Rotterdam verlaagt zich door zijn armen de stad uit te jagen

februari 15, 2016 by  
Filed under artikel, De Stad

Volgens NRC Next zijn veel inwoners van Rotterdam boos op hun gemeente. Erg boos. De gemeente wil 20.000 goedkope woningen slopen en vervangen door 35.000 dure woningen. Arme mensen moeten de stad uit, hipsters met bakfietsen erin. Migranten de stad uit, expats erin.

Ongetwijfeld staat het er anders, meer omfloerst, in die nieuwe Woonvisie van de gemeente. Maar het klinkt wel bekend. Alle steden zijn op zoek naar de hoogopgeleiden, naar de hogere inkomens, die de stedelijke economie een belangrijke impuls kunnen geven. Het klinkt ook bekend, omdat het maakbaarheidsdenken in Rotterdam altijd goed ontwikkeld is geweest. Maar het is de vraag of het klopt.

De theorie is simpel: het gaat in steden tegenwoordig om kennis, hoger-opgeleiden en economie. Wie daarvan de goede mix in huis heeft, hoeft zich nergens meer zorgen over te maken. Economen menen zelfs dat de bedrijven vanzelf volgen als je de goede bewoners hebt. En hoe krijg je goede bewoners? Door voor hen aantrekkelijk te zijn. Daarom doen de steden met een historische binnenstad het tegenwoordig vaak zo goed. En daarom gaat Amsterdam er in de komende 10 jaar 50.000 woningen bij bouwen! Zonder arme mensen doelbewust te verjagen.

De theorie is eenvoudig uit te leggen. De praktijk is natuurlijk weerbarstiger. Je kan wel mooie huizen bouwen voor rijke en hoogopgeleide mensen. Maar die zullen niet komen, als er geen banen zijn. Natuurlijk, volgens de theorie komen die banen vanzelf, als er werkloze hoogopgeleide mensen in rotten van drie op je zitten te wachten. Maar het vervelende is dat die hoogopgeleide mensen niet in rotten van drie gaan zitten wachten in Rotterdam, tot die banen zich eindelijk aandienen.

Eigenlijk kan je die stedelijke economie heel goed vergelijken met een vliegwiel. Als het eenmaal draait gaat het geweldig. En volgen bedrijven mensen en volgen bedrijven andere bedrijven. Maar als het niet goed draait volgt niemand iemand. Dan heb je weinig aan nieuwe dure woningen voor nieuwe dure mensen.

Ik wil niet zeggen dat de economie in Rotterdam stil staat. Het lijkt zelfs beter te gaan met Rotterdam. Maar nog steeds zijn de huizenprijzen relatief laag in Rotterdam. Dat betekent niet dat Rotterdam aantrekkelijk is. Dat betekent juist dat Rotterdam niet aantrekkelijk genoeg is. Wat werk betreft, wat wonen betreft. Rotterdam doet er dus goed aan om voor voldoende dure woningen te zorgen. Als een hoger-opgeleide rijkere in Rotterdam wil (blijven) wonen, moet hij in ieder geval een huis kunnen vinden.
Maar om nu ook maar meteen 20.000 goedkope woningen te slopen, is wel het andere uiterste. Waarom moeten die woningen en die mensen weg? Als Amsterdam er 50.000 woningen bij kan bouwen, zonder te slopen, heeft Rotterdam toch zeker plek genoeg? Bovendien als dat vliegwiel van Rotterdam eindelijk in beweging komt, zullen die armen ook wel vanzelf verdwijnen. Als ik het gemeentebestuur van Rotterdam was, zou ik me liever daarover zorgen maken.

Daar komt nog iets bij. Rotterdam moet aantrekkelijk worden voor hoogopgeleiden. Daarom moeten er voldoende woningen zijn. Maar ook een cultureel klimaat dat voor hoogopgeleiden aantrekkelijk is. Wellicht horen bij dat klimaat begrippen als tolerantie, kosmopolitisme, grootmoedigheid, veelkleurigheid, ruimdenkendheid en ruimhartigheid. Wie dat klimaat mist, moet niet gek opkijken als die dure woningen straks helemaal niet worden verkocht.

Verslaafd aan @MarathonRdam

april 12, 2015 by  
Filed under Geen categorie, lopen

Ook vorig jaar had ik weinig getraind voor de marathon van Rotterdam. Ik had een startbewijs, maar had al lang besloten om mijn favoriete marathon dit jaar aan me voorbij te laten gaan. Bij toeval moest ik de vrijdag voor de marathon in Rotterdam zijn. Ik zag de borden en de hekken en was weer verkocht. Ik reed nog terug naar Den Haag om mijn spullen op te halen. Het werd een heerlijke loop, in 4.12.

De voorbereiding kon nog beroerder. Na die 4.12 deed ik weinig tot niets. Onder druk van een afspraak toch maar de marathon van Amersfoort gelopen in juni 2014. In 4.10. Maar na afloop was mijn meniscus zwaar beschadigd. Ik kwam een half jaar op de tafel bij de fysiotherapie. En toen alles grotendeels voorbij was, had ik geen zin meer. Geen zin. Ik had genoeg gelopen met pijn in mijn rechtervoet, met pijn in mijn linkerknie, met zweepslagen en al dat andere ongemak. Ik had de K78 in juli 2013 volbracht en was nog steeds toe aan rust. Een mentale blessure nam het van de fysieke over. Natuurlijk had ik me voor de zekerheid wel ingeschreven, zoals ik me ook al maanden geleden had ingeschreven voor de Zestig van Texel op Tweede Paasdag. Texel ging voorbij. En Rotterdam leek eenzelfde lot beschoren.

Totdat mijn fysiotherapeute enigszins spottend vroeg of ik Rotterdam nog zou lopen. Ik mompelde iets van ontkenning. “Als je hem start, loop je hem wel uit.” Ik mompelde nog iets van mindere ontkenning.

