Mijn hond moet plassen #avondklok #corona

januari 20, 2021 by  

De geruchtenstroom draait al weer. Er komen strengere maatregelen. De avondklok zou aanstaande vrijdag al ingaan. 

Laten we ons even baseren op de cijfers. 

  • Het aantal besmettingen laat in de afgelopen week een daling van meer dan 20% zien.
  • Het reproductiegetal bedraagt 0,98. Dat betekent dat de pandemie heel, heel langzaam uitdooft. 
  • De bezetting van de ziekenhuizen daalde in de afgelopen week licht. 
  • De wekelijkse toestroom in de ziekenhuizen is binnen 3 weken met eenderde afgenomen: van 1946 naar 1348.
  • De bezetting van de IC’s is constant, de instroom op de IC’s daalde de afgelopen week licht.
  • Er liggen nu minder dan 700 mensen op de IC’s, een hoog aantal, maar veel minder dan de piek van ruim 1200 in het voorjaar.
  • De oversterfte door COVID-19 is tijdens de tweede golf (dus na de zomer) niet hoger dan in de griepepidemie van 2018.
  • De kansenongelijkheid onder kinderen is groter geworden, omdat kinderen met hoogopgeleide ouders thuis goed onderwijs krijgen, terwijl kinderen van veel laagopgeleide ouders helemaal geen onderwijs krijgen.
  • De horeca en de retail zien hun verliezen verder toenemen.
  • De cultuursector blijft nog langer op een rudimentair niveau doordraaien, met veel persoonlijke en financiële drama’s tot gevolg.
  • De sport ligt nagenoeg stil, zodat de gezondheidstoestand in de samenleving verder verslechtert. 
  • Voor veel mensen die om andere reden dan COVID-19 zorg nodig hebben, is in ziekenhuizen veel minder plaats. 

Ik zou zeggen: stuur op zijn minst die kinderen weer snel naar school.

Maar het OMT en het kabinet neigen naar extra maatregelen. Dan zou ik toch wel graag willen weten waarom er aan die extra maatregelen wordt gedacht. Ten slotte moet mijn hond ‘s avonds altijd plassen.

Er wordt steeds verwezen naar één belangrijke reden voor de extra maatregelen: de Britse variant van het virus. Wat weten we daar inmiddels van:

  • De Britse variant is al in Nederland en we zien nog geen effect.
  • In het Verenigd Koninkrijk lopen de besmettingen de laatste week snel terug ondanks de volop aanwezige Britse variant.
  • Deskundigen als Levie twijfelen of de eerdere toename van de besmettingen in het VK aan de Britse variant of aan familiebezoek bij Kerstmis moet worden toegeschreven.

Gelukkig heeft het RIVM ook zelf onderzoek gedaan. Het is opgenomen in het laatste advies van het OMT aan de minister van VWS. Ik lees daar twee belangrijke zinnen. 

Ten eerste: “In de kiemsurveillance zijn op dit moment 39 besmettingen met de VK-variant vastgesteld.” 

Ten tweede: “Op basis van de kiemsurveillance is inzicht in het percentage van de VK-variant van het SARS-CoV-2 virus in Nederland. Het reproductiegetal voor de ‘oude’ variant is rond 1 januari net onder de waarde van 1, en het reproductiegetal van de VK-variant is rond 31 december ongeveer 30% hoger.”

Men stelt dus dat op basis van 39 besmettingen vast dat de R van de Britse variant 30% hoger is. Ik begrijp dat het een complex onderzoek is, maar ook bij moeilijk onderzoek moeten we vaststellen hoe groot de betrouwbaarheidsmarges zijn. Ik kan me niet voorstellen dat de bewering dat de Britse variant leidt tot een 30%-hogere R, significant is.

Meer cijfers worden niet gegeven. Meer analyse wordt niet gepresenteerd. Dus we stellen een avondklok in omdat op basis van 39 besmettingen wordt vastgesteld dat het reproductiegetal 30% hoger is?

Natuurlijk moeten we voorzichtig zijn met nieuwe varianten. Natuurlijk moeten we heel alert zijn op factoren die ertoe zouden kunnen bijdragen dat we spoedig weer een toename van het aantal besmettingen zien. Maar dit bewijs is wel heel mager. En we weten hoeveel schade er tegenover staat. 

