Lodewijk Asscher en het nieuwe perspectief #PvdA

januari 10, 2021 by  
Filed under artikel, Geen categorie, Voorpagina

Op 7 december jl. was het de beurt aan Lodewijk Asscher om de Den Uyl-lezing uit te spreken. Het was een lezing die klonk als een klok. Asscher had er duidelijk werk van gemaakt. Het was een coherent verhaal. Hij trok een stimulerende conclusie: we moeten terug naar de ideologie. Waar Wim Kok in 1995 de ideologische veren had afgeschud, koos Lodewijk Asscher weer voor een ideologische PvdA, weg van het pragmatisme. En zeker weg van het neo-liberale denken. 

In dat neo-liberale denken staat de markt centraal. Overal waar de markt en marktprikkels het maatschappelijk verkeer kunnen coördineren, moet de markt zijn werk doen. Veel erger: in dit denken is de overheid niet de oplossing, maar het probleem. Mannen als Sweder van Wijnbergen riepen in die tijd: laat het over aan de markt als er een markt is, en als er geen markt is, moet je een markt scheppen. 

Door zich (deels) tot dit neo-liberale denken te bekeren is de PvdA ver weggeraakt van de lang beleden sociaal-democratie. Daarbij mogen we overigens niet vergeten dat de PvdA tussen 1994 en 2017 16 jaar in de regering heeft gezeten. Dat is bepaald geen slechte score. Maar het neo-liberale denken heeft uiteindelijk wel de samenleving een enorme poets gebakken. Ten eerste bleek die marktwerking op tal van terreinen heel anders te werken dan werd gesuggereerd. En ten tweede werd de markt zo dominant dat de ongelijkheid alleen maar groter werd, vooral in vermogens, maar ook in kansen. Het werd steeds duidelijker dat de PvdA een majeure draai zou moeten maken: weg van het marktwerking, terug naar een overheid die zekerheid biedt. En een overheid die zorgt voor gelijke kansen op zelfbestemming.

De Den Uyl-lezing van Asscher staat symbool voor die omslag. Maar de lezing staat ook symbool voor de omslag van Lodewijk Asscher zelf. Hij was vice-minister-president in het kabinet Rutte-II, dat nog geheel begeesterd was door marktwerking en markt-prikkels. De PvdA heeft het geweten. We zullen de verkiezingsnederlaag van 2017 niet snel vergeten. De lijst werd in 2017 aangevoerd door Lodewijk Asscher, en diezelfde Asscher bewijst nu dat hij van zijn fouten heeft geleerd. Zelden een politicus gezien die zo integer zijn fouten uit het verleden toegeeft. 

Asscher ziet in zijn lezing drie problemen: de toenemende ongelijkheid, de sociale ontheemding en de gemankeerde verzorgingsstaat. De toegenomen ongelijkheid heb ik al aangetipt. Asscher geeft schrikbarende voorbeelden. Dat de 26 rijksten op de wereld evenveel bezitten als de 3,8 miljard armsten. En wat te denken van de enorme verschillen in levensverwachting, ook in Nederland, tussen rijk en arm. En van de kansenongelijkheid in het onderwijs die de laatste jaren alleen maar groter is geworden. 

Met sociale ontheemding verwijst Asscher naar het feit dat mensen steeds meer een vreemde zijn in hun eigen buurt (doordat buren de eigen taal niet meer spreken), in de eigen baan (doordat ze alleen maar een flex-contract hebben) en in eigen land omdat juist de ‘somewheres’ in hun bestaan op de proef worden gesteld, terwijl de ‘anywheres’ zich, zoals hun naam al aangeeft, overal thuis voelen. 

Ten slotte is de verzorgingsstaat zo ingewikkeld geworden dat veel mensen niet de steun krijgen die ze nodig hebben. Maar de verzorgingsstaat is in de neo-liberale era ook verhard. De toeslagen-affaire is daarvan het meest pijnlijke voorbeeld. 

Al deze problemen vragen vooral om een overheid die weer/meer zekerheden biedt. De burger moet bestaanszekerheid worden geboden. De woningmarkt moet weer een woning bieden aan iedereen, de kansongelijkheid in het onderwijs moet worden bestreden, de economie moet werken voor mensen en niet voor aandeelhouders, de marktmacht moet weer worden gebreideld, de grond moet weer van ons zijn en niet van de speculanten. En de verzorgingsstaat moet voor iedereen een baan garanderen. 

Het is een coherent verhaal wat Asscher vertelt. Weg van het marktdenken, terug naar de zekerheid die de overheid hoort te bieden. Het is ook sympathiek om de overheid  iedereen een baan te laten garanderen. Een basisbaan in plaats van een basisinkomen. Toch klinkt in dat voorstel het verlaten neo-liberale denken nog een beetje door: “Je bent alleen succesvol als je een baan kan verwerven.” Ik hoop dan ook dat die verplichte basisbaan nog eens wordt vervangen door een basisinkomen voor mensen die geen werk kunnen vinden, terwijl de overheid tegelijkertijd heel veel banen schept ‘aan de onderkant’. Want die werkloosheid aan de onderkant is mede veroorzaakt door een overheid die vooral op banen aan de onderkant heeft bezuinigd. 

Het is een sympathiek verhaal. Weg van het economisme. Maar het is voorlopig ook nog te veel een verhaal van het ‘terug’. Terug naar een sociaal-democratie die bestaanszekerheid biedt. Een verhaal voor een PvdA die in het reine wil komen met zijn eigen wortels. En juist daarom zijn wellicht de vragen van morgen in het verhaal onderbelicht. 

Ik noem ze. Hoe gaan we om met de klimaatverandering en de verwoesting van ecosystemen op deze overbevolkte planeet? Hoe gaan we om met globalisering, migratie en Europa? Hoe gaan we om met populisme en democratie. Asscher bewijst lippendienst aan het klimaat, aan Europa en aan de democratie. Maar ik gun het hem om bij een volgende Den Uyl-lezing deze drie grote thema’s van vandaag en morgen verder uit te diepen. In het licht van de hervonden sociaal-democratie. Ik neem niet aan dat de sociaal-democratie op die vragen geen antwoord heeft. 

Bert Middel was toch geen buitenstaander

augustus 16, 2019 by  
Filed under Geen categorie

Bert Middel heeft zijn memoires geschreven. Bert Middel, wie? Bert Middel, een man met een lange staat van dienst in de PvdA. Altijd een beetje op de achtergrond. In Engeland zouden we hem een backbencher noemen. Maar hij heeft veel meegemaakt en goed geobserveerd. 

Ik ken Bert toevallig omdat we jaargenoten en studiegenoten waren. Sociologie in Groningen, 1970. En omdat ik toen al lid was van de PvdA. De Groningse PvdA was in die tijd met Max van den Berg en Jacques Wallage een roerige club. En geen aangename club. Terwijl ik de slangenkuil snel verliet en me overgaf aan de muziek, werd Bert Middel plaatselijk partijvoorzitter. 

Ik geloof niet dat ik Bert na die tijd nog ooit heb gesproken. Ik heb hem wel altijd op afstand gevolgd. In Groningen was het voorzitterschap van de afdeling zijn eindstation. In Assen werd hij raadslid. Na enige omzwervingen werd hij in 1989 met steun uit het Noorden lid van de Tweede Kamer. Dat bleef hij zonder veel zichtbaarheid tot 2002. In 1995 was hij even lid van Provinciale Staten van Drenthe, na een lijsttrekkerschap dat smoorde in interne conflicten. Tussen 2003 en 2007 was hij lid van de Eerste Kamer (dat was me even ontschoten). Tussen 2005 en 2011 was hij burgemeester van Drachten (Smallingerland). En tot slot is hij dijkgraaf in het Noorden van Groningen. 

Ik ken niet alleen Bert, maar ken nog beter het gebied waarin hij heeft geopereerd. Groningen, Drenthe, Friesland. Bert is een geboren Groninger. Opgegroeid in de Oosterpark, in stad Groningen, een authentieke arbeidersbuurt. Bert beschrijft op een heerlijke manier het culturele verschil tussen Groningen en Drenthe. In Groningen noemen ze het beestje bij de naam. In Drenthe houden ze liever hun mond. In Groningen weet je wat je doen staat, in Drenthe hoor je alleen via anderen hoe erover je gedacht wordt. 

Maar wat is het boek meer dan een zeer uitgebreid verslag van een leven in politiek en bestuur? Hoe aardig en vaardig het ook is geschreven. Het is in ieder geval een nauwgezette weergave van de manieren in de politiek en in de PvdA in het bijzonder. En die liegen er niet om. Middel schuwt niet om zijn partijgenoten “kannibalistische partijtijgers” te noemen. Hij hekelt de oligarchie in de Groningse partijafdeling (waar hij toch zelf partijvoorzitter was). Hij hekelt het algemene gebrek aan aandacht van de partijtop.  Ach, laat ik nog maar een paar citaten geven: “De PvdA was en is wellicht nog steeds de partij van (te) grote ego’s. De eigen voortreffelijkheid staat niet ter discussie.” “Het is ieder voor zich en de partij voor ons allen.” “Komt een PvdA-er binnen, komt botheid binnen. Vraag het bodes, vraag het chauffeurs van dienstauto’s, vraag het personeel van koffiekamers, vraag alle ondergeschikten.” “Zet twee PvdA-ers bij elkaar en de verzuring slaat toe.” Al met al: het is verschrikkelijk in de PvdA. En Bert Middel heeft daar zijn hele leven doorgebracht. Je vraagt je af hoe hij het heeft volgehouden. En wat de reden voor hem is geweest om te blijven, als het zo verschrikkelijk was. Overigens valt het gaandeweg op dat Middel ook zelf niet schroomt om veel partijgenoten negatief te kwalificeren. Is dat niet een symptoom van dezelfde cultuur?

Misschien valt de cultuur van de PvdA ook zo op, omdat Middel eigenlijk nergens over de inhoud schrijft. Ja, we horen welke portefeuilles hij mag beheren. Maar over diepgravende opvattingen wordt ons niets gewaar. Politiek en besturen is een kwestie van conflicten oplossen of op zijn minst conflicten overleven. En vooral een kwestie van kandidaat worden gesteld en worden gekozen. En dat gaat niet alleen om de reguliere verkiezingen voor gemeenteraad, Provinciale Staten en Eerste en Tweede Kamer, maar nog veel meer om het interne gerommel rondom de keuze van wethouders en gedeputeerden. En niet te vergeten: wie wordt er lid van het fractiebestuur?!

Het gebrek aan beschouwingen over de inhoud breekt Middel vooral aan het einde van zijn boek op, waar hij een poging doet om aan te geven hoe de PvdA weer betekenis zou kunnen krijgen. Hij komt niet veel verder dan zijn voorkeur voor het socialisme boven de sociaaldemocratie en dan nostalgische verhalen over hoe inspirerend de PvdA vroeger was. Op zijn minst zou ik toch willen weten hoe een nieuwe PvdA zich verhoudt tot globalisering, immigratie, marktwerking, klimaatverandering, om er een paar te noemen. En ik mag toch ook aannemen dat de samenleving is veranderd sinds Bert opgroeide in de Oosterpark in Groningen. Geen woord. 

Maar dat Middel niet even een nieuwe richting aangeeft voor de PvdA is hem vergeven. Tot op heden lukt dat nog niemand overtuigend. Om die reden schuurt het boek voor mij vooral in zijn distantie. In het afstand nemen van de partij. Middel is toch onderdeel geweest van die partij, al die jaren? Juist daarom begint het steeds meer te storen wanneer hij weer ergens excuses voor aanbiedt. Daarbij gaat hij soms wel erg gemakkelijk door het stof. “Alard Beck noemt mijn uitlatingen in de WAO-affaire “beneden niveau”. “Daarin had hij groot gelijk.” Hij stemt in de Eerste Kamer tegen de gekozen burgemeester en meent achteraf dat hij daar “fout zat”. En zo zijn de voorbeelden talloos. Hoe lang blijft spijt nog geloofwaardig? Hoe vaak kan je oprecht spijt hebben van al de dingen die je hebt gedaan? Want één ding is toch echt duidelijk: als je zoveel functies namens de PvdA hebt vervuld, ben je geen buitenstaander meer. 

De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten

januari 2, 2018 by  
Filed under artikel

Het duurde even voordat ik de gelijkenis zag. Ik had me opgewonden over een stukje van Jacques Wallage over ‘burgerkracht’. Zoals ik me eerder had opgewonden over een nota van Ronald Plasterk over ‘doe-democratie’. Ik schreef voor Socialisme & Democratie een reactie [zie hier] Waarom zouden we moeten geloven dat de overdracht van taken van de overheid naar de burgers een panacee voor alle kwalen is? Het deed me denken aan het neo-liberale vertoog uit de jaren 80 en 90, toen we moesten kiezen voor de markt. Misschien zal deze vergelijking op het eerste gezicht verbazen. Maar de gelijkenis is frappant.

Voor de neo-liberalen was de overheid niet de oplossing, maar het probleem. En ja hoor: de markt kon het allemaal veel beter. Zo werd niet alleen heel veel is geprivatiseerd, maar werd ook op veel plaatsen het marktmechanisme ingevoerd: aanbod en vraag bepalen de prijs. Voor de neo-democraten is de politiek niet de oplossing, maar het probleem. En ja hoor: de burger kan het allemaal beter zelf doen. In beide gevallen wordt het nest van de representatieve democratie bevuild.

Maar waarom zouden we op voorhand kunnen zeggen dat de markt beter is dan de overheid. Of waarom weten Wallage en Plasterk op voorhand dat de burger beter is dan de politiek (de overheid). Volg even de redenering van WRR uit 2000: het politieke debat moet niet gaan om een ideologische keuze tussen overheid en markt maar om de vraag welke maatschappelijke belangen in het geding zijn. Wat willen we met elkaar bereiken? Willen we waterveiligheid, willen we bestaanszekerheid, willen we een solidaire gezondheidszorg? Willen we sociale cohesie, willen we voldoende brood, willen we duurzame energie? Laat, stelde de WRR, bij voorkeur de markt zelf die problemen oplossen. Maar als dat niet lukt heb je toch echt de overheid nodig. De markt zorgt uit zichzelf voor voldoende brood. Maar de markt zal door de overheid moeten worden gestuurd voordat duurzame energie de overhand heeft. Waarom zou je voor de markt kiezen, als de markt het alleen niet af kan? Waarom zou voor de overheid te kiezen, als de markt het zelf ook kan?

De discussie ‘overheid of burger’ is in de kern een even onzinnige discussie. Ook hier moeten we eerst vaststellen welke waarden we in de samenleving willen nastreven, welke maatschappelijke belangen moeten worden gediend. Hebben we groen gras nodig? Laat de buurt zijn eigen plantsoen gaan maaien en grijp in als ze ruzie gaan maken. Hebben we groen gas nodig, hoop dan dat de markt zijn werk doet, of stimuleer de ontwikkeling van groen gas door de maatschappelijke kosten van fossiele energie in rekening te brengen bij de producent. Ach, vult u maar aan. In veel gevallen kunnen de burgers het allemaal zelf wel. Maar in nog meer gevallen heb je echt een overheid nodig, als je erop staat dat bepaalde maatschappelijke belangen worden behartigd. En vooral sociaal-democraten zouden moeten weten dat veel van hun idealen niet zonder steun van de overheid kunnen worden verwezenlijkt.

Waarom neuzelen sociaal-democraten over burgerkracht

december 21, 2017 by  
Filed under artikel, De Stad

Annemarie Kok schreef een prachtig stuk in S&D. Ze stelde de terechte vraag waarom zoveel vooraanstaande PvdA-ers (Wallage en Plasterk) zijn gaan geloven in ‘burgerkracht’ en ‘doe-democratie’. We zouden de burgers veel vaker zelf moeten laten beslissen. Ook wel: meer democratie en minder politiek. En het is opvallend dat je dit geluid vooral van politici hoort. Kok vraagt zich af: waarom zijn ze ‘klaar’ met de politiek. ‘Hoe zijn we toch in dit ‘weg-met-ons’-verhaal verzeild geraakt? Jacques Wallage voelde zich aangevallen en reageerde met een verkeerde intonatie en met een verkeerde argumentatie. Alle reden om nog even erop terug te komen.

Ik vermoed dat Wallage heeft verzuimd het essay Binding genoeg te lezen dat aan de basis stond van Koks beschouwing in S&D. Misschien had hij dan anders gereageerd. Binding genoeg is een helder opgebouwd filosofisch betoog, verpakt in een brief aan Jane Jacobs. De stad Groningen, waar Annemarie Kok woont, fungeert als basis. Zoals in vele steden, en in nota’s van Plasterk en Wallage, bestaat er in Groningen zorg over de wegvallende sociale cohesie, het wegvallende gemeenschapsgevoel. En zoals elders wil de gemeente Groningen daaraan iets doen door de beslissingsmacht in handen van de burgers te leggen. Kok analyseert dat er met die sociale cohesie in de Nederlandse samenleving weinig mis is. Ja, de buurt is steeds minder een integrerend kader, maar is dat al zolang Jacques van Doorn daarop een halve eeuw geleden wees. De sociale cohesie is langs functionele weg opnieuw ingevuld. Het probleem bestaat dus niet. En volgens Kok mankeert er ook alles aan de oplossing, als er wel een probleem zou zijn.

In Binding genoeg geeft Kok hilarische voorbeelden. Ze beschrijft hoe ze verzeild raakt op een G1000-bijeenkomst waar ‘Stadjers’ (Groningers) samen plannen voor de toekomst van hun stad gaan smeden. Drie dringen vallen haar van deze conferentie op. Ten eerste is na een korte gedachtenwisseling al meteen duidelijk in welke richting de stad zich moet ontwikkelen en wordt voor het gemak aangenomen dat alle niet-aanwezigen het met deze richting wel eens zullen zijn. Ten tweede hebben professionals op de conferentie een bepalende rol, onder andere omdat ze aan elke tafel als gespreksleider optreden. Ten derde komt er uiteindelijk niets terecht van al die plannen die binnen in één dag zijn ontwikkeld en vastgesteld. Na een jaar is iedereen het gedoe weer vergeten.

Het tweede voorbeeld gaat over de Stripheldenbuurt in Almere, waar de gemeente burgers  verantwoordelijk heeft gemaakt voor de openbare ruimte (verlichting, bestrating, binnentuin en de riolering). Alweer vanuit de gedachte dat deze ‘gezamenlijkheid’ de sociale cohesie in de buurt zou versterken. En ook alweer vanuit de gedachte dat de burgers het over het gebruik van die openbare ruimte vanzelfsprekend eens zijn. Waarom zou de gemeente zich daar dan nog mee bemoeien? Nou, misschien wel omdat het gedrag van de ene burger negatieve effecten heeft voor de ander? Het hele onzinnige idee heeft uiteindelijk vooral tot burenconflicten, hoge kosten en hoofdpijn geleid.

Het derde voorbeeld moet Wallage zeker aanspreken. Al wandelend door de stad Groningen constateert Kok hoe blij de burgers nog steeds zijn met het Verkeerscirculatieplan dat door Max van den Berg en Jacques Wallage in de jaren 70 tegen veel weerstand (vooral van bedrijven en middelstand) is doorgevoerd, nee, is doorgedrukt. De politiek nam indertijd zijn verantwoordelijkheid. Het heeft de stad fundamenteel veranderd. Ten goede.

Het is des te opvallender dat Wallage nu zo’n andere positie inneemt. Ik kan me niet herinneren – ik woonde toen ook in Groningen – dat Max en Jacques indertijd veel pogingen hebben gedaan om de onwillige automobilisten en de klagende middenstand te laten meepraten. Laat staan: hen in het kader van burgerkracht de macht over te dragen. Wallage beargumenteert zijn ommezwaai overigens nogal onduidelijk. Hij beroept zich meermalen op het feit dat ‘de politiek het niet meer alleen kan’. Waarbij hij blijkbaar achteloos het begrip politiek voor zichzelf en de zijnen reserveert. Burgers moeten meedenken met het beleid. Je hebt draagvlak nodig. Hoogopgeleide burgers zijn immers in staat veel beleid te frustreren. Maar daarover gaat het stuk van Annemarie Kok helemaal niet. Kok is helemaal niet tegen transparantie of tegen een gesprek met burgers. Kok stelt zich te weer tegen de neiging van veel politici om zelf geheel plaats te maken voor de burger, wie dat dan ook is. Niet de burgers netjes laten meepraten en uiteindelijk zelf beslissen. Nee, gewoon alles over de schutting gooien bij de burger.

Wallage geeft nog een ander, veel grootser argument. Ik citeer: “De opkomst van populistische partijen in heel Europa moet allereerst worden gelezen als een protest tegen het feit dat de prijs van de globalisering wel erg eenzijdig wordt betaald door mensen met een kwetsbare maatschappelijke positie.” Maar Jacques, is dat probleem met burgerkracht op te lossen? Het lijkt me dat hier internationale en nationale overheden aan zet zijn om ervoor te zorgen dat de maatschappelijke ongelijkheid niet veel te groot wordt en dat de kansen om mee te doen eerlijker worden verdeeld. Zeg maar: gewone sociaal-democratie en geen geneuzel over burgerkracht.

Persoonlijk blijf ik met veel vragen zitten na het debat over burgerkracht, doe-democratie, zelf-organisatie of hoe we die neiging van veel politici om hun werk aan burgers over te laten ook maar willen noemen.

  • Wat is er mis aan de representatieve democratie? Waarom zou het ‘vijf voor twaalf’ zijn als meer dan tachtig procent van de mensen gewoon gaat stemmen bij de laatste Kamerverkiezingen? En waarom kan bij gebleken slijtage de representatieve democratie niet worden opgelapt, in plaats van haar met het troebele badwater van de doe-democratie weg te gooien. Als er bijvoorbeeld twijfels zijn over de kwaliteit van raadsleden in sommige gemeenten, waarom maken we het raadslidmaatschap dan niet aantrekkelijker (in plaats van ook nog eens het wachtgeld af te schaffen, meneer Plasterk)?
  • Zijn burgers bereid om burgerkracht te leveren? Ik citeer nog even Annemarie Kok op basis van veel studies: “Maar niets wijst op een spontane bereidheid onder de meeste burgers om gratis en voor niets op structurele basis over van alles mee te denken, maatschappelijke werk in de buurt te verrichten en/of bestuurlijke verantwoordelijkheid te dragen”.
  • Is iedereen in staat om de gevraagde burgerkracht te leveren? Voorstanders van burgerkracht wijzen graag op het hoge opleidingsniveau van de burger. Maar daarbij denken ze vooral aan hun eigen vrienden. Terwijl het vmbo nog steeds de populairste onderwijsvorm is. En het is bekend dat lager-opgeleiden meer moeite hebben om mee te doen in die leuke processen waarbij burgers het werk van gemeenteraden overnemen. Kok wijst terecht ook op de kloof tussen de onkundige burger en de professionals die al gauw de leiding overnemen in het debat.
  • Wat doen we met tegenstellingen? Politiek gaat toch over tegenstellingen? Voorstanders van burgerkracht lijken vaak te suggereren dat we het allemaal op voorhand eens zijn met elkaar. Dat er sprake is van een win-win-situatie. Alleen het woord al. Maar zoals een verstandige wethouder mij laatste zei: “Wim, voor mij bestaat de burger helemaal niet; ik ken alleen de astmapatiënt die nog ongezonder wordt omdat andere burgers met oude diesels in de binnenstad willen rijden” Ja, wie krijgt dan zijn zin? Politiek is toch de gezaghebbende toedeling van waarden?
  • Waarom horen we altijd dezelfde voorbeelden over burgerkracht? Het gaat altijd over groene straten en opgelapte leeszalen. Het gaat nooit over sociale zekerheid, over klimaatverandering, over ongelijke kansen in het onderwijs, over ondermijning door criminele milieus. Allemaal onderwerpen waarop de samenleving zonder overheid en zonder politiek geen antwoord kan geven. Voor ons allen is het goed om nu iets aan het klimaat te doen, maar mij persoonlijk is het veel aantrekkelijker om te wachten tot een ander wat doet. Zou het kunnen zijn dat je juist van de PvdA meer steun voor de representatieve democratie zou verwachten?
  • Hoe overheidscentrisch is dat denken over het vergroten van burgerkracht? Heel erg. De teksten van Plasterk over doe-democratie zijn bij uitstek paternalistisch. Ja, ik krijg jeuk als de overheid over mij schrijft dat “de burger [dus: ik] in positie moet worden gebracht”. Of dat de overheid voortaan moet ‘zorgen dat’ in plaats van ‘zorgen voor’. De overheid moet ervoor zorgen dat ik iets doe? Mogen wij burgers even zelf bepalen wat de overheid voor ons moet doen?
  • Hoe naïef is dat denken over burgerkracht? Plasterk schreef met droge ogen dat we burgers moesten stimuleren om zelf maatschappelijke vraagstukken op te pakken. Gold dat ook voor mannen met zwarte mutsen die in Woerden een asielzoekerscentrum aanvielen? Of voor burgers die de wietteelt in Brabant feitelijk legaliseren? Dat zijn toch ook burgers die zelf maatschappelijke vraagstukken oppakken?
  • Dat brengt ons terug bij die centrale vraag: waar is de overheid van? Mijn antwoord is simpel: de overheid dient die maatschappelijke belangen te behartigen die zonder optreden van de overheid niet worden behartigd. De samenleving is vaak heel goed in staat om zijn eigen zaakjes te regelen. Voor veel sociale cohesie (wat vanzelfsprekend een maatschappelijk belang is) heb je de overheid niet nodig. Maar juist als de samenleving het niet kan, moet de overheid het niet aan de burgers overlaten. En dat zouden sociaal-democraten moeten weten.

 

[verschenen in Socialisme & Democratie, 2017, nr 6, pp. 48-50]

[zie ook: ‘De overheid is belangrijk voor sociaal-democraten’ op deze site]