De volgende dag had ik mijn trainingsschema klaar. Dinsdag 7 km, donderdag 9, zaterdag 13 en maandag 20. Daarna 6 dagen afbouwen tot de marathon. Elke mislukte training zou het einde van de plannen zijn. Ik strompelde heel wat af, maar ik ging wel razendsnel vooruit. Tijdens de trainingen liep ik steeds 4 minuten hard en wisselde dat af met 1 minuut wandelen. Alles lukte. Er waren dus geen redenen meer om Rotterdam niet te lopen.

Ik geef het toe: het is een bizarre voorbereiding. Maar als je 20 km kan lopen in 2 uur, moet je aan 5,5 uur toch echt genoeg hebben voor die 42. En er lonkt wel een spannende marathon. Vroeger liep ik ze als trainingsmarathon, voor nog grotere of snellere loopjes. Nu is het weer een echte marathon. Hij doet me denken aan die eerste keer. Met Bert en met Huib en met Leo. Ach, en zenuwachtig ben ik altijd.

Er is wel één verschil. Toen was het mijn eerste marathon, nu mijn 46e. En toen was ik nog niet verslaafd aan het lopen. Had nog geen boek geschreven onder de titel Loopgek. Want als ik eerlijk ben: het heeft iets van die ene sigaret. Die je plotseling wordt aangeboden en die onweerstaanbaar is.

We zullen zien. Schreef ik op de avond voor de marathon.

En we hebben gezien. Wie geen loper is kan beter stoppen met lezen. Onderstaande is slechts de eufore tekst van een eufore loopgek. Piet loodste me binnen bij Nationale Nederlanden. Zijn club heeft daar altijd gastvrijheid. Verschillende lopers bleek ik te kennen. Beetje kletsen, beetje wc, beetje verkleden, en weer kletsen. Daarna naar de start. De spanning. Het bekende geluid van de heli’s. Het geluid van de spreekstalmeester, wiens tekst altijd aan je voorbij gaat. Nog een flesje drinken in het startvak. En je laatste plas terugdoen in hetzelfde flesje. Het startschot van de burgemeester, als inleiding op die fantastische startmuziek van Rotterdam. Weg op een schema van 6’ lopen en 1’ wandelen. Het leidt tot allerlei sportieve reacties van medelopers, die me na 1 km al van alles aanbieden. Het weer is geweldig. Goede temperatuur, veel zon en dus veel publiek. Ik heb het in Rotterdam nog nooit zo druk gezien. Eten en drinken gaan onderweg zonder problemen. Ik plas twee keer en poep eenmaal. En de organisatie is perfect. Ik kom terecht op een schema van 30’ per 5 km. Op de terugweg wandel ik de Erasmusbrug op. Ik wandel in de tunnel op de Blaak, en ik sta een tijd te praten met Arda op 37 km. Daarna wordt het nog even zwaar. De benen zijn stijf. Maar de geest is helder, en dat is wel eens anders bij het 40-km-punt. Na 4.26.34 bereik ik de finish. Ik stuiter nog een tijdje in het finishvak. We feliciteren elkaar, we omhelzen elkaar, mannen die elkaar nog nooit eerder hebben gezien. Het fantastische moment om Arda en Bas weer te zien. We lopen weer naar Nationale Nederlanden. Nog meer bekenden. En allemaal zijn we vandaag vrienden.

Het was mijn 46e marathon, het was mijn 13e in Rotterdam. Onderweg geniet ik vooral. En als ik denk dan realiseer ik me dat straks alles kapot en over kan zijn. Maar dat ik mijn marathonloopbaan dan wel heb beëindigd met mijn mooiste marathon.

Maar alles is niet kapot. Niets is kapot. Dit jaar toch maar proberen die 50 marathons vol te maken.

De toekomst van de stad

juli 7, 2014 by  
Filed under De Stad

Inleiding

Steden doen het goed; steden triomferen. We kunnen het overal lezen. Het is waar en het is niet waar. Er is ook hier een achterkant van het gelijk. Niet alle steden triomferen en niet iedereen in de triomferende steden profiteert van het succes. Er blijven belangrijke opgaven over. In dit artikel schets ik zes ontwikkelingen die steden raken. En maak ik zes opmerkingen over adequaat beleid. Ik bepaal me tot Nederland. En raak het recente rapport van de RLi over de toekomst van de stad slechts zijdelings aan, omdat het rapport slechts zijdelings de thematiek weet te raken.