Die wappies die het Museumplein onveilig maken, zijn intussen de weg kwijtgeraakt. Maar ze hebben er wel recht op dat er niet op basis van angst maar op basis van feiten wordt geregeerd. Zoals iedereen daar recht op heeft. 

Ik herinner me nog goed dat Hugo de Jonge ergens in de zomer één van zijn vele metaforen presenteerde: “We moeten het vuurtje meteen uittrappen!”. Die metafoor staat voor angst. Zoals Rutte het virus met “een grote hamer” te lijf wilde gaan. Vanuit die angst kan het kabinetsbeleid soms heel goed worden begrepen. Nee, we moeten het virus niet met metaforen te lijf gaan, we moeten het virus onder controle houden. En we moeten zeker niet proberen om het virus op korte termijn uit te roeien. 

En oh ja, je houdt het virus het beste onder controle door haast te maken met vaccineren. 

Alleen het vaccin kan ons nog helpen #corona

januari 13, 2021 by  

En daar stonden ze weer. Mark en Hugo. Gelukkig noemen ze elkaar tegenwoordig voluit: Mark Rutte en Hugo de Jonge. Ik weet niet wie eerder had bedacht dat ze elkaar voor het volk met Mark en Hugo moesten aanspreken. Ik vond het niet passend bij de zwaarte van moment. Waarom zeggen ze niet gewoon “minister-president” of “minister” als ze het woord aan elkaar overgeven? Terwijl het hele land toch wordt stilgelegd. 

Aan de setting is niets veranderd, hoewel Irma dit keer ontbrak. Nog steeds dat zaaltje op het Ministerie van Justitie en Veiligheid in één van die torens van de Duitse architect Kollhoff. Nog steeds Rutte links en De Jonge rechts. Nog steeds begint Rutte met de boodschap en is De Jonge er voor de duiding en voor de details. 

Maar toch is er iets veranderd. Het charisma is verdwenen. We luisteren nog, maar hangen niet meer aan hun lippen. We horen dat de lockdown met drie weken wordt verlengd, maar we hebben niet meer de indruk dat we in een lockdown leven. We horen dat we tot eind maart niet met vakantie mogen, maar hebben al lang geboekt voor eind februari. En we horen dat we allemaal moeten thuiswerken, terwijl mijn vrouw net belt dat ze wat later van het werk vertrekt. Ja, dat is echt allemaal anders. 

Godzijdank loopt het aantal besmettingen langzaam terug en stagneert de bezetting op de IC’s. Want ik weet niet wat Mark en Hugo anders hadden moeten doen. Nog ernstiger kijken? Kansloos! Nog meer scholen dicht? Kansloos! Nog meer maatregelen? Kansloos! Mark en Hugo wisten het. Het toneelstukje moest worden opgevoerd. Omdat het anders nog erger uit de hand zou lopen. 

Maar de angst is uit de samenleving en we zijn weer zelf gaan bedenken hoe we ons willen wapenen. Niet Mark en Hugo bepalen hoe wij ons gedragen, maar dat bepalen we weer grotendeels zelf. Afgezien van die arme horeca, die arme winkels, die arme kunstenaars, die arme kappers, die grof op slot zijn gezet. 

Mark en Hugo weten: er is slechts één oplossing: het vaccin. Als alle kwetsbare ouderen zijn gevaccineerd neemt de druk op de ziekenhuizen en op de IC’s snel af. Want al die jonkies hoesten een paar keer in hun elleboog en gaan na een paar dagen weer aan het werk. Ja, er zijn ook jongeren die overlijden aan COVID, net zoals er ook veel mensen overlijden na de val van hun keukentrap of na een ongeluk in het verkeer. Maar als de kwetsbare ouderen niet meer ziek worden door COVID-19 daalt in rap tempo het aantal sterfgevallen, het aantal ziekenhuisopnames en het aantal IC-opnames tot normale proporties. 

In dat opzicht is het echt opvallend dat eerst al die zorgmedewerkers worden ingeënt. Versta me niet verkeerd: uit barmhartigheid is het juist om eerst aandacht aan hen te schenken. Ze hebben het zwaar voor de kiezen gehad, dit jaar. Maar als je de pandemie wil bestrijden, moet je toch echt eerst de kwetsbare ouderen vaccineren. 

Ik meen dat Mark en Hugo dat eerst ook van plan waren. Maar nadat Gommers en Kuipers één avond hun mediacontacten hadden aangesproken, ging De Jonge pijlsnel om. Dat is niet flexibel inspelen op veranderde omstandigheden, dat is zwabberen op grond van een geslaagde lobby. Een geslaagde lobby, in dit geval niet van twee deskundigen, maar van twee mannen die (hoe legitiem ook) opkwamen voor hun eigen mensen. 

We hadden, als we het goed hadden georganiseerd, eind december kunnen beginnen met vaccineren van de kwetsbare ouderen. Die ouderen komen nu pas in februari aan bod. Ik ben schappelijk: dat is een verlies van een maand. Is er even een econoom die kan uitrekenen hoeveel die maand extra lockdown ons met elkaar gaat kosten? Omdat Gommers en Kuipers meenden dat eerst hun eigen medewerkers moesten worden ingeënt? 

Zonder #cultuur is het leven schraal

januari 11, 2021 by  

De overheid trok zich terug, de markt moest het doen. Het ging voortaan over verdienmodellen en verdienvermogen, over cultureel ondernemerschap, over kennis over marktstimulering, over zelfstandigheid en vooral over geld verdienen. Dat is de ontwikkeling die de culturele sector in de laatste decennia heeft doorgemaakt. Halbe Zijlstra stond als staatssecretaris model voor deze omslag. Omdat hij het onomwonden zei. Omdat hij niets had met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur. En schijnbaar ook niets met de hoge cultuur op zich. 

Ik geef toe: het was ook wel verfrissend. De reacties uit de cultuursector getuigden daarvan. Alsof het aanmatigend was van Halbe Zijlstra om zich uit te spreken over cultuurpolitiek. Alsof alleen de cultuursector mocht bepalen op hoeveel subsidie zij zelf recht had. Alsof alleen niet-bezuinigen een uiting van beschaving was. Onzin natuurlijk. In een beschaafde democratie maken we samen uit wie wat krijgt. 

Dat er minder geld was voor de culturele sector was misschien ook nog wel te billijken. Echt kwalijk was het dat Halbe Zijlstra het onderscheid tussen tandpasta en cultuur niet leek te zien. Cultuur moest je verkopen. En als er niets werd verkocht was er blijkbaar geen behoefte aan. Waarom zou de overheid cultuur subsidiëren waarvoor de cultuurliefhebbers onvoldoende geld over hadden? Noodgedwongen werd dat economische denken door de culturele sector overgenomen. Vanaf Zijlstra werd de culturele sector bij uitstek als een economische sector gezien. 

Zo werd het publieksbereik steeds belangrijker. Niet om meer mensen te laten genieten, maar vooral om meer kaartjes te verkopen. Kunstenaars werden culturele ondernemers, die nieuwe verdienmodellen beproefden. Culturele instellingen werden bedrijven die vooral moesten bezuinigen. Logischerwijs nam het gewicht van de managers, die verstand hadden van marktstimulering en van het vergroten van de veerkracht van het eigen bedrijf toe. Ten koste van de makers om wie het in deze sector uitsluitend is te doen. Nergens horen managers zo ondergeschikt en ondersteunend te zijn als in de culturele sector. Het tegendeel leek steeds meer het geval. 

Niet alleen het handelen maar ook het debat veranderde (definitief). Om te bewijzen dat de overheid de culturele sector niet helemaal in de steek mocht laten, werd steeds meer over de ‘waarde’ van cultuur gesproken. En daarbij ging het niet om de intrinsieke waarde van cultuur, maar plat gezegd om de economische waarde. Door cultuur verbetert het vestigingsklimaat van steden voor bedrijven. Door festivals stijgt de omzet van kroegen en restaurants. Door blockbusters stijgt de hotelbezetting. Cultuur levert geld op, dat niet in toegangskaartjes wordt verdisconteerd. En dat is toch een goed argument voor de overheid om financieel bij te springen? 

Arme kunst, de kunst had geen waarde meer van zichzelf, geen intrinsieke waarde meer, maar alleen nog maar economische waarde. En waar die economische waarde ontbrak, konden de makers ophoepelen. 

En toen kwam corona. We mochten elkaar niet meer ontmoeten, de musea sloten hun deuren en concerten en theatervoorstellingen werden stilgelegd. Godzijdank sprong de overheid bij zodat de hele sector niet meteen omviel. Maar die steun gold niet voor al die zzp-ers die al jaren moesten sappelen omdat er in de cultuursector veel te weinig geld was overgebleven na de kaalslag van Halbe. Die steun gold ook niet voor al die jonge talenten die net hun opleiding hadden afgerond en zich nog niet hadden gevestigd. Zij werden spoedig gedwongen om met ander werk in hun bestaan te voorzien. Waarmee veel talent verloren ging. Gaandeweg werden wel tal van dappere pogingen ondernomen om het publiek via internet te bereiken. Musea vergrootten hun digitale aanbod en orkesten en theatergezelschappen ontdekten de mogelijkheden van streaming. Maar het was niet genoeg. Het was een doekje voor het bloeden. 

Hoe triest de aanleiding ook was, hoe triest het moment, eigenlijk was het een heel bijzonder moment. Plotseling konden we vaststellen hoe schraal het leven is zonder cultuur. Iedereen kon plotseling zien dat cultuur niet alleen een economische waarde heeft. Dat cultuur een waarde op zichzelf heeft. Cultuur zorgt voor een verrijking van het leven. En zonder die verrijking is het leven schraal. Dat besef is de winst van corona. 

Acht jaar na Halbe Zijlstra leert corona ons dat we volledig zijn doorgeslagen met dat neo-liberale denken, dat iedereen aanzet om ondernemer te worden en dat elke manager doet bazelen over verdienmodellen. Natuurlijk is het goed als de cultuurmakers op zoek gaan naar hun publiek, en naar nieuw publiek. Maar ook als dat grote publiek er gewoon niet is, kan kunst uiterst zinvol zijn. Het is onzin om te stellen dat er geen plaats is voor kunst waar geen markt voor is. Cultuur is een wezenlijk onderdeel van onze samenleving. Het verrijkt het leven, het zet aan tot nadenken en het reflecteert wat er ten diepste in de samenleving gaande is. Cultuur verwijst naar onze roots, het bepaalt onze samenleving en is daarmee een basisbehoefte. Wat zou het mooi zijn als we met zijn allen, overheid én samenleving weer trots zouden zijn op cultuur, in plaats van steeds maar weer aan bezuinigingen te moeten denken en aan de mogelijkheden om de cultuur te vermarkten. Dat vreselijke woord. 

Die tegenstelling tussen overheid en markt is hier ook vals. Als de cultuur niet voldoende wordt betaald uit de kaartverkoop, moeten de gemeenschap op een andere manier de cultuur betalen. Het gaat om het onderscheid tussen een gemeenschap die rijk aan cultuur is en daardoor wordt verrijkt of een gemeenschap die verschraald door een tekort aan cultuur. En daarom moet de kunsten uit gemeenschapsgelden worden betaald als de kaartjes onvoldoende geld opleveren. 

Ook in dat opzicht heeft het afgelopen corona-jaar ons veel geleerd. Want plotseling was de overheid wel bereid om bij te passen toen de culturele sector op omvallen stond. De cultuur werd eindelijk niet meer beoordeeld op zijn verdienmodellen en zijn publieksbereik en zijn publieksdifferentiatie, maar vanwege haar eigen authentieke betekenis. Omdat een samenleving niet zonder cultuur kan. Dat is de tweede winst geweest van deze bizarre episode. Het is dus niet meer dan normaal dat de gemeenschap bijpast als er van de kaartjes niet meer valt te leven. Waarom is dat geen permanente afspraak? Dat de gemeenschap gewoon altijd bijspringt als er te weinig kaartjes worden verkocht.

Natuurlijk moeten we trots zijn op de zelfstandigheid van de culturele sector. Cultuur gedijt in autonomie. En niet onder de vleugels van een overheid. Maar we hebben wel een overheid om te garanderen dat die cultuur in alle tijden gedijt. Waarom is er bijvoorbeeld geen gegarandeerd basisinkomen voor de makers van de kunst? Ik spreek niet over een (permanent) basisinkomen. Maar wel over een permanente garantie dat er altijd voldoende inkomsten zijn, ook als er onvoldoende kaartjes worden verkocht. Dus bijvoorbeeld ook als avant garde cultuur nog maar door weinig mensen wordt begrepen. Of wanneer een museum eens iets anders dan een blockbuster wil presenteren. Of als talenten nog onvoldoende kansen krijgen om hun kunnen te tonen.

Wie zou daarvoor in aanmerking moeten komen? Mensen die zijn opgeleid in de kunsten en zich ook inzetten voor de kunsten. De makers dus. Ik stel voor dat de managers zich anders moeten bedruipen. En natuurlijk is de gemeenschap verantwoordelijk voor de basisinfrastructuur waarbinnen de makers hun prachtige werk kunnen doen. 

Ja zeker! Het idee is nog helemaal niet uitgewerkt. Het vraagt nog enige doordenking, om het eufemistisch uit te drukken. Maar laten we bij het doordenken blijven proberen om de cultuur niet economisch maar intrinsiek te waarderen. Cultuur is geen tandpasta. 

Lodewijk Asscher en het nieuwe perspectief #PvdA

januari 10, 2021 by  

Op 7 december jl. was het de beurt aan Lodewijk Asscher om de Den Uyl-lezing uit te spreken. Het was een lezing die klonk als een klok. Asscher had er duidelijk werk van gemaakt. Het was een coherent verhaal. Hij trok een stimulerende conclusie: we moeten terug naar de ideologie. Waar Wim Kok in 1995 de ideologische veren had afgeschud, koos Lodewijk Asscher weer voor een ideologische PvdA, weg van het pragmatisme. En zeker weg van het neo-liberale denken. 

In dat neo-liberale denken staat de markt centraal. Overal waar de markt en marktprikkels het maatschappelijk verkeer kunnen coördineren, moet de markt zijn werk doen. Veel erger: in dit denken is de overheid niet de oplossing, maar het probleem. Mannen als Sweder van Wijnbergen riepen in die tijd: laat het over aan de markt als er een markt is, en als er geen markt is, moet je een markt scheppen. 

Door zich (deels) tot dit neo-liberale denken te bekeren is de PvdA ver weggeraakt van de lang beleden sociaal-democratie. Daarbij mogen we overigens niet vergeten dat de PvdA tussen 1994 en 2017 16 jaar in de regering heeft gezeten. Dat is bepaald geen slechte score. Maar het neo-liberale denken heeft uiteindelijk wel de samenleving een enorme poets gebakken. Ten eerste bleek die marktwerking op tal van terreinen heel anders te werken dan werd gesuggereerd. En ten tweede werd de markt zo dominant dat de ongelijkheid alleen maar groter werd, vooral in vermogens, maar ook in kansen. Het werd steeds duidelijker dat de PvdA een majeure draai zou moeten maken: weg van het marktwerking, terug naar een overheid die zekerheid biedt. En een overheid die zorgt voor gelijke kansen op zelfbestemming.

De Den Uyl-lezing van Asscher staat symbool voor die omslag. Maar de lezing staat ook symbool voor de omslag van Lodewijk Asscher zelf. Hij was vice-minister-president in het kabinet Rutte-II, dat nog geheel begeesterd was door marktwerking en markt-prikkels. De PvdA heeft het geweten. We zullen de verkiezingsnederlaag van 2017 niet snel vergeten. De lijst werd in 2017 aangevoerd door Lodewijk Asscher, en diezelfde Asscher bewijst nu dat hij van zijn fouten heeft geleerd. Zelden een politicus gezien die zo integer zijn fouten uit het verleden toegeeft. 

Asscher ziet in zijn lezing drie problemen: de toenemende ongelijkheid, de sociale ontheemding en de gemankeerde verzorgingsstaat. De toegenomen ongelijkheid heb ik al aangetipt. Asscher geeft schrikbarende voorbeelden. Dat de 26 rijksten op de wereld evenveel bezitten als de 3,8 miljard armsten. En wat te denken van de enorme verschillen in levensverwachting, ook in Nederland, tussen rijk en arm. En van de kansenongelijkheid in het onderwijs die de laatste jaren alleen maar groter is geworden. 

Met sociale ontheemding verwijst Asscher naar het feit dat mensen steeds meer een vreemde zijn in hun eigen buurt (doordat buren de eigen taal niet meer spreken), in de eigen baan (doordat ze alleen maar een flex-contract hebben) en in eigen land omdat juist de ‘somewheres’ in hun bestaan op de proef worden gesteld, terwijl de ‘anywheres’ zich, zoals hun naam al aangeeft, overal thuis voelen. 

Ten slotte is de verzorgingsstaat zo ingewikkeld geworden dat veel mensen niet de steun krijgen die ze nodig hebben. Maar de verzorgingsstaat is in de neo-liberale era ook verhard. De toeslagen-affaire is daarvan het meest pijnlijke voorbeeld. 

Al deze problemen vragen vooral om een overheid die weer/meer zekerheden biedt. De burger moet bestaanszekerheid worden geboden. De woningmarkt moet weer een woning bieden aan iedereen, de kansongelijkheid in het onderwijs moet worden bestreden, de economie moet werken voor mensen en niet voor aandeelhouders, de marktmacht moet weer worden gebreideld, de grond moet weer van ons zijn en niet van de speculanten. En de verzorgingsstaat moet voor iedereen een baan garanderen. 

Het is een coherent verhaal wat Asscher vertelt. Weg van het marktdenken, terug naar de zekerheid die de overheid hoort te bieden. Het is ook sympathiek om de overheid  iedereen een baan te laten garanderen. Een basisbaan in plaats van een basisinkomen. Toch klinkt in dat voorstel het verlaten neo-liberale denken nog een beetje door: “Je bent alleen succesvol als je een baan kan verwerven.” Ik hoop dan ook dat die verplichte basisbaan nog eens wordt vervangen door een basisinkomen voor mensen die geen werk kunnen vinden, terwijl de overheid tegelijkertijd heel veel banen schept ‘aan de onderkant’. Want die werkloosheid aan de onderkant is mede veroorzaakt door een overheid die vooral op banen aan de onderkant heeft bezuinigd. 

Het is een sympathiek verhaal. Weg van het economisme. Maar het is voorlopig ook nog te veel een verhaal van het ‘terug’. Terug naar een sociaal-democratie die bestaanszekerheid biedt. Een verhaal voor een PvdA die in het reine wil komen met zijn eigen wortels. En juist daarom zijn wellicht de vragen van morgen in het verhaal onderbelicht. 

Ik noem ze. Hoe gaan we om met de klimaatverandering en de verwoesting van ecosystemen op deze overbevolkte planeet? Hoe gaan we om met globalisering, migratie en Europa? Hoe gaan we om met populisme en democratie. Asscher bewijst lippendienst aan het klimaat, aan Europa en aan de democratie. Maar ik gun het hem om bij een volgende Den Uyl-lezing deze drie grote thema’s van vandaag en morgen verder uit te diepen. In het licht van de hervonden sociaal-democratie. Ik neem niet aan dat de sociaal-democratie op die vragen geen antwoord heeft. 

Leergang Triomf van de stad start weer in oktober 2021

januari 8, 2021 by  

Door COVID hebben we de leergang Triomf van de stad voor een jaar moeten onderbreken. Maar met enig optimisme denken we dat we de leergang in oktober 2021 weer kunnen opstarten. Het verloren jaar hebben we goed besteed door het hele programma nog eens opnieuw door te lichten. Het programma is erdoor verbeterd.

De Triomf van de stad is een prachtige leergang voor stedelijke strategen, sinds 2012 georganiseerd door Wim Derksen en Karen Ephraim. Er zijn veel bijzondere docenten: topwetenschappers én praktijkmensen. Met hen gaan de cursisten in gesprek, over de ontwikkeling van de steden en over de vragen die die ontwikkeling voor het lokale bestuur oproept. Sinds 2012 hebben 11 groepen van 10-16 deelnemers de leergang gevolgd. De belangstelling lijkt alleen maar toe te nemen. Het was dan ook heel vanzelfsprekend om door te gaan met een 12e editie.

De data van de komende leergang: 7/8 oktober 2021 in Eindhoven (stedelijke economie), 11/12 november 2021 in Almere (stedebouw en wonen), 9/10 december 2021 in Rotterdam (de achterkant van de triomf), 13/14 januari 2022 in Den Haag (immigratie en integratie), 17/18 februari 2022 in Amsterdam (de aantrekkelijke stad), 24/25 maart 2022 in Utrecht (de duurzame stad). Uitgebreider overzicht is te vinden in de folder hieronder.

Volgende pagina »