelen. Het is niet zo dat als je die economische achterstanden wegwerkt, dat men zich dan ook meteen hier thuisvoelt. Ik zei alleen: als ik die twee vraagstukken tezamen zie, moeten we een terughoudend immigratiebeleid voeren. Vanwege het integratief vermogen van onze steden en van onze instituties. Mijn conclusie luidde: Het multiculturele drama wat zich nu afspeelt is een ernstige bedreiging van de sociale vrede. Daarmee heb ik bewust hard aangezet.

Voor vernieuwing heb je ongeduldige mensen nodig

Scheffer zegt dat hij nadrukkelijk afweek van Bolkestein, omdat die de islam zo centraal stelde: Ik stelde de sociale kwestie voorop. En het was een kritiek op de christendemocratie omdat die de verzuiling zo als oplossing zagen. Vergeet niet dat de verzuiling niet is uitgemond in segregatie omdat er sterke elites waren. Maar de moslimgemeenschap heeft geen sterke elite. Was het maar waar wat Geert Wilders zegt, dat er een georganiseerde moslimgemeenschap was, die iets wilde. Dan kon je er een deal mee maken. Maar dat is er niet, het is een versplinterd geheel. En vergeet niet waarom de verzuiling in Nederland eerder wel een succes is geworden. Er was een bijzondere Grondwet, met dat artikel over de vrijheid van onderwijs. Dat werd gedragen door die zuilen, dat was een product van hun strijd. Een nieuwe zuil hoort helemaal niet in de geschiedenis thuis. We vergeten wel eens dat die zuilen een gezamenlijk dak hebben gedragen en dat het daarom werkte. En een redelijk volgzame achterban. Maar wie spreekt er nu namens de moslimgemeenschap?

Ik werp tegen dat verzuiling ook wel laat zien hoe lang zo’n emancipatie kan duren. Ik vraag of Scheffer niet wat vroeg is geweest met zijn conclusie dat het misgaat. Scheffer: de vraag is: hoeveel tijd heb je? Maar we hebben bij de sociale kwestie aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw ook gesproken over een ondraaglijke situatie. Toen hebben mensen zich daar gelukkig over uitgelaten. Toen duurde het nog tot na de oorlog voordat de verzorgingsstaat kwam en in de jaren 60 dat kinderen uit arme gezinnen naar de universiteit konden. Dat had allemaal nog veel langer geduurd als we aan het einde van de negentiende eeuw hadden gezegd: dat duur nog wel anderhalve eeuw. Vernieuwing komt altijd omdat mensen ongeduldig zijn.

Van vermijding naar conflict naar accommodatie

Paul Scheffer spreekt vaak over de ontwikkeling van vermijding naar conflict naar accommodatie als het gaat om integratie. Ik vraag hem: waarom had niemand dat voor jou bedacht? Waarom dachten we dat we in de fase van de vermijding konden blijven zitten? Scheffer: we hebben ons weinig verdiept in de immigratie in andere landen. De these komt uit Amerika, jaren 20 van de vorige eeuw. Studies over integratie van Italianen en Polen in Chicago. Ik kwam studies van een eeuw geleden tegen over het statusverlies van de vader in gezinnen door de immigratie. Leidt tot ontwrichting van gezinnen en tot jeugdcriminaliteit in de tweede generatie. Honderd jaar geleden! Toen ik het las dacht ik: dit gaat over Marokkaanse gezinnen in Slotervaart, Somalische gezinnen in Kopenhagen. We hebben ons zo niet gerealiseerd dat we een immigratiesamenleving waren geworden. We dachten dat ze weer terug zouden gaan. Pas in de jaren 90 begonnen we ons te realiseren dat ze bleven.

En toen ging het nog vooral over sociaal-economische achterstanden. Cultureel werd het een verrijking genoemd. Door mensen als Ed van Thijn. Maar hij niet alleen. Maar over wat soort cultuur hebben we het dan? Daar kwam dan geen antwoord op. Kebab. Men wist eigenlijk niets van Turkse cultuur bijvoorbeeld. Van Turkse muziek, literatuur en noem maar op. En hebben wij het gevoel dat deze heel laagopgeleide Turken vertegenwoordigers zijn van die hoge Turkse cultuur? Dacht het niet. Moet je eens in Istanboel gaan vragen hoe ze daar denken over de mensen die hier naartoe zijn gekomen. Niemand kon dus benoemen wat de verrijking van de Turkse cultuur in Nederland zou zijn. Het gaat om problematische gezinsverhoudingen van Turkse gezinnen hier. De Turkse meisjes die niet mogen doorstuderen. Dat is een andere vorm van cultuur.

Alleen onze rechtscultuur is beter

We praten over de jaren 90 toen het idee van rechtspluralisme in juridische kring nog veel werd gehoord. Vanuit de gedachte dat wij onze normen toch niet kunnen opleggen aan andere geloofsgemeenschappen. Ik houd Scheffer voor dat hij dat heeft doorbroken. Hij zegt duidelijk: onze rechtscultuur is beter. Scheffer spreekt met nadruk over rechtscultuur. Want als het om schilderkunst en architectuur gaat kan je niet zeggen dat onze cultuur van nu beter is dan die van 400 jaar geleden. Taj Mahal is fantastisch bouwwerk. Je kan niet zeggen dat de kathedraal van Reims mooier of beter is. Er zijn dus veel domeinen van cultuur. Je kan niet zeggen, dat Bach achterhaald is. Klassieke filosofie is ook niet achterhaald. Dus ook in onze eigen cultuur is er vaak geen sprake van vooruitgang. En dus ook is de vergelijking met andere culturen ook niet zo simpel.

Maar in een rechtscultuur is wel sprake van vooruitgang als bijvoorbeeld de rechten van minderheden beter worden gewaarborgd. Dus daar kan je wel spreken van beter en minder goed. Het gaat dus om een domein van de cultuur. De zin dat de Westerse cultuur in algemene zin superieur is, is een onverdraaglijke zin.

Ik wijs Scheffer erop dat hij zich verzet tegen het bouwen van traditionele moskeeën in Nederland. Hij pareert: ik ben voor echte integratie. Ik ben dus voor een compromis. Geen traditionele moskeeën op een industrieterrein, maar wel moskeeën echt in de stad, maar dan ook passend in de omgeving. Geen Efteling in de eigen wijk. Maar wel in de eigen wijk. We moeten het idee doorleven dat de islam hier vroeg of laat een autochtone godsdienst wordt.

Het conflict is een stap in de goede richting

Ik houdt Scheffer voor dat hij eigenlijk heel optimistisch is. Na het conflict komt de accommodatie. Scheffer: het conflict hoeft niet gemakkelijk te zijn. Maar als het geweldloos is, is het al een teken van integratie. Mensen bemoeien zich met elkaar. Vragen zich af: hoe moeten we hier samenleven. Maar er is ook dreiging met geweld als een belangrijke schaduw over het debat. Bovendien dreigen buitenlandse conflicten binnenlandse conflicten te worden. Zeg: Gülen. Als het Midden-Oosten ontploft, houd ik mijn hart vast voor het Nederlandse integratiedebat.

De PVV zie ik, zolang het debat geweldloos blijft, als een onderdeel van de normale cyclus. Wilders heeft met zijn politiek voor iedereen duidelijk gemaakt dat de islam onderdeel is van de Nederlandse samenleving. Paradoxaal effect. Achter elk probleem ziet hij een een moslim. Hij spreekt er zoveel over dat het niemand meer kan ontgaan dat de islam een gevestigd onderdeel van Nederland is geworden. In dat conflict dat Wilders creëert, zie je dat anderen zich gaan organiseren. Over DENK ben ik dan ook best positief, afgezien van hun eigen tegenstrijdigheden. Maar het is goed dat migranten hun plaats opeisen. Waarom vergadert de Kamer niet met Kerstmis, maar wel met Suikerfeest? Het debat over Zwarte Piet gaat ook over toe-eigening. De migranten eigenen zich de samenleving toe. Maar daardoor worden ze ook zelf toe-geëigend door die samenleving. De essentie van de discussie over Zwarte Piet is dat een deel van de Surinamers zegt: dat is ook ons feest. Wij willen dat feest ook voeren, zonder ons ongemakkelijk te voeren. Die roetveeg-Piet: aan beide kanten een verlies, maar er ontstaat wel iets nieuws uit. Tradities worden altijd opnieuw uitgevonden. Over tien jaar verdedigen we met hartstocht onze roet-Piet. Kerstmis hoort bij ons land, maar dan komt ook de vraag van 800.000 moslims: hoe zit het dan met het Suikerfeest? Daar kunnen we toch rustig over nadenken. Maar dat is anders als het gaat over genitale verminking onder het argument dat het hun cultuur is. Dat laatste zal wel waar zijn, maar niet alle cultuur is waardevol.

Op zoek naar nieuwe tradities op basis van gelijkwaardigheid

Zo laat Scheffer prachtig zien dat je op het punt van de rechtscultuur vast moet houden aan je normen, maar dat je op veel andere punten kan werken aan nieuwe tradities, door een compromis te vinden. Hij vindt het ook zo teleurstellend dat Rutte op dit punt niet meer leiding geeft. Dat hij niet verder komt dat: Zwarte Piet is zwart anders zouden we hem niet zwart noemen. Scheffer wil dus niet wegkijken, hij wil niet twee dingen naast elkaar laten bestaan. Maar wil ook echt iets van beide kanten vragen. Scheffer: dat is het principe van de gelijke behandeling. Dat is ons ideaal. Maar dat ideaal staat overeind. En dat moeten we niet onderuit laten halen. Gelijke behandeling betekent dat iedereen mag zeggen wat hij wil. Je mag ook zeggen dat homoseksualiteit pervers is. Ik zou niet graag leven in een samenleving waarin het verboden zou zijn om allerlei dingen te zeggen. Maar gelijke behandeling gaat verder. Het gaat om gelijkwaardigheid. Homoseksualiteit behandelen we als gelijkwaardig.

We leven in een open samenleving. Voor mij is dat de kern. Met de hoge norm van wederkerigheid. En het houden aan de rechtsregels in een samenleving is heel belangrijk, maar het gaat hier om veel meer. Er zijn ook heel veel zaken wezenlijk voor een samenleving, waartoe je mensen niet juridisch kan verplichten. Daarom is een open samenleving ook zo kwetsbaar. Je kan het niet allemaal via het recht afdwingen. Het gaat om vrijwillige instemming.

Gelijkwaardigheid vraagt wederkerigheid

Om welke hoge normen gaat het, op basis waarvan je het debat moet voeren? De norm van gelijkwaardigheid stelt hoge eisen. Daarmee is het liberalisme niet neutraal. De norm van gelijkwaardigheid is niet neutraal. En vraagt ook veel. Ook in onze geschiedenis zijn vrouwen en mannen nog maar kort gelijkwaardig. Het is dus een hele hoge norm. Het gaat om meer dan de wet. Maar dat je elkaar in de geleefde werkelijkheid tegemoet treedt met wederzijds respect.

Maar ik ga niet iemand respecteren die mij niet respecteert. Ik wil de rechten van de moslims hier in dit land verdedigen, maar er moet wel wat terugkomen. Moslims moeten ook gevoel voor verantwoordelijkheid tonen voor het grotere geheel. En voor de rechten van mensen met wie je het fundamenteel niet eens bent. Ook orthodox-gelovigen hebben recht op duurzaam respect, als zij ook hetzelfde respect kunnen opbrengen voor ongelovigen.

Het laatste hoofdstuk van mijn boek ‘Het land van aankomst’ heet ook de grondwet van gelijkwaardigheid. Maar daar zijn we nog lang niet. Een meerderheid van de Nederlandse bevolking meent nog dat de islam niet past bij onze democratie. En een substantiële minderheid van de moslims zegt nog dat de democratie niet past bij hun geloof. Veel moslims vinden onze leefwijze maar decadent en willen hun kinderen daarvan afschermen. Maar ja, de zwartekousenkerk is ook geen vooruitgang. Ik heb nooit begrepen dat mensen uit links-liberale kring de Nederlandse zwartekousenkerk afwijzen, en die nieuwe zwartekousenkerk van de islam, omdat die van ver komt, omarmen. Een zwarte kous is een zwarte kous. Ik zie hoe Jeruzalem verandert, nu een kwart van de stad wordt bewoond door orthodoxe joden. De hele sfeer van de stad verandert omdat de orthodoxen het principe van wederkerigheid afwijzen, ze eisen een recht op waarheid op dat ze aan niemand anders gunnen. In een open samenleving weten mensen hun eigen waarheidsmonopolie te relativeren. Pluralisme is dus geen vlak begrip, je moet het steeds onderhouden.

Normatief appèl

Ik zal dus ook nooit zeggen dat onze cultuur het beste is. Cultuur ontwikkelt zich in zelfonderzoek. Ik vind wel onze rechtscultuur het beste. Ik vind onze politieke cultuur, de westerse democratie het beste. De democratie biedt de beste mogelijkheden aan mensen om verschillend te kunnen leven. Onze geschiedenis is toch ook niet alleen maar om trots op te zijn. Hoe kan het Westen de geboortegrond van de mensenrechten zijn geweest en er tegelijkertijd zo’n inbreuk op hebben gemaakt?

We praten verder over het toepassen van hoge normen op concrete situaties. Dat Job Cohen het ooit eerst goedkeurde dat agenten niet de hand van een vrouw wilden schudden. En later terecht terugkwam op dit toegeeflijke standpunt. De politie belichaamt een hogere norm van de rechtsstaat. Als je iedereen de hand schudt is dat een symbool van gelijkwaardigheid. Het kan niet zo zijn dat je bepaalde mensen, namelijk vrouwen, geen hand schudt. Die norm moet je aan mensen voorhouden. Het gaat om een normatief appèl, wat je juist niet in de wet kan vastleggen. Ook is een hoofddoek bij de politie niet juist. Het gaat niet alleen om een uniform, maar het gaat om uniformiteit. Je wilt neutraliteit bij de politie. En dus geen symbool van geloofsovertuiging.

Ik vind dat debat wel een enorme verrijking. Je wordt gedwongen op zoek te gaan naar de onderliggende gedachten van een rechtscultuur. Waarom mogen meisjes van 14 jaar niet trouwen. Door het culturele debat wordt je zo uitgedaagd om de onderliggende gedachten van de rechtscultuur te expliciteren. Het heet niet voor niets rechtscultuur, het gaat om de onderliggende normen van het recht.

De Nederlander bestaat wel

Ik hou Paul Scheffer voor dat hij in zijn befaamde tekst schreef dat we op zoek moeten naar nieuwe woorden voor ‘wij’. Scheffer noemt zijn kritiek op de uitspraak van Maxima dat ‘de’ Nederlander niet zou bestaan. Nou die bestaat wel! Dat is de kern van onze rechtsstatelijkheid. Van ons burgerschap. Dan zou je ook niet meer kunnen zeggen: “Wij hebben gefaald in Srebrenica.” We moeten ons plaatsvervangend kunnen schamen, plaatsvervangend verantwoordelijk voelen. We moeten trots kunnen zijn, op de Deltawerken, mooie literatuur, mooie gebouwen. Het multiculturalisme wilde ons ‘wij’ afschaffen. We zijn allemaal verschillend. Hoezo: ‘we’? Dat deed Maxima. Die creëerde een vacuüm.

Het is heel goed als een Turk, of als Aboutaleb zegt: Wij, Nederlanders. Hij eigent zich iets toe en hij wordt meteen toe-geëigend. Op die manier moeten we een nieuwe betekenis gaan geven aan het ‘wij’. Het ‘wij’ is niet meer een blanke, witte Nederlander. Het is rampzalig voor een democratie als mensen niet meer ‘wij’ kunnen zeggen. We zijn onderdeel van iets groters, van een geschiedenis, van een taalgemeenschap. We brengen hier samen een samenleving tot stand. In dat woord ‘wij’ zit de essentie van de democratische verantwoordelijkheid voor iets wat groter is dan jezelf. Collectieve verantwoordelijkheid. Dat is iets anders dan collectieve schuld. Zie het debat in het naoorlogse Duitsland.

Daarom was ik zo boos op Maxima. Het was zo in de kern falen. Als je tegenover de PPV, die zegt: “dit zijn wij’, niet zegt: “Er is een ander wij”, maar zegt: “Dat ‘wij’ bestaat niet meer”.

Migranten moeten zich de samenleving toe-eigenen

We sluiten af. Terug naar het multiculturele drama. Ik heb het nog weer eens gelezen onlangs. Het lijkt alsof er niets is veranderd. Het is nog steeds ontzettend actueel. Ik vraag Scheffer of hij het nu anders zou schrijven: Natuurlijk, omdat ik zelf 17 jaar heb geleerd. Vergeet niet: toen hadden we het er niet over. Dat kan je nu niet meer zeggen! Er is heel veel gebeurd. Vergeet ook niet dat we in 2000 bijna geen journalisten hadden met een andere migratie-achtergrond. Er is enorm veel veranderd in het publieke leven in Nederland. Wilders heeft één angst: dat de migranten zich te veel met de samenleving bemoeien. Ik heb één angst: dat de migranten zich te weinig met de samenleving bemoeien. Een groter verschil kan je niet hebben.

10 januari 2017

Engbersen: er is eerder minder dan meer discriminatie

december 1, 2016 by  

Interview met Godfried Engbersen

Godfried Engbersen is hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Bovendien is hij lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het zij gezegd: we kennen elkaar al jaren. Collega’s in Leiden, collega’s in Rotterdam en als lid van de WRR ben ik hem voorgegaan. Het kleurt het gesprek. Het geeft me ook de ruimte om het tegengeluid te laten horen. Engbersen is zeer deskundig op een gebied dat voor veel maatschappelijke onrust zorgt: migranten. Om zijn weloverwogen mening scherper te krijgen is het zinvol en aangenaam om het populistische tegengeluid te laten horen.

Allochtonen bestaan niet meer, maar de ellende blijft

Ik start met de opmerking, dat ik graag iets zou willen vragen over allochtonen. Maar mag dat nog wel? De WRR en het CBS willen beide het woord voortaan vermijden. Het gesprek staat meteen op scherp. Engbersen vertelt over zijn Verkenning over migratie en identificatie, een heel groot project van de WRR. Verre voorgangers bij de WRR hebben in 1989 het begrip allochtoon bepleit, want etnische minderheid was discriminerend. Maar het begrip allochtoon is technisch niet correct: van andere bodem. Maar tweede generatie allochtonen noemen we ook allochtonen. Als één ouder in een ander land is geboren ben je al allochtoon. Maar het is ook een scheldwoord geworden. Mensen hebben er last van. En vooral de tweede generatie die het goed doet, vindt het vervelend. “We doen het goed en dan worden we toch weggezet als allochtoon”. Je hebt dus behoefte aan een begrip dat niet discrimineert. We zeggen nu: personen met een migratie-achtergrond. Maar de definitie is gelijk gebleven: minimaal één ouder die geboren is in het buitenland.

Daarnaast voldoet het onderscheid tussen westers en niet-westers niet meer. Te willekeurig. Japan en Indonesië zijn westers, Suriname en de Antillen niet-westers. Ik vraag hoe het verbod op het begrip ‘allochtoon’ is gevallen. Engbersen was verbaasd over de enorme belangstelling voor het rapport. Maar het was wel oppervlakkige aandacht. Veel journalisten hadden het rapport niet goed gelezen. De WRR zegt: gebruik een clustering, naar gelang je probleem. Maar veel mensen hebben gezegd: de WRR verandert de vlag, maar de ellende blijft hetzelfde. Dat is het verdoezelen van problemen. Maar dat is incorrect. Bovendien nemen al veel mensen het begrip over. Voor Engbersen blijft de cruciale vraag of we in de statistieken van de overheid de tweede-generatie-migranten niet gewoon moeten rekenen tot personen met een Nederlandse achtergrond. Ze zijn hier immers geboren.

Enorme diversiteit aan migranten

Of je nu allochtoon zegt of migrant, achter beide begrippen gaat een enorme diversiteit schuil. Van de Nederlandse bevolking is nu 22% persoon met een migratieachtergrond. In de grote steden is dat 50%. Den Haag al 51%, Amsterdam 50 en Rotterdam er net onder. De samenstelling was vroeger overzichtelijk. Eerst kwamen de mensen uit de koloniën. Daarna de gastarbeiders. Toen de vluchtelingen. Maar nu komen ze uit alle hoeken en gaten van de wereld. Meer dan 200 nationaliteiten in Nederland. Amsterdam en Rotterdam hebben meer dan 175 nationaliteiten. Ze komen als vluchteling, als expat, als student, als familiemigrant, als arbeidsmigrant. Tegenwoordig kennen we ook al klimaatmigranten. Familiemigrant was lange tijd de grootste groep. Nu zijn dat de arbeidsmigranten. Met name door de uitbreiding van de EU. De Polen zijn de grootste groep arbeidsmigranten momenteel. Overigens vormden de 50.000 vluchtelingen vorig jaar de grootste groep.

Ik probeer de zorgvuldig formulerende Engbersen nog eens uit de tent te lokken en zeg dat al die vluchtelingen toch ook arbeidsmigranten zijn. Engbersen geeft voorzichtig toe: “Deels wel. Het beleid kent hokjes. Je bent student, familiemigrant, arbeidsmigrant of vluchteling. Maar soms zijn de scheidslijnen heel onduidelijk”. Dan weer scherp: “Maar al die Syrische vluchtelingen hebben echt te maken met de oorlog in Syrië. Ook veel anderen vluchten voor oorlogen. Niettemin, mensen die vluchten hebben vaak het geld om dat te doen. En ze zoeken een betere toekomst. Ook achter vluchtelingen gaat een grote diversiteit schuil. Onderzoek in Duitsland toont aan dat eenderde laagopgeleid is, eenderde is middelbaar opgeleid en eenderde hoogopgeleid. Je hebt dus differentiatie naar herkomst (regio), differentiatie naar motieven, en differentiatie naar opleiding.”

Ook de maatschappelijke positie van de migranten is heel verschillend. Volgens Engbersen kijken we te veel naar enkele specifieke groepen: naar Turken, Marokkanen, Antillianen, Surinamers en vluchtelingen. En nu naar Polen. En inderdaad komen Marokkanen en Antillianen en een deel van de Turken moeilijk aan het werk. De werkloosheid onder deze groepen is soms 2, 3, 4 keer hoger dan onder autochtonen. Bij arbeidsmigranten zie je juist een hele lage werkloosheid. Bij vluchtelingen is het treurig gesteld. Van de Syriërs die het afgelopen jaar zijn binnengekomen zit driekwart in de bijstand. Maar vergeet niet dat veel migranten gewoon kenniswerkers zijn uit Amerika, Engeland, Duitsland, China en India. Dat zijn vaak hoger geschoolden.

Ik vraag Engbersen waarom de Nederlandse allochtonen het slechter doen dan de Spaanse? Engbersen wijst er op dat in Nederland het probleem zit bij specifieke groepen, waaronder Marokkanen, Antillianen en vluchtelingen. Hoewel de tweede generatie een veel rooskleuriger beeld laat zien. Spanje heeft weinig vluchtelingen. In Spanje heb je veel migranten die tijdelijk werken in de landbouw. En er is een politiek van circulaire migratie. Dat mensen terug gaan. In Nederland zijn we wel selectiever geworden en daardoor is het verbeterd. Er zijn nog twee probleemgroepen: de tweede generatie gastarbeiders en de vluchtelingen.

In het Westland dreigt een tekort aan migranten

Verdringen migranten banen van boze witte mannen, van autochtone Nederlanders? Engbersen: lees het interessante rapport van de SER, van een paar jaar geleden. Allochtonen hebben geen neerwaartse invloed op de lonen en ze verdringen geen banen. Ik antwoord meteen cynisch: en het transport dan? Die heeft de SER zeker allemaal politiek correct weggeveegd in de statistieken. Engbersen ontkent niet: Dat is juist. De grote statistieken laten zien dat migratie een toegevoegde waarde heeft voor de economie. Twee negatieve effecten: in bepaalde sectoren is er verdringing. Bouw en transport. En als nieuwe migranten concurreren, dan concurreren ze met oudere migrantengroepen. Vergeet niet dat het Westland voor bijna 100% draait op werknemers uit Polen. Een van de belangrijkste exportsectoren. Nu hebben ze daar problemen omdat de Polen niet meer zo graag komen, omdat het beter gaat in Polen zelf. En Duitsland heeft zijn arbeidsmarkt nu volledig opengesteld voor Polen. Waar moet het Westland ze hun arbeiders vandaan halen? We halen ze niet uit het granieten bestand van de bijstand.

Statistisch gecontroleerde vluchteling steelt alleen maar shampoo

Is de criminaliteit hoger onder migranten? Engbersen: ik durf het bijna niet te zeggen, maar de subtitel van onze studie luidt: ‘Naar een meervoudig migratie-idioom’. Want sommige groepen migranten zitten ver onder het Nederlands gemiddeld qua criminaliteit. Dan hebben we het overigens over cijfers van de geregistreerde criminaliteit door de Nederlandse politie. Die cijfers gaan over personen tegen wie als verdachte van het plegen van een misdrijf een proces verbaal is opgemaakt. Ik werp tegen: “Is dat niet weer zo’n politiek correcte reactie op Wilders?”. Engbersen: Ja, bepaalde subgroepen zijn inderdaad sterk vertegenwoordigd in de criminaliteitsstatistieken, in het bijzonder Marokkanen en Antillianen. In 2015 is rond de 5% van beide groepen verdacht van een misdrijf tegenover 1% van de Nederlanders. Onder de vluchtelingen komt ongeveer drie keer zoveel criminaliteit voor dan onder autochtone Nederlanders. Maar als je statistisch controleert, het zijn heel veel jonge, alleenstaande mannen, dan zijn ze juist minder crimineel. Ik werp weer tegen: maar als je Keulen woont maakt dat geen flikker uit, al die regressie-analyses van jullie. Nog steeds zijn ze 2 tot 3 maal crimineel. Engbersen: ja, maar je moet wel kijken naar het soort criminaliteit. Geen moord- en doodslag of drugs- en wapendelicten. Ik mompel: verkrachtingen. Engbersen: nee, het zijn vooral eenvoudige winkeldiefstallen. En geweld jegens elkaar. Je moet het wel in juiste perspectief zien. Je moet groepen eerlijk met elkaar vergelijken. Maar voor een burgemeester bestaat de statistisch gecorrigeerde vluchteling niet. Jouw vraag is in dat opzicht helemaal terecht. Een burgemeester kan te maken krijgen met onge Syriërs. Je moet er voor zorgen dat je ze niet allemaal bij elkaar huisvest. Hij moet ze spreiden. Geen 200 voetbalhooligans bij elkaar zetten. Ook geen 200 jonge Syriërs.

Engbersen: Wat interessant is: als je controleert naar leeftijd, geslacht en werk bij Marokannen en Antillianen, dan blijven ze bovengemiddeld vaak verdacht van een misdrijf. Daar speelt een culturele factor een rol. In het beleid moeten we dan rekenschap geven van culturele verschillen. Bij Antillianen vaak afwezige vaders, weinig sociale controle. Ze komen uit de volksbuurten. Bij Marokkanen hebben ouders uit de eerste generatie slecht toezicht op hun kinderen. Bij Turken gaat dat veel beter. Bij vluchtelingen is er geen culturele verklaring, volgens onze analyse. Het interessante van Marokkanen: na hun 20ste neemt het heel snel af. Dan settelen ze zich. Bij Antillianen blijft het, die hoge criminaliteit. Zij vormen een uitzondering.

Verliesgevoelens

Van der Laan wilde ooit geen maatschappelijke-kosten-baten-analyse doen naar migratie op verzoek van Wilders. Sadik Harchaoui van Forum gaf toen een opdracht aan Peter Nijkamp van de VU om het wel te doen. Van dat onderzoek hebben we nooit meer iets gehoord, naar verluid omdat de uitkomsten Harchaoui tegenvielen. Engbersen: Peter Nijkamp is de hoogleraar die het sterkst naar voren brengt dat diversiteit goed is voor de economie. Steden die divers zijn, met diverse migratie-achtergronden hebben meer ondernemerschap, meer economische groei volgens hem. Maar Nijkamp heeft zich vooral gebaseerd op een analyse van bestaand internationaal onderzoek. Maar de WRR gaat die vraag nu specifiek voor Nederland proberen te beantwoorden. We hebben twee grote vragen. Eén: valt de samenleving niet uit elkaar met steeds grotere diversiteit? We hebben – vooral in de Randstad – geen homogene wijken meer. Twee: wat levert het economisch op? Moeilijk onderzoek. Bijvoorbeeld bij die eerste vraag: hoe meet je sociale samenhang? We kiezen voor drie indicatoren. Ten eerste: gaat het sociale kapitaal niet kapot door de diversiteit: hoe verhouden mensen zich tot elkaar? Helpen ze elkaar? We zien dat als er meer diversiteit is, dat dan het samenleven problematischer wordt. Gevoelens van onbehagen ontstaan in directe leefomgeving. Ten tweede: leidt diversiteit tot verliesgevoelens bij gevestigde bevolking? Verliesgevoelens zijn een heel reëel vraagstuk. Ook bij middelopgeleiden en hoogopgeleiden. Ze hebben het gevoel de grip op hun bestaan kwijt te raken. Ten derde: de criminaliteit. Voelen mensen zich minder veilig? Wordt er meer gestolen in de wijk?

Ik maak een grote stap. Als de WRR verliesgevoelens een indicator noemt voor afnemende sociale cohesie zou een overwinning van Wilders bij de verkiezingen een indicatie zijn voor het uiteenvallen van de samenleving? Zover wil Engbersen niet gaan. Hij verwijst naar Van de politicoloog Gunsteren. Die zei ooit dat strijd – waaronder politieke strijd – niet altijd een indicatie voor afnemende sociale cohesie hoeft te zijn. Hangt ervan af hoe we met het conflict omgaan. Maar natuurlijk Wilders mobiliseert de verliesgevoelens en waarom zou dat niet mogen? Tegelijkertijd nemen veel partijen een deel van de agenda van Wilders over. Niet alleen nieuwe partijen, maar ook CDA, PvdA en VVD. Á la van Gunsteren: we zien wel strijd, maar we zijn nog steeds in staat om elkaar te debatteren.. Dat duidt op sociale cohesie.

Binding van Turkse jongeren met Erdogan is curieus

Hoe staat het met de binding van de allochtonen met moederland? Zijn Turken meer verbonden met Turkije dan met Nederland? Zie de beelden in Rotterdam na de staatsgreep tegen Erdogan. Engbersen: veel Turken zijn geïntegreerd in Nederland en voelen daarnaast loyaliteit voor het land van herkomst. Al moeten we toegeven dat dat ‘geïntegreerd zijn’, ook kan betekenen dat ze vooral onder elkaar wonen en leven. Toch bestaat er in het algemeen geen relatie tussen mate van integratie en mate van binding met het land van herkomst. En onder integratie verstaat Engbersen: met een normale baan meedoen in de samenleving. Sommige migranten zijn helemaal geïntegreerd en blijven geld sturen naar het land van herkomst en Somaliërs die in de bijstand zitten sturen ook nog steeds geld. Dat is het algemene beeld. Maar wat er met sommige Turkse jongeren gebeurt, daar wordt Engbersen niet blij van. Ze zijn hier opgegroeid. En dan die sterke identificatie met Erdogan. Engbersen begrijpt wel een zekere loyaliteit. Dat de staatsgreep daar hier emoties opwekt. Maar wat je zag, was ook een illustratie van problematische integratie van jongeren hier. “Het is curieus dat ze meer binding lijken te hebben met Erdogan dan met de Nederlandse samenleving”.

Hoeveel migranten zijn moslim? Engbersen: ik zou het niet kunnen zeggen. We hebben geen volkstelling meer. We weten wel dat een deel van de migranten uit moslimlanden komen. Maar het kunnen ook Christenen zijn uit Syrië. Dat weten we allemaal niet.

Wat weten we van radicalisering? Engbersen: wat is radicalisering? Ja. Jihadstrijder worden. Dat zeker. Maar als je meer fundamentalistisch wordt ten aanzien van religie, dat je op andere politieke partijen stemt? Maar er zijn in NL geen signalen van grote vormen van radicalisering. Indicaties van plukjes. Iets meer dan 200 naar Syrië afgereisd. Het kan een topje van de ijsberg zijn, maar dat weten we niet.

Wat zijn de oorzaken van die radicalisering? Speelt het Mattheus effect hier een rol? Engbersen: een cocktail. Er is een sociaal-economische voedingsbodem: groepen voelen zich gemarginaliseerd. Ze kunnen niet meekomen. Ze voelen zich gediscrimineerd. Maar ook middengroepen en hogere inkomens kunnen radicaliseren. Er is ook een sociaal-culturele voedingsbodem. Het gevoel: ik word niet erkend. Onvrede met de samenleving. Het idee dat geloof hun bescherming biedt. Er is geen sprake van een Mattheus effect. Het zijn namelijk ook hoogopgeleiden die radicaliseren. Het is een emotioneel en een sociaal-economisch vraagstuk dat niet alleen verbonden is met de eigen positie en die van de eigen migrantengroep, maar ook met geo-politieke machtsverhoudingen in de wijdere wereld.

Hoeveel migranten kan de samenleving aan

Ik durf die grote vraag toch maar te stellen: hoeveel migranten kan de Nederlandse samenleving eigenlijk aan? Waar ligt voor jou de grens? Of is er geen grens? Engbersen: ten eerste hangt erg van de toerusting van de mensen die hiernaar toe komen. Dat 50% van de inwoners van de grote steden een migratieachtergrond heeft, is niet het probleem. Het wordt pas een probleem als migrantengroepen zich niet kunnen redden en geen bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Denk aan de de grote bijstandsafhankelijkheid van Marokkanen en Antillianen en aan Somaliërs en Syriërs in de bijstand. Maar het merendeel van de migrantengroepen levert geen integratieproblemen op. In 2015 bestond de top tien van de migrantengroepen naast Syriërs, uit personen uit Polen, Duitsland, de voormalige Sovjet Unie, India, China, Engeland, de VS, Italië en Bulgarije. Ten tweede hangt het af van de economische absorptiecapaciteit: hoeveel banen hebben we te bieden?. Engbersen wijst er nog eens op dat we een intelligent selectief migratiebeleid nodig hebben. En dat is er in Nederland. Arbeidsmigranten van buiten de EU kunnen hier alleen komen als ze bepaalde skills hebben en als er een baan voor ze is. Internationale studenten mogen hier naar toe als ze worden toegelaten op de universiteit. Familiemigranten moeten een inburgeringstoets doen in het buitenland. Je mag en kan alleen niet selecteren op vluchtelingen. Daarom is het belangrijk om hen zo snel mogelijk te integreren. . Er ontstaat een grens als er in Nederland onvoldoende werk is voor migranten en als te veel migranten de juiste toerusting ontberen om in de Nederlandse samenleving te participeren.

Migranten worden steeds vaker passanten

Vaak wordt bij dit onderwerp de dynamiek vergeten. Ten eerste: hoe groot is de retourmigratie. Engbersen: binnen EU bestaat grote mobiliteit. Ik vermoed dat minimaal de helft van de Polen zal teruggaan. Zoals we in het verleden hebben gezien met Spanjaarden, Italianen en Grieken. Van de vluchtelingen gaat een derde weer door naar een ander Europees land of ze gaan weer terug. Expats gaan na 3 tot 5 jaar weer weg. Veel studenten gaan weer weg. Dat is heel ingewikkeld voor steden en voor integratiebeleid. Inburgering is niet voor iedereen de oplossing. Steden hebben in toenemende mate te maken met passanten. Tijdelijke huisvesting, tijdelijk onderwijs. Short stay voorzieningen. Zij-instroom in onderwijs.

Elke wereldstad heeft zijn arrival neigbourhoods

Ook binnen de steden bestaat veel dynamiek. Steden zijn vaak arrival cities. Men komt aan, krijgt een baan, een opleiding en zo fungeert de stad als roltrap. Bij hoeveel migranten lukt dat inderdaad? Engbersen: Al die hoeveel-vragen! Tjonge, tjonge, dat weten we niet precies. We weten wel dat het werkt. Maar ik kan geen cijfers noemen. In Rotterdam-Zuid werkt de roltrap overigens niet voor voor iedereen. Denk aan de problematische positie van de eerste generatie Surinamers en Turken. Maar wel voor de MOE-landers! Polen komen daar aan, en gaan of in Polen investeren in nieuw huis of ze gaan elders in Rotterdam een huis kopen. Liefst in een betere buurt. In hun ogen is verbetering: de buurt uitgaan! Maar het gaat moeizaam met de traditionele groepen. Hoewel, de grote hbo-instellingen in de buurt van Zuid zijn volstrekt multicultureel.Sociale stijging zie je bij Polen al in de eerste generatie, bij andere groepen in de tweede en de derde generatie. Onderwijsniveau van migranten op Zuid ligt hoger dan bij de autochtone bevolking.

Ja de stad is emancipatiemachine én de stad is toevluchtsoord van marginale groepen. Die arrival neighbourhoods hebben de functie van springplank én zijn de verzamelplek van kwetsbare groepen. Dat maakt zo’n wijk zo ingewikkeld. Elke serieuze wereldstad heeft dit soort arrival neigbourhoods nodig. Terwijl de overheid altijd bezig is om die instroom te verbeteren. De Nationale overheid heeft een selectief migratiebeleid, Rotterdam heeft zijn Rotterdamwet. In Amerika ligt het extremer. Met veel illegalen. Die hebben we hier ook, maar die krijgen hier veel minder ruimte dan in Amerika. In Amerika heb je illegalen als heel geslaagde ondernemers. Dat is hier onmogelijk.

Maar wat Marco Pastors wil, Zuid op het gemiddelde niveau van de stad als geheel brengen, dat lijkt mij een brug te ver. Wat hij heel goed doet, is dat hij heel zwaar inzet op onderwijs en op de verbinding onderwijs-arbeidsmarkt. Dat is de kern van het beleid. Niet van die kleine welzijnsprojectjes in de buurt. Maar de woningvoorraad mag ook niet te eenzijdig zijn. Voor de kwaliteit van leven. Is ook voor scholen goed. Dat er ook kinderen in de klas zitten van wie de ouders wel werken. Dat is het grote voordeel van de Polen die op Zuid erbij zijn gekomen. Onderwijs, arbeid en huisvesting is de heilige drie-eenheid. En ik weet dat het veranderen van de woningvoorraad heel ingewikkeld is.

Ik ben verbaasd dat Engbersen in het ‘buurteffect’ gelooft. Dat de samenstelling van de buurt je eigen kans op werk en op vooruitgang bepaalt. Engbersen is voorzichtig. Hij gelooft er “een beetje” in. “Ja, die geografen zeggen altijd dat buurteffecten niet bestaan”. Het gaat om een compositie-effect: de samenstelling van de bevolking is belangrijk. Zie het laatste boek van Putnam. Klassen met kinderen uit gezinnen met een verschillende sociaal-economische status zijn goed voor kinderen van lage inkomensgroepen.

Er is eerder minder dan meer discriminatie

We praten over het veranderen van het discours. In de jaren 90 stond het debat nog in het teken van multiculturaliteit. Tegenwoordig moet iedereen een bijdrage leveren aan de samenleving en heeft iedereen zich te houden aan de principes van onze democratische rechtstaat. En we eisen tolerantie. Dat duidt niet meer op gelijkwaardigheid van culturen. Deze principes belichamen nu eenmaal vooral onze cultuur. Misschien is de vraag te groot: is huidige racisme een gevolg van te vriendelijke houding in de jaren 90? Engbersen: ik weet het niet, eerlijk gezegd. Oude sociologische wet: migranten moeten altijd een plek veroveren. Gevestigden hebben altijd moeite met nieuwkomers. Discriminatie hoort daarbij. Harde varianten en impliciete varianten. Ik denk niet dat discriminatie is toegenomen, misschien wel afgenomen. Alleen degenen die onderwerp zijn van discriminatie zijn er gevoeliger voor geworden. Eerste generatie durfde er vaak nog niet tegen in te gaan. De tweede generatie, hoogopgeleid, die protesteert. Er is een veel grotere gevoeligheid voor discriminatie.

Opnamecapaciteit van Nederland kent grenzen

Tot slot, De WRR bracht vorig jaar een policy brief uit. Met als boodschap: laat asielzoekers eerder participeren, anders komen ze er nooit meer tussen. Ik vraag Engbersen of dat niet een beetje te politiek correct was? Het advies kwam uit toen vele vluchtelingen het land binnenstroomden. De WRR had ook kunnen zeggen: waarom worden statushouders voorgetrokken bij sociale huurwoningen en waarom mogen asielzoekers met een uitkering een baan weigeren? Het maatschappelijke gevoel was: toch die mensen pikken onze dingen in, kan het niet wat minder? Je had zelfs kunnen zeggen dat er minder vluchtelingen moeten worden toegelaten. Maar de WRR bepleitte slechts een snellere integratie. Er ontstaat een mooi debat. Engbersen fel: we waren helemaal niet braaf. De kracht van het rapport was dat we terugkeken naar de jaren 90. Toen kwamen er ook zoveel vluchtelingen. De integratie is toen bedroevend geweest. Veel werkloosheid onder vluchtelingen. Ik interrumpeer: dat is toch een extra argument om te zeggen: ga de grens sluiten? Engbersen: ja, nee, ja. Alle aandacht ging toen uit, net als nu, naar de eerste opvang van asielmigranten. Er was te weinig nagedacht over integratie. Dat dreigde ook nu te gebeuren. Wat wij dus zeiden was dus niet politiek correct! We hielden de spiegel voor van het verleden. En dat die centrale opvang opnieuw veel te lang dreigde te duren. Meer dan een jaar wachten, dan uitgeplaatst naar een gemeente. Dan gingen ze daar nadenken over inburgering en daarna over een opleiding. En daarna over baan. Dat kon 4, 5 jaar duren.

Ik probeer het nog een keer: hebben jullie overwogen om te zeggen: uit het verleden blijkt dat we deze aantallen niet aan kunnen? Engbersen: dat hebben we nooit overwogen omdat dat niet het onderwerp was van de policy brief. Maar ik wil er wel iets over zeggen. Het ging in 2015 om ruim 50.000 asielmigranten op 17 miljoen mensen in Nederland. In Zweden nemen ze er veel meer op. Met veel minder inwoners. Maar ons centrale punt was: je kan het veel intelligenter doen, die opvang en de integratie. Probeer meteen werk te maken van integreren. Meteen verspreiden over plekken waar ze kunnen werken. Voordat je migratiebeslissing neemt, meteen kijken naar geschiktheid voor de arbeidsmarkt. Nee, al die andere vragen hebben we niet opgeworpen en beantwoord. Het ging er toen om dat mensen er al waren. En we wisten dat het merendeel een asielstatus zou krijgen. De vraag was: hoe ga je deze groepen integreren?

Ik blijf het proberen: waarom heb je niet aan de verliesgevoelens van de gevestigden gedacht? Engbersen: we zeggen ook dat anderen groepen dezelfde rechten moeten hebben. We zeggen dat er van alles moet worden gedaan aan nieuwe vormen van huisvesting om ervoor te zorgen dat asielmigranten geen exclusief beroep doen op de publieke huisvesting. En we zeggen ook dat veel maatregelen die worden bedacht voor asielmigranten (bijvoorbeeld rond arbeidsmarktoeleiding) ook beschikbaar zouden moeten zijn voor de gevestigde bevolking. Het belangrijkste: de vluchteling moet zo snel mogelijk zijn eigen broek kunnen ophouden.

Kijk er waren twee stromingen. Sommigen waren heel bang dat al die vluchtelingen vooral naar de bijstand zouden gaan. Anderen vonden het vooral zielig voor die mensen. Wij hebben in feite die impasse proberen te doorbreken. Niet zielig doen, gewoon aanpakken. Professionals voor het onderwijs. Meer geld voor gemeenten.. Er alles er aan doen dat vluchtelingen meteen aan het werk gaan. Het is gewoon heel hard werken.

En dan komt plotseling een antwoord op een eerdere vraag: “Als jij vraagt: zou de Nederlandse samenleving in staat zijn om tien jaar achter elkaar dit soort aantallen op te nemen, dan denk ik van niet.”
En we worden het een beetje eens: “Je hebt gelijk, dat in zo’n policy brief een aantal fundamentele vragen niet aan bod kunnen komen. Maar daar is zo’n brief ook niet voor bedoeld. In de Kamer liepen velen met een grote boog om de integratie heen. Het merendeel van de Kamervragen en Kamerdebatten gingen over de eerste opvang. Dat is begrijpelijk, gelet op de aantallen en de onrust in de samenleving. Wij hebben gezegd: denk ook aan de volgende stap. En dat is de integratie. Sluit daarvoor je ogen nou niet. Want het draagvlak van het vluchtelingenbeleid staat of valt met de mate waarin asielmigranten straks een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving. Een vluchteling heeft vooral in dat eerste jaar een zetje nodig. Het is goed dat wij deze onafhankelijke positie hebben ingenomen en dit punt zijn blijven maken.

 

26 november 2016

Gemeenten: ga niet samenwerken

november 25, 2016 by  

Dames en heren,

We praten vandaag over samenwerking van gemeenten en over de herindeling van gemeenten. En we plaatsen ons daarmee in een hele lange traditie. Want Nederland praat al heel lang over deze onderwerpen.
Ik voldoe graag aan het verzoek om het debat van vandaag in te leiden. Ook omdat ik zelf een lange historie heb in deze discussie over het binnenlands bestuur. Tegelijkertijd is het een mooi moment om nog eens opnieuw scherp te krijgen waar ik zelf sta. Soms denk je daar een tijdje heftig over na, en dan kwakkel je weer een aantal jaren door op je oude standpunt. Maar de tijden veranderen, het bestuur verandert en het is goed om je standpunt te blijven herijken.

Ik herijk mijn standpunt overigens niet zonder om te kijken, naar het verleden. Naar gebeurtenissen, naar eigen onderzoek, naar directe betrokkenheid bij discussies.

Mijn eerste lessen deed ik op tijdens een groot onderzoek naar de bestuurskracht van kleine gemeenten in de jaren 80. Ik deed dit onderzoek in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. En om die reden mocht het ook geen bestuurskrachtonderzoek heten, omdat daarmee een te directe relatie zou worden gelegd met het herindelingsbeleid. Het aardige was dat het wel een bestuurskrachtonderzoek was en dat het ook een directe relatie had met het herindelingsbeleid. Het herindelingsbeleid was bovendien de aanleiding geweest om de opdracht voor het onderzoek te verstrekken. Zo gaat dat vaker bij opdrachtonderzoek.

In die tijd waren er twee kampen. Het ene kamp zei: je moet pas gaan herindelen als uit een knelpuntenanalyse is gebleken dat de gemeente het niet meer aankan. Het andere kamp zei: het concreet benoemen van knelpunten is in feite een onmogelijke opgave en is dus eigenlijk een poging om het fuseren van gemeenten te stoppen. Want wanneer is een gemeente daadwerkelijk door de ondergrens gezakt? Dit andere kamp koos om die reden voor het mooie maar willekeurige getal van 10.000 inwoners als ondergrens.

Uit mijn bestuurskrachtonderzoek bleek niet dat gemeenten van 15.000 beter functioneerden dan gemeenten van 5.000 inwoners. Gemeenten van 30.000 bleken vooral anders, formeler, te functioneren. Deze wellicht verrassende en voor de Staatssecretaris vervelende conclusie, kwam voort uit de definitie van bestuurskracht, namelijk: het vermogen om de eigen problemen aan te kunnen pakken. En we weten dat kleine gemeenten absoluut en relatief veel minder problemen hebben dan middelgrote of grote gemeenten. Wist u dat kleinere gemeenten niet alleen absoluut gezien, maar ook relatief gezien minder branden hebben dan grotere gemeenten? Tegen die achtergrond was het niet onlogisch dat die hele kleintjes in mijn onderzoek nog niet zo slecht scoorden. Ik heb daar een belangrijke les uit getrokken. Mijn eerste les voor vandaag: beoordeel gemeenten altijd in het licht van de opgaven waarvoor ze gesteld zijn. Als je geen cricketvelden binnen de gemeente hebt, heb je geen cricket-deskundigheid nodig op je gemeentehuis.

De staatssecretaris stopte het rapport met gezwinde spoed in een diepe la en liet tegen veel geld nog een contraexpertise uitvoeren, door mijn collega Henk Bleker, die ook als wetenschapper meer met politiek en geld had dan met validiteit. En zo bleven we denken in termen van ondergrenzen: voorlopig moest een gemeente minimaal 10.000 inwoners hebben.

We kunnen ook een andere les uit die tijd te trekken. Er werd toen namelijk nog fundamenteel anders tegen gemeentelijke herindeling aangekeken. Herindeling, het opheffen van de eigen gemeente, leidde niet zelden tot veel protest. Ooit lieten boze burgers hun geiten uit op het Binnenhof. En natuurlijk, er wordt nog steeds tegen herindeling geprotesteerd, maar nog maar zelden zo massaal en nog maar zelden door de bevolking. Dat is niet zo heel vreemd als we beseffen dat de gemeenten die de laatste jaren werden opgeheven, vaak al weer fusiegemeenten uit het verleden waren. Burgers voelen zich minder betrokken bij die herindelingsgemeenten met hun onnavolgbare namen. Het kan ze dan ook veel minder schelen als die herindelingsgemeente na twintig jaar al weer op gaat in een groter geheel. Dat is de tweede les: het maatschappelijk protest tegen herindeling is ernstig verflauwd.

We gaan verder in de tijd. In de jaren 90 raakte ik nauw betrokken bij de regionale samenwerking in de Haagse regio. Samen met Ernst ten Heuvelhof deed ik onderzoek en we waren vooral bezig om een advies af te ronden dat voor alle partijen acceptabel was. We stelden voor om van de nieuwe stadsregio bovenal een platform te maken waar de verschillende partijen met elkaar zouden kunnen onderhandelen. We hadden zelfs speltheoretische instrumenten bedacht waardoor de onderhandelingen vaker tot ieders tevredenheid zouden worden afgerond. Bijvoorbeeld: alle gemeenten zou het recht krijgen om oplossingen van anderen te dwarsbomen, op voorwaarde dat ze daarvan zelf de kosten zouden dragen. Voorburg mocht de Verlengde Landscheidingsweg, later NORA, tegenhouden, op voorwaarde dat elk jaar de kosten voor Den Haag (bijvoorbeeld in termen van bereikbaarheid) zouden worden gecompenseerd. Dit prachtige theoretische idee ging geheel ten onder toen iedereen plotseling een stadsprovincie wilde hebben. Zoals we weten is ook daarvan niets terecht gekomen, omdat de bevolking er helemaal niets in zag. Amsterdam en Rotterdam opknippen, om vervolgens de leiding vervolgens in handen te geven van Schiedam en Amstelveen. Of werden toch de Coolsingel en de Stopera de almachtige baas?

Die laatste vraag was al heel kenmerkend. Op het laatst hadden zoveel mensen en zoveel belangen aan de voorstellen getrokken, dat niemand nog een idee had wat er te gebeuren stond. Ik herinner me dat ik in die tijd in een denktank zat van de PvdA onder leiding van Jos van Kemenade. Jos sprak op een beslissende avond de verlossende woorden: “Wij waren toch alleen voor een stadsprovincie als het een agglomeratie-gemeente werd?” Dat was echt het bargoens van die tijd. Maar hij bedoelde gewoon te zeggen dat de grote steden de randgemeenten moesten annexeren. En hij bedoelde ook dat wij, de PvdA, in de grote steden de baas waren. En zo dacht iedereen aan zijn eigen belang en omdat niemand een duidelijke meerderheid wist te verwerven was het een modderig spel van modderige coalities met een modderige uitkomst. Laten we ook daar een belangrijke les uit trekken. Omdat iedereen bij de reorganisatie van het binnenlands bestuur vooral aan zichzelf denkt, is de kans erg groot dat grootscheepse plannen uiteindelijk zullen vastlopen. Dus kleine aanpassingen zijn vele malen kansrijker dan een grootscheepse oplossing. Dat is mijn derde les.

Maar de belangrijkste les leerde ik toen die hele stadsprovincie Haaglanden van de baan was. De bestuurders zaten aanvankelijk verdoofd bijeen. Maar plotseling brak het besef bij hen door dat er nu echt moest worden onderhandeld. Onder andere over die NORA. En onderhandelen betekent dat je dealt en wheelt. Dat je de ene keer iets doet met de een en de andere keer iets met de ander. En dat je uiteindelijk hoopt er positief uit te komen. En dat gebeurde niet alleen rondom Den Haag. Ook bij Rotterdam en ook bij Amsterdam werden plotseling knopen doorgehakt. Niet door het regionale bestuur, niet door het DB of het AB, maar gewoon door gemeenten die onderling een deal sloten. En ze ontdekten dat je daarvoor niet alle gemeenten nodig hebt, maar alleen de gemeenten die een belang hebben. Dat was de vierde les: met onderhandelen tussen autonome gemeenten kom je vaak verder dan met een DB en een AB die dure Amerikanen onhaalbare plannen laten schrijven. Ik hoop wel dat u soms tegen een grapje kan.

Na die tijd maakte ik persoonlijk een uitstap naar de ruimtelijke ordening en naar het Ruimtelijk Planbureau. Mijn focus werd verengd. Ik sprak niet meer over het binnenlands bestuur. Zoals eigenlijk niemand er in die tijd nog over sprak, behalve Ad Geelhoed die een eigen commissie liet zeggen dat het echt tijd werd om er iets aan te gaan doen. Maar dat gebeurde niet. Pas tien jaar kwam dat rare plan van Ronald Plasterk om Noord-Holland, Utrecht en Flevoland om te vormen tot een superprovincie. Flutland. Ook dat plan heeft het weer niet gehaald. Niet alleen omdat het een slecht plan was, maar ook omdat er weer geen overtuigende meerderheid was te vinden voor verandering, in één bepaalde richting.

Toch was er wel veel veranderd sinds ik dat onderzoek deed naar de bestuurskracht van gemeenten in de jaren 80. Het takenpakket van het lokaal bestuur was sinds die tijd enorm uitgebreid. De wetgeving was veel complexer geworden, de samenleving was minder overzichtelijk. En we kregen de drie D’s. Daarmee zijn de opgaven voor gemeenten tegenwoordig veel groter dan 30 jaar geleden. Ook zonder onderzoek mag je tegenwoordig gerust stellen dat een gemeenten van 5.000 inwoners met een navenant bestuur en apparaat, ondoenlijk is. Het is dan ook niet vreemd gaat veel gemeentebestuurders herindeling onvermijdelijk zijn gaan vinden. Althans dat gevoel krijg ik sterk, als ik met ze praat. Ze vinden het nog niet eenvoudig om het publiekelijk te zeggen. Maar binnenskamers weten ze dat hun gemeente echt te klein is om te blijven voortbestaan. Het tij van de herindeling is dus echt veranderd. De bevolking maakt zich er minder druk om en de bestuurders weten steeds vaker dat herindeling niet het probleem maar de oplossing is. Dat is de vijfde les.

Ik leerde ook veel van de gemeente Súdwest Fryslân. Een gemeente van Staveren tot vlak onder Harlingen. Een gemeente met zes van de elf Friesche Steden. Qua oppervlakte de grootste gemeente van het land. Drie jaar geleden was ik daar voorzitter van de visitatiecommissie. Ik zag een hele nieuwe vorm van lokaal bestuur. Friesland had al een traditie van grote plattelandsgemeenten bestaande uit vele kernen. Die ontwikkeling heeft zich de laatste jaren versneld doorgezet. Let wel, herindeling is in Friesland geen annexatie van de dorpen door de stad, maar een echte fusie van meerkernige gemeenten. Súdwest Fryslân is op geen enkele wijze Groot-Sneek, al is Sneek dan ook de grootste kern. Het bestuur hebben ze gehuisvest in het oude gemeentehuis van Wymbritseradiel in IJlst. En ze hebben ongelofelijk veel werk gemaakt van de democratie in de dorpen. En nu doet Súdwest Fryslân vooral de uitvoering van de rijkswetgeving en geven de dorpen de lokale democratie vorm. In de dorpen wordt echt over het eigen dorp gesproken, en in de gemeente over de drie d’s. Voorzichtig ontstaat hier een lokaal bestuur naar Franse snit. Het lokaal bestuur is er in Frankrijk vooral voor de dorpen, terwijl het rijksbeleid op een andere schaal wordt uitgevoerd. Mijn les, mijn zesde les, is dat de lokale democratie door gemeentelijke herindeling kan worden versterkt. Als we het willen.

En dan de MRA en de MRDH. Op gepaste afstand maakte ik de afgelopen jaren de totstandkoming van MRA en de MRDH mee. Ik hoorde Annet Bertram zich grote zorgen maken over de deelname van Albrandswaard. Waarop ik mij afvroeg wat Albrandswaard te maken heeft me de ontwikkeling van de wereldhaven van Rotterdam. Ik hoorde een wijze loco-secretaris uit hetzelfde gebied zeggen dat de MRDH voor hem slechts een plaats voor onderhandeling was met andere steden. En dat hij ook wel begreep dat Rotterdam en Den Haag slechts uit waren op de gelden van de Vervoersautoriteit.

In Amsterdam werd ik gevraagd om mee te denken over de structuur van de MRA. Hier had men meer oog voor een regio als platform van onderhandeling, maar ging het toch ook weer over de samenstelling van het DB en van het AB. En als ik één les heb geleerd over regionale samenwerking dan is het wel dat het einde der tijden nabij is als gesproken wordt over de samenstelling van het DB en van het AB. Ik herinner met dat Den Haag geen meerderheid mocht hebben in de stadsregio Haaglanden, terwijl toch duidelijk de meerderheid van de burgers in Den Haag woonden. Moesten de eigen wethouders dan niet opkomen voor hun eigen mensen? Nee, alle wethouders moesten opkomen voor het regionale belang, hoewel ze lokaal democratisch zijn verankerd. Daarmee vraag je dus te veel. Of vraag je zelfs iets wat je principieel niet moet willen vragen. Mijn zevende les luidt dan ook: houd de democratische verankering vast.

Kunnen we nu aan deze lessen inrichtingsprincipes voor het binnenlands bestuur overhouden? In 1995 heb ik mezelf als lid van de WRR die vraag ook gesteld. De Raad besloot over het onderwerp een advies uit te brengen. Ik herinner me mijn gesprekken met mijn collega-Raadsleden. Ze kwamen niet uit de wereld van het binnenlands bestuur. En dat was heel verfrissend. Terwijl we in het binnenlands bestuur eindeloos discussieerden over allerlei modellen, en dat gebeurt nog steeds, gaven zij juist het belang van stabiliteit aan. Van transparantie, van herkenbaarheid. Als burger wilden ze weten waar ze aan toe waren. Ze ontkenden niet dat de maatschappelijk context steeds verandert. Maar waarom zou een helder en eenduidig binnenlands bestuur niet in staat zijn om steeds zelf in te spelen op veranderingen? Waarom zouden we daarvoor de structuur steeds moeten aanpassen? Als de eenheden van het binnenlands bestuur maar krachtig genoeg zijn om op veranderingen in te spelen. Als Den Haag en Rotterdam samen iets willen doen met vervoer, ik noem maar wat, dan hoeft Binnenlandse Zaken toch geen stadsgewesten, stadsprovincies, mini-provincies of iets anderszins te bedenken? Dat was mijn achtste les: de waarde van dynamiek binnen de kaders van een stabiele structuur.

Nu de hamvraag: wat leren al deze lessen ons? Wat leren ze mij? Als we nu even niet gaan praten over een nieuwe structuur voor het binnenlands bestuur, dan moeten we binnen het vaste kader een oplossing bedenken voor twee schaalproblemen. Bedrijfseconomisch gezien kan er iets schorten aan de schaal. Gemeenten kunnen te klein zijn om hun eigen problemen binnen redelijke marges van efficiency op te lossen. Of er schort iets aan de ruimtelijke schaal: de schaal van de maatschappelijke problemen sluit onvoldoende aan op de grenzen van de gemeente. In het eerste geval denken we vaak aan gemeentelijke herindeling, in het tweede geval aan regionaal bestuur. In beide gevallen zou mijn antwoord zijn: ga niet samenwerken, maar kom op voor je eigen burgers. Ik wil deze boude stelling graag uitwerken. Ga niet samenwerken, maar kom op voor je eigen burgers.

Soms moet je simpel vaststellen dat je niet meer de bestuurskracht hebt om je eigen problemen op te lossen. Dat is pijnlijk, maar het is wel zo eerlijk tegenover de burger om dat wel te melden. Er is een lange tijd geweest dat herindeling in deze situatie het enige antwoord was. Maar in het laatste decennium zien we ook veel gemeenten die voor een gezamenlijk apparaat kiezen. Eerlijk gezegd, weet ik niet hoe houdbaar dat is. Heb het gevoel dat het in de praktijk vaak uitstel is van herindeling. Ik ben er ook niet erg voor. Ten eerste lijkt het me verwarrend voor de burger. Ten tweede: wie is eigenlijk de baas van dat nieuwe ambtelijke apparaat? Stel dat het gaat om een grote gemeente en een kleine randgemeente. Het lijkt me duidelijk: de grote gemeente zal de baas zijn over het ambtelijk apparaat. En ik vraag u: wat schiet de kleine gemeente daarmee op? Herindeling afgewend, en feitelijk alle bevoegdheden ontnomen. Stel dat de gemeenten wel gelijkwaardig zijn. Ik vrees dat in dat geval de ambtenaren er met hun nieuw verworven vrijheid vandoor gaan. Terwijl de casus Súdwest Fryslân juist zo mooi liet zien dat het ook beter kan. Maak een nieuwe gemeente, zorg voor een goed apparaat, met name voor de uitvoering van rijksbeleid, laat de gemeenteraad daarop toezien en vier op het niveau van de kernen het feest van de dorpsdemocratie. Ik denk dat de zuinige burger dat veel beter kan begrijpen dan wanneer twee dure gemeentehuizen en twee dure besturen in stand worden gehouden. Dus: als het om problemen met de bedrijfseconomische schaal gaat: ga niet samenwerken.

Nu de problemen met de ruimtelijke schaal. Die grensoverschrijdende samenwerking vanwege het grensoverschrijdende karakter van de problemen is een ingewikkelder probleem. Maar ook hier luidt mijn advies: ga niet samenwerken.

In feite kampen al die vormen van regionaal bestuur met drie problemen.

Ten eerste: de maatschappelijke problemen houden zich ook niet aan de grenzen van het regionaal bestuur. Veel erger: bijna elk probleem vraagt zijn eigen schaal. Wat te doen met de interessante samenwerking tussen de kennissteden Delft-Den Haag-Leiden, nu Leiden buiten de MRDH is gebleven. Het is één van de vele voorbeelden.

Ten tweede hebben die regionale samenwerkingsverbanden, wat in het jargon heet, geen doorzettingsmacht. Ze kunnen wel besluiten nemen, maar ze hebben te weinig macht om die besluiten aan alle gemeenten op te leggen. Een voorbeeld: een besluit van de Metropoolregio Amsterdam dat tegen de wensen van Amsterdam zelf ingaat, zal nooit door Amsterdam worden uitgevoerd. Beter gezegd: het zal ook nooit worden genomen.

Ten derde hebben die samenwerkingsverbanden van gemeenten geen democratische legitimatie. Het zijn clubjes van wethouders en burgemeesters, die in werkelijkheid alleen gelegitimeerd zijn om lokaal beleid te maken. Eigenlijk zitten ze daar op eigen gezag wat te prutsen aan regionale plannen. Het model was toch echt helder: wij kiezen raadsleden om voor onze gemeente op te komen; raadsleden leggen de dagelijkse uitvoering daarvan in handen van wethouders.

Een regionaal bestuur ondermijnt dus niet alleen de lokale democratie. Het zal ook steeds op democratische gronden worden aangevochten als de uitkomst niet iedereen zint. Ook daarom is het probleem van een gebrek aan doorzettingsmacht onoplosbaar: als we er al in zouden slagen om het regionaal bestuur meer slagkracht te geven, des te groter zal het democratisch tekort zich doen voelen. Binnen het huidige binnenlandse bestuur heeft het dus geen zin om zo’n regionaal bestuur verder op te tuigen. Dat zal uiteindelijk alleen maar ondermijnend werken.

Mijn conclusie: je krijgt de gemeenten alleen echt mee, als je ze zelf en onderling een deal laat sluiten. Het voordeel is bovendien dat je zo’n deal wel democratisch kan verankeren. Een gemeenteraad kan de wethouder onderhandelingsruimte meegeven. Elke deal behoort bovendien te worden geratificeerd door de gemeenteraad. Zonder goedkeuring van de deal door de gemeenteraad is er geen deal.

Ik trek twee tussenconclusies. Ten eerste: ga uit van onderhandelende gemeenten en probeer dat onderhandelingsproces zodanig te structureren dat tijd en geld worden gewonnen. Ten tweede: staak de zoektocht naar organen en bevoegdheden. Naar de samenstelling van het AB en het DB.

Dit betekent dat je niet afspreekt dat een gezamenlijk orgaan gaat bepalen wat er moet gebeuren. Maar dat je afspreekt dat gezamenlijke problemen worden opgelost door onderling te onderhandelen. Onderhandel net zo lang met elkaar tot je een deal hebt. Die deal kan soms een wat willekeurig ogend pakket zijn. Dat is niet het punt. Het gaat erom dat iedereen thuis in zijn eigen gemeenteraad die deal kan verdedigen. Onderhandel dus altijd over een mandje van onderwerpen waarover de partijen het eventueel eens kunnen worden. En beperk daarbij het aantal partijen. De ramp van de regionale besturen is vaak dat iedereen zijn zegje moet doen, ook die gemeenten die feitelijk geen enkele betrokkenheid hebben bij het onderwerp. En dit model laat ook toe dat je meteen de maatschappelijke partijen in je coalitie betrekt, die je nodig hebt om tot succes te komen. Regionale besturen hebben geen ruimte voor maatschappelijke partijen.

Het is een pragmatisch voorstel. Omdat het anders niet lukt. Maar het betekent wel veel. Want hoe gaat het in de praktijk? Vaak zien we gemeenten in de weer die bezig zijn met het optuigen van een regionaal bestuur, met schijnbaar maar één doel: het optuigen van een regionaal bestuur. Vanuit de gedachte dat er eerst de samenwerking moet, en dat we daarvan later als vanzelf de vruchten zullen plukken (welke stelling nog nooit is bewezen). Omdat het optuigen van een regionaal bestuur niet zelden frustrerend is met eindeloos gehakketak over bevoegdheden en stemverhoudingen in gezamenlijke organen, is er altijd een slimmerik die bedenkt dat we ‘vanuit de inhoud zouden moeten denken’. Dat de samenwerking zou moeten beginnen met het opstellen van een gezamenlijke agenda. Vervolgens gaan alle gemeenten zolang met elkaar in gesprek dat er van die agenda niet meer dan een hol vat met vaagheden overblijft. Hetgeen ook maar beter is, want het samenwerkingsverband heeft uiteindelijk toch geen doorzettingsmacht. Hebt u het investeringsprogramma van de MRDH al eens gezien? Hebt u iets nieuws gezien?

Het primaire doel van gemeenten moet dus niet zijn: samenwerken; hun primaire doel moet zijn: het binnenhalen van projecten die voor de eigen stad cruciaal zijn. Zoetermeer moet zich meer zorgen maken over een snelle verbinding met Rotterdam dan om de stemverhouding in het algemeen bestuur van de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Rotterdam moet zich zorgen maken over de aansluiting van de A6 op de A13 en over de vraag hoe Lansingerland hiervoor valt te winnen. En Spijkenisse moet zich zorgen maken over de sloop van goedkope woningen door Rotterdam. Etc., etc.

Oké, zal u zeggen. Maar gaat dit alles niet ten koste van het regionale belang? Nu al krijgen wethouders vaak de klacht te horen dat ze te veel opkomen voor de eigen gemeente en te weinig oog hebben voor de regio. Mijn antwoord is: wat is het regionale belang? Is dat een objectief gegeven? Of is dat ook gewoon een kwestie van politieke afweging? Natuurlijk, de uitkomst van al mijn onderhandelende gemeenten die samen dealtjes sluiten, kan onevenwichtig zijn. Mijn wedervraag: is dat niet het geval als er een gezamenlijke regionale agenda wordt opgesteld? Machtsverhoudingen vertalen zich altijd uit. Bovendien: discussies over de stemverhoudingen in het algemeen bestuur van de regio leveren uiteindelijk niets op. Een deal tussen drie gemeenten des te meer. Nog los van het democratisch bezwaar tegen samenwerkingsverbanden dat ik eerder heb verwoord.

Als we dan het regionale bestuur willen verbeteren kunnen we ons beter concentreren op het organiseren van de onderhandelingen tussen de afzonderlijke gemeenten. De ‘regio’ zou een goed platform kunnen zijn voor die onderhandelingen. Of: de regio bestaat uit meerdere platforms. Als een platform in dit model maar niets meer is dan een ontmoetingsplek. Een plek waar goede koffie wordt geschonken. Een plek waaraan geen ambtenaren zijn verbonden die weer allemaal plannen gaan bedenken, in plaats van de onderhandelingen te faciliteren. En we gaan helemaal de fout in als die platforms een bestuur krijgen, met bevoegdheden. Dan zijn we weer van het ene paradigma (onderhandelen in netwerken) terecht gekomen in het andere (organen en bevoegdheden).

Ik heb in het bovenstaande de verschillen tussen de twee benaderingen bewust scherp aangezet. Om scherper te krijgen wat er mis kan gaan. Ik heb namelijk het gevoel dat in veel gevallen de praktijk dan wel uit een netwerk bestaat van onderhandelende steden en dorpen, maar dat het discours toch altijd nog neigt naar het paradigma van de organen en bevoegdheden en het benadrukken van een zelfstandig regionaal belang. Nog erger: soms worden de stedelijke regio’s daartoe door de wet ofwel door het Rijk gedwongen. Eén advies: stop met dat discours. Richt platforms in, zet koffie, en alleen de gemeente die een maatschappelijk probleem heeft dat alleen met medewerking van andere gemeenten kan worden opgelost, start de onderhandeling.

Mijn voorstel is democratischer, transparanter en bestuurskrachtiger. Wat wilt u nog meer?

Dank u wel.

 

[referaat op Bestuurdersdiscours ‘De kracht van de keten’, VNG Zuid-Holland, Provincie Zuid-Holland, Den Haag, 25 november 2016; omdat ik zelf niet aanwezig kon zijn is het referaat gefilmd: https://vimeo.com/192864170] wachtwoord: jeepmedia

« Vorige paginaVolgende pagina »