Ontwikkelingen

  1. De steden groeien, het achterland krimpt en ook de randgemeenten verliezen terrein. Verrassend genoeg staat in Nederland het thema ‘bevolkingskrimp’ op de beleidsagenda. Van krimp is in Nederland slechts regionaal sprake, en dan betreft het ook nog kleuterkrimp. De steden, en met name de Randstad blijven groeien. Dus niet krimp, maar urbanisatie is de dominante ontwikkeling in de demografie.
  2. De wereld wordt niet flat, maar spikey. Nabijheid lijkt eerder belangrijker te worden dan minder belangrijk. In de nieuwe economische wereld zijn face-to-face contacten van groot belang. Daarom groeien de steden in plaats van te krimpen. Bedrijven gaan steeds meer op zoek naar een gunstige arbeidsmarkt en omdat het werk steeds meer om hoogopgeleiden vraagt, trekken bedrijven steeds vaker naar steden om mensen te vinden, terwijl mensen n vroeger aar de stad trokken om werk te vinden.
  3. Die triomf van de stad heeft twee gezichten. De hogere inkomens en de hoger opgeleiden leggen steeds meer beslag op de binnensteden. Door gentrification worden aanpalende wijken ingepikt. De armoede verdwijnt buiten de ring of zelfs naar de randgemeenten. Zo telt Amsterdam relatief en absoluut nog steeds meer mensen onder de armoedegrens dan Rotterdam.
  4. Werken volgt wonen niet per definitie. Als er niks te doen valt, gaan de hoger opgeleiden er niet wonen. Veel studenten verlaten Rotterdam meteen na het afstuderen. Er zijn dus ook steden zonder vliegwiel. Het lijkt een zelfversterkend proces. Zie ook de verschillen in de lokale politiek. In de achterstandssteden domineert het nationalisme, in de triomferende steden het kosmopolitisme. Achtergesteld voelen versus hoge verwachtingen.
  5. De dynamiek in de immigratie en de integratie neemt toe. De immigratie verandert van karakter. De populatie wordt diverser, het aantal nationaliteiten neemt toe en het opleidingsniveau wordt gedifferentieerder. Het aantal gezinsherenigingen neemt af. De internationale kenniswerker dient zich aan. De dynamiek in de achterstandswijken is veel groter dan vaak wordt gedacht. Het uitkeringsniveau van Rotterdam-Zuid is momenteel gelijk aan het gemiddelde van de stad, door de enorme toestroom van MOE-landers met werk in de laatste jaren.
  6. De klimaatverandering ten gevolge van het broeikaseffect wordt steeds zichtbaarder. Dat stelt steden voor nieuwe opgaven, zowel in de sfeer van adaptatie als mitigatie. Er zijn veel lokale initiatieven voor duurzame energie, maar het levert nog onvoldoende op.

Adequaat beleid

Op veel ontwikkelingen hebben de nationale en de lokale overheid weinig invloed. Dat steden wereldwijd aan betekenis winnen heeft weinig met overheidsbeleid te maken en alles met veranderingen in de economische structuur. ‘Valleys’ komen meestal bij toeval tot stand en de overheden doen er vooral goed aan om eenmaal ontstane valleys verder te accommoderen. Het betekent niet dat overheidsbeleid geen kwaad kan. Zo hebben de Nederlandse steden een achterstand opgelopen doordat de overheid te lang vasthield aan het groeikernenbeleid en aan een minimum van 80% sociale huur bij nieuwbouw (tot in de jaren 90!). In de sfeer van het accommoderen is de opgave overigens groot. Ik geef zes overwegingen.

  1. Hoewel Amsterdam al enige jaren (hard) groeit zonder dat er een woning wordt gebouwd (hetgeen kan duiden op een nieuwe trend van gezinsverdichting), is het realistisch om uit te gaan van een omvangrijke behoefte aan nieuwe woningen. Er moet meer ruimte komen voor hogere inkomens, maar ook voor doorstromende migranten. En er moet ruimte blijven voor kansarmen. De woningcorporaties hebben zichzelf gedeeltelijk uitgeschakeld, het rijk stopt met het subsidiëren van nieuwbouw. De lokale overheden moeten nog veel grondposities afwaarderen. En de overheid doet er goed aan om burgers zelf te laten beslissen waar en hoe ze willen wonen. De lokale overheid heeft een belangrijke accommoderende rol: laat de stad organisch groeien binnen heldere stedebouwkundige kaders. Kantoren zijn mooie objecten voor vernieuwbouw. De gemeente als aanjager in plaats van struikelblok.
  2. Verdere verbetering van het klimaat voor de slimmen en de rijken is nodig om de stedelijke arbeidsmarkt verder te versterken. Op cultuur heeft de overheid enige invloed middels subsidies. Het aantrekken van onderwijsinstellingen (zoals Den Haag op knappe wijze delen van de Universiteit Leiden uit Leiden losweekt en Almere een HBO aan zich wist te binden) kan veel betekenen. Net zoals ruimte voor jonge ondernemers en een verdere versterking van de eigen identiteit. Maar Amsterdam is de laatste decennia niet gaan floreren en Rotterdam is niet achtergebleven omdat het Amsterdamse stadsbestuur zoveel beter was dan het Rotterdamse. Soms heb je gewoon geluk en moet je het geluk niet in de weg gaan staan. Als veel starters behoefte hebben aan bedrijfsruimte, komt die ook wel vanzelf. En het proces van gentrification is nog nergens ter wereld door de overheid geïnitieerd.
  3. Het idee van borrowed size, dat ook zo’n centrale plaats inneemt in het RLi-advies over de stad, roept bij mij vooral verbazing op. Het idee is tamelijk simpel: als mijn stad te klein is, word ik dan niet groter als ik het inwonertal van de naburige stad erbij op mag tellen? Het doet me denken aan het dolle plan om de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Delft onder één holding te brengen. Natuurlijk, die ene universiteit scoort op de lijstjes met artikelen en citaties hoger dan één van de oude drie, maar het geheel is zonder verdere integratie nooit meer dan de som der delen! De economie van Rotterdam wordt ook niet beter als het bestuur van de stad een samenwerkingsovereenkomst sluit met Den Haag, met Amersfoort of met Groningen. De economie van Rotterdam wordt alleen beter als de stedelijke arbeidsmarkt in Rotterdam aantrekkelijker wordt. Bereikbaarheid kan daarbij helpen. Dus als de vervoersverbindingen tussen Den Haag en Rotterdam (nog!) beter zouden worden, zou de Rotterdamse arbeidsmarkt van de Haagse kunnen profiteren. Maar dat heeft niets met borrowed size te maken, maar alles met het versterken van agglomeratie-effecten.
  4. De grootste opgave voor triomferende steden ligt niet bij de triomf, maar bij al degenen die de triomf van de eigen stad niet meemaken. Uiteindelijk gaat de ongelijkheid ten koste van de welvaart, ook in de steden. De kosten van de armoede en de werkloosheid drukken op de stad als geheel. En waar kansarmen kansen worden onthouden, missen we kansen om de stedelijke arbeidsmarkt te versterken. Misschien vragen de mensen in de achterstandswijken daarom wel veel meer aandacht van het stedelijk bestuur dan de kenniswerkers uit de binnenstad. Voor mij gaat het daarbij meer om de mensen dan om de wijken. Arrival neighborhoods zullen altijd laag scoren. Het gaat erom dat mensen uit de achterstandswijken zich kunnen ontwikkelen en hun wijk voor een betere kunnen inruilen. Wie het beleid te zeer op de wijk richt, loopt bovendien het gevaar dat de wijk te duur wordt voor de oorspronkelijke bewoners. In de wereld van waterbedden en roltrappen hebben mensen meer aan een opleiding en een baan dan aan een hogere huur bij een lage uitkering.
  5. Waar de triomferende steden bijna vanzelf lijken te groeien en te bloeien, zijn onorthodoxe maatregelen nodig om de achterstandssteden een positieve wending te laten maken. In dat opzicht is het maar de vraag of Heerlen de wiet-bijverdienste van de bevolking zo dringend moet bestrijden. Ook de Tilburgse bevolking kan die miljoenen goed gebruiken. Het wordt er niet beter op dat de nieuwe lokale elite in de achterstandssteden zo gefocust is op veiligheid en het gebrek aan integratie. Je maakt een stad niet aantrekkelijker door steeds te roepen dat je ‘alle slechte lijstjes aanvoert’. Gratis kluswoningen zijn een beter alternatief. En regelvrije zones en sectoren. Wat zou studenten van de Erasmus, van de Universiteit Tilburg en van de Universiteit Twente kunnen doen besluiten om hun stad niet meteen na het afstuderen te verlaten. Sta alles toe wat God aanvankelijk heeft verboden. En rechtsgelijkheid is alleen mooi als je je dat kan permitteren.
  6. De duurzaamheid gaat niet vanzelf. Zelforganisatie en ‘energieke samenleving’ zijn nogal eens schaamlappen van een overheid die zelf te weinig doortast. In de big society kiest de overheid ervoor om zich over veel zaken geen zorgen meer te maken. In ons geval hoopt de overheid dat zelforganisatie een oplossing biedt waar zij zelf tekort schiet. De boeiende vraag luidt: waarom zou de overheid zich bezighouden met zaken die de samenleving geheel zelf kan oplossen? Mijn antwoord is simpel: alle maatschappelijke belangen die door de samenleving worden bediend, hebben geen overheidsbemoeienis nodig. En omgekeerd: als er overheidsbemoeienis nodig is, kan de samenleving het alleen niet aan. De overheid doet er beter aan burgers en bedrijven die op weg zijn naar duurzaamheid, actief te helpen door het wegnemen van juridische belemmeringen.

 

[Deze tekst verscheen in de S+RO-special ‘Crisis voorbij’, S+RO, 2014/4, pp 20-23]

Spangen werd beter, maar gold dat ook voor de mensen?

maart 22, 2014 by  
Filed under De Stad

De problemen in de stedelijke achterstandswijken zijn ingewikkeld en hardnekkig. De overheid is al jaren bezig om grip te krijgen op de problemen. De effecten van dat beleid laten zich moeilijk vaststellen en mede om die reden verandert het beleid nogal eens. Waardoor de effecten van het achterstandsbeleid zich nog moeilijker laten vaststellen. 

Vanuit die gedachte ben je blij als je het rapport van Marlet en Ponds over Spangen in Rotterdam (2012) onder ogen krijgt. Vooral de titel geeft veel hoop: Scoren in Spangen; de effectiviteit van tien jaar investeren in de Rotterdamse wijk Spangen. Het helpt dus toch.

Ja en nee. Er is veel geïnvesteerd in Spangen en Spangen is sinds de eeuwwisseling aanzienlijk vooruitgegaan. Het vervelende is dat in andere wijken in Rotterdam, en in vele andere grote steden, veel is geïnvesteerd en dat die wijken veel minder vooruitgang hebben geboekt. Bovendien: Spangen is dan wel vooruitgegaan, maar geldt dat ook voor de oorspronkelijke bewoners? Laten we beginnen met een korte weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

De cijfers zijn overtuigend: Spangen heeft zich goed ontwikkeld sterk in het laatste decennium. De overlast, de verloedering en de onveiligheid zijn sterk verminderd. De kwaliteit van de huizen en van de woonomgeving is verbeterd. De bevolkingssamenstelling van de wijk is veranderd (minder homogeen arm en werkloos, meer differentiatie). De huizenprijzen zijn gestegen, ook in vergelijking met andere wijken, de aantrekkingskracht van de wijk is dus toegenomen. Of de sociale cohesie in de wijk ook is verbeterd (een bekende doelstelling van beleid) kan niet worden gemeten, omdat er geen indicatoren voor beschikbaar zijn. (Dat geldt overigen voor al die wijken in Nederland waar wordt ingezet op het verbeteren van de sociale cohesie.) En tot slot: de arbeidsparticipatie in de wijk is duidelijk verbeterd: de werkloosheid is afgenomen. Helaas is de jeugdwerkloosheid de laatste jaren juist weer toegenomen, maar dit feit haalt de samenvatting van het rapport niet, zoals de samenvatting op meer punten blijer is dan de resultaten van het onderzoek lijken te rechtvaardigen.

Cruciaal is natuurlijk de vraag of al deze mooie verbeteringen op het conto van het beleid kunnen worden geschreven. De onderzoekers stellen: “Waarschijnlijk komt dat door de rigoureuze en integrale aanpak in Spangen, waarbij fysiek, sociaal en veiligheidsbeleid hand in hand zijn gegaan.” Die conclusie trekken ze op grond van het feit dat Spangen wel en andere wijken geen positieve ontwikkelingen te zien geven. Maar zoals gezegd: dat gemeentelijk en landelijk beleid is toch niet geheel aan die andere wijken voorbijgegaan? Rotterdam had toch meer ‘krachtwijken’ dan Spangen alleen? Hoeveel is er wel niet geïnvesteerd in Rotterdam-Zuid? Ik vermoed dat het woord ‘waarschijnlijk’ in deze onderzoeksconclusie zo moet worden gelezen: er is veel beleid gezet op Spangen, de ontwikkelingen in Spangen zijn positief, dus het beleid is effectief, en waarom hetzelfde beleid elders niet effectief is, is niet de schuld van de onderzoekers.

De onderzoekers hebben proberen aan te geven welke maatregelen met name effect hebben gehad op de leefbaarheid van Spangen. Eén maatregel springt eruit: het stopzetten van de tippelzone aan de Keileweg in 2005. Vanaf dat moment dalen de overlast en de diefstal en de auto-inbraken en de verloedering abrupt. En dat hoeft ons niet te verbazen. Beter gezegd: daarvoor hoef je geen onderzoek te doen. Over de Keileweg is altijd veel te doen geweest in Rotterdam en iedereen wist dat de situatie in Spangen snel was verslechterd nadat de tippelzone aan de Keileweg, aan de rand van die wijk, was toegestaan. Dan is het niet zo vreemd om te veronderstellen dat Spangen al die positieve ontwikkelingen vanaf 2005 niet had doorgemaakt als de tippelzone aan de Keileweg niet was gesloten.

Daarnaast zijn veel verpauperde woningen voor een lage prijs verkocht aan mensen die bereid waren de woningen zelf op te knappen. Daar zijn nogal wat hoger-opgeleiden op af gekomen. Deze ‘kluswoningen’ hebben duidelijk bijgedragen aan de verbetering van Spangen. En daarmee raken we meteen aan een fundamentele vraag: wat was eigenlijk het werkelijke doel van het beleid? Het opknappen van Spangen of het terugdringen van de armoede en werkloosheid onder een deel van de burgers? Ik zou zeggen dat een opgeknapte wijk toch niet het uiteindelijke doel van het beleid kan zijn. We knappen toch wijken op om mensen meer kansen te geven?

Helaas is niet onderzocht of werklozen meer kansen hebben gekregen. De onderzoekers stellen slechts vast dat de samenstelling van de bevolking van Spangen het laatste decennium diverser is geworden: minder homogeen arm en werkloos. Dat is geenszins verwonderlijk. De tippelzone werd gesloten en het is logisch dat daardoor de aantrekkingskracht van de wijk groter is geworden. Daardoor zijn mensen met (wat) hogere inkomens zich in de wijk gaan vestigen en zijn de huizenprijzen gaan stijgen. Dat effect is nog eens versterkt door dat geslaagde en prachtige project van de kluswoningen.

Ik ben dan ook helemaal niet verbaasd dat de werkloosheid in de wijk in de laatste jaren is afgenomen (afgezien van die akelige jeugdwerkloosheid). De cruciale vraag is hier of de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners is afgenomen. Maar dat is niet onderzocht, omdat de onderzoekers de ontwikkeling van de wijk en niet van de bewoners hebben als maat der dingen hebben genomen. Het is dan ook een beetje laf om toch te melden dat de langdurige werkloosheid “waarschijnlijk ook is afgenomen door een hogere participatie onder de zittende bevolking van de wijk Spangen”. Ten eerste is in het onderzoek geen onderscheid gemaakt tussen nieuwe en oude bewoners en ten tweede zijn de bewoners die de wijk hebben verlaten omdat die inmiddels voor hen te duur was geworden, al helemaal niet onderzocht. Over de werkloosheid onder de oorspronkelijke inwoners van Spangen kunnen de onderzoekers dus geen uitspraak doen.

Ik neem dat de onderzoekers niet kwalijk. De onderzoekers weerspiegelen het beleid. Het beleid gaat ervan uit dat mensen vanzelf beter worden als ze in een prettiger wijk wonen (hetgeen voor Nederland nooit is bewezen). En het beleid miskent de dynamiek onder burgers. Werklozen die zich weten op te werken door werk te vinden, verhuizen vaak naar betere buurten (de stad als emancipatiemachine) en hun plaatsen worden ingenomen door nieuwe kansarmen. En wanneer we wijken verbeteren trekken de rijkeren binnen en verkassen de arme werklozen en biedt de wijk minder plek voor kansarmen die van elders komen (de stad als waterbed). En daarom praten wethouders en ministers altijd over het verhogen van de kwaliteit van wijken en niet over het verhogen van kansen van kansarme medeburgers. Ze denken dat dat hetzelfde is, of hopen wellicht dat wij dat denken. Nog afgezien van het grappige streven van beleidsmakers om van elke slechte wijk een ‘gemiddelde’ wijk te maken.

Ik ben blij voor Spangen, maar ik zou zo graag willen weten of al die oorspronkelijke bewoners beter zijn geworden van het beleid. En of we al die investeringen niet beter hadden kunnen besteden: aan taallessen, aan scholing, aan arbeidsmarktbeleid. Je hebt meer aan een baan dan aan een rijke buurman.

 

Al bouwend poetst Rotterdam zijn monumenten weg

oktober 26, 2013 by  
Filed under De Stad

Rotterdam blijft fascineren. Die stad is nooit af. Ik heb er lang gewoond en kom er nog graag. En telkens wordt mijn blik weer getrokken door al die bouwputten. Door de energie en de durf waarmee in deze stad nieuwe plannen worden gesmeed. Hoe mooi is het dat daarbij ruim baan wordt gemaakt voor de grote architecten uit de eigen stad. Van de Broek en Bakema ontwierpen hier na de oorlog hun roemruchte Lijnbaan, Maaskant en Van Tijen het Groothandelsgebouw, en al die andere hoopgevende modernistische gebouwen. Wim Quist tekende de nieuwe schouwburg, het Maritiem Museum, het Nedlloyd-gebouw aan de Maas en het Robeco-gebouw aan de Blaak. Hoogstad bouwde het hoofdkantoor van Unilever en een woontoren aan het Weena. Adriaan Geuze ontwierp het Schouwburgplein (sorry, niet erg geslaagd) en de nieuwe markt. Eric van Egeraat bouwde aan InHolland. Rem Koolhaas bouwt nu De Rotterdam op de Wilhelminapier, het nieuwe stadskantoor en straks misschien Forum. En MVRDV metselt al een tijdje aan de nieuwe Markthal bij station Blaak.

Die geest van vernieuwing hoort bij de stad. Sinds de oorlog wordt er geheid in de stad. En sinds de oorlog staan Rotterdammers bij hun bouwputten te kijken. Waar in Amsterdam op bouwwerken wordt gescholden, is een bouwput in Rotterdam het symbool van hoop. Hoop op afronding van de stad. Tegelijkertijd weten we dat die hoop ijdel is. Omdat de stad nooit af zal zijn. Niet in het minst omdat de bouwwoede ook sans rancune ten koste gaat van gebouwen die in het recente verleden het resultaat van diezelfde bouwwoede waren.

Zo was de komst van de Hogesnelheidslijn reden om het oude station te vervangen. Vóór het station moest bovendien de smalle verkeerstunnel worden verbreed. En onder de grond vindt Randstadrail zijn aansluiting op het metronet. Rotterdam Centraal stond dus jaren symbool voor Rotterdam: bouwput, bouwput en nog eens bouwput. Hier wordt een stad gebouwd.

Maar hier wordt ook een stad afgebroken. We zouden namelijk bijna vergeten dat het oude Rotterdam Centraal een prachtig monument was van architect Sybold van Ravesteyn. Het station was een voorbeeld van de wederopbouw. De lichtheid van de grote stationshal, de lichtheid – in ander opzicht – van de perronoverkapping, het had allemaal een grote schoonheid. Natuurlijk, er was inmiddels veel mis aan dat station. Het was te klein, en het is zeker te klein als de HSL ooit een succes gaat worden. Het kon de nieuwe vervoerstromen niet meer aan. Ook het metrostation was te klein en te benauwd. Er was dus alle reden om iets nieuws te bouwen. Iets nieuws dat indrukwekkend is, dat prachtig is, dat meteen het mooiste station van Nederland is. Ja dit keer van een architectenbureau dat niet uit Rotterdam komt: Benthem Crouwel.

Het blijft een pleister op de wonde. De sloop van het prachtige station van Van Ravesteyn doet me nog steeds pijn. Die sloop heeft ook iets Rotterdams in een minder positieve zin: aan het bouwen gaat vaak ondoordacht slopen vooraf. Bouwen staat in Rotterdam vaak gelijk aan ‘helemaal opnieuw beginnen’. En helaas staat Rotterdam hier model voor veel andere steden in Nederland. We hebben weinig geduld met onze steden. De tijd dat we eeuwenlang bouwden aan onze grachtengordels ligt ver lang achter ons. Ook de tijd van het Plan Berlage is echt voorbij. Tegenwoordig straalt stedebouw vooral veel ongeduld uit. We hebben nauwelijks een plan en zijn soepel in onze argumenten.

En ook die manier van werken leidt tot veel schoonheid. Organische groei leidt nu eenmaal vaak tot interessante plekken, ook als er nauwelijks een plan onder ligt. Maar een echte stad wordt wel gekenmerkt door een combinatie van oud én nieuw, door een verzameling van bouwstijlen. Dus het is niet de zucht naar iets nieuws dat me tegenstaat, maar de behoefte om het oude te vernietigen. Denk ook aan de Zwarte Madonna in Den Haag, een bijzonder project van Carel Weeber, dat na vijftien jaar al weer plaats moest maken voor een ander project. Oké, de Zwarte Madonna paste niet in de rijkdom die Den Haag op die plek wilde uitstralen. Maar het was wel een onderdeel van de identiteit van de stad.

Bovendien horen we oog te hebben voor de monumenten die vroegere bestuurders hebben nagelaten. Het station van Van Ravesteyn was een monument. Ik geef toe, het oogde de laatste decennia steeds kleiner, met al dat bouwgeweld in de directe omgeving. Maar toch was het nog steeds van grote schoonheid. Ook het Groot Handelsgebouw van Hugh Maaskant en Wim van Tijen dat ernaast staat, is zijn grootsheid verloren na de komst van Nationale Nederlanden en al die andere prachtige pieken aan het Weena. En wordt nu nog pijnlijker weggedrukt door het nieuwe station. Maar ondanks alles: het hoort daar te staan. Voor de identiteit van de stad én omdat het zo typisch een monument is van de vorige generatie.

En nog iets: het is bijna niemand opgevallen maar in het bouwgeweld in Rotterdam is ook een hele vroege ‘Koolhaas’ ten onder gegaan; een leuke overkapping van het busstation, mooi aansluitend bij de vorm van het station. Ik worstel bij aankomst in Rotterdam dan ook altijd met die ene vraag: waarom wordt in Amsterdam terecht alles gedaan om het station van Pierre Cuypers bij de stationsuitbreiding te laten staan, terwijl in Rotterdam anderhalf monument achteloos is weggepoetst?

Mijn plek in de stad: heimwee naar Rotterdam

oktober 16, 2013 by  
Filed under De Stad

Mijn plek in de stad bestaat niet meer. En mijn stad is mijn stad niet meer. Laat ik met het laatste beginnen. Ik weet niet hoe het andere mensen vergaat die in hun leven al meerdere steden hebben bewoond, velen delen die ervaring, maar mijn huidige woonplaats is nooit ‘mijn stad’ geworden. Achtereenvolgens heb ik gewoond in Meppel, Groningen, Leiden, Rotterdam en Den Haag, maar Rotterdam springt er ver boven uit. Als ik er kom, kom ik thuis, in mijn stad. Daarmee is niets ten nadele van de andere steden gezegd. In Den Haag woon ik objectief gezien geweldig; dicht bij de duinen, dicht bij het station, dicht bij snelwegen, mooi huis, mooie tuin (gesloten bouwblok!). Maar mijn gevoel ligt nog steeds in Rotterdam. En de stad waar ik woon, is mijn stad dus niet meer.

Mensen die nimmer in Rotterdam hebben gewoond, kunnen zich mijn liefde voor Rotterdam soms maar moeilijk voorstellen. Zij menen dat Rotterdam een kale en kille stad is met weinig beschutting. Anderen weten dat Rotterdam een arme stad is met relatief veel werkloosheid. Maar ik ken de dynamiek van die stad. Ik weet hoe die stad 24 uur per dag leeft, en ik weet hoe rauw de Rotterdamse dynamiek kan zijn. Hoe onopgesmukt de cultuur en de kunst. Dat veel grote architectenbureaus  in Rotterdam zijn gevestigd. En ik ken de daadkracht van de stad. Hoe het bestuur en de bewoners van Rotterdam zonder te versagen proberen de stad te vernieuwen en de uitstraling van een werkelijk grote stad te geven. Dit uit zich in een eindeloze rij plannen, die ook bijna allemaal worden gerealiseerd. In de tijd dat ik in Rotterdam woonde, zijn de Boompjes ontwikkeld, met het Nedlloyd-gebouw van Quist; is het Weena ontwikkeld, met de kantoren van onder anderen Bonnema en Hoogstad; is het museumkwartier ontwikkeld, met het prachtige architectuurinstituut van Jo Coenen en de uitbreiding van het Boymans van Hubert-Jan Henket, is het Schouwburgplein door Quist, Van Velzen en Geuze omgetoverd en zijn de eerste plannen ontwikkeld voor de Kop van Zuid. Ik geef het toe: vaak vallen met name de economische resultaten tegen. De Boompjes zijn nooit een levende boulevard geworden ondanks het prachtige paviljoen van Mecanoo. Hetzelfde moet van het Weena worden gezegd, waar de dependance van het Boymans al snel weer werd gesloten. Op het Weena wordt niet geflaneerd, niet gewinkeld; er wordt alleen (snel) verplaatst. Ook de Kop van Zuid heeft nog niet de economische impuls gegeven aan Rotterdam die de stad zo node mist. De ‘Koopgoot’ vormt in dit verband een positieve uitzondering. Niet getreurd: Rotterdam zal nieuwe plannen blijven maken tot de stad niet meer ‘de verkeerde lijstjes aanvoert’, zoals oud-burgemeester Ivo Opstelten altijd zei.

En mijn plek in mijn stad bestaat niet meer. Mijn lievelingsplek in Rotterdam bevond zich op de oevers van de Maas. Op het hoekje van het oorlogsmonument, dat een aantal jaren in de zomer tot strand werd omgetoverd. Ook de Spido heeft daar een tijdje zijn afvaarten gehad. Wie hier in zuidwestelijke richting kijkt, ziet de prachtige brug van Van Berkel, in de volksmond: ‘de Zwaan’, afsteken tegen de lucht. Het blijft een indrukwekkend ontwerp, het is een fenomenaal logo voor de stad. Het getuigde van grote wijsheid van de gemeenteraad om indertijd een meerprijs van 30 miljoen gulden voor de brug te betalen om dit ontwerp mogelijk te maken. De twee zwarte ‘wachters’ van Wiel Arets hebben de brug in mijn beleving nog mooier gemaakt. Overigens schijnt dit, zelfs in Rotterdam, een afwijkend standpunt te zijn. Toch ontneemt de brug me het uitzicht dat ik vroeger op deze plek had. Zonder Erasmusbrug was het uitzicht vrij. En de overkant was veel verder weg. De Nieuwe Maas stroomde voor je voeten in de richting van de zee. En heel vaak vervloeiden lucht en water aan de horizon. In het ochtendlicht was het prachtig, maar ook in de herfst en in de winter als het een beetje mistig was. Of die keer, het zal in 1986 zijn geweest, toen de rivier eindeloze brokken ijs meevoerde. Het zachte geklots van de rivier aan je voeten maakte altijd deel uit van het uitzicht. En altijd was het licht weer anders. Hoe mooi die Erasmusbrug ook is, hij heeft mij dit uitzicht ontnomen. En dat niet alleen. De waarschuwing van publicist Herman Moscoviter is uitgekomen. De brug heeft de rivier klein gemaakt. Door de hoogte van de brug is de rivier gedegradeerd tot een klein stroompje. De overkant is akelig dichtbij, de mist lijkt voor eeuwig opgetrokken. Rivier en lucht vervloeien niet meer aan de einder. En de rivier stroomt niet meer naar de zee. De rivier stroomt voor goed onder een brug door.

Rotterdam Marathon als begin van nieuwe loopbaan

april 15, 2013 by  
Filed under lopen

Ik durf het nu wel toe te geven. Die dramatische marathon in januari, van Den Haag naar Noordwijk en terug, over het strand, had mijn zelfvertrouwen een aardige knauw gegeven. Strand is geen asfalt, maar toch. 4 uur en 33 minuten. En dat niet alleen. Het laatste uur moest ik steeds maar weer wandelen. Ik had één goed excuus: ik had wellicht een kleine griep onder de leden. Midden op het strand had ik staan kotsen en zelfs voor mij was dat nieuw. Maar de week na de marathon was ik fit en trainde ik goed. Pas daarna kwam een periode van vier weken griep en longontsteking.

Het voelde niet goed. Moest ik concluderen dat het einde van mijn loopbaan was aangebroken? [Ja voor fanatieke lopers is het lopen een parttime baan.] In 2012 was alles al misgegaan. Slechts één marathon, in Rotterdam, met een nette tijd van 3:38. Maar meer zat er niet in. Steeds maar weer ziektes en blessures en steeds maar weer nieuwe marathons en nieuwe ultralopen plannen, nadat ik de geplande voorbij liet gaan zonder een stap te zetten. En de vervelendste blessure was die kromme teen. Alle mensen boven de 60 kunnen daarover besmuikt praten. Een hallux valgus. De grote teen staat naar binnen en drukt de voet zo naar buiten. In de knobbel die vervolgens knel komt te zitten in de schoen, ontstaat al gemakkelijk een ontsteking.

Ik had die rare hallux al een paar jaar. Lange tijd was het niet meer dan een dood gevoel in mijn grote teen, sporadisch afgewisseld door een ferme pijnscheut. Ik weet die pijn aan een steentje in mijn schoen. Maar kon dat steentje achteraf nooit vinden. Na de zomer van 2012 kwam de fase van de erkenning. Ja, ik had een hallux valgus. Ik bezocht drie podologen en kocht vele zooltjes. Ik deed al mijn dagelijkse schoenen weg en kocht vier nieuwe paren, allemaal ‘extra breed’. De nuchtere kijk van de derde podoloog bracht enige rust in het circus. Ze decreteerde niet, maar ze experimenteerde. Zoals een echte wetenschapper betaamt, en dat bleek ze ook te zijn. Alleen in een ander vak.

De pijn ging over, tenminste als ik niet hard liep. Dus bij het lesgeven, bij het schrijven van stukjes en bij het slapen. Tijdens het hardlopen was de pijn minder, maar nog niet verdwenen. Uiteindelijk schafte ik ook nieuwe loopschoenen aan, een maatje groter dan normaal. Ook dat nam weer een deel van de pijn weg. Maar nog steeds niet alle pijn.

Dan ga je denken. Is dit nu het einde van mijn loopbaan? Is nu alles afgelopen? Kan ik nu nooit meer vijfmaal per week trainen. Kan ik nooit mee zenuwachtig worden voor een marathon? Kan ik nooit meer de Swiss Alpine lopen? Wie aan het antwoord denkt, heeft geen woorden. En als dan zo’n strandmarathon ook nog eens helemaal misgaat, lijken al die angsten te worden bevestigd. Dit is het einde van mijn loopbaan. Nooit meer vijfmaal trainen, nooit meer Rotterdam, nooit meer Berlijn, nooit meer Swiss Alpine.

En om die reden was de Rotterdam Marathon van 14 april 2014 zo cruciaal. Ik had mezelf beloofd dat ik alle verdere plannen zou cancelen als ‘Rotterdam’ niet goed zou gaan. Geen Leiden Marathon in mei, geen Swiss Alpine in juli, geen Vredesmarathon in september, geen SPARK-marathon in december. Nee, gewoon maar een andere hobby zoeken.

En zo sliep ik slecht de nacht voor de marathon (heb ik overigens altijd) en zo was ik weer bloednerveus de uren voor de marathon (heb ik overigens ook altijd). En zo probeerde ik thuis weer niet te laten merken dat ik bloednerveus was. En zo besloot ik om de Goden niet te verzoeken en ging ik weg op een beschaafde tijd van 3:50. En remde ik enorm af toen ik merkte dat ik alras veel sneller ging. Ik wist dat ik sneller kon, maar was doodsbang dat ik me te pletter zou lopen. Allemaal braaf 26, 25, 27 minuten over de 5 km. In dat altijd weer prachtige Rotterdam.

Na het passeren van de halve marathon, durfde ik voorzichtig te denken dat het helemaal niet zo slecht ging. Ik liep lekker constant door. En bij de terugtocht over de Erasmusbrug, de Zwaan, kon ik er niet om heen dat de tweede beklimming mij veel minder zwaar viel dan andere jaren. Bij de onderdoorgang van het Blaakse Bos bedacht ik me dat ook de laatste lus al weer vorderde. In de Boezemweg genoot ik van de muziek en merkte ik dat ik zeer aanspreekbaar was. Het Kralingse Bos was veel minder lang dan andere keren. Alleen de kasseiën van Alexanderpolder vielen tegen, zeker nadat een een andere blessure onverwachts opspeelde. Na 36 km was die even onverwachts weer verdwenen. Bij het feest in Kralingen genoot ik en riep een toeschouwer dat ik alleen maar lachte. Ze kon niet zien dat ik even later heftig huilde. Op de Boezemweg begon ik high fives te geven en ontving een heerlijk spekkie, waarmee ik mijn suiker op peil kon houden. Bij het 40-km-punt wandelde ik nog even om wat te drinken, want ook het drinken ging de hele dag goed. De Mariniersweg valt altijd wat tegen, want loopt omhoog, ook vandaag. Maar daarna begon het echte genieten. De dikke rijen mensen die al snel tot enthousiasme konden worden overgehaald. De kinderen die weer high fives wilden hebben. De laatste bocht, de Coolsingel op. Stampvol. Vrolijk, blij. De heerlijke dreunende muziek. En die laatste 2195 meter gingen in 11 minuten.

Na de finish maakte ik een dansje met een levende banaan, en nog een dansje met een andere levende banaan. Om mij heen was er vooral stilte. Neerhangende hoofden. Lopers die wel die tik hadden gekregen tussen 35 en 39 km. Die tik wilde bij mij vandaag maar niet komen. Zoals me heel zelden eerder is overkomen. Mijn loopbaan is weer even gered. Volgende maand mijn 42e en in juli weer de Swiss Alpine.

Interview bij Radio over 1 Loopgek

maart 12, 2013 by  
Filed under lopen

Zie hieronder het interview met Wim Derksen over zijn boek ‘Loopgek’, op 6 september 2011 bij het Radio 1 programma ‘Dit Is De Dag